Part 81
„De waarheid, beste vriend!” zeide Arthur met onverstoorbare kalmte: „waar is de waarheid? Toon mij die eens aan. Dat is hier de vraag. Ik zie de waarheid aan beide zijden: ik zie haar aan de conservatieve zijde van het parlement, en onder de radicalen, en zelfs op de ministerieele zetels. Ik zie haar in dien man, die, volgens de voorschriften der wetten, aanbidt en daarvoor beloond wordt met een zijden gewaad en vijf duizend pond ’s jaars, in dien man, die, door de onbarmhartige logica van zijn geloof onweerstaanbaar voortgedreven, van alles afstand doet, van vrienden, van roem, van de dierbaarste banden, van het eerzuchtigste streven, van den eerbied van een gansch leger van kerkelijke personen en den erkenden rang van aanvoerder, en door de waarheid gedreven, overloopt naar den vijand, in wiens gelederen hij voortaan als gewoon en onbekend soldaat zal dienen. Ik zie de waarheid in dien man, gelijk ik haar zie in zijn broeder, wiens logica hem tot eene geheel verschillende slotsom brengt en die, na zijn gansch leven besteed te hebben aan ijdele pogingen om een boek, dat voor geen overeenstemming vatbaar is, met zich zelven in overeenstemming te brengen, het eindelijk wanhopig neersmijt en met tranen in de oogen en de handen omhoog geheven verklaart, dat hij er zich niet mee vereenigen kan en er afstand van doet. Indien de waarheid bij deze allen berust, waarom zou ik dan partij kiezen voor een van hen? Sommigen gevoelen zich geroepen om te preeken: laat hen dan preeken. Onder die preekers zijn er mijns inziens wat te veel, die zich verbeelden dat zij de gave ontvangen hebben. Maar wij kunnen niet allen dominé’s zijn in de kerk; dat is duidelijk. Sommigen moeten stilzitten en luisteren, en dutten misschien in. Hebben wij niet ieder onze plichten? De oudste weeshuisjongen trapt het orgel, de meester ranselt de andere jongens op de orgelgalerij, de koster zegt Amen voor den lessenaar, en de kerkbode met zijn staf doet de deur open voor zijn weleerwaarde, die in ruischende zijde naar den kansel treedt. Ik zal de jongens niet ranselen, noch altijd Amen zeggen, noch als kampioen der kerk optreden onder de gedaante van den kerkbode met zijn staf, maar ik zal in de kerk mijn hoed afnemen en daar ook bidden en den dominé de hand geven als hij daar buiten over het gras stapt. Ik weet immers, dat zijn aanwezigheid aldaar een compromis is en dat het eigenlijk eene rijkswet is die voor mij staat? Dat de kerk, waarin hij optreedt, voor een ander soort van eeredienst gebouwd was? Dat de methodistische kapel in de nabijheid is, en dat Bunyan de ketellapper daar ginds op het weiland over de verdoemenis staat te redekavelen? Ja, ik ben een Sadduceër, en neem de dingen zooals ik ze vind, en de wereld en de wetten der wereld voor hetgeen zij zijn, en gelijk ik voornemens ben eene vrouw te nemen indien ik er eene vind, – niet om smoorlijk op haar verliefd te zijn en als een dwaas aan hare voeten te liggen, – niet om haar te vereeren als een engel, of te verwachten dat zij er een zijn zal, – maar om welwillend en beleefd jegens haar te zijn en daartegen welwillendheid en een aangenamen omgang van haar te genieten. En zoo gij dus ooit verneemt, George, dat ik getrouwd ben, verlaat er u dan maar op, dat het geen romaneske liefde van mijn kant zal zijn; en als gij eens van een goed baantje hoort, dat de regeering te begeven heeft, dan heb ik, voor zoover ik weet, geen bijzondere bedenkingen, die mij zouden beletten van uw aanbod gebruik te maken.”
„O schelm van een Pen! ik weet wat gij zeggen wilt,” barstte Warrington hier los. „Dat is nu de zin van uw scepticismus, uw quietismus en uw atheismus, jongetje! Gij wilt u zelven verkoopen. De hemel sta u bij! Gij wilt een koop sluiten, die u zal verlagen en voor uw leven ongelukkig maken, en alle praten daarover is nutteloos. Indien gij uw zin op iets gezet hebt, kan de duivel het u niet beletten.”
„Integendeel, hij is op mijne hand; vindt ge het ook niet, George?” zeide Pen lachend. „Wat zijn dat lekkere sigaren! Ga mee dineeren in de club; de chef is weer in de stad en zal wel wat lekkers voor mij klaarmaken. Niet? gaat ge niet mee? Wees niet boos ouwe jongen, ik ga morgen naar – naar buiten!”
DRIE EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.
HETWELK MISSCHIEN TOT OPHELDERING VAN HOOFDSTUK LXII KAN STREKKEN.
Het inzicht, dat majoor Pendennis, zoo door middel van Strong als door eigene persoonlijke bemoeiing als vriend des huizes, in de zaken der familie Clavering gekregen had, was van dien aard, dat de oude heer bijna terugkwam van de plannen, die hij eenmaal ten voordeele van zijn neef beraamd had. Eene vrouw, met twee zulke schoonvaders als de beide achtenswaardige heeren, die de onschuldige en beklagenswaardige Lady Clavering in hunne huwelijksondernemingen betrokken hadden, kon Arthur geen voordeel aanbrengen. En ofschoon de een tot zekere hoogte den ander onschadelijk maakte en de optreding van Amory of Altamont in het publiek het sein zou zijn geweest tot zijn onmiddellijke verdwijning en strenge bestraffing (want de ontvluchte veroordeelde had den beambte, die met zijne bewaking belast was, overhoop gestoken) en een strop zijn onvermijdelijk einde zou zijn, indien hij weer in handen van de Britsche justitie viel, zoo kon echter geen voogd er op gesteld zijn, voor zijn pupil eene vrouw te kiezen, wier vader op zulk eene wijze uit den weg moest geruimd worden; en de oude heer was altijd van gedachte geweest, dat Altamont, met de galg voor oogen, wel zou zorgen niet herkend te worden; terwijl te gelijker tijd Clavering, die alles zou verliezen zoodra Amory voor den dag kwam, ingeval men de bedreiging van de ontdekking boven zijn hoofd hield, de slaaf zou zijn van dengeen, die zulk een ontzettend geheim kende.
Maar indien de begum Clavering’s schulden nog meermalen betaalde, zou haar rijkdom geheel aan dezen reddeloozen verkwister verspild worden, en hare erven, wie dit dan ook waren, zouden niets anders dan eene ledige kas vinden, terwijl jufvrouw Amory, in plaats van haar gemaal een goed inkomen en eene plaats in het parlement ten huwelijk te brengen, hem alleen haar persoon zou kunnen aanbieden, benevens haar stamboom, met de noodlottige aanteekening: „opgehangen dat er de dood na volgde” naast den naam van den laatsten mannelijken afstammeling van haar geslacht.
Er stond echter voor den ouden plannenmaker, toen hij al deze dingen overdacht, nog een andere weg open, gelijk zal blijken aan den lezer, die de moeite wil nemen het onderhoud te volgen, dat kort daarop tusschen majoor Pendennis en den hoogwelgeboren baronet, het parlementslid voor Clavering, plaats had.
Wanneer een man, die in geldverlegenheid verkeert, uit den kring zijner gelijken en dagelijksche vrienden verdwijnt, wanneer hij als het ware wegduikt uit den zwerm vogels, waarmee hij gewoon was uit te vliegen, dan is het verwonderlijk in welke vreemde en afgelegen hoeken hij weer boven komt om adem te scheppen. Ik heb het bijgewoond, dat een niet onaanzienlijk persoon, een slenteraar door Pall Mall en een groot heer in Rotten Row, uit den kring zijner kameraden in de clubs en parken verdween en zeer tevreden en genoeglijk teruggevonden werd in eene restauratie in Billingsgate, waar men voor achttien stuivers eten kan; een ander zeer geleerd en geestig heer, die uit de handen der deurwaarders moest trachten te blijven (indien ik zeide, dat hij een letterkundige was, zouden sommige recensenten beweren, dat ik eene blaam had willen werpen op de letterkundigen in het algemeen), zond mij eens zijn adres in een klein kroegje, geheeten „de Vos in ’t Kuiltje,” aan het eind van een donkeren en spelonkachtigen gang in het Strand. Iemand, die in dergelijke benarde omstandigheden verkeert, heeft misschien een huis, maar is er nooit in; hij heeft een adres, waar men brieven voor hem kan afgeven; doch alleen de dwazen gaan er heen, in de hoop hem daar in persoon te zullen aantreffen. Slechts weinige zijner getrouwen weten waar hij te vinden is en bezitten een leiddraad tot zijne schuilplaats. Zoo was het dan ook onmogelijk Sir Francis Clavering, na de oneenigheden met zijne vrouw en de daaruit gevolgde tegenspoeden, thuis te treffen. „Sedert ik hem om mijn achterstallig loon gevraagd heb, dat veertien pond bedraagt, komt hij ’s nachts pas ten drie uur thuis, houdt zich des morgens, als ik hem zijn water breng, alsof hij ligt te slapen en sluipt het huis uit zoodra ik beneden ben,” deelde mijnheer Lightfoot aan zijn vriend Morgan mede, en voegde er bij, dat hij naar mylady zou gaan, om haar hofmeester te worden en jufvrouw Bonner te trouwen. In gelijker voege bleef de baronet, na zijn geschil met Strong, uit diens nabijheid en nam de vlucht naar andere schuilhoeken, waar hij buiten het bereik der verwijten van den chevalier was, – buiten het bereik, zoo mogelijk, van het geweten, hetwelk zoo menigeen door verandering van tooneel en andere ijdele listen tracht te misleiden en achter te laten.
Aldus kostte het den ouden Pendennis, die, ter bereiking van zijne bijzondere oogmerken, zeer gaarne Pen’s landelijken nabuur en vertegenwoordiger in het parlement wilde spreken, niet weinig tijd en moeite eer hij hem tot die vertrouwelijke stemming en dat onderhoud kon krijgen, noodig voor des majoors bedoelingen. Want sedert de majoor als vriend des huizes in den arm genomen en van al de huwelijks- en geldelijke zaken van Clavering ingelicht was, ontweek hem de baronet, gelijk hij gewoon was zijne procureurs en zijn agenten te ontwijken wanneer hij hun rekenschap moest afleggen, of eenige zaak met hen behandelen; nooit hield hij zich stipt aan een afspraak, dan wanneer hij geld zou opnemen. Eer de majoor derhalve dezen schuwen en vreesachtigen vogel kon vangen, deed hij meer dan ééne vruchtelooze poging om hem te grijpen; – den eenen keer was het eene schijnbaar alleronschuldigste uitnoodiging om te Greenwich in gezelschap van eenige vrienden te komen dineeren; de baronet nam dit aan, doch begon lont te ruiken en kwam niet, en liet den majoor (die in inderdaad voornemens was geweest in zijn eigen persoon al de vrienden voor te stellen) alleen voor het vischmaal zitten; – bij een andere gelegenheid vroeg de majoor schriftelijk een onderhoud van tien minuten, waarop de baronet dadelijk evenzeer schriftelijk antwoordde en de bijeenkomst bepaalde op den volgenden dag in de club van Bays, ten vier uur precies (dit laatste woord had hij zorgvuldig onderschrapt); maar ofschoon vier ure kwam, gelijk het naar den loop van den tijd en het lot wel niet anders kon, verscheen er geen Clavering. Indien hij twintig pond van Pendennis had geleend, had hij niet banger kunnen zijn, niet verlangender om den majoor te ontloopen, en deze laatste ondervond, dat het heel wat moeielijker is iemand te vinden dan hem te zoeken.
Vóór den afloop van den dag, waarop Strong’s patroon den chevalier zoo zeer in zijne tegenwoordigheid had gevleid en achter zijn rug vervloekt, had Sir Francis Clavering, die aan de raadslieden zijner vrouw zijn woord gegeven en met eede bevestigd had, dat hij geen wissels meer trekken of accepteeren, maar zich vergenoegen zou met de toelage, die zijne miskende vrouw hem nog altijd bleef verleenen, weer middel gevonden om zijn geachten naam op een blad gezegeld papier te schrijven hetwelk Clavering’s vriend, mijnheer Moss Abrams, meegenomen had, met belofte het wisseltje te zullen doen disconteeren door iemand, met wiens vriendschap mijnheer Moss vereerd was. En het toeval wilde, dat Strong het voorgevallene vernam op de plaats waar het geschrift opgesteld was, namelijk in de achterkamer van den sigarenwinkel van den heer Santiago, waar de chevalier gewoon was des avonds een uurtje door te brengen.
„Hij is weer aan den gang,” zeide de heer Santiago tegen zijn klant. „Hij is met Moss Abrams hier geweest. Moss stuurde mijn jongen om een zegeltje uit. Het moet een wissel van vijftig pond geweest zijn. Ik hoorde den baronet tegen Moss zeggen, dat hij het van twee maanden geleden moest dateeren. Hij zal het doen voorkomen als een ouden wissel, dien hij vergeten had, toen hij onlangs met zijne vrouw de zaken geregeld heeft. Ik geloof, dat zij hem nog wel meer geld zullen geven, nu hij weer alles afbetaald heeft.” Iemand, die gewoon is zijn ongelukkigen naam onder acceptatiën op zes maanden te zetten, kan zich bovendien overtuigd houden, dat zijne zaken bekend gemaakt en besproken worden en zijne handteekeningen rondgaan onder de allerergste bedriegers en schelmen van Londen.
De winkel van den heer Santiago lag dicht bij St. James Street, waar wij de eer hebben gehad onzen vriend majoor Pendennis op zijne kamers te bezoeken. De majoor wandelde op zijn gemak naar zijne woning, toen Strong, ziedende van toorn en riekende naar Havana, langs denzelfden kant hem te gemoet kwam.
„Ik wou, dat die jongelui ik weet niet waar zaten; zij verpesten alles met hun tabaksrook,” dacht de majoor. „Daar komt een kerel met snorren en eene sigaar aan. Ieder, die rookt en snorren draagt, is een gemeene kerel. O, het is mijnheer Strong! Hoe vaart ge, mijnheer Strong?” en de oude heer stond op het punt zijn huis binnen te gaan en wilde met eene bevende hand zijn blinkenden huissleutel in het slot der deur steken.
Wij hebben reeds vermeld, dat Strong en Pendennis als vrienden en raadslieden van de beklagenswaardige familie van den baronet tegenwoordig waren geweest bij de lange en vervelende twisten en conferentiën over de betaling der laatste schulden van Sir Francis Clavering. Strong bleef staan en stak de hand aan zijn medeonderhandelaar toe, waarop de oude Pendennis hem tamelijk onwillig een paar vingers reikte.
„Hebt ge goed nieuws?” vroeg majoor Pendennis, den ander nog genadiger behandelende en zich verwaardigende het woord tot hem te richten, want de oude Pendennis had zijn gansch leven met zulk goed gezelschap omgegaan, dat hij in het denkbeeld verkeerde dat hij gewone menschen bepaaldelijk vereerde door hun toe te spreken. „Nog altijd in de stad, mijnheer Strong? Hoe vaart ge?”
„Ik heb slecht nieuws, mijnheer,” gaf Strong ten antwoord, „betreffende onze vrienden te Tunbridge Wells, en ik zou u daarover wel eens willen spreken. Clavering is weer op zijn oude wijze aan den gang, majoor Pendennis.”
„Wezenlijk! Doe mij dan het genoegen boven te komen,” zeide de majoor met opgewekte belangstelling, waarop beiden binnentraden en zich in de voorkamer neerzetten. Hier ontboezemde Strong zijne verontwaardiging aan den majoor en weidde lang en breed over Clavering’s roekeloosheid en verraderlijkheid uit. „Geen beloften zijn in staat hem te binden, mijnheer,” sprak hij. „Gij herinnert u nog wel, mijnheer, dat hij, toen wij met hem en mylady’s procureur die bijeenkomst hadden, niet wilde volstaan met zijn woord van eer te geven, maar om een Bijbel schelde en bij ziel en zaligheid zwoer, dat hij geen wissels meer zou afgeven. En nu heeft hij er heden toch een geteekend, mijnheer, en hij zal er voor contant geld nog zooveel teekenen als men verkiest, en iedereen bedriegen, zijne vrouw en zijn kind of zijn ouden vriend, die honderdmaal voor hem in de bres is gesprongen. Daar is nu nog een wissel van hem en van mij, die de volgende week vervalt –”
„Ik dacht dat wij alles betaald hadden –”
„Dien niet,” antwoordde Strong met een blos. „Hij verzocht mij er niet van te spreken, en en ik heb voor dien dienst er de helft van gekregen, majoor. En nu zal men mij er om gaan aanspreken. Maar ik bekommer mij om mij zelven niet, want ik ben er gewoon aan. Het is om Lady Clavering, dat het mij ergert. Het zou schande zijn, indien die goedhartige vrouw, die hem een dozijn keeren uit de gevangenis verlost heeft, door zijne lafhartigheid geruïneerd wierd. Wisseljoden, boksers, schelmen van allerlei aard zetten hem zijn geld af, en hij ontziet zich niet een eerlijken kerel in den steek te laten. Zoudt ge het kunnen gelooven, mijnheer, dat hij geld heeft aangenomen van Altamont – gij weet wel wien ik meen?”
„Wezenlijk? van dien zonderlingen man, die eens dronken aan huis kwam bij Sir Francis?” vroeg majoor Pendennis met een ondoorgrondelijk gezicht. „Wie is die Altamont, mijnheer Strong?”
„Ik weet het waarlijk niet, als gij het niet weet,” gaf de chevalier met een verrasten en wantrouwenden blik ten antwoord.
„Om u de waarheid te zeggen, heb ik er mijn eigen gedachten over,” zeide de majoor. „Ik vooronderstel – let wel dat ik alleen vooronderstel – dat er in het leven van onzen vriend Clavering, die, onder ons gezegd, zulk een rare snaak is als ik er ooit een gekend heb, zeker eenige onpleizierige geheimen en geschiedenissen bestaan, die hij niet gaarne zou willen dat bekend wierden, evenmin als iemand onzer het zou wenschen. Waarschijnlijk weet die kerel, die zich Altamont noemt, iets ten nadeele van Clavering en heeft hij vat op hem, waardoor hij hem geld kan afpersen. Ik ken eenige der beste mannen uit de beste familiën in Engeland, die men op die wijze geld afperst! Maar, mijnheer Strong, hunne bijzondere zaken gaan mij niet aan, en al ga ik bij iemand dineeren, dan bespied ik daarom zijne geheimen nog niet en ik ben ook niet verantwoordelijk voor zijn vroeger leven. Zoo ook, ten opzichte van onzen vriend Clavering, stel ik het meest belang in hem om der wille van zijne vrouw en hare dochter, die een allerbekoorlijkst meisje is; toen mylady het mij vroeg, nam ik inzage van hare zaken en trachtte die op effen voet te brengen; en dit zal ik, begrijpt ge, naar mijn best vermogen weer doen, als ik daardoor van nut kan zijn. En indien ik uitgenoodigd word – weet ge, indien ik uitgenoodigd word – dan – à propos, mijnheer Strong, wat mijnheer Altamont betreft, wie is mijnheer Altamont toch? Ik geloof, dat gij met hem bekend zijt. Is hij in de stad?”
„Ik geloof niet, dat ik verplicht ben te weten waar hij is, majoor Pendennis,” zeide Strong, opstaande en driftig zijn hoed grijpende, want des majoors beschermende manieren en koele omzichtigheid beleedigden den eerzamen heer.
Onmiddellijk verliet Pendennis zijn hoogen toon en sprak met zekere welwillendheid: „Ah, kapitein Strong, ik zie dat gij ook op uwe woorden weet te passen, en gij hebt gelijk. De muren hebben ooren, en men weet niet altijd met wien men spreekt; maar als man van de wereld en oud soldaat (een oud en verdienstelijk soldaat, naar men mij bericht heeft, kapitein Strong) weet gij zeer goed, dat men zijn vuur niet nutteloos moet verspillen; gij kunt uwe gedachten koesteren, en ik kan de zaken met elkander in verband brengen en de mijne hebben. Maar er zijn vele dingen, die een mensch niet aangaan en die het dan ook maar best is dat hij niet weet; – niet waar, kapitein? en die ik, wat mij betreft, ook niet wensch te weten voordat ik er bij betrokken word; en dat is waarschijnlijk evenzeer uw stelregel. Wat onzen vriend den baronet aangaat, geloof ik met u, dat het wenschelijk zou zijn, dat hij in zijn onvoorzichtige handeling gestuit wierd. Ik keur het in iedereen sterk af, dat hij zijn woord schendt, of iets doet wat zijne familie verdriet kan berokkenen, of in eenig opzicht onaangenaam kan wezen. Dit is mijne rondborstige meening en, naar ik mij overtuigd houd, ook de uwe.”
„Zeer zeker,” antwoordde mijnheer Strong droogjes.
„Het verheugt mij, dat ik dit van u mag hooren, en dat een oud wapenbroeder zoo geheel met mij instemt. Ik ben bijzonder verblijd over onze gelukkige ontmoeting, die mij de eer van uw bezoek verschaft heeft. Goedenavond. Ik dank u. Morgan, laat kapitein Strong eens uit.”
Voorafgegaan door Morgan verliet Strong den majoor Pendennis. De chevalier stond verwonderd over de sluwheid van den ouden heer en de kamerdienaar was, om de waarheid te zeggen, evenzeer verbaasd over de terughoudendheid van zijn meester. Want in zijne hoedanigheid van ervaren knecht zwierf mijnheer Morgan met even weinig gerucht als eene schaduw door het huis, en had toevallig, gedurende het laatste gedeelte van het gesprek van zijn meester met diens bezoeker, zeer dicht bij de deur gestaan en dus een goed gedeelte van het onderhoud der beide heeren gehoord, veel meer dan hij begrijpen kon.
„Wie is die Altamont? Weet ge iets van hem en Strong?” vroeg mijnheer Morgan aan mijnheer Lightfoot, bij de eerste geschikte gelegenheid toen zij elkander in de club zagen.
„Strong is zijn zaakwaarnemer; hij trekt en endosseert de wissels voor den ouwe en doet zijne boodschappen; en ik denk, dat Altamont ook daarbij betrokken is,” gaf mijnheer Lightfoot ten antwoord. „Die wisselzaken, dat weet ge wel, mijnheer Morgan, vereischen altijd twee of drie personen, om het papier in omloop te brengen. Altamont heeft bij de wedrennen een goeden slag gedaan en eene groote som gewonnen. Ik wenschte, dat de ouwe ook ergens wat geld opdeed en mijn loon betaalde.”
„Denkt gij, dat mylady zijne schulden nog eens zal betalen?” vroeg Morgan. „Tracht dat eens voor mij te ontdekken, Lightfoot; het zal u niet tot nadeel zijn, mijn jongen.”
Majoor Pendennis had dikwijls lachend gezegd, dat zijn knecht Morgan veel rijker was dan hij zelf, en werkelijk had die slimme en bedaarde dienaar, door herhaalde voorzichtige speculatiën, een aanzienlijk kapitaal verzameld gedurende de jaren, dat hij bij den majoor in dienst was geweest, waar hij vele andere aanzienlijke bedienden had leeren kennen, van welke hij de zaken hunner patroons vernam. Toen mijnheer Arthur zijne goederen geërfd had, doch niet eerder, had Morgan den jongen heer verbaasd doen staan door de mededeeling, dat hij een klein sommetje gelds bezat, een vijftig of een honderd pond, die hij gaarne goed wilde beleggen: misschien zouden de heeren in den Temple, die verstand van zaken hadden, een eenvoudig man wel willen helpen, om dat goed uit te zetten? Morgan zou zich aan mijnheer Arthur zeer verplicht gevoelen, wezenlijk hoogst dankbaar en verplicht, indien Arthur hem daartoe den weg wilde wijze. Toen Arthur daarop lachend antwoordde, dat hij volstrekt geen verstand van geldzaken had en geen middel ter wereld wist om Morgan te helpen, betuigde deze laatste met de meeste oprechtheid, dat hij mijnheer Arthur zeer dankbaar, wezenlijk zeer dankbaar was, terwijl hij verzocht, dat mijnheer, indien hij misschien eenig geld noodig had voordat zijne renten binnen gekomen waren, zoo goed zou willen zijn zich te herinneren, dat de oude en trouwe dienaar van zijn oom eenig geld had, dat hij wilde uitzetten, en hij zou er wezenlijk trotsch op wezen, indien hij de familie in eenig opzicht van nut zou kunnen zijn.
De prins van Fairoaks, die vrij goed op zijne zaken paste en geen contanten noodig had, zou er evenmin ooit aan gedacht hebben om geld van zijn ooms bediende te leenen als om den zakdoek van dien knecht te stelen, en stond op het punt Morgan’s aanbod op hoogen toon te beantwoorden, doch weerhield zich, uithoofde van het kluchtige van het geval. Morgan een kapitalist! Morgan hem geld ter leen aanbiedende! Het was om zich dood te lachen. Aan den anderen kant, kon de man geheel onschuldig zijn en zijn aanbieding alleen uit goedhartigheid gedaan hebben. Arthur hield dus de spotternij binnen, die op zijne lippen zweefde, en vergenoegde zich met voor mijnheer Morgan’s vriendelijk aanbod te bedanken. Hij vertelde het voorgevallene echter aan zijn oom, dien hij met het bezit van zulk een rijken bediende geluk wenschte.