Part 63
De kamer van Bows was integendeel even net als die van zijn medebewoner slordig was. Zijn armoedige kleederen hingen achter een gordijn. Zijne boeken en geschrevene muziek stonden ordelijk op planken. Een gesteendrukt portret van jufvrouw Fotheringay in de rol van Mevrouw Haller, met de min fraaie handteekening der actrice, hing trouw boven het bed van den ouden heer. Lady Mirabel schreef veel beter dan jufvrouw Fotheringay ooit had gedaan. Mylady had zich sinds haar huwelijk zeer bevlijtigd om de schrijfkunst aan te leeren, en kweet zich zeer loffelijk als zij, ook in naam van haar man, een briefje moest schrijven om een uitnoodiging te doen of aan te nemen. Bows hield echter het meest van het oude schrift, de eerste manier, van de schoone kunstenares. Hij bezat slechts één proefje van de nieuwe manier, een briefje van dankbetuiging voor een lied, gecomponeerd voor en opgedragen aan Lady Mirabel door haar zeer onderdanigen dienaar Robert Bows, welk stuk hij als een schat onder de andere archieven in zijn lessenaar bewaarde. Tegenwoordig leerde hij Fanny Bolton zingen en schrijven, gelijk hij het Emily in vroegere dagen geleerd had. Het was voor dien man eene behoefte zich aan iets te hechten. Toen Emily hem ontrukt werd, nam hij een andere in hare plaats, gelijk een man, die een been verloren heeft, naar eene kruk uitziet, of, als hij schipbreuk geleden heeft, zich aan eene plank vastbindt. Latude had ongetwijfeld zijn hart aan eene vrouw geschonken, voordat hij zich in de Bastille zoo innig aan eene muis hechtte. Er zijn menschen, die in hunne jonge jaren eene vurige liefde gekoesterd of ingeboezemd hebben, en eindigen met zich gelukkig te gevoelen in de vriendschapsbewijzen van een poedel, of in angst te geraken over de ziekte van zulk een dier. Maar het was hard voor Bows, en pijnlijk voor zijn gevoel als mensch, en wel als sentimenteel mensch, dat hij Pen alweer op zijn weg vond en wel als bewonderaar van deze kleine Fanny.
Intusschen koesterde Costigan hoegenaamd geen vermoeden, dat zijn gezelschap niet volmaakt welkom was aan de heeren Pendennis en Bows, en dat het bezoek van den eerstgenoemde niet bepaald voor hem zelven bestemd was. Hij betuigde dus zijn groot genoegen over dit bewijs van beleefdheid en beloofde zich zelven om althans die schuld – niet de eenige welke de kapitein in zijn leven had aangegaan – door verscheidene tegenbezoeken bij zijn jongen vriend uit te wisschen. Hij sprak met hem op de voorkomendste wijze over het nieuws van den dag, of liever van den dag te voren, want in zijne hoedanigheid van dagbladschrijver herinnerde Pen zich, dat hij verscheidene van des kapiteins opmerkingen in het Nieuwsblad voor de jacht en van het tooneel, hetgeen Costigan’s orakel was, gelezen had. Hij deelde mede, dat Sir Charles Mirabel en zijne vrouw naar Baden-Baden waren vertrokken, en hem met verzoeken bestormden, om ook daarheen te komen. Pen gaf met de meeste deftigheid ten antwoord, dat hij gehoord had, dat het te Baden-Baden zeer lief was en dat de groothertog zich jegens de Engelschen zeer gastvrij betoonde. Costigan hernam, dat de wetten der gastvrijheid heilig moesten zijn voor een groothertog, en dat hij er ernstig aan dacht, het echtpaar te gaan opzoeken, waarna hij eenige bijzonderheden mededeelde omtrent de prachtige feesten op het kasteel te Dublin, toen zijn Excellentie de graaf Portansherry daar als lord-stadhouder zijn hof hield, en waarvan Costigan een nederig doch tevreden toeschouwer was geweest. Terwijl Pen deze verhalen aanhoorde, die Costigan zoo dikwijls gedaan had en die hij zich zoo goed herinnerde, stond hem de tijd weer voor den geest, toen hij ze gedeeltelijk geloofd had en voor den kapitein een zeker ontzag koesterde. Emily, zijn eerste liefde, het kamertje te Chatteries en het vriendschappelijk gesprek met Bows op de brug, kwamen hem weer levendig voor den geest. Hij gevoelde iets hartelijks voor zijne beide oude bekenden en drukte hun hartelijk de hand, toen hij opstond om te vertrekken.
Hij had de kleine Fanny Bolton geheel vergeten terwijl de kapitein sprak en hij zelf in egoïstische overdenkingen verzonken zat. Hij herinnerde zich harer eerst weder, toen Bows de trap achter hem afstrompelde, blijkbaar om hem Shepherd’s Inn te zien verlaten.
Bows’ voorzorg was niet gelukkig gekozen. De machtelooze vervolging van den armen ouden man deed den toorn van mijnheer Arthur Pendennis ontbranden. „Voor den duivel, waarom volgt hij mij zoo op den voet?” dacht Pen, en schaterde het uit, toen hij in het Strand alleen was, over de krijgslist van Bows. Het was geen eerlijke lach, Arthur Pendennis! En dat gevoelde Arthur misschien zelf ook, want hij bloosde om zijn eigen grappigheid.
Hij poogde de gedachten te verjagen, die zich aan hem opdrongen, wat die dan ook zijn mochten, en zocht afleiding op verschillende plaatsen van uitspanning, maar met weinig bevredigenden uitslag. Hij zwoegde de hoogste trappen van het Panorama op, maar toen hij hijgende den top bereikt had, was de Zorg mede met hem naar boven geklommen en hield zij hem gezelschap. Hij begaf zich naar de club en schreef een langen, uiterst geestigen en sarcastischen brief naar huis, waarin hij echter geen woord van den Vauxhall, of van Fanny Bolton repte, omdat hij meende dat dit onderwerp, hoe boeiend ook voor hem zelven, aan zijne moeder en Laura niet veel belangstelling zou inboezemen. Noch de romans noch de leestafel konden hem bezig houden – evenmin als de deftige en achtenswaardige Jawkins (de eenige man die in de stad gebleven was), die een praatje met hem wilde maken, of de publieke plaatsen, waar hij afleiding zocht na Jawkins ontvlucht te zijn. Op weg naar huis ging hij een vaudeville-theater voorbij, waar hij met groote roode letters voor de deur zag aangeplakt: „Verbazend kluchtspel!” „Men lacht zich dood!” „Goede oud-Engelsche pret en genoegen!” Hij nam plaats in het parterre en zag de lieftallige mevrouw Leary als naar gewoonte in mansgewaad, en den beroemden komiek Tom Horseman in vrouwenkleeren. Horseman’s vermomming was in zijn oog eene verschrikkelijke en afschuwelijke vernedering, en mevrouw Leary’s lonkjes en enkels maakten hoegenaamd geen indruk op hem. Hij lachte weer bitter toen hij zich den indruk herinnerde, dien zij den eersten avond van zijne komst te Londen op hem gemaakt had, nog zoo kort – en toch, reeds hoe lang geleden!
VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
IN OF BIJ DEN TUIN VAN DEN TEMPLE.
De voorname wereld heeft sinds lang den groenen en lieven tuin van den Temple veronachtzaamd, waar Shakespeare de hertogen van York en Lancaster de onschuldige witte en roode rozen laat plukken, die de leuzen in hunne bloedige oorlogen werden; en de geleerde en vermakelijke schrijver van het Handboek van Londen bericht ons, dat de gemeenste en taaiste rozensoort in dien rookerigen dampkring niet meer ontluikt. Waarschijnlijk weten of bekommeren zich slechts weinige der tegenwoordige bewoners van de gebouwen daar ter plaatse, of er al dan niet rozen groeien, en gaan zij de oude poort alleen door op weg naar hunne kantoren. De procureursklerken dragen geen bloemen in hunne zakken, of bouquetten onder den arm, als zij naar de kantoren der advocaten gaan en de enkele rechtsgeleerden, die voor hunne gezondheid wandelen, denken zeer weinig aan York en Lancaster, vooral nu er geen spoorwegzaken voor die beide steden meer te behandelen zijn. Alleen liefhebbers van oudheid en letterkunde nemen den tuin met veel belangstelling in oogenschouw en stellen zich den goeden Sir Roger de Coverley en Mijnheer den Spectator met zijn rond gelaat voor, zooals zij te zamen de paden op en neer wandelen; of dien lieven Olivier Goldsmith in het koepeltje, misschien peinzende over een volgend nommer van „de Wereldburger” of over het nieuwe pak kleeren, dat Filby voor hem maakt, of over den brandbrief, dien mijnheer Newbery hem heeft gezonden. Met zware stappen op het kiezelzand, majestueus rondwandelende in een snuifkleurig gewaad en met eene pruik, die groote behoefte heeft aan het poeier en de krulijzers van den kapper, ziet men den Grooten Doctor Johnson naar hem toekomen (met zijn Schotschen lakei, Boswell, op de hielen van den schrijver van het woordenboek), terwijl beiden meer of minder bevangen zijn door den portwijn, in de herberg gebruikt, – waarop mijnheer Johnson mijnheer Goldsmith uitnoodigt met hem mee naar huis te gaan en een kopje thee bij jufvrouw Williams te drinken. Liefelijke getrouwheid der verbeeldingskracht! Sir Roger en mijnheer de Spectator staan zoo duidelijk voor ons oog als de beide doctors en de beschonken en eerlijke Schot. De gestalten, door de poëzie geschapen, leven even tastbaar in onze herinnering als de werkelijke personen, en daar mijnheer Arthur Pendennis een romanesken en letterkundigen aanleg bezat en geenszins verslaafd was aan de in dien omtrek gebruikelijke rechtsgeleerde studiën, mogen wij aannemen, dat die jonge heer met eenige van die dichterlijke herinneringen vervuld was, toen hij, den avond na de gebeurtenissen, in het vorige hoofdstuk beschreven, den tuin van den Temple tot de plaats zijner lichaamsbeweging en overdenkingen koos.
Des Zondagavonds is het gewoonlijk stil in den Temple. De kamers staan voor het meerendeel leeg; de voorname rechtsgeleerden geven groote diners in hunne huizen in Belgravia of Tyburnia; de beminnelijke jonge advocaten zijn ook afwezig, wonen die partijen bij en maken mijnheer Kewsy een compliment over zijn uitmuntenden wijn, of hun hof aan de talentvolle dochters van mijnheer Ermine, den rechter. Degenen, die nergens genoodigd zijn, gebruiken een goedkoopen schapebout en een bescheiden half fleschje wijn in de club, en vermaken zich zelven en de overige bezoekers in de koffiekamer met anekdotes, die zij bij de zittingen van de rechtbank hebben opgedaan, en met geestige zetten, of rechtsgeleerde spitsvondigheden. Niemand, kortom, blijft op zijne kamers in den Temple dan de arme mijnheer Cockle, die ziek ligt en wiens waschvrouw gerstewater voor hem zet; of mijnheer Toodle, die een liefhebber van de fluit is, zoodat men hem in de eenzaamheid kan hooren blazen op zijne kamer op de derde verdieping; of de jonge Tiger, de student, uit wiens geopende vensters dikke wolken tabaksrook opstijgen, en aan wiens deur een aantal schotels en deksels te zien zijn met het merk van Dicks of van den Haan. Maar wacht even! waarheen voert ons de verbeelding? Het is vacantie, en met uitzondering van Pendennis is er geen mensch hoegenaamd op de kamers.
Het was dus misschien de eenzaamheid, die Pen naar den tuin dreef; want ofschoon hij nooit nog te voren de poort was doorgegaan en vrij onverschillig naar de lieve bloembedden en de groepjes stedelingen, die over de nette grasperken en de breede kiezelpaden langs de rivier wandelden, had gekeken, wilde het toeval dezen avond, gelijk wij gezegd hebben, dat de jonge heer, na in eene restauratie nabij den Temple alleen gegeten te hebben, op het denkbeeld kwam, toen hij naar zijne kamers terugkeerde, om eene kleine wandeling door den tuin te doen en zich met de frissche avondkoelte en het gezicht op den schitterenden Theems te verlustigen. Na een oogenblikje gewandeld en de talrijke vreedzame en blijde groepjes in het rond beschouwd te hebben, begon hem dat werk te vervelen, zoodat hij een der koepeltjes, die aan beide zijden aan het einde van het hoofdpad staan, binnentrad en zich daar in stilte neerzette. Waarover dacht hij thans? De avond was heerlijk helder en stil; de lucht was onbewolkt; de schoorsteenen op den tegenoverliggenden oever rookten niet, de werven en pakhuizen waren door de avondzon verguld en zagen er zoo helder uit, alsof ook zij zich voor dezen dag van uitspanning hadden opgeknapt. De stoombooten, beladen met menschen die uitstapjes deden, vlogen de rivier op en af. De klokken der talrijke kerken van Londen noodigden tot het avondgebed. Wellicht dat Pen zich dergelijke vreedzame sabbat-avonden uit zijne vroegere dagen herinnerde, toen hij, met den arm om de middel zijner moeder, het grasperk voor het ouderlijk huis op en neer wandelde. De zon verlichtte zoowel den kleinen Brawl als den breeden Theems en zonk trotsch achter de olmen van Clavering en den toren van het welbekende dorpskerkje weg. Was het deze gedachtenloop of alleen de gloed der ondergaande zon, welke dien blos op het gelaat van den jonkman opriep? Hij tikte op de bank de maat van het gelui der klokken, sloeg met zijn zakdoek het stof van zijne blinkende laarzen, en sprong toen op en riep uit, terwijl hij met den voet stampte: „Neen, bij den hemel! ik zal naar huis gaan.” En toen hij dit besluit genomen had – waaruit bleek, dat er in zijn gemoed een zekere strijd had plaats gehad of hij kon blijven waar hij was, dan wel of hij den tuin moest verlaten – stapte hij het koepeltje uit.
Het scheelde weinig of hij liep twee kleine kinderen omver, die niet veel hooger dan zijne knie reikten, en die over het kiezelpad draafden, terwijl hunne lange blauwe schaduwen schuins oostwaarts vielen.
Het eene kind riep: „O!” en het andere begon te lachen en zeide op kinderlijk gemeenzame wijze: „Meheer Pendennis!” waarop Arthur, naar beneden kijkende, zijne beide kleine vriendinnetjes van den vorigen dag, mesdemoiselles Amelia-Anna en Betsy-Jane, ontwaarde. Op dat gezicht bloosde hij sterker dan te voren; hij nam het kind op, dat hij bijna onder den voet geloopen had, wierp het in de lucht en gaf het een kus, bij welken onverhoedschen aanval Amelia-Anna, erg verschrikt, het begon uit te schreeuwen.
Deze kreten deden dadelijk twee dames met schoone kraagjes, nieuwe linten en mooie shawls aansnellen, te weten jufvrouw Bolton, met een vuurrooden Schotschen cachemiren shawl en eene zwart zijden japon, en jufvrouw F. Bolton, met eene gele sjerp en een lief gebloemd mousselientje en eene parasol – van top tot teen de dame. Fanny sprak geen enkel woord, ofschoon haar oogen een welkomstgroet uitstraalden en zoo helder schitterden als de sterkst verlichte vensters van Paper Buildings. Na Betsy-Jane eene vermaning gegeven te hebben, zeide jufvrouw Bolton: „Heere! Hoe zonderling, mijnheer, dat wij u hier ontmoeten! Hoe vaart u, mijnheer? Is het niet zonderling, Fanny, dat wij mijnheer Pendennis tegenkomen?” Waarom lacht gij, mesdames? Is het nooit gebeurd, wanneer de jonge Croesus op eene buitenplaats logeerde, dat gij, door een toevalligen samenloop van omstandigheden, met uwe Fanny aan het wandelen waart in het plantsoen? Hebt gij met Fanny nooit staan luisteren naar de muziek der zware dragonders te Brighton, als de jonge de Boots en kapitein Padmore met rinkelende sporen het havenhoofd afkwamen? Waart gij met uw engelachtige Françoise nooit bij de oude weduwe Wheezy in dat hutje op de heide, als de jonge hulpprediker binnentrad met een traktaatje tegen de rheumatiek? Denkt gij, dat, als er zulke toevalligheden in het heerenhuis gebeuren, zij ook niet voorvallen in de portierswoning?
Het was, zonder twijfel, een toeval, anders niet. In den loop van het gesprek van den vorigen dag had mijnheer Pendennis op de ongezochtste wijze, die men zich kan voorstellen, en in antwoord op eene vraag van de jonge jufvrouw Bolton, gezegd dat, ofschoon sommige pleinen somber waren, andere gedeelten van den Temple zeer vroolijk en aangenaam waren, vooral de kamers die op de rivier en den tuin uitzagen, en dat die tuin eene zeer genoeglijke wandeling des Zondagavonds opleverde en door een groot aantal menschen bezocht werd – en ziedaar nu, op de toevalligste wijze ontmoeten al onze bekenden elkander daar, juist als het met zoovelen in de voorname wereld gaat. Wat kan ongezochter, genoeglijker of natuurlijker zijn?
Pen zag er zeer statig, deftig en voornaam uit. Zijne kleeding was buitengemeen net en schitterend. Zijne witte broek, zijn witte hoed, zijne veelkleurige das, zijn licht vest, zijne gouden kettingen en hemdsknoopjes schonken hem minstens het voorkomen van een prins van den bloede. Wat stond die pracht hem goed! Nooit was iemand bij hem te vergelijken geweest, dacht een der leden van het gezelschap. Hij bloosde – wat stond die blos hem bevallig, zeide dezelfde persoon in haar hart. Zijn voorkomen had den vorigen dag zoo zeer de aandacht der kinderen getrokken, dat zij na zijn vertrek Pendennisje gespeeld hadden. Amelia-Anna had hare kleine mollige vingertjes in de armsgaten van haar voorschoot gestoken, gelijk Pen het in zijn vest deed, en gezegd: „Betsy-Jane, nu ben ik meheer Pendennis.” Fanny had bij die voorstelling tranen gelachen en haar zusje bijna doodgezoend. Wat was zij ook blij, toen zij Arthur het kind zag omhelzen!
Was Arthur rood, Fanny zag er daarentegen zeer afgemat uit. Hij merkte het op en vroeg haar vriendelijk naar de reden van haar oogenschijnlijke vermoeidheid.
„Ik heb den ganschen nacht wakker gelegen,” zeide Fanny en begon een weinig te blozen.
„Ik heb hare kaars uitgedaan en gezegd dat zij moest gaan slapen en met lezen uitscheiden,” kwam hare liefhebbende moeder er tusschen.
„Waart gij aan het lezen? En wat hield u dan zoo bezig?” vroeg Pen, dien hare bekentenis vermaakte.
„O, ik vind het zoo mooi!” zeide Fanny.
„Wat?”
„Walter Lorraine,” antwoordde zij met een zucht. „O, ik heb zoo’n hekel aan die Neara of Næra – ik weet niet hoe ik dien naam moet uitspreken. En ik houd zooveel van Leonora! En die Walter, wat is die lief!”
Hoe had Fanny ontdekt, dat er een roman Walter Lorraine bestond en dat Pen daarvan de schrijver was? Ons kleine persoontje herinnerde zich elk woord, dat mijnheer Pendennis den vorigen avond gesproken had, en dus ook dat hij in boeken en couranten schreef. Maar welke boeken? Zij was daarnaar zoo nieuwsgierig, dat zij op het punt stond vriendelijk te worden tegen den ouden Bows, die sinds gisteren onder haar ongenade zuchtte; doch eerst besloot zij zich tot Costigan te wenden. Zij begon met den kapitein te vleien en hem op haar innemendste wijze toe te lachen, terwijl zij zijn diner aanrichtte en zijn nederig vertrekje in orde bracht. Zij verklaarde zich overtuigd, dat zijn linnen wel eens mocht nagezien worden (en werkelijk bevatte het linnenkastje van den kapitein eenige merkwaardige staaltjes van manufacturen van vlas en katoen); zij zou zijne hemden verstellen – al zijne hemden. Wat verschrikkelijke gaten – wat kluchtige gaten! Zij stak haar gezichtje door een dier openingen en lachte den ouden krijgsman op de lieftalligste wijze toe. Het zou een aardig portretje van haar zijn geweest, zoo kijkende door die gaten. Daarop ruimde zij netjes Costigan’s tafelgoed op en trippelde door de kamer, gelijk zij het de danseressen op het tooneel had zien doen; en daarop huppelde zij naar het kastje van den kapitein en haalde er zijne whiskyflesch uit, en maakte een glas voor hem klaar, en vroeg of zij er eens van proeven mocht, een enkel dropje, en de kapitein moest haar een van zijne liedjes, een van die lieve liedjes voorzingen, en het haar leeren. En toen hij met zijne volle en beverige stem een Iersch deuntje gezongen had, en zich verbeeldde dat hij het was, die de kleine sirene betooverde, bracht zij haar kleine vraagje omtrent Arthur Pendennis en diens roman op het tapijt, en toen zij daarop antwoord gekregen had, bekommerde zij zich om niets meer, maar liet den kapitein alleen aan de piano zitten, waar hij juist nog een liedje voor haar zou zingen, en vergat den bak met het tafelgoed in den gang en de hemden op den stoel, en rende zoo hard zij kon naar beneden.
Kapitein Costigan had gezegd, dat hij geen letterkundige was en ook nog geen tijd had kunnen vinden om het schoone boek van zijn jongen vriend te lezen, maar dat hij de eerste gelegenheid de beste zou waarnemen om er een exemplaar van te koopen. Maar hij kende den naam van Pen’s roman, doordien de heeren Finucane, Bludyer en andere bezoekers van de Achterkeuken, wanneer zij van Pen spraken (hetgeen niet altijd met lof geschiedde, want Bludyer noemde hem een verwenschten kwast, en Hoolan gaf zijne verwondering te kennen, dat Doolan hem niet de zaal uitschopte, enz.), hem met den bijnaam Walter Lorraine aanduidden, en daardoor was Costigan in staat om Fanny de begeerde inlichting te geven.
„En zij ging naar de leesbibliotheek en vroeg er om,” zeide jufvrouw Bolton, – „naar verscheidene bibliotheken, en sommige hadden het boek, maar het was uit, en andere hadden het niet; en eene der bibliotheken, die het hadden, wilde het haar niet geven, of zij moest een pond sterling tot pand laten, en zooveel had zij niet, zoodat zij schreiende thuis kwam – niet waar, Fanny? – en toen heb ik haar het geld gegeven.”
„En ik was zoo bang, dat iemand het uit de bibliotheek zou komen halen terwijl ik weg was,” zeide Fanny, met roode wangen en schitterende oogen. „En o! het is zoo mooi!”
Arthur was door deze ongekunstelde blijken van sympathie geroerd; hij was er bovenmate door gestreeld en getroffen. „Bevalt het u!” zeide hij. „Als gij wilt meegaan naar mijne kamer, zal ik – Neen, ik zal u een exemplaar brengen – Neen, ik zal het u zenden. Goedennacht. Ik dank u, Fanny. God zegen u. Ik kan niet bij u blijven. Vaarwel, vaarwel!” En nogmaals hare hand drukkende en hare moeder en de kinderen toeknikkende, ging hij den tuin uit.
Toen hij haar verliet versnelde hij zijne schreden, en in zich zelven mompelende, liep hij de poort uit. „Lief, lief schepseltje!” zeide hij. „Engel van een Fanny! Gij weegt tegen alle anderen op! Ware Shandon maar terug! dan zou ik naar huis gaan, naar moeder. Ik moet haar niet weerzien; ik wil niet. Ik wil niet, zoo waarlijk helpe mij –”
En terwijl hij aldus sprak en voortsnelde, zoodat de voorbijgangers bleven staan om hem na te kijken, liep hij tegen een oud mannetje aan, in wien hij mijnheer Bows herkende.
„Uw onderdanige dienaar, mijnheer,” zeide Bows met eene spottende buiging en nam zijn kalen hoed af.
„Goedendag,” antwoordde Arthur norsch. „Laat ik u niet ophouden, of van u de moeite vergen, mij weer op den voet te volgen. Ik heb haast, mijnheer. Goedenavond.”
Bows vermoedde, dat Pen reden had om zoo naar zijne kamer te ijlen. „Waar zijn zij?” riep het oude heertje uit. „Gij weet wel wie ik meen. Zij zijn niet op uwe kamer, mijnheer, – niet waar? Zij hebben aan Bolton gezegd, dat zij in den Temple ter kerk gingen; maar daar zijn zij niet. Zij zijn op uwe kamer en zij mogen op uwe kamer niet zijn, mijnheer Pendennis!”
„Voor den duivel, mijnheer!” riep Pendennis woedend uit. „Kom mee, en zie of zij op mijne kamer zijn; hier zijn wij op het plein aan de deur – kom binnen en zie zelf!” en Bows, na den hoed afgenomen te hebben, boog en volgde den jonkman.
Zij waren niet op Pen’s kamers, gelijk wij reeds weten. Doch toen de tuin gesloten werd, keerden de beide vrouwen, die slechts eene treurige wandeling hadden gedaan, neerslachtig met de kinderen terug en traden Lamb Court binnen, en plaatsten zich bij den lantarenpaal, die het midden van het vierkant versiert, van waar zij naar de derde verdieping van het huis, waar Pendennis zijne kamers had, opzagen, alwaar een oogenblik later een licht ontstoken werd. Daarop gingen die twee dwaze vrouwen heen, de vermoeide kinderen medeslepende, en keerden naar mijnheer Bolton terug, die in de portiersloge van Shepherd’s Inn bij zijn glas rumgrog zat te suffen.
Mijnheer Bows keek de ledige kamer rond, die door den jonkman bewoond werd, en sinds den tijd, toen wij haar het laatst zagen, slechts met weinige sieraden of meubelen opgeschikt was. Warrington’s oude boekenkast en havelooze bibliotheek, en Pen’s schrijftafel met den berg van papieren, hadden een zeer gezellig voorkomen. „Wilt gij ook eens in de slaapkamers zien, of mijne slachtoffers dáár verscholen zijn, mijnheer Bows?” vroeg Pen bitter, „dan wel of ik de kleine meisjes vermoord en in het kolenhok verborgen heb?”
„Uw woord is mij voldoende, mijnheer Pendennis,” antwoordde de ander op weemoedigen toon. „Als gij zegt dat zij er niet zijn, dan geloof ik het. En ik hoop, dat zij er nooit geweest zijn en er nooit komen zullen.”