Chapter 56 of 85 · 3888 words · ~19 min read

Part 56

Als de rampzalige baronet naar Shepherd’s Inn kwam, waren het geldzaken, welke hem binnen die muren brachten; en doorgaans zat er een heer van de geldmarkt op Strong’s kamers of daar beneden bij Campion op hem te wachten om wissels te verhandelen of te prolongeeren. Clavering behoorde tot die menschen, die nooit hunne schulden ruiterlijk overzien, ofschoon zijn heele leven daardoor verbitterd was geweest. Zoolang hij een wissel kon vernieuwen was hij er gerust op; en hij zou bijna elk papier onderteekend hebben, dat morgen eerst verviel, als hij dan heden maar met rust wierd gelaten. Hij was iemand, wien geen fortuin voorgoed uit de klem kon redden, iemand, die gemaakt was om geruïneerd te worden, om kleine winkeliers op te lichten en zelf het slachtoffer van slimmer bedriegers te worden; om inhalig en spilziek te zijn, en, even ontbloot van eerlijkheid als de lieden die hèm oplichtten, voornamelijk hun dupe te worden, omdat hij te kleingeestig was om met kans van goeden uitslag zelf een schurk te kunnen zijn. Hij had in zijn leven meer leugens verteld en meer lage listen te baat genomen om zich aan eene kleine schuld te onttrekken, of een arm schuldeischer uit te plunderen, dan een stoutmoodiger schelm zou noodig gehad hebben om fortuin te maken. Zelfs toen hij op het toppunt van het geluk stond, was hij laag en kruipend. Al ware hij een kroonprins geweest, hij had niet zwakker, onbruikbaarder, losbandiger of ondankbaarder kunnen zijn. Hij kon het leven niet doorgaan zonder op iemands arm te leunen; en echter had hij nooit iemand tot helper, of hij wantrouwde hem, en bedierf de plannen, die men ten zijnen voordeele beraamd had, door de menschen, wier diensten hij gebruikte, heimelijk tegen de werken. Strong kende Clavering en beoordeelde hem zeer juist. Beiden waren niet door de banden der vriendschap aan elkander verbonden; maar de chevalier werkte voor zijn principaal uit plichtgevoel en omdat hij er toe verplicht was, evenals hij met het leger een vermoeienden marsch gemaakt, of voor zijn deel de gevaren en ontberingen eener belegering doorstaan zou hebben. „Wat wil hij?” dachten dus de beide officieren van het garnizoen van Shepherd’s Inn, toen de baronet zich vertoonde.

Zijn bleek gelaat droeg de blijken, dat hij in de hoogste mate boos en geërgerd was. „Zoo, mijnheer!” zeide hij, het woord tot Altamont richtende, „gij zijt uw oude streken weer begonnen!”

„Welke?” vroeg Altamont spottend.

„Gij zijt gisterenavond weer aan het rouge et noir geweest,” riep de baronet uit.

„Hoe weet gij dat? Zijt gij er ook geweest?” vroeg de ander. „Ik was in de club, maar ik speelde niet op de kleuren, – vraag het den kapitein maar, wien ik alles verteld heb. Het was met de dobbelsteenen. Het was bij het hazardspel, Sir Francis, op mijn woord van eer;” en bij die woorden zag hij den baronet met een veelbeteekenenden maar koddigen trek van geveinsde onderdanigheid aan, wat alleen scheen te strekken om den ander nog boozer te maken.

„Wat duivel geef ik er om, mijnheer, hoe gij uw geld verliest, en of het bij het hazardspel of de roulette is?” schreeuwde de baronet met een aantal vloeken en zoo hard hij maar kon. „Wat ik niet verkies, mijnheer, is dat gij mijn naam gebruikt, of dien met den uwen verbindt. Voor den duivel, Strong, waarom past gij niet beter op hem? Ik zeg u, dat hij mijn naam alweer gebruikt, een wissel op mij getrokken en het geld aan de speeltafel verloren heeft. Ik kan het niet meer verdragen en ik wil het niet meer verdragen! Geen mensch zou dat kunnen uithouden. Weet gij hoeveel ik voor u betaald heb, mijnheer?”

„Dit was maar een kleintje, Sir Francis, – slechts vijftien pond, kaptein Strong; zij wilden geen anderen naam op den wissel hebben, en gij moest u niet zoo boos daarover maken, patroon! Het was zoo’n onbeduidend sommetje, dat ik er tegen Strong zelfs niet van gesproken heb, – niet waar, kaptein? Ik verzeker u, dat het mij geheel uit het geheugen gegaan was, enkel en alleen ten gevolge van dien verwenschten drank, dien ik gebruikt had.”

„Drank of geen drank, mijnheer, het gaat mij niet aan. Het kan mij niet schelen wat gij drinkt of waar gij het drinkt, – als het maar niet in mijn huis is. Ik wil niet, dat gij ’s avonds mijn huis binnenvalt en dat een kerel als gij zich aan mijn gezelschap opdringt. Hoe hebt gij u gisterenavond op Grosvenor Place durven vertoonen, mijnheer, en – en – wat moeten mijne vrienden wel van mij denken als zij een man van uwe soort ongenoodigd en dronken mijn eetzaal zien binnenstappen en hem om drank hooren roepen, alsof hij de heer des huizes was?”

„Zij zullen zeker denken, dat gij met een raar slag van volkje bekend zijt,” antwoordde Altamont met onverstoorbare goede luim. „Hoor eens, baronet, ik vraag verschooning; op mijn eer, dat doe ik. Is dat geen genoegzame verontschuldiging tusschen twee gentlemen? Ik erken, dat het eene krasse daad was, eene kajuit binnen te stappen en om drank te roepen, alsof ik de kaptein was; maar ik had reeds te veel op, weet je, en daarom wilde ik nog meer hebben; niets is eenvoudiger; en het was omdat zij mij bij het rouge et noir geen geld meer op uw naam wilden geven, dat ik op de gedachte kwam er u zelf over te gaan spreken. Dat gij mij geld weigerdet was niets; maar een wissel te weigeren, getrokken op u, die zulk een begunstiger van de speeltafel zijt geweest, die een baronet zijt en een parlementslid en een gentleman van den eersten rang, – voor den duivel, dat is ondankbaar!”

„Bij den hemel! als gij het ooit weer doet, – als gij u ooit weer in mijn huis durft vertoonen of mijn naam gebruikt in een speelhuis of eenig ander huis – ja, voor den drommel, eenig ander huis – of naar mij durft verwijzen, of mij op straat aanspreken, – dan trek ik mijne hand geheel van u af en zult ge geen enkelen stuiver meer van mij hebben.”

„Kom, patroon, terg mij niet,” antwoordde Altamont op knorrigen toon. „Spreek niet tegen mij van dit of dat te durven, want als ik boos word, is dat juist het middel om er mij toe te brengen. Ik had gisterenavond niet moeten komen, dat geef ik toe; toe maar ik heb u reeds gezegd, dat ik dronken was, en dat behoorde tusschen gentlemen voldoende te zijn.”

„Gij een gentleman! Voor den drommel, mijnheer,” riep de baronet uit, „hoe durft een kerel als gij zich een gentleman noemen!”

„Ik ben geen baronet, dat weet ik wel,” hernam de ander, „en ik heb bijna vergeten hoe men zich als gentleman moet gedragen, maar maar eenmaal was ik dat toch ook, en mijn vader was het, en ik verkies zulke taal niet van u te hooren, Sir Francis Clavering, – verstaat ge dat? Waarom komt ge niet met het geld over de brug, en laat mij dan loopen? Waarom moet gij u, voor den duivel, in schatten wentelen en ik niets bezitten? Waarom moet gij een huis hebben en eene tafel beladen met zilverwerk, en ik hier in dit bedelaarshol van een Shepherd’s Inn op eene zolderkamer wonen? Wij zijn toch compagnons, niet waar? Ik heb evengoed recht om rijk te zijn als gij, is het zoo niet? Vertel de geschiedenis maar eens aan Strong, als ge er lust toe hebt, en laat hem dan uitspraak tusschen ons doen. Ik zie er niet tegen op, mijn geheim te vertellen aan een man, die niet klapt. Hoor eens, Strong – misschien hebt gij de historie al gegist – het geval is, dat ik en de patroon –”

„Houd voor den duivel je mond!” schreeuwde de baronet verwoed uit. „Ge zult het geld hebben, zoodra ik het krijgen kan. Het geld wast mij niet op den rug. Ik word zoo benauwd en vervolgd, dat ik niet weet waarheen ik mij wenden of keeren moet. Ik zal er nog dol onder worden, bij den hemel, dat zal ik! Ik wenschte dat ik dood was, want ik ben de rampzaligste rekel op aarde! Let maar niet op mij, Altamont. Als ik mij niet recht wel gevoel – en ik ben van morgen verduiveld galachtig – dan scheld ik iedereen uit en weet ik niet wat ik zeg. Vergeef me, indien ik u beleedigd heb. Ik – ik zal die kleinigheid in orde trachten te brengen. Strong zal er moeite toe doen; op mijn woord, dat zal hij. Zeg eens, Strong, beste jongen, ik moet u eens spreken. Ga een oogenblikje mee naar het kantoor.”

Bijna alle aanvallen van Clavering eindigden op deze vernederende wijze, met een schandelijken aftocht. Altamont lachte om den baronet achter zijn rug, toen hij de kamer verliet en zich met zijn Strong naar het kantoor begaf.

„Wat is er nu gaande?” vroeg deze. „Zeker weer de oude geschiedenis?”

„Ja, voor den duivel,” zeide de baronet. „Ik heb gisterenavond twee honderd pond contant verloren en een wissel voor nog driehonderd pond afgegeven, tegen morgen, op de bankiers van mijne vrouw; en ik moet zorgen, dat het geld er is, want anders volgt er geen betaling. De laatste maal toen zij mijne speelschulden betaalde, zwoer ik, dat ik geen dobbelsteen meer zou aanraken; en zij zal, als ik voortga, woord houden, Strong, en de compagnieschap ontbinden. Ik wenschte, dat ik driehonderd pond ’s jaars had en ver van hier zat. Op eene Duitsche badplaats kan men met driehonderd pond ’s jaars drommels goed rondkomen. Maar ik ben zoo vervloekt spilziek! Ik wou, dat ik op den bodem der rivier lag. Ik wou dat ik dood was, bij den hemel, dat wou ik! Had ik die verwenschte dobbelsteenen maar nooit aangeraakt! Het geluk liep mij gisterenavond aanhoudend mee, totdat die schelmen mij met den wissel, dien Altamont op mij getrokken had, wilden betalen, en van dat oogenblik af keerde de Fortuin mij den rug toe. Ik kon niets meer winnen en ging uitgeplunderd heen, dien helschen wissel achterlatende. Hoe zal ik dien betalen? Blackland wil hem niet prolongeeren. Hulker en Bullock zullen er dadelijk over schrijven aan mijne vrouw. Bij den hemel, Strong, ik ben de rampzaligste mensch in gansch Engeland!”

Strong moest dus eenig plan bedenken, om den baronet in deze benauwdheid te hulp te komen; en ongetwijfeld gelukte het hem, geld voor zijn patroon op te nemen, want hij vertoefde dien dag een tijdlang op het kantoor van mijnheer Campion. Altamont had wederom een paar guinjes op zak, met belofte van nader aanvulling; en voor de eerstvolgende twee of drie maanden had de baronet geen reden, zich dood te wenschen. Strong, van zijn kant, bracht, hetgeen hij van den kolonel en van Sir Francis gehoord had, met elkander in verband en begon zich een vrij nauwkeurig denkbeeld te vormen van de soort van band, die deze twee mannen vereenigde.

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN HOOFDSTUK VOL GESPREKKEN.

Na de partijen op Grosvenor Place en te Greenwich, waaraan wij majoor Pendennis hebben zien deelnemen, scheen de vriendschappelijkheid en hartelijkheid van dien waardigen heer voor de familie Clavering met elken dag toe te nemen. Hij legde er dikwijls bezoeken af en was onuitputtelijk in zijne beleefdheden voor de dame des huizes. Als oud man van de wereld, had hij het geluk in vele huizen ontvangen te worden, waar men eene dame van den stand van Lady Clavering ook behoorde te zien. Zou mylady de groote partij op Gaunt House niet willen bijwonen? Er zou een heel genoeglijk dejeuner dansant bij burggraaf Marrowfat te Fulham zijn. Iedereen zou daar zijn (en daaronder doorluchtige personen van den hoogsten rang); er zou eene quadrille à la Watteau gedanst worden, waarin jufvrouw Amory zeker betooverend er uitzien zou. Met voorkomendheid bood de gedienstige oude heer aan, Lady Clavering naar deze en dergelijke vermakelijkheden te geleiden, terwijl hij even bereidvaardig was om den baronet, in welk opzicht deze het ook wenschen mocht, van dienst te zijn.

In weerwil van Clavering’s tegenwoordig aanzien en fortuin, bleef de wereld met koelheid op hem neerzien en volgden hem zeer wonderlijke en verdachte geruchten op den voet. Hij werd achtereenvolgens in twee clubs gedeballoteerd. In het Lagerhuis ging hij alleen met eenige weinige der slechtst aangeschreven leden van dat vermaarde staatslichaam om, daar hij goed slag had om slecht gezelschap te kiezen, en zich zoo natuurlijk daarnaar schikte als anderen het doen naar het gezelschap van hunne meerderen. Het zou hatelijk klinken, indien wij al al de senatoren wilden opnoemen, waarmee Clavering gemeene zaak maakte; wij zullen er dus slechts eenige weinige aanstippen. Daartoe behoort kapitein Raff, de geachte afgevaardigde van Epsom, die na de laatste Goodwood-wedrennen afgetreden is, daar hij, volgens den heer Hotspur (het lid, dat belast is met de opsporing der afwezige leden zijner partij, wanneer het Huis tot eene stemming zal overgaan), eene diplomatische zending naar de Noordpool had aangenomen; en Hustingson, de patriottische afgevaardigde van Islington, dien men thans niet meer over het uitdeelen van gunsten hoort schreeuwen, sedert hij zelf tot gouverneur van het Coventry Eiland benoemd is; en Bob Freeny, van de Freeny’s van Booterstown, die met de pistool nooit zijn doel mist en van wien wij dus met het meeste ontzag spreken. Voor niemand van al die heeren, met welke mijnheer Hotspur door de hem opgedragen taak genoodzaakt was in aanraking te komen, koesterde hij méér verachting en afkeer dan voor Sir Francis Clavering, den afstammeling van een overoud geslacht, welks leden sinds onheuglijken tijd voor hun eigen stadje Clavering zitting in het Lagerhuis hadden gehad. „Als men dien man bij eene stemming noodig heeft,” zeide Hotspur, „dan kan men tien tegen één wedden, dat hij in eene speelhol gevonden wordt. Hij is groot gebracht in de gijzeling-gevangenis en, geloof mij, nog niet gevrijwaard tegen de strafgevangenis. Hij zal het fortuin der begum verkwisten met dobbelen, als zakkenroller betrapt worden en zijn leven in dwangarbeid eindigen.” En indien de hoogwelgeboren heer Hotspur, terwijl hij aldus over Clavering dacht, desniettemin beleefd jegens hem kon zijn, omdat zijne betrekking het meebracht, waarom zou de majoor Pendennis ook niet zijne bijzondere redenen kunnen hebben, om zich jegens dien beklagenswaardigen gentleman voorkomend te gedragen?

„Hij heeft een zeer goeden kelder en een zeer goeden kok,” zeide de majoor; „wanneer hij zwijgt, hindert hij niet, en hij doet maar zeer zelden den mond open. Wat gaat het mij aan, of hij gelieft te spelen en zijn geld aan schurken te verliezen? Wij moeten ons nooit te veel met de zaken van anderen bemoeien, Pen, mijn beste jongen; iedereen heeft een kabinetje in zijn huis, waar hij niet gaarne zou willen dat gij en ik inkeken. Maar waarom zouden wij daartoe ook moeite doen, als overigens het gansche huis voor ons openstaat? En een verduiveld goed huis ook, gelijk wij beiden weten. En al is de heer des huizes niet geheel zóó als wij hem zouden wenschen, de dames zijn toch zeer lief. De begum is niet al te beschaafd, maar er bestaat geen goedhartiger vrouw ter wereld en zij is drommels slim bovendien. En wat de kleine Blanche betreft, gij weet, guit, hoe ik over haar denk; gij weet dat ik het er voor houd, dat zij u gaarne lijden mag, en dat gij haar voor het vragen zoudt hebben. Maar gij wordt zulk een groot heer dat gij u zeker met niet minder dan de dochter van een hertog tevreden zult stellen – welnu, mijnheer, ik raad u aan er eene te vragen en het eens te probeeren!”

Pen was misschien wel eenigszins bedwelmd door den opgang, dien hij in de wereld gemaakt had, en het is ook wel mogelijk, dat de jonkman in het denkbeeld verkeerde (de aanhoudende zinspelingen van zijn oom droegen althans niet weinig bij, om hem in die meening te versterken), dat jufvrouw Amory niet ongenegen was, den kleinen minnehandel te hervatten, die in vroegere dagen aan den oever van den Brawl ondernomen was. Maar Pen zeide, dat hij voor dit oogenblik weinig neiging tot het huwelijk gevoelde, en sprak, in navolging van de wereldsgezinde wijze van beschouwing van zijn oom, met zekere minachting over die instelling en tot lof van het ongehuwde leven.

„Gij zijt zeer gelukkig, oom,” sprak hij; „gij brengt het er ongetrouwd zeer goed af, en ik van mijn kant ook. Als ik eene vrouw naast mij had, zou ik mijn standpunt in de maatschappij verliezen; en ik, voor mij, heb niet veel lust om met eene mevrouw Pendennis naar het platteland de wijk te nemen, of met mijne vrouw op gemeubileerde kamers te gaan wonen, met een enkele meid tot onze hulp. De tijd van mijne kleine illusiën is voorbij. Gij hebt mij gered van mijn eerste geliefde, die bepaald eene zottin was en die, indien zij mij genomen had, een zot tot man en wel een zeer norschen en ontevreden man zou gehad hebben Het leven van ons jongelui gaat snel voorbij, oom, en ik gevoel mij op mijn vijf en twintigste jaar even oud als vele der oude prui – – oude heeren – die ik aan het groote venster der club van Bays zie staan. Neem het mij niet kwalijk maar ik meen alleen, dat ik op het punt van liefde blasé ben, en dat ik mijn liefdevuur voor jufvrouw Amory evenmin weer zou kunnen aanblazen als ik Lady Mirabel weer zou kunnen aanbidden. Ik wenschte, dat ik het kon. Het bevalt mij in den ouden Mirabel, dat hij zoo op haar verzot is, en ik beschouw dien hartstocht als het loffelijkste stuk van zijn leven.”

„Sir Charles Mirabel was altijd een liefhebber van het tooneel, Arthur,” zeide de majoor, geërgerd dat zijn neef zoo lichtvaardig over iemand van het aanzien en den rang van Sir Charles durfde spreken. „Sedert zijne jeugd heeft hij tot het tooneel in betrekking gestaan. Hij speelde op Carlton House, toen hij page van den prins was; hij is altijd bij die zaken betrokken geweest; hij kon trouwen wie hij verkoos, en Lady Mirabel is eene hoogst achtenswaardige dame, die overal ontvangen wordt, – let wel: overal! De hertogin van Connaught ontvangt haar, en Lady Rockminster ook, en het past jongelui niet, over personen van zulk een stand lichtvaardig te spreken. Er is geen fatsoenlijker dame in Engeland dan Lady Mirabel; en de oude pruiken – gelijk gij hen noemt – in de club van Bays, behooren tot de eerste gentlemen van Engeland, van welke gijlieden jongelui, nog wat manieren en opvoeding en bescheidenheid zoudt kunnen leeren.” En de majoor begon te gelooven, dat Pen buitengewoon brutaal en verwaand werd, en dat de wereld hem te veel over het paard had getild.

De boosheid van den majoor vermaakte Pen. Hij bestudeerde de eigenaardigheden van zijn oom met aanhoudend genoegen en bleef altijd op goeden voet met zijn wereldschen Mentor. „Ik behoor nu reeds sinds vijftien jaar tot de jongelui, oom,” zeide hij zeer behendig, „en indien gij ons voor oneerbiedig houdt, wat zoudt gij dan wel zeggen van het tegenwoordige geslacht! Een uwer protégés heeft onlangs bij mij ontbeten; gij hadt gewenscht dat ik hem vragen zou, en ik heb het gedaan, om u genoegen te doen. Wij hebben dien dag met elkander allerlei merkwaardigheden bezichtigd, in de club gedineerd en ’s avonds den schouwburg bezocht. Hij zeide, dat de wijn in den Polyanthus zoo goed niet was als die bij Ellis te Richmond; na het ontbijt rookte hij Warrington’s cavendish-tabak en toen ik hem bij zijn vertrek een goudstuk voor zijn spaarpot gaf, zeide hij, dat hij er zelf genoeg had, maar het zou aannemen om te toonen dat hij niet trotsch was.

„Zeide hij dat? – en hebt gij den jongen Clavering gevraagd?” riep de majoor uit, die dadelijk tevreden was gesteld; „een knappe jongen, wel een beetje wild, maar een knappe jongen! De ouders zien gaarne, dat men zulke beleefdheden aan hunne kinderen bewijst, en gij kunt niet beter doen dan onze waardige vrienden van Grosvenor Place op dat punt genoegen te verschaffen. En dus hebt ge hem meegenomen naar den schouwburg en hem wat zakgeld gegeven? Dat was goed gedaan, mijnheer, heel goed!” En met die woorden scheidde Mentor van Telemachus, met de overtuiging, dat de jongelui toch nog zoo slecht niet waren en dat hij van zijn neef nog iets zou kunnen maken.

Naarmate de jonge heer Clavering in jaren en grootte toenam, ontgroeide hij aan het gezag van zijne liefhebbende ouders en van zijne gouvernante, zoodat hij hen veeleer regeerde, dan dat hij zich naar hunne bevelen schikte. In tegenwoordigheid van zijn papa was hij stil en stug en zelden vertoonde hij zich in de nabijheid van dien heer; doch tegen zijne mama schreeuwde en vocht hij, als er eenig geschil tusschen hen ontstond over de bevrediging van zijn eetlust, of over de vervulling van eenigen anderen zijner wenschen; en bij zijne oneenigheden met de gouvernante, wanneer hij leeren moest, schopte hij dat lijdzame schepseltje zoo geweldig tegen de schenen, dat zij zich geheel door hem liet overbluffen en onder den duim houden. Hij had zijne zuster Blanche wel op dezelfde wijze willen behandelen en deed een paar pogingen om ook over haar den baas te spelen; maar bij die gelegenheden legde zij een ongeloofelijke vastberadenheid en geestkracht aan den dag en sloeg hem zoo duchtig om de ooren, dat hij jufvrouw Amory voortaan den voet niet meer dwars zette, gelijk hij zijne gouvernante en zijne mama en mama’s kamenier deed.

Toen de familie zich eindelijk te Londen vestigde, gaf Sir Francis de meening te kennen, dat het beste zou zijn, den „kleinen schelm” naar school te zenden. Dientengevolge werd de jeugdige zoon en erfgenaam van het huis Clavering overgebracht naar de inrichting van opvoeding en onderwijs van den eerwaarden heer Otto Rose, te Twickenham, waar de zonen van adellijke en voorname heeren het voorbereidend onderwijs ontvingen, eer zij op de groote Engelsche openbare scholen konden worden aangenomen.

Wij zijn niet voornemens den jongen heer Clavering in zijn schoolleven te volgen; de paden naar den Tempel der Wetenschap werden voor hem gemakkelijker gemaakt dan voor sommigen onzer in vroeger tijd. Hij reed naar dat heiligdom in eene koets met vier paarden, en mocht bijna overal waar hij goedvond stilhouden, en eene verfrissching nemen. Sedert zijne prilste jeugd droeg hij verlakte laarzen, en had hij batisten zakdoeken en citroenkleurige glacé handschoenen van het kleinste model, dat Privat ooit vervaardigd heeft. Bij mijnheer Rose kleedden de jongelui zich altijd geregeld om aan het diner te komen; de jonge heeren hadden prachtige kamerjaponnen, vuur op hunne slaapkamers, deden nu en dan toertjes te paard of in rijtuig, en kregen olie voor hun haar. De meester paste nooit lichaamsstraffen toe, want hij was van oordeel, dat eene moreele tucht voldoende was om de jeugd te besturen; en de jongens maakten zulke snelle vorderingen in vele takken van wetenschap, dat zij, nog eer zij oud genoeg waren om op eene publieke school te komen, de kunst verstonden om sterke dranken te drinken en sigaren te rooken. In een verbazend vroeg tijdperk zijns levens stal de jonge Frank Clavering zijn vaders havana’s en bracht ze mee op school, of rookte ze in de stallen, en op zijn tiende jaar dronk hij zijn champagne bijna zoo stevig als een gesnorbaarde luitenant der dragonders had kunnen doen.