Chapter 58 of 85 · 4000 words · ~20 min read

Part 58

„Gij zijt een onverbeterlijk vrouwenhater, maar ik geloof, dat gij een hekel aan de schoone sekse hebt omdat gij haar zeer weinig kent,” vervolgde Pen op vrij verwaanden toon. „Als gij een afkeer van de vrouwen op het land hebt omdat zij zoo saai zijn, dan moeten de Londensche vrouwen u toch vlug genoeg wezen. Het leven gaat te Londen in een ontzaglijke vaart voorbij: ik verwonder mij hoe de menschen het uithouden, mannen en vrouwen! Neem eens eene dame van de wereld tot voorbeeld, en zie welk een leven zij gedurende het Londensche seizoen leidt. Men moet vragen hoe zij het kan uithouden, en of zij op het einde van Augustus niet in slaap valt, om met het voorjaar pas weer te ontwaken? Zij gaat elken avond op partijen en zit er bij, om hare huwbare dochters tot lang na het aanbreken van den dag te zien dansen. Waarschijnlijk heeft zij thuis de kinderkamer vol kleintjes, aan welke zij een goed voorbeeld moet geven en liefde betoonen; te gelijk moet zij haar oog laten gaan over boter en brood, den catechismus, de muziek en het Fransch, en zorgen dat er ten één ure een gebraden schapebout op de tafel staat; zij moet bezoeken bij dames van haar eigen rang afleggen, hetzij als een beleefdheidsvorm, hetzij in hare hoedanigheid van lid van liefdadige genootschappen, of balcommissiën, of commissiën voor de landverhuizing, of commissiën voor Queen’s College, en ik weet niet hoeveel andere plichten eener Britsche staatsvrouw zij nog vervult. Waarschijnlijk houdt zij er nog eene lijst van armenbezoek op na; of zij deelt met den dominé soep of kleedingstukken uit, of zorgt voor een doelmatig godsdienstig onderricht in hare wijk, en, als zij althans in zekere gedeelten der stad woont, gaat zij vermoedelijk naar de vroegpreek. Zij moet de couranten lezen en voor het minst weten wat de partij van haar man doet, om er met hare buren aan het diner over te kunnen spreken; en het staat vast, dat zij alle nieuwe boeken leest, die uitkomen; want zij weet over die alle te spreken, en dat wel zeer juist en goed, en men ziet ze ook alle op de tafel in haar salon liggen. Verder drukt op haar de zorg om het huishouden goed te besturen, om met het geld rond te komen; om de modistenrekeningen harer dochters zoodanig in te richten, dat zij den vader en betaalmeester der familie niet te ijzingwekkend voorkomen; om hier en daar heimelijk een klein buitengewoon postje van uitgaaf af te schaffen en het bedrag in de gedaante van een bankbiljet aan hare jongens op de hoogeschool of op zee te zenden; om de inhaligheid der leveranciers te keer te gaan en de geldelijke abuizen der huishoudster te herstellen; om de bedienden te beletten met elkander te kibbelen, – in één woord, om het geheele huis in orde te houden. Voeg hier nu bij, dat zij een heimelijken smaak voor de een of andere kunst of wetenschap koestert, dat zij in klei boetseert, scheikundige proeven neemt, of in stilte op de violoncel speelt – en ik durf, zonder overdrijving, zeggen, dat vele Londensche dames iets dergelijks doen – dan hebt gij een tafereel voor u, waarvan onze voorouders nooit gehoord hebben, en dat uitsluitend aan onzen tijd en onzen trap van beschaving eigen is. Groote goden! wat leven en groeien wij snel! In negen maanden kweekt mijnheer Paxton een ananas zoo groot als een reiskoffer, terwijl er vroeger eene, niet grooter dan eene Hollandsche kaas, drie jaar noodig had om tot rijpheid te komen; en gelijk met het geslacht der ananassen, zoo gaat het met het geslacht der menschen. Hoiaper – wat is het Grieksche woord voor ananas, Warrington?”

„Houd op, om ’s hemels wil, houd met het Engelsch op en begin maar niet aan het Grieksch!” riep Warrington lachend uit. „Ik heb u nog nooit zulk eene lange rede hooren uitspreken, evenmin als ik wist, dat gij zoo diep in de vrouwelijke verborgenheden waart doorgedrongen. Wie heeft u dat alles geleerd, en in welke boudoirs en kinderkamers hebt gij rondgegluurd, terwijl ik hier op mijn stroozak mijne pijp lag te rooken en mijn boek te lezen?”

„Gij zit aan den oever ouwe jongen, en ziet het aan hoe de golven door den wind opgezweept worden en hoe anderen tegen het geweld der zee worstelen,” antwoordde Pen „Ik ben nu midden in den stroom, en, bij den hemel, het bevalt mij! Wat gaan wij pijlsnel met den vloed af, niet waar? sterken en zwakken, ouden en jongen, aarde potten en ijzeren potten het lieve kleine porseleinen bootje dobbert vroolijk voort tot de groote en zware koperen schuit er tegen aanvaart en het in den grond boort – eh, vogue la galère! – men ziet iemand in dien wedstrijd zinken en roept hem het vaarwel toe; maar zie, hij is slechts onder de beenen van een ander heengedoken en komt een heel eind verder weer boven en zwaait zijne riemen. Eh, voque la galère, zeg ik! Het is heel genoeglijk, Warrington, – niet enkel het winnen, maar zelfs het wedijveren.

„Welnu, ga voort en overwin, jongen! Ik zal hier blijven zitten en naar het spel kijken,” zeide Warrington, terwijl hij den vurigen jongeling met bijna vaderlijke ingenomenheid aanzag. „Een edel karakter speelt om het genoegen van het spel, een laag karakter om den inzet; en een oude pruik zit bedaard zijne pijp te rooken, terwijl Piet en Klaas om den prijs vechten.”

„Waarom treedt gij dan ook niet in den kring, George, en trekt de bokshandschoenen eens aan? Gij zijt er groot en sterk genoeg voor,” zeide Pen. „Beste ouwe jongen, gij kunt er tegen tien van mijn slag opwegen.”

„Gij zijt stellig zoo groot niet als Goliath,” hernam de ander met een forschen en toch welwillenden lach; „maar wat mij betreft, ik ben machteloos geworden. In mijn vroeger leven heb ik een noodlottigen slag ontvangen. Ik zal u dat wel eens, op een anderen tijd, verhalen. Gij kunt ook uw meester nog vinden. Wees maar niet te voorbarig of te vermetel, of te wereldsgezind, beste jongen.”

Werd Pendennis inderdaad wereldsgezind of keek hij maar eens in de wereld rond of deed hij allebei? en is het een mensch zoo erg euvel te duiden, dat hij, alles bijeengenomen, slechts mensch is? Wie is het verstandigst en vervult zijn plicht het best: hij, die verre van den strijd des levens staat en dien kalm aanziet, of hij die het perk binnentreedt en deel aan den strijd neemt? „Die wijsgeer,” zeide Pen, „die afgemat uit de wereld trad en verklaarde, dat alles ijdelheid was en kwelling des geestes, had een aanzienlijke plaats onder de voorgangers van het menschdom bekleed en volop het aanzien, den rijkdom, den roem en het vermaak genoten, dat de wereld schenken kan. Menig godsdienstleeraar, dien wij eerbied toedragen, en die uit zijn rijtuig de rijk gebeeldhouwde hoofdkerk binnentreedt, zwaait zijne linnen manchetten over het fluweelen kussen heen en roept uit, dat die gansche strijd vervloekt is en dat al de werken der wereld boos zijn. Menig dweeper, wiens geweten hem kwelt, ontvliedt haar geheel en al, binnen wezenlijke of denkbeeldige kloostermuren, uit welke hij alleen kan omhoog zien naar de lucht en den hemel beschouwen, buiten welke geen rust en niets goeds bestaat.

„Maar de aarde, op welke onze voeten rusten, is het werk van dezelfde macht, die daar ginds het onpeilbare blauw geschapen heeft, in hetwelk de toekomst ligt, waarin wij met onzen blik zouden willen doordringen. Hij, die den arbeid tot voorwaarde des levens stelde, beschikte ook vermoeienis, ziekte, armoede, tegenspoed, voorspoed, – beschikte aan dezen man de eerste plaats en aan den anderen een strijd, in stilte gestreden, met den grooten hoop der menschen, – beschikte aan genen een smadelijken val of eene verlamming der ledematen, of onverwacht onheil, – aan iedereen eenig werk op den grond, dien hij betreedt, tot hij in den schoot daarvan wordt neergelegd.”

Terwijl zij aldus spraken, begon de dageraad door de vensters te schijnen, die Pen openwierp, om de frissche morgenlucht binnen te laten. „Kijk, George,” zeide hij, „daar rijst de zon op; zij ziet den boer naar het veld gaan; de naaister hare rampzalige naald hanteeren; den rechtsgeleerde misschien aan zijn lessenaar zitten; de schoone op haar donzen kussen slapen; of den uitgeputten losbol naar bed waggelen; of den koortslijder er op rondwoelen; of den dokter de smarten der moeder gadeslaan wegens het kind, dat geboren zal worden om zijn deel te nemen aan het lijden en strijden, het weenen en lachen, de misdaad, de wroeging, de liefde, de dwaasheid, de smart en de rust.”

ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE DANSERS VAN JUFVROUW AMORY.

De edele Henry Foker, dien wij een tijdlang uit het oog verloren hebben, heeft zich intusschen, gelijk wij ook van een man van zijne standvastigheid verwachten mochten, bezig gehouden met het aankweeken van en het toegeven aan zijn alles verslindenden hartstocht, de liefde.

Ik wenschte, dat eenige mijner jeugdige lezers, die tot deze uitspanning overhellen, de moeite wilden nemen eens uit te rekenen hoeveel tijd daaraan verspild wordt. Zij zouden dan bevinden, dat het een der kostbaarste tijdverdrijven is, waarmee men zich kan bezig houden. Hoeveel brengt gij niet, jonge heeren en jonge dames met onrustige harten, daaraan inderdaad ten offer! In de eerste plaats veel uren van uw kostbaren slaap, waarin gij ligt te woelen en te denken aan het beminde voorwerp; daarop komt gij laat aan het ontbijt, als de morgen reeds half voorbij is en al de leden van het gezin sinds lang aan hunne dagelijksche bezigheden zijn gegaan. Als gij dan eindelijk zelf aan de uwe gaat, wijdt gij er geen zorg aan en werkt gij zonder lust, want al uwe gedachten en geestvermogens zijn elders bezig. Is het dagwerk eindelijk slordig afgedaan, dan verwaarloost gij uwe vrienden en familie, uwe dagelijksche makkers en uwe gewone levensgezellen, om een blik te kunnen werpen op uwe geliefde, of op te zien naar hare vensters, of naar haar rijtuig in het park te gluren. Des avonds vervelen u de eenvoudige genoegens van den huiselijken kring; mama’s gesprekken vallen u koud op het lijf; de gerechten, welke die goede ziel voor het diner van haar lieveling heeft gereed gemaakt, worden weggenomen zonder dat gij er van geproefd hebt – kortom, het gansche feestmaal des levens is smakeloos, met uitzondering van één enkelen plat. Het leven, de bezigheden, de familiebanden, de huiselijke haard, al wat eenmaal nuttig en aangenaam was, wordt onuitstaanbaar, en gij zijt nooit op uw gemak dan wanneer gij het voorwerp uwer liefde najaagt.

Ik geloof, dat deze gemoedsstemming bij verliefde jonge heeren niet zeldzaam is, en het was dan ook de toestand van mijnheer Henry Foker, die van jongs af had kunnen toegeven aan al wat hij begeerde en zich nu ook met zijne gewone zelfzucht aan deze inspraak overgaf. Mannen van de wereld behoeven zich niet te verwonderen, dat mijnheer Foker, hoewel hij zijn vriend Arthur Pendennis bij eene vroegere gelegenheid zeer veel goeden raad gegeven had, nu zelf, op zijne beurt, de slaaf van zijn harstocht werd. Wie onzer heeft niet overvloed van den allerbesten raad aan zijne vrienden gegeven? Wie heeft niet gepreekt, en wie heeft naar zijn eigene leer gehandeld? Gij, mevrouw, zijt ontegenzeglijk een volmaakt wezen en hebt in den ganschen loop van uw koel en onberispelijk leven nooit eene verkeerde gedachte gekoesterd; of gij, mijnheer, zijt veel te krachtig van geest, om door een dwazen hartstocht uw kalm overleg op uw kantoor te laten storen, of u van het bezoek op de beurs te laten afhouden; gij zijt zoo sterk, dat gij geen sympathie noodig hebt. Wij zullen u die dan ook niet schenken, maar de onze voor de nederigen en zwakken bewaren, die strijden en struikelen en weer opstaan en met den stroom van ons stervelingen medegaan. Waartoe zoudt gij, die nooit valt, eene helpende hand behoeven? Uwe vlekkelooze deugd wordt nooit door hartstocht overschaduwd, door verzoeking verontreinigd, door berouw verduisterd; voor zulk een engel zou meewarigheid eene beleediging zijn; maar het gezelschap van zoo iemand wordt onuitstaanbaar; juist ten gevolge van de verhevenheid uwer deugd en de voortreffelijkheid uwer hoedanigheden moet gij noodzakelijk eenzaam blijven; wij kunnen ons niet hoog genoeg verheffen, om met zulke potentaten gemeenzaam te spreken. Vaarwel dus; onze weg voert ons bij nederige menschen en niet bij doorluchtige hoogheden zooals gij; en wij moeten waarschuwen, dat er in deze geschiedenis geen volmaakte personen voorkomen, behalve misschien één enkele, en die is nog niet volmaakt, want nog tot den huidigen dag weet zij het zelve niet, zoodat zij zich met eene beklagenswaardige zelfmiskenning en verkeerde nederigheid voor eene zoo groote zondares houdt als er wel bestaan kan.

Dit jonge meisje bevindt zich in het tijdperk van ons verhaal niet te Londen, en het is geenszins om haars gelijke dat het gemoed van mijnheer Henry Foker in onrust verkeert. Maar wat hinderen eenige weinige gebreken? Behoeven wij engelen of engelinnen te zijn, om als zoodanig vereerd te worden? Laten wij de verscheidenheid van den smaak onder het menschdom bewonderen; de oudste, de leelijkste, de domste en de stijfste, de flauwste en de oppervlakkigste, de grootste misdadiger, tiran, domkop, Blauwbaard, Catharina Hayes, of George Barnwell onder ons, behoeft niet te wanhopen. Ik heb een verhaal gelezen van de liefde, die een gedeporteerde zakkenroller voor eene vrouwelijke veroordeelde had opgevat (beiden waren bejaard, afzichtelijk van voorkomen, onwetend, twistziek en aan den drank verslaafd), eene liefde van even grootschen aard als die van Cleopatra en Antonius, of Lancelot en Ginevra. De hartstocht, dien graaf Borulawski, de Poolsche dwerg, in den boezem der schoonste baronnes aan het hof te Dresden deed ontbranden, is ons allen bekend, evenals de vlam, die nog pas onlangs het hart van den jongen luitenant Tozer verteerde en hem mevrouw Battersby, die oud genoeg was om zijne mama te zijn, deed schaken en trouwen. Al die gevallen worden ons in de bladzijden der geschiedenis, of in de kolommen der nieuwsbladen medegedeeld. Moeten wij ons schamen of verblijden bij de gedachte, dat ons hart aldus geschapen is, dat de grootste en hoogst geplaatste Ajax in ons midden op zekeren dag knielen kan voor de houten klompen zijner keukenmeid; en dat er geen armoede, of schande of misdaad bestaat, die niet getorscht, zelfs met verrukking aangegrepen en inniger dan de deugd bemind kan worden door de hardnekkige getrouwheid en de bewonderenswaardige en standhoudende dwaasheid eener vrouw?

De weledelgeboren heer Henry Foker zuchtte dus naar zijne geliefde, en verwenschte het noodlot, dat hem van haar gescheiden hield. Toen Lord Gravesend met zijn gezin naar zijn buitenverblijf vertrokken was (nadat Mylord zijne volmacht, om in het Hoogerhuis voor hem te stemmen, aan den achtbaren Lord Bagwig had ter hand gesteld), bleef Henry zich te Londen ophouden, zekerlijk niet tot verdriet van Lady Anna, met wie hij verloofd was en die hem in het minst niet miste. Waar jufvrouw Amory heenging, bleef deze verdwaasde jonkman haar volgen en daar hij wist, dat zijn engagement met zijne nicht in de wereld bekend was, zag hij zich genoodzaakt een geheim van zijne liefde te maken en deze in zijn eigen borst op te sluiten, zoodat zij daar ingeperst en neergedrukt werd, en het wonder is, dat hij niet op den een of anderen dag door de uitzetting van dat geheim barstte en na die ontploffing dood ineenzakte.

Er was op zekeren schoonen Juni-avond eene groote partij op Gaunt House geweest en de bladen behelsden den volgenden dag bijna twee geheel uiterst compres gedrukte kolommen met de namen der adellijke en aanzienlijke personen, die met uitnoodigingen tot het bal vereerd waren geworden: Onder die gasten werden ook Sir Francis en Lady Clavering en mejufvrouw Amory vermeld, voor welke de onvermoeibare majoor Pendennis eene uitnoodiging had weten te verkrijgen, en onze jonge vrienden Arthur en Henry. Elk van beiden zette zijn beste voetje voor en danste heel veel met Blanche. De waardige majoor zelf nam de zorg van Lady Clavering op zich en geleidde haar naar die zaal, waar mylady zich inzonderheid kon onderscheiden, namelijk de ververschingszaal, waar den ganschen avond gesoupeerd werd, te midden van schilderijen van Titiaan en Giorgione, vorstelijke portretten van van Dyck en Reynolds, ontzaglijk groote gouden en zilveren vaatwerken, pyramiden van groote bloemen, en zonnestelsels van waskaarsen – alles, in één woord, op een voet, die bewees dat er niet naar de kosten gevraagd was. Het past ons niet te zeggen hoeveel crêmes, geleien, saladen, perziken, bouillons, druiven, patés, galantines, kopjes thee, glazen champagne en andere ververschingen Lady Clavering gebruikte. Hoeveel de majoor leed terwijl hij de eerzame dame volgde en de statige bedienden en de dienstmeisjes riep en met bewonderenswaardig geduld in Lady Clavering’s verschillende behoeften voorzag, dit weet niemand, want hij is er nooit voor uitgekomen. Hij zorgde, dat zijne zielesmart zich in het minst niet op zijn gelaat afspiegelde, en bracht met onvermoeide voorkomendheid het eene bord na het ander aan de begum.

Mijnheer Wagg telde al de gerechten, waarvan Lady Clavering gebruikte, zoolang hij tellen kon (maar daar hij zelf in den loop van den avond zeer ruim van den champagne gebruik maakte, kon men zich tegen het einde der partij niet meer op zijne rekenkundige bekwaamheden verlaten), en hij drukte Honeyman, Lady Steyne’s dokter, ernstig op het hart toch goed op de begum te letten en den volgenden dag naar den welstand van mylady te gaan informeeren.

Ook Sir Francis Clavering vertoonde zich en slenterde eenigen tijd door de prachtige zalen maar daar het gezelschap en de weelde, welke den baronet omringden, niet naar zijn smaak waren, verliet hij Gaunt House, na aan het buffet een paar bierglazen wijn naar binnen gezonden te hebben, en begaf zich naar de welbekende groene tafel in de nabuurheid van Jermyn Street, waar zijne vrienden Loder, Punter, de kleine Moss Abrams en kapitein Skewball vergaderd waren. Onder het ratelen van de dobbelsteenen en bij hun aangenaam onderhoud verhief zich Clavering’s geest tot zijne gewone hoogte van fletsche vroolijkheid.

Op een gegeven oogenblik kwam mijnheer Pynsent, die jufvrouw Amory ten dans genoodigd had, naar haar toe, om hare hand te vragen; doch er waren barsche blikken van herkenning tusschen hem en mijnheer Arthur Pendennis in de danszaal gewisseld, en plotseling stond dus Arthur op en liet zijn aanspraak op jufvrouw Amory voor dezen dans gelden, waarop mijnheer Pynsent, zich op de lippen bijtende en nog stuurscher kijkende, met eene diepe buiging terugtrad en zeide, dat hij van zijn aanspraak afzag. Er zijn sommige menschen, die ons in het leven altijd in den weg staan. Pynsent en Pen koesterden deze meening van elkander en beschouwden elkander dan ook met daaraan beantwoordende gevoelens.

„Wat is dat een verwenschte, verwaande gek van een plattelandsjonker,” dacht de een. „Zijn hoofd is op hol, omdat hij een prulroman geschreven heeft, en een ferm pak slaag zou goed zijn voor zijn opgeblazenheid.”

„Wat is die man een onbeschofte domoor,” merkte de ander tot zijne danseres op. „Zijne ziel huist alleen in zijne ministerieele bureaux; zijne das is papier; zijn haar is zand, linialen zijne beenen; van binnen bestaat hij uit zegelkoord en lak; hij was reeds in zijne wieg een kwast; sinds zijne geboorte heeft hij nog nooit gelachen, behalve driemaal om een en dezelfde aardigheid van zijn chef. Ik houd evenveel van dien man, jufvrouw Amory, als van koud kalfsvleesch.” En daarop maakte Blanche natuurlijk de aanmerking, dat Pen heel ondeugend, méchant, onuitstaanbaar was, en dat zij wel eens zou willen weten wat hij van haar zeide, als zij zich had omgekeerd!

„Wat anders dan dat gij het liefste figuurtje en het dunste middeltje van de gansche wereld bezit, Blanche – ik wil zeggen jufvrouw Amory. Ik vraag u wel verschooning. Nog een tour, wat ik u bidden mag; deze muziek zou een dominé doen dansen.”

„En valt gij nu niet meer, als gij walst?” vroeg Blanche, hem schalks in het gelaat ziende.

„In het leven valt men en staat men weer op, Blanche (gij weet, dat ik u vroeger altijd zoo noemde en het is de liefste naam ter wereld); bovendien heb ik mij sedert nog geoefend.”

„En waarschijnlijk wel met een groot aantal dames?” zeide Blanche met een gemaakt zuchtje, terwijl zij de schouders ophaalde. En inderdaad had mijnheer Pen zich op die wijze veel geoefend in dit leven en was het hem zonder twijfel gelukt beter te leeren dansen.

Was Pendennis meer dan vrijmoedig in zijn spreken, Foker daarentegen, die bij de meeste gelegenheden zoozeer op zijn gemak was en zoo spraakzaam, verstomde en werd melancholisch, als hij met jufvrouw Amory danste. Haar tengere gestalte te mogen omvatten was zaligheid; met haar door de zaal te draaien was zinsverbijsterend; maar tegen haar te spreken! wat kon hij zeggen, dat haar waardig was? Welke parel van conversatie kon hij aanbieden, geschikt om door zulk eene vorstin der liefde en der geestigheid als Blanche te worden aangenomen? Zij was het, die het gesprek voerde, wanneer zij zich in het gezelschap van dezen smoorlijk verliefden danseur bevond. Zij was het, die hem vroeg, hoe het met dat lieve hitje ging, en hem met zulk eene teedere lieftalligheid en droefgeestigheid aanzag en bedankte, toen zij het lieve hitje, dat hij haar ten geschenke aanbood, met zulk een aandoenlijk zuchtje weigerde. „Ik heb niemand, met wien ik in Londen kan rijden,” sprak zij. „Mama is bang en heeft ook te paard geen heel mooi figuur. Sir Francis gaat nooit met mij uit. Hij heeft mij lief als – men eene stiefdochter liefheeft. O, wat moet het heerlijk, zijn een vader te bezitten – een vader, mijnheer Foker!”

„O, overheerlijk,” zeide mijnheer Henry, die dezen zegen met groote kalmte genoot, waarop Blanche, het sentimenteel air vergetende, dat zij pas een oogenblik te voren aangenomen had, met hare grijze oogen Foker zoo schalks aanzag, dat beiden het uitschaterden en Henry, nu geheel verrukt en op zijn gemak, haar met allerlei onschuldige praatjes begon te onderhouden – van die goede en eenvoudige Fokerspraatjes, gekruid met een aantal uitdrukkingen, die men in geen woordenboek vinden zal, en betrekkelijk zijn eigen geschiedenis of die zijner paarden of andere zaken, die hem lief of gewichtig waren, of over de personen in de balzaal, die voorbijgingen en over wier voorkomen en karakter mijnheer Henry zich met ongekunstelde vrijmoedigheid en zeer humoristisch uitliet.

En het was Blanche, die, zoodra het gesprek verflauwde en de bedeesdheid van den jonkman terugkeerde en hem overweldigde, de levendigheid van haar metgezel weer wist op te wekken, en hem ondervroeg over Logwood, en of het eene mooie plaats was, – of hij een jager was, en of hij er van hield, dat vrouwen aan de jacht deelnamen? (in welk geval zij gereed stond te verklaren, dat zij er dol op was). Doch daar mijnheer Foker zich tegen de deelneming van vrouwen aan die uitspanningen verklaarde, en Lady Bullfinch, die hen juist voorbijging, uitlachte als eene paardenliefhebster, die hij had zien jagen met eene sigaar in den mond, verklaarde Blanche ook, dat zij alle veldvermaken verfoeide en dat zij rilde bij de gedachte aan het vermoorden van zoo’n lief, aardig vosje, waarop Foker begon te lachen en met nieuwe kracht en bevalligheid voortwalste.

En bij het einde van de wals – de laatste wals van dien avond – vroeg Blanche hem naar Drummington en wilde weten of het een mooi huis was? Zij had gehoord, dat zijne nichten zeer knap waren; Lord Erith had zij reeds ontmoet, maar van wie zijner nichten hield hij nu het meest? Was het niet Lady Anna? Ja, zij was er zeker van; zij zag het aan zijn oogen en aan zijn blozen. Zij was moe van het dansen; het was heel laat; zij moest nu naar mama gaan; – en zonder een enkel woord verder sprong zij weg van Henry Foker’s arm, greep dien van Pen, die door de balzaal drentelde, en riep andermaal: „Mama, mama! – breng mij naar mama, lieve mijnheer Pendennis!” terwijl zij, op de wijze der Parthen, Henry nog met een laatsten pijl doorboorde, als zij voor hem vluchtte.