Part 61
„Een blauwtje geloopen? arme jongen!” zeide Fanny met een zucht en vestigde haar blik vol vriendelijkheid en medelijden op hem; maar Henry merkte die mooie donkere oogen niet op.
„Hoe vaar je, mijnheer Pendennis?” viel hier eene stem in, afkomstig van een jonkman met eene lange witte jas en eene roode das, waarover een smal, onzindelijk boordje was neergeslagen, zoodat er een hals van twijfelachtige zindelijkheid zichtbaar werd. Voorts was hij opgesierd met eene groote speld van koper of ander metaal, een vreemdsoortig vest met buitengemeen zonderlinge glazen knoopen, en eene broek, die den beschouwer als het ware toeschreeuwde: „Kijk mij eens aan en zie maar hoe goedkoop en opzichtig ik ben, en wat een kale kwast mijn eigenaar is?” En met een klein stokje in een der zakken van zijne jas en met eene dame in het paarsch aan zijn ander arm, herhaalde de jonkman: „Hoe vaar je? – Zeker mij vergeten? Huxter – Clavering.
„Hoe vaart gij, mijnheer Huxter?” zeide de prins van Fairoaks op zijne vorstelijke manier: „óók nog wel?”
„Als een vischje in het water, dankje wel.” En daarbij knikte mijnheer Huxter aanhoudend met het hoofd. „Zeg eens, Pendennis, ge hebt verbazend veel opgang gemaakt sedert we dat standje bij Wapshot hadden, weet ge nog wel? Groot schrijver, hè? Omgang met de eerste pieten! Zag je naam in den Morning Post. Als ge geen te groot heer zijt om bij een oud vriend te soupeeren, kom dan morgenavond in Charterhouse Lane, – er komen eenige verduiveld prettige kameraden uit het St.-Bartholomeus-hospitaal, en wij zullen wat heerlijk jeneverpunch maken. Hier is mijn kaartje.” En bij die woorden haalde mijnheer Huxter de hand uit den zak waarin de stok zat, trok met zijne tanden het deksel van zijn kaartjeskoker af, en nam er een kaartje uit, dat hij Pen overhandigde.
„Gij zijt bijzonder vriendelijk,” hernam Pen, „maar het spijt mij, dat ik morgenavond bezet ben.” En met verwondering hoe zulk een wezen de vermetelheid kon hebben hem een kaartje toe te reiken, stak de markies van Fairoaks dat van mijnheer Huxter met achtelooze beleefdheid in zijn vestzak. Misschien vermoedde mijnheer Samuel Huxter niet, dat er een groote maatschappelijke afstand tusschen hem en mijnheer Arthur Pendennis bestond. Huxter’s vader was chirurgijn en apotheker te Clavering, evenals Pendennis’ papa chirurgijn en apotheker te Bath was geweest. Maar de brutaliteit van sommige menschen grenst aan het ongeloofelijke.
„Nu, het komt er niet op aan, ouwe jongen,” zeide mijnheer Huxter, die altijd rond en gemeenzaam en nu, door den wijn opgewonden, nog vriendelijker dan naar gewoonte was. „Als gij er ooit voorbij komt, loop dan eens aan; Zaterdags ben ik doorgaans thuis en er ligt meestal een stukje kaas in mijne kast. Adieu! – Daar luidt de bel voor het vuurwerk. Kom mee, Mary,” en daarop begon hij met de overige aanwezigen hard te loopen in de richting van het vuurwerk.
Toen de onderhoudende Huxter uit het gezicht was, begon Pen even hard met zijne kleine gezellin te loopen, terwijl jufvrouw Bolton, met kapitein Costigan aan hare zijde, hen volgde. Maar de kapitein bezat te veel majesteit en waardigheid om voor vriend of vijand hard te loopen, en stapte op de gewone zwaaiende manier, die zijn gang kenmerkte, voort, zoodat Pen en Fanny hem en jufvrouw Bolton spoedig vooruit waren.
Misschien had Arthur vergeten, of verkoos hij het zich niet te herinneren, dat de beide anderen geen geld op zak hadden, zooals gebleken was door hun avontuur aan den ingang van den tuin. Hoe dit zij, Pen betaalde een paar shillings voor hem zelven en zijne gezellin, en klom met haar, terwijl zij aan zijn arm hing, de trap op naar de galerij, van welke men het vuurwerk bezichtigt. De kapitein en mama hadden hen kunnen volgen, indien zij er lust toe hadden gehad, maar Arthur en Fanny hadden het te druk om achter zich te kijken. De menschen duwden en drongen hen van ter zijde en van achteren. Een al te haastig mensch snelde voorbij Fanny heen en stiet haar zoodanig met zijn elleboog, dat zij met een gilletje op zijde viel, waarop Arthur haar natuurlijk zeer behendig in zijn armen opving en haar, om haar goed te beschermen, aldus omvat hield, tot zij werkelijk de trap beklommen en hunne plaatsen innamen.
De arme Foker zat in verlatenheid op eene der hoogste banken, waar zijn gelaat door het vuurwek of, als dit er niet was, door de maan verlicht werd. Arthur zag hem daar zitten en lachte om hem, doch liet zich aan zijn vriend niet veel gelegen zijn. Hij hield zich nu met Fanny op. Wat stond zij verwonderd! wat was zij blij! wat riep zij O, O, O! wanneer de vuurpijlen hoog in de lucht opstegen en weer in azuur en smaragdkleur en vermiljoen neerdaalden. Terwijl die wonderwerken daar voor haar oog vlamden en weer verdwenen, trilde en beefde het meisje van genot aan Arthur’s zijde; zij had hare hand nog op zijn arm en hij voelde hoe zij dien drukte, terwijl zij vol verrukking omhoog staarde.
„Wat is dat heerlijk, mijnheer!” riep zij uit.
„Noem mij niet mijnheer, Fanny,” zeide Arthur.
Snel overtoog een blos het gelaat van het meisje. „Hoe moet ik u dan noemen?” vroeg zij zacht en op liefelijk trillenden toon. „Wat wilt gij dat ik zeggen zal, mijnheer?”
„Daar zegt ge het weer, Fanny! Maar het is goed zoo, mijne lieve,” zeide Pendennis heel vriendelijk en zacht. „Ik mag u toch Fanny noemen?”
„O zeker!” gaf zij ten antwoord; het kleine handje drukte zijn arm nogmaals innig, en het meisje klemde zich zoo dicht aan hem vast, dat hij haar hart tegen zijn schouder voelde kloppen.
„Ik mag u Fanny noemen, omdat gij een jong en lief meisje zijt, Fanny, en ik een oud man ben. Doch gij moet mij maar niet anders dan mijnheer, of mijnheer Pendennis noemen, als ge wilt, want wij leven in een zeer verschillenden stand, Fanny. Denk nu niet, dat ik hard spreek, en – en waarom trekt gij uwe hand terug, Fanny? Zijt gij bang voor mij? Denkt gij, dat ik u kwaad zou willen doen? Om geen geld ter wereld, meisje-lief! En – en kijk eens hoe mooi de maan en de sterren staan, en hoe kalm die schijnen als de vuurpijlen uitgebrand zijn en die gedruismakende zonnen met knetteren en schitteren hebben opgehouden. Toen ik van avond hierheen kwam, dacht ik niet, dat er zulk een lief meisje naast mij zou zitten, om dat mooie vuurwerk aan te zien. Ik schrijf in boeken en couranten, Fanny, en ik was doodelijk afgemat, en verwachtte dat ik hier den ganschen avond alleen zou zitten; en – waarom schreit ge nu, lief, lief kind?” vroeg Pen vriendelijk, plotseling een eind makende aan de bedaarde redevoering, die hij aangevangen had; want het zien van vrouwentranen bracht hem altijd van zijn stuk, en dus begon hij haar dadelijk te vleien en gerust te stellen, en honderd kleine woordjes van medelijden en sympathie af te vuren, die wij hier niet behoeven te herhalen, omdat zij, gedrukt, heel mal zijn. Even dwaas zou de praat van eene moeder tegen haar kind en van een minnaar tegen zijn liefje er in druk uitzien. Die zoete en kunstelooze poëzie kan niet vertaald worden en is te fijn voor de lompe verklaringen van taalkundigen. Men heeft niet anders dan dezelfde drie letters voor de liefkoozing, die men zijner grootmoeder op het voorhoofd drukt, en voor die, welke men op de gewijde wang zijner geliefde mag drukken; niets anders dan dezelfde drie letters, en daaronder komt niet ééne lipletter voor! Zouden wij daarmee willen te kennen geven, dat mijnheer Arthur Pendennis zich van het bedoelde éénlettergrepige woord bediende? In het geheel niet! Vooreerst was het donker; het vuurwerk was uit, en niemand kon hem zien; ten tweede was hij de man niet, om een geheim van dien aard te hebben en het te vertellen; en in de derde en laatste plaats, vragen wij den eerlijken jongen, die ooit een mooi meisje gekust heeft, wat hij zelf in zulk een moeielijk geval zou gedaan hebben?
Nu dan, waarvan gij mijnheer Pen ook verdenkt, en wat gij zelf onder dergelijke omstandigheden zoudt gedaan hebben, of wat mijnheer Pen gaarne zou hebben uitgevoerd, de waarheid is, dat hij zich fatsoenlijk en als man gedroeg. „Ik zal met het hart van dit meisje niet spelen,” sprak hij bij zich zelven, „en mijn eigen eer noch de hare vergeten. Zij schijnt eene gevaarlijke en eenigszins aanstekelijke gevoeligheid te bezitten, zoodat ik blij ben dat het vuurwerk afgeloopen is en ik haar bij hare moeder kan terugbrengen. Kom mee, Fanny; pas op de trap en leun op mij. Pas op, dat ge niet struikelt, onvoorzichtig meisje. Hierheen; daar staat uwe mama aan de deur.”
En daar stond werkelijk jufvrouw Bolton, die erg ongerust was en hare paraplu vast omklemde. Zij pakte Fanny met moederlijke kwaadaardigheid en drift beet, en schold het meisje op haastigen doch gesmoorden toon uit. De uitdrukking op kapitein Costigan’s gezicht terwijl hij achter de matrone stond en van onder zijn hoed Pen knipoogde – was, ik moet het zeggen, onbeschrijfelijk kluchtig, – zóó kluchtig, dat Pen zich niet kon weerhouden het uit te schateren. „Gij hadt mijn arm moeten nemen, jufvrouw Bolton,” zeide hij en bood haar dien aan. „Het doet mij genoegen, dat ik u Fanny weer behouden kan terugbrengen. Wij dachten, dat gij ons op de galerij zoudt gevolgd zijn. Wij hebben pleizier van het vuurwerk gehad, niet waar?”
„O ja!” antwoordde Fanny, met een vrij bedeesden blik.
„En die laatste bundel vuurpijlen was prachtig,” vervolgde Pen „Maar het is tien uren geleden dat ik iets te eten heb gehad, dames, en ik vraag dus verlof, u tot een souper te mogen noodigen.”
„Nu, nu,” zeide Costigan, „ik zou wel een hapje lusten; maar ongelukkig heb ik mijne beurs vergeten, anders zou ik deze dames reeds een collation hebben aangeboden.”
Jufvrouw Bolton gaf daarop vrij scherp ten antwoord, dat zij hoofdpijn had en liever naar huis wilde gaan.
„Kreeftensalade is het beste middel ter wereld tegen hoofdpijn,” zeide Pen galant, „en een glas wijn zal u bepaald goeddoen. Kom, jufvrouw Bolton, wees zoo goed en doe mij dat genoegen. Ik zou het niet over mij kunnen verkrijgen, zonder u te soupeeren, en ik geef u mijn woord van eer, dat ik niet gedineerd heb. Geef mij den arm en laat ik die paraplu dragen. Costigan, gij zult jufvrouw Fanny wel willen geleiden. Ik zal het er voor houden, dat jufvrouw Bolton boos op mij is, als zij mij niet met haar gezelschap vereeren wil. Wij zullen stilletjes soupeeren en dan met elkander in de vigilante naar huis rijden.”
De vigilante, de kreeftensalade, het oprechte en vriendelijke voorkomen van Pendennis, terwijl hij de waardige matrone lachend uitnoodigde, deed haar achterdocht en haar toorn bedaren. Als hij dan toch zoo vriendelijk wilde zijn, zou zij een enkel stukje kreeft gebruiken, en dus begaven zij zich allen naar een der tafels, waar Costigan met zulk eene luide en krijgshaftige stem een knecht riep, dat dadelijk een van die beambten kwam aanloopen.
De spijskaart werd bekeken en Fanny uitgenoodigd haar liefste gerecht op te noemen, waarop het lieve kind zeide, dat zij dol was op kreeft, maar ook heel veel van frambozentaart hield. Pen liet deze lekkernijen komen, terwijl bovendien eene flesch van de meest mousseerende champagne ten genoege van de dames besteld werd. De kleine Fanny dronk er van; – wat had zij niet al voor zoets en bedwelmends dien avond ingeslurpt!
Toen het souper zeer levendig en vroolijk afgeloopen was, en kapitein Costigan en jufvrouw Bolton nog wat arakpunch hadden gebruikt, die in den Vauxhall zoo lekker is, betaalde Pen de rekening met de meeste mildheid, „als een deftig jong Engelsch gentleman uit den ouden tijd, bij den hemel!” zooals Costigan met geestdrift aanmerkte. En daar hij, toen zij weder naar buiten traden, vooruitstapte en jufvrouw Bolton zijn arm aanbood, viel Fanny aan Pen ten deel, en wandelden de beide jongelieden met elkander ten hoogste opgeruimd voort in het spoor, dat de beide ouderen baanden.
De champagne en de arakpunch, ofschoon door allen in matige hoeveelheid gebruikt (behalve misschien door den armen Cos, die waggelde, hoe weinig ook), had hen vroolijk en prettig gemaakt, zoodat Fanny begon te huppelen en hare kleine voetjes te bewegen op de maat van het orkest, dat walsen en galoppen voor de dansers speelde. Toen zij bij de dansplaats kwamen, schenen de muziek en Fanny’s voeten beiden sneller te gaan – zij scheen als van zelve van den grond op te wippen, alsof er kracht zou noodig geweest zijn, om haar neer te houden.
„Hebt ge pleizier in een enkel toertje?” vroeg de prins van Fairoaks „dát zou aardig wezen! Jufvrouw Bolton, geef haar verlof, ééns met mij rond te gaan.” Waarop Costigan zeide: „Vooruit maar!” en daar jufvrouw Bolton het niet tegensprak (om de waarheid te zeggen was zij een oud krijgsros, dat gaarne op het geluid der trompet zelf het perk zou binnengetreden zijn), was Fanny’s shawl in een oogenblik van hare schouders en draaide zij met Arthur in eene wals rond, te midden van een wel zonderling, maar uiterst vroolijk gezelschap.
Pen beging ditmaal geene lompheid met de kleine Fanny, zooals hij in den ouden tijd met jufvrouw Blanche had gedaan, – althans geene lompheid, waaraan hij zelf schuld had. Het paar danste zeer vlug en vergenoegd voort, – eerst eene wals, toen een galop, toen weer eene wals, tot zij bij de tweede wals tegen een ander paar aanstieten, dat zich ook onder de reien van Terpsichore gevoegd had. Het was mijnheer Huxter met zijne jeugdige vriendin in het paarsch, van wie wij reeds een woordje gezegd hebben.
Ook mijnheer Huxter had waarschijnlijk gesoupeerd, want hij was nog meer opgewonden dan toen hij de kennis met Pen had willen hernieuwen; en nu hij tegen Arthur en diens danseres gebotst en beiden bijna omvergeworpen had, begon deze lieve jonge heer natuurlijk menschen uit te schelden, die hij beleedigd had, en gaf hij het onschuldige paar de volle laag in studententaal. „Nu wat moet dat? Blijf van de baan, ouwe knol, als gij niet dansen kunt!” brulde de jonge chirurgijn, waarbij hij nog veel krachtiger uitdrukkingen bezigde, en in dat schelden werd hij bijgestaan door de schelle stem en het gelach zijner danseres, tot groote stoornis van het algemeen genoegen, tot schrik van de arme kleine Fanny en tot onbeschrijfelijke verontwaardiging van Pen.
Pen was woedend; maar hij was nog niet zoo boos over het geschil als wel over de schande, die er mee gepaard ging. Een twist met zulk een kerel! Een opschudding op eene publieke plaats en met eene portiersdochter aan zijn arm! Welk een toestand voor Arthur Pendennis! Hij sleepte de arme kleine Fanny haastig van de dansers weg naar hare moeder, en wenschte dat die jufvrouw Costigan en de arme Fanny liever onder den grond hadden gezeten, dan daar in zijn gezelschap en onder zijn geleide te zijn.
Toen Huxter zijn aanval begon, had die luidruchtige jonge heer niet gezien wie zijne tegenpartij was; maar zoodra hij zag dat het Arthur was dien hij beleedigd had, begon hij verontschuldigingen te maken. „Houd je leelijken mond, Mary,” zeide hij tegen zijne dame. „Dat is een oud vriend van mij, een kameraad van thuis. Ik vraag u verschooning, Pendennis; ik zag niet dat gij het waart, ouwe jongen!” Mijnheer Huxter had onder de jongens der school te Clavering behoord, die getuigen waren geweest van het vroeger door ons vermelde gevecht, toen de jonge Pen den sterksten vechtersbaas van het instituut ter aarde velde, en Huxter wist dus, dat het gevaarlijk was Arthur boos te maken.
Maar zijne verontschuldigingen klonken Pen even hartelijk in de ooren als zijne scheldwoorden. Pen stuitte hem dus in zijn opgewonden verklaringen door hem het zwijgen op te leggen en hem te gebieden den naam van Pendennis hier noch elders te noemen: waarop hij den tuin uitstapte met een afdeeling der volksmenigte op zijne hielen, die hij wel man voor man had willen vermoorden, omdat zij getuigen van het voorgevallene waren geweest, waarover hij zich zoo zeer schaamde. Hij verliet dus den tuin en vergat geheel de arme kleine Fanny, die bevende met hare moeder en den deftigen Costigan hem volgde.
Hij kwam weer tot bezinning door een woord van den kapitein, die hem, juist toen zij de binnenpoort doorgingen, op den schouder tikte.
„Men kan er niet weer inkomen, of men moet opnieuw betalen,” zeide de kapitein. „Zou het niet beter zijn, dat ik nu nog terugging, om den kerel uw uitdaging over te brengen?”
Op die woorden schaterde Pen het uit. „Hem uitdagen!” vroeg hij. „Denkt gij, dat ik met zulk een kerel zou vechten?”
„Neen, neen, doe dat niet!” riep de kleine Fanny uit. „Hoe kunt gij zoo slecht zijn, kapitein Costigan?” De kapitein mompelde iets van eer en knipoogde Pen met veel beteekenis toe, maar Arthur zeide galant: „Wees maar niet bang, Fanny! Het was mijne schuld, dat ik op zulk eene plaats danste. Ik vraag u verschooning, dat ik u gevraagd heb om daar te dansen.” En daarop gaf hij haar weder zijn arm, riep eene vigilante en plaatste er zijne drie vrienden in.
Hij wilde den koetsier betalen en zelf een ander rijtuig nemen, toen de nog altijd verschrikte kleine Fanny haar handje uitstak, hem bij zijne jas greep en hem bad en smeekte ook in de vigilante te komen.
„Zijt ge anders ongerust, dat ik zal terugkeeren om met hem te vechten?” vroeg Pen vroolijk. „Nu dan zal ik u thuis brengen. Naar Shepherd’s Inn, koetsier!” Het rijtuig rolde weg. Arthur was buitengemeen gestreeld door de bezorgdheid, die het meisje voor hem aan den dag legde: hare teederheid en angst deed hem zijne vroegere ergernis geheel vergeten.
Na de beide vrouwen vriendelijk de hand gedrukt te hebben, zag hij haar in de portierswoning binnengaan, en de kapitein fluisterde hem toe, dat hij hem ’s morgens nog eens zou opzoeken, om, als hij nog tot andere gedachten was gekomen, zijn uitdaging aan dien schelm over te brengen. Maar de kapitein verkeerde, toen hij dat voorstel deed, in zijn gewonen toestand, en Pen was vast overtuigd, dat noch hij noch mijnheer Huxter bij hun ontwaken iets meer van den twist zouden weten.
ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN BELEEFDHEIDSBEZOEK.
Costigan kwam Pen niet wakker maken; geen uitdaging van mijnheer Huxter kwam hem verstoren; en toen Pen ontwaakte, gevoelde hij zich luchtiger en levendiger dan de afgematte en geblaseerde bewoner van Londen doorgaans op dat oogenblik is. De koopman of bankier moet dadelijk weer aan zorgen en effecten denken, en de beurs en het kantoor maken zich van hem meester zoodra de slaap van onder zijne nachtmuts vliedt; de advocaat wordt reeds in den vroegen morgen wakker om te denken aan de zaak, waaraan hij den ganschen dag zal moeten werken, en aan den onvermijdelijken procureur wien hij zijne papieren nog vóór den avond beloofd heeft. Wien onzer staat, zoodra hij na de genoten nachtrust de oogen opent en de wereld weer overziet, zijne zorg niet dadelijk voor oogen? Nachtrust, vriendelijke versterkster, die ons in staat stelt met vernieuwden moed de dagtaak weer te aanvaarden! Heerlijke beschikking der Voorzienigheid, die de rust schept, gelijk zij den arbeid toedeelt!
Mijnheer Pen’s arbeid, of liever zijn aard, was van die soort, dat zijne dagelijksche bezigheden hem niet veel belangstelling inboezemden, want het genoegen van het schrijven verflauwt weldra bij den gehuurden werkman, en het genot van zich in druk te zien, houdt slechts gedurende de twee of drie eerste artikelen in een magazijn of dagblad stand. Als Pegasus in het tuig is en elken dag een bepaalden rit moet doen, is hij even prozaïsch als elk ander paard, zoodat hij zonder de zweep, of zijn rantsoen haver, niet werken wil. Op die wijze volbracht mijnheer Arthur zijn werk aan de Pall Mall Gazette (waar zijn honorarium, sedert den opgang dien hij als romanschrijver gemaakt had, verhoogd was), zonder de minste geestdrift; hij deed zijn best, of maar zóó zóó, en schreef nu eens slecht en dan eens goed. Hij was op het letterkundig gebied een paard, dat van nature vlug liep en zich in den strijd dapper gedroeg.
De samenleving, of hetgeen hij daarvan te zien kreeg, vervroolijkte of vermaakte hem ook niet bijzonder. In weerwil van zijn snoeven of zwetsen, waaruit men het tegendeel zou afgeleid hebben, was hij nog te jong voor den omgang met vrouwen, welken men vermoedelijk eerst ten volle genieten kan, als men niet meer aan zijn eigen persoon denkt en alle denkbeelden aan veroveringen opgegeven heeft; hij was evenzeer te jong om op den voet van gelijkheid met mannen te verkeeren, die hunne rol in de wereld gespeeld hadden en bij wier gesprekken hij weinig meer mocht doen dan luisteren. Aan den anderen kant, hij was te oud voor de pretmakers van zijn eigen leeftijd en te veel een pretmaker voor de mannen van zaken, zoodat het zijn lot in de wereld was, zeer dikwijls eenzaam te moeten wezen. Het lot verwijst menigeen tot die eenzaamheid, en vele menschen zijn er ten gevolge van hun eigen smaak mee ingenomen, gelijk velen het ook zonder moeite dragen. Pen onderging het in waarheid met groote zielskalmte, maar beklaagde er zich volgens zijne gewoonte niet weinig over.
„Wat een aardig onschuldig schepseltje was dat,” dacht mijnheer Pen, zoodra hij na het gebeurde in den Vauxhall ontwaakte; „wat is zij lief en natuurlijk, en hoeveel aangenamer ging haar alles af dan die gemaaktheden van de jonge dames op de bals,” (en hierbij schoten hem voorbeelden te binnen van de voorgewende eenvoudigheid van jufvrouw Blanche, die hem wel in het oog had moeten vallen, en van de malle nuffigheden van andere jonge dames uit de groote wereld); „wie zou gedacht hebben, dat zulk een mooi roosje in eene portierswoning groeide, of in dien leelijken ouden bloempot van Shepherd’s Inn bloeien kon? En dus leert zij zingen van den ouden Bows? Als zij zoo lief zingt als zij spreekt, moet het een mooi stemmetje zijn. Ik houd wel van die diepe, gevoileerde stemmen. „Hoe wilt gij dat ik u noemen zal?” Men zou zeggen! Arme kleine Fanny! Het ging mij aan het hart, dat ik zoo hooghartig tegen haar wezen en haar verzoeken moest mij „mijnheer” te noemen. Maar ik moet mij met die gekheden niet inlaten – wij moeten geen Faust en Margaretha spelen. Die oude Bows! En dus leert hij haar zingen? Ei, ei! Het is een goede kerel, die oude Bows; een gentleman in eene kale jas; een wijsgeer, die bovendien een goed hart heeft. Wat was hij goed voor mij, in dat geval met die Fotheringay! Ook hij heeft smart en verdriet gekend. Ik moet de vriendschap met den ouden Bows aanhouden. Men moet menschen van allerlei slag leeren kennen. Die voorname lui beginnen mij te vervelen. Bovendien is er thans niemand in de stad. Ja, ik zal Bows gaan opzoeken en Costigan ook; wat een kluchtig karakter! Ik zal hem goed bestudeeren en in een boek partij van hem trekken.” Op deze wijze sprak onze jonge anthropoloog bij zich zelven; en daar de Zaterdag van iedere week een vrije dag was, omdat de Pall Mall Gazette dan werd uitgegeven, zoodat de medewerkers van het blad hunne hersens en inktpotten niet verder op schatting behoefden te stellen, besloot mijnheer Pendennis zijn vrijen tijd te gebruiken om een bezoek in Shepherd’s Inn te gaan afleggen – natuurlijk om den ouden Bows te zien.