Chapter 20 of 85 · 3992 words · ~20 min read

Part 20

„Waarom zou ik mij met de zaken van een ander bemoeien, schatje?” hernam de doctor. „Ik kan een geheim bewaren – en misschien is dit ook maar een uitstrooisel, evenals die andere dwaze geschiedenis; ten minste, mevrouw Portman, zou ik u dit nooit verteld hebben, als het andere er geen aanleiding toe gegeven had, hetgeen ik u verzoek tegen te spreken waar gij het hoort.” En met die woorden begaf de doctor zich naar zijne studeerkamer, terwijl mevrouw Portman, ziende, dat het bijzonder mooi weer was, begreep, dat zij daarvan gebruik moest maken om eenige bezoeken te gaan afleggen.

Toen de doctor uit het venster zijner studeerkamer keek, zag hij de vrouw zijns harten een oogenblik later in hare beste kleeren uitgaan. Zij stak de markt over, groette de verkoopsters rechts en links, wierp een blik op den komenijswinkel aan den hoek, sloeg London Street (voormaals hog Lane) in, stond een oogenblik voor de winkelkast van madame Fribsby naar de modes te kijken en scheen onzeker, of zij er binnen zou treden; doch zij ging voorbij en stond niet stil, voordat zij den tuin en het groene hek van mevrouw Pybus bereikt had, waar zij binnenging en op de woning van die dame toestapte.

Daar verloor doctor Portman zijne vrouw natuurlijk uit het oog. „O, wat heb ik haar beetgehad!” sprak hij bij zich zelven, „en de hemel vergeve mij, dat ik mijn eigen vleesch en bloed gefopt heb. Maar er moeten geen praatjes en laster meer omtrent die familie in omloop komen. Ik moet er een eind aan maken en Smirke spreken. Ik zal hem nog heden ten eten vragen.”

Daar de doctor eene preek moest opstellen, ging hij zitten werken en had het daarmee zoo druk, dat hij eerst omstreeks vijf uur des namiddags gereed was. Daarop ging hij naar de woning van Smirke, met oogmerk om aan zijne gastvrije plannen ten aanzien van dien heer gevolg te geven. Juist toen hij aan de deur van madame Fribsby was, kwam de hulpprediker er uit.

Mijnheer Smirke was prachtig gekleed en vertoonde, toen hij zich op zijne teenen omdraaide, een paar elegante opengewerkte zijden kousen en blinkende schoenen. Zijne witte das was in een stevigen mooijen strik gelegd en zijne gouden hemdsknoopen schitterden op het sneeuwwitte linnen. Zijn haar krulde rondom zijne blanke slapen. Had hij madame Fribsby’s krulijzers geleend, om aan zijne lokken die sierlijke golving te geven? Zijn wit batisten zakdoek was geurig van het heerlijkste eau-de-cologne.

„O gracilis puer! waar moet dat heen?” riep de doctor uit. „Ik kwam u vragen om bij ons te dineeren.”

„Ik heb mijn woord gegeven om op – Fairoaks te dineeren,” antwoordde Smirke met een licht blosje, terwijl hij met zijn geparfumeerden zakdoek zwaaide. Daar zijn hit gereed stond, steeg hij op en reed meesmuilend de straat uit. Dien dag trof hem geenerhande onheil, zoodat hij met zijne das in den onberispelijksten toestand ten huize van mevrouw Pendennis aankwam.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

WAARMEDE HET EERSTE GEDEELTE VAN DIT VERHAAL BESLOTEN WORDT.

De hulpprediker was zijn dagelijksch bezoek op Fairoaks komen afleggen en bevond zich boven, op Pen’s kamer, waar hij den schijn aannam van met zijn leerling te studeeren. Het was vroeg dien zelfden namiddag, toen mevrouw Portman, na bij mevrouw Pybus afgedaan te hebben, het weer zoo buitengemeen fraai vond, dat zij besloot hare wandeling tot Fairoaks uit te strekken en daar een bezoek aan hare hooggeschatte vriendin te brengen. In den loop van het gesprek vertelde de dominésvrouw aan mevrouw Pendennis en den majoor een zeer groot geheim aangaande mijnheer Smirke, den hulpprediker, hetgeen niets minder betrof, dan dat hij eene liefde, eene zeer oude liefde koesterde, die hij lang verborgen had gehouden.

„En aan wie heeft mijnheer Smirke zijn hart geschonken?” vroeg mevrouw Pendennis, trotsch, maar toch inwendig wel wat ongerust.

„Wel, mevrouw,” antwoordde de andere dame, „toen hij pas hier was en wel eens bij ons at, zeiden de menschen, dat wij hem voor Myra trachtten te winnen, zoodat wij hem niet meer konden vragen. Toen zeide men, dat hij zijn oog ergens elders had laten vallen; maar, wat mij betreft, ik sprak het altijd tegen en zeide, dat gij –”

„Ik!” riep mevrouw Pendennis uit: „wat zijn de menschen toch onbeschaamd! Mijnheer Smirke is hier gekomen als onderwijzer van Arthur, en ik sta verstomd, dat iemand zou durven –”

„Bij mijne ziel, dat gaat een beetje ver!” zeide de majoor, terwijl hij de courant en zijn dubbel lorgnet neerlegde.

„Ik kan die mevrouw Pybus niet uitstaan,” ging Helena verontwaardigd voort.

„Ik zeide haar ook, dat er niets van aan was,” hernam mevrouw Portman. „Ik heb het altijd gezegd, mevrouw-lief, en nu komt het uit, dat onze ingetogene heer geëngageerd is met eene jonge dame – zekere jufvrouw Thompson, van Clapham Common – ik weet niet hoelang al; en ik ben er, wat mij betreft en voor Myra, blij om, want een ongetrouwd hulpprediker is altijd lastig in huis. Natuurlijk blijft dit geheel onder ons, maar ik meende het u te moeten vertellen, om onaangenaamheden te voorkomen. Maar onthoud wel: als het u belieft geen enkel woord over deze zaak!”

Mevrouw Pendennis antwoordde, met de grootste oprechtheid, dat zij dat nieuws met buitengewoon genoegen vernomen had, en drukte de hoop uit, dat mijnheer Smirke, die een zeer welwillend en beminnelijk mensch was, eene goede vrouw zou treffen. Toen de bezoekster weg was, bespraken Helena en haar broeder de zaak nog eens met het meeste welgevallen, en de vriendelijk gezinde dame verweet zich haar hooghartig gedrag tegenover den heer Smirke, dien zij in den laatsten tijd ontweken had, in plaats van hem dankbaar te zijn voor de aanhoudende zorgen, die hij aan Arthur wijdde.

„Erkentelijkheid mag men jegens dat soort van menschen wel betoonen,” zeide de majoor, „maar van gemeenzaamheid kan geen sprake zijn. Deze heer geeft zijne lessen en krijgt er zijn geld voor, gelijk ieder ander meester. Gij zijt te nederig, mijne beste! Verschil van standen en zoo voorts moet blijven bestaan. Ik heb u al vroeger gezegd, dat gij te voorkomend waart jegens mijnheer Smirke.”

Maar Helena gaf dit niet toe; en nu Arthur op het punt van vertrekken stond en zij zich herinnerde hoe uiterst beleefd mijnheer Smirke was geweest, hoe hij boodschappen voor haar had gedaan, boeken gebracht en muziek gekopieerd, hoe hij Laura zooveel geleerd en haar een aantal lieve geschenkjes gegeven had; nu verweet zij zich in haar hart, dat zij den hulpprediker ondankbaar had bejegend; en dit gevoel werd zoo sterk, dat zij, toen hij met Pen naar beneden ging en, alvorens te vertrekken, nog in het voorhuis talmde, naar buiten kwam en hem met een vrij sterken blos de hand gaf, met uitnoodiging om hare huiskamer binnen te treden, waar men, zeide zij, hem tegenwoordig in het geheel niet meer zag. Daar er dien dag een vrij goed diner zou zijn, noodigde zij mijnheer Smirke ook uit om er aan deel te nemen; en wij kunnen ons overtuigd houden, dat hij die heerlijke uitnoodiging met de grootste blijdschap aannam.

Helena, die door de ontvangen mededeelingen van allen vroegeren twijfel en achterdocht ten opzichte van den hulpprediker verlost was, gedroeg zich onder den maaltijd bovenmate vriendelijk en lieftallig jegens mijnheer Smirke en verdubbelde hare beleefdheden, misschien wel omdat majoor Pendennis zeer hoog en terughoudend jegens den leermeester van zijn neef was. Wanneer de majoor aan Smirke een glas wijn aanbood, sprak hij tegen hem als een vorst tegen een geringen onderhoorige, en wel met zooveel nederbuigende goedheid, dat zelfs Pen er om lachen moest, ofschoon hij overigens van zijn kant geneigd was even verwaand te zijn als de meeste jongelui.

Maar Smirke trok zich de ongemanierdheden van den majoor niet aan, zoolang zijne gastvrouw hem vriendelijk behandelde. Hij bracht een heerlijk uurtje naast haar aan tafel door, wendde al zijne spraakzaamheid aan om haar te behagen, handelde over geestelijke en wereldsche dingen, over de armen-loterij en de jaarlijksche vergadering van het zendeling-genootschap, over den laatst uitgekomen roman, over die mooie preek van den bisschop en over de voorname partijen te Londen, waarvan hij een verslag in de dagbladen gelezen had; kortom, hij verzuimde geen der kunstgrepen, waardoor een pas van de academie gekomen geestelijk heer, met aanleg zoowel voor luchtige als ernstige zaken en tevens met de zucht naar het voorname bezield, die een onberispelijk leven leidt en een gevoelig hart bezit, een aangenamen indruk kan trachten te maken op haar, aan wie hij zijne genegenheid schenkt.

Majoor Pendennis kwam zeer spoedig nadat zijne zuster en de kleine Laura de eetzaal hadden verlaten, geeuwende dat vertrek uit. „Wat is die man onuitstaanbaar vervelend, en wat sloeg hij door!” zeide de majoor.

„Hij is zeer vriendelijk voor Arthur geweest, die heel veel van hem houdt,” antwoordde mevrouw Pendennis. „Ik zou wel eens willen weten, wie die jufvrouw Thompson is, met wie hij gaat trouwen.”

„Ik dacht altijd, dat de kerel zijne oogen ergens anders had laten vallen,” hernam de majoor.

„Waar dan?” vroeg mevrouw Pendennis met de grootste argeloosheid. „Op Myra Portman?”

„Op Helena Pendennis, als gij het dan weten wilt,” antwoordde haar schoonbroeder.

„Op mij? Onmogelijk!” zeide Helena, die volmaakt goed wist, dat dit wel degelijk het geval was geweest. „Zijn huwelijk zal eene gelukkige gebeurtenis zijn. Ik hoop, dat Arthur niet te veel wijn zal drinken.”

Nu had Arthur, vrij trotsch op het voorrecht, dat hij de sleutels van den kelder onder zijne berusting had, en zich herinnerende, dat hij waarschijnlijk weinige diners meer met zijn dierbaren vriend Smirke zou hebben, eene goede hoeveelheid wijn voor den maaltijd laten uitzetten, en toen de oudere gasten met de kleine Laura vertrokken waren, begon hij met den hulpprediker de flesch tamelijk druk aan te spreken.

Eéne flesch gaf spoedig den geest; eene andere stortte meer dan de helft van haar bloed, voordat de twee drinkebroers nog een half uur bij elkander hadden gezeten. Pen had met een hollen lach en eene holle stem een beker geledigd op de valschheid der vrouwen, en er op sarcastische wijze bijgevoegd, dat de wijn in ieder geval eene minnares was, die nooit bedrog pleegde en een man altijd het welkom toebracht.

Smirke merkte zachtzinnig aan, dat hij, wat hèm betrof, wel vrouwen kende, die enkel oprechtheid en teederheid waren; en met zijne oogen naar de zoldering en een zucht alsof hij aan een dierbaar wezen dacht, dat niet genoemd mocht worden, nam hij zijn glas op en dronk het uit, waarop het rozeroode vocht zijn gelaat begon te kleuren.

Pen dreunde eenige verzen op, dien morgen door hem gemaakt, waarin hij aan zich zelven verkondigde, dat de vrouw, die zijne liefde versmaad had, niet waardig kon zijn hem te bezitten; dat hij uit den waanzinnigen liefdesdroom ontwaakt was en in dien staat van zaken de hardvochtige bedriegster natuurlijk ging verlaten; dat een geslachtsnaam, die eens beroemd was geweest in het land, daar nog wel eens weerklinken kon, hoewel hij nooit meer de gelukkige en onbezorgde knaap zou zijn, die hij slechts weinige maanden geleden was, en dat zijn hart nooit meer zou wezen wat het geweest was eer de hartstocht het vervuld en de smart het bijna gebroken had; dat, ofschoon de dood hem persoonlijk even welkom was als het leven, en hij niet zou terugdeinzen om van dit laatste te scheiden, indien het niet ware om den wille van dat ééne teedere wezen, welks geluk van zijn geluk afhing, – hij toch hoopte te toonen, dat hij eene waardige spruit was van zijn geslacht, en dat de valsche vrouw eenmaal zou leeren verstaan hoe groot de schat en hoe edel het hart was, dat zij verworpen had.

Pen, zeg ik, die een zeer prikkelbaar gestel bezat, droeg deze verzen met zijne volle aangename stem voor, die van ontroering trilde terwijl hij sprak. Als hij in dezen staat van opgewondenheid verkeerde, bloosde hij altijd, en ook zijne groote, eerlijke, grijze oogen leverden de bewijzen van een zoo oprecht, welgemeend en manhaftig gevoel, dat jufvrouw Costigan, indien zij een hart bezeten had, onvermijdelijk door hem vermurwd had moeten worden; en zeer waarschijnlijk is het, dat zij, gelijk hij zeide, de genegenheid, die hij aan haar verspild had, ten eenemale onwaardig was.

De sentimenteele Smirke werd aangestoken door de ontroering, die zijn jeugdigen vriend bevangen had. Over de dessertborden en de wijnglazen greep hij Pen’s hand. Hij zeide, dat de verzen heerlijk waren, dat Pen een dichter, een groot dichter was en, indien de hemel het vergunde, eene grootsche loopbaan in de wereld te gemoet ging. „Het geluk vergezelle u, lieve Arthur,” riep hij uit; „de wonden, waaraan gij thans lijdt, zijn slechts tijdelijk en juist uwe smart zal uw hart reinigen en versterken. Ik heb u altijd de grootste en de schitterendste toekomst voorspeld, zoodra gij eenige gebreken en zwakheden zult hebben afgelegd, die u tot nog toe aankleven. Doch gij zult die overwinnen, beste jongen, gij zult ze overwinnen, en als gij bekend en beroemd zijt, gelijk eenmaal het geval zal wezen, gedenk dan uw ouden leermeester en de gelukkige dagen uwer vroege jeugd!”

Pen zwoer, dat hij dit doen zou, en bevestigde het met een nieuwen handdruk over de glazen en de abrikozen heen. „Ik zal nooit vergeten hoe vriendelijk gij voor mij zijt geweest, Smirke,” sprak hij. „Ik weet niet, hoe ik er zonder u zou gekomen zijn. Gij zijt mijn beste vriend.”

„Ben ik dat wezenlijk, Arthur?” vroeg Smirke, strak door zijn bril kijkende, terwijl zijn hart zoo hevig begon te kloppen, dat hij dacht, dat Pen het hooren moest.

„Mijn beste vriend, mijn vriend voor eeuwig,” antwoordde Pen. „God zegen je, ouwe jongen!” en bij die woorden dronk hij het laatste glas van de tweede flesch van dien vermaarden wijn, dien zijn vader had opgedaan, die zijn oom in veiling had gekocht, dien Lord Levant van buitenslands had laten komen, en die nu, als een slaaf, wien het onverschillig was, genoegen verschafte aan zijn tegenwoordigen eigenaar en zijn jongen meester opvroolijkte.

„Wij zullen nog eene flesch laten komen, ouwe jongen,” zeide Pen, „bij de onsterfelijke goden, nog ééne flesch! Hoera! – de wijn kost geen geld. Oom heeft mij verteld, dat hij Sheridan in de club vijf flesschen heeft zien drinken, behalve nog eene flesch maraskijn. Dit is een van de fijnste wijnen in Engeland, zegt hij. En dat is het ook! Niets kan er mee in vergelijking komen. Nunc vino pellite curas – cras ingens iterabimur aequor – schenk nog eens in, ouwe Smirke, een okshoofd van dien wijn zou u geen kwaad doen!” En daarop begon mijnheer Pen het drinklied uit den Freischütz te zingen. De vensters der eetzaal stonden open en zijne moeder wandelde zachtkens het grasperk daar buiten op en neer, terwijl de kleine Laura naar het ondergaan der zon keek. De volle, frissche tonen van den knaap troffen het oor der weduwe. Het deed haar hart goed, dat zij hem hoorde zingen.

„Gij – gij drinkt te veel, Arthur,” zeide Smirke zacht – „gij windt u te veel op.”

„Neen,” zeide Pen, „van vrouwen krijgt men hoofdpijn, maar hiervan niet. Schenk in, ouwe jongen, en laten wij drinken – zeg eens, Smirke, beste jongen – laten wij op haar drinken – op uwe haar, meen ik, – niet op de mijne, waar ik zweer dat ik geen zier meer om geef – neen, geen duit – neen, geen pijp tabak – neen, dit glas wijn niet! Vertel eens alles van die dame, Smirke; ik heb u dikwijls om haar hooren zuchten.”

„O!!” zeide Smirke, en zijn mooi batisten overhemd met de glinsterende hemdsknoopjes zwoegde van de aandoening, die zijn teeder en overstelpt hart bewoog.

„O!! wat een zucht!” riep Pen uit, die buitenmate vroolijk werd; „schenk in, mijn jongen, en drink eens uit; gij moogt niet neen zeggen; geen gentleman weigert een toast! Dit gaat op hare gezondheid; ik wensch u veel geluk, en hoop, dat zij spoedig mevrouw Smirke zal wezen!”

„Meent gij dat inderdaad?” vroeg Smirke, bevend als een rietje. „Meent gij dat werkelijk, Arthur?”

„Of ik dat meen? Natuurlijk meen ik het. Uitgedronken! Op de gezondheid van mevrouw Smirke: hip, hip, hoera!”

Krampachtig zwolg Smirke zijn glas wijn in en Pen zwaaide het zijne boven zijn hoofd en juichte zoo luidruchtig, dat zijne moeder en Laura op het grasperk er zich over verwonderden en zijn oom, die in de huiskamer over zijn dagblad zat te dutten, opsprong en bij zich zelven zeide: „Die jongen drinkt te veel! Smirke moest er een einde aan maken.”

„Ik ben u dankbaar voor uwe vriendelijkheid,” zeide de hulpprediker blozende en met beklemde borst. „O, beste Arthur, gij – gij kent haar wel –”

„Hoe! – is het Myra Portman? Wees er gelukkig mee. Zij heeft wel een verduiveld breed middel; maar ik wensch u toch geluk, ouwe jongen!”

„O, Arthur!” kermde de hulpprediker weder, en knikte sprakeloos met zijn hoofd.

„Ik vraag u wel verschooning. Het zou mij spijten als ik u beleedigd had; maar het is toch waar, dat zij een breed middel, een verduiveld breed middel heeft,” hernam Pen, bij wien de derde flesch zichtbaar begon te werken.

„Het is juffer Portman niet,” zeide de ander met eene wanhopige stem.

„Is het iemand te Chatteries of te Clapham? Iemand hier? Kom – het is toch de oude Pybus niet, of de jonge jufvrouw Rolt uit de fabriek? – die is pas veertien jaar.”

„Het is iemand, die wel wat ouder is dan ik, Pen,” bekende Smirke, terwijl hij de oogen naar zijn vriend ophief en ze daarna weer met schuldbesef op zijn bord sloeg.

Pen barstte nu in lachen uit. „Het is madame Fribsby! bij den hemel, het is madame Fribsby! Madame Frib, bij de onsterfelijke goden!”

Nu kon de hulpprediker zich niet langer bedwingen. „O, Pen!” riep hij uit; „hoe kunt gij gelooven, dat iemand van die – van die meer dan alledaagsche wezens, die gij hebt opgenoemd, indruk zou hebben kunden maken op mijn hart, terwijl ik dagelijks in de gelegenheid was, de volmaaktheid te aanschouwen! Misschien ben ik krankzinnig, misschien wil ik mij te vermetel verheffen, misschien ben ik aanmatigend – maar twee jaar lang is mijn hart slechts met één beeld vervuld en kent het geen anderen afgod. Heb ik u niet als een zoon liefgehad, Arthur? – spreek op: heeft Charles Smirke u niet als een zoon bemind?”

„Ja, ouwe jongen, je bent heel goed voor me geweest,” antwoordde Pen, wiens genegenheid voor zijn onderwijzer echter in geenen deele op die van een zoon voor zijn vader geleek.

„Mijne middelen, ik moet het bekennen, zijn voor het oogenblik beperkt,” draafde Smirke door, „en mijne moeder is niet zoo mild als ik zou kunnen wenschen; maar wat zij bezit, zal bij haar dood aan mij komen. Hoorde zij, dat ik eene dame van stand en fortuin trouwde, dan zou zij wèl mild zijn, daarvan ben ik zeker. Wat ik bezit of later erven mocht – en dat is minstens vijfhonderd pond ’s jaars – zou ik voor haar vastzetten – en – en bij mijn dood zoudt gij – dat wil zeggen –”

„Wat drommel bedoelt gij toch? en wat heb ik met uw geld te maken?” vroeg Pen, die er niets van begreep.

„Arthur! Arthur!” riep de ander opgewonden uit: „gij zegt, dat ik uw beste vriend ben. Laat ik méér voor u zijn. O, begrijpt gij dan nog niet, dat het engelachtige wezen, hetwelk ik bemin – de reinste, de beste der vrouwen – niemand anders is dan uw lieve, lieve engel van een – moeder!”

„Mijne moeder!” riep Arthur uit, terwijl hij opsprong en in een oogenblik nuchter was. „Wel verduiveld, Smirke, gij moet gek wezen! zij is zeven of acht jaar ouder dan gij!”

„Hebt gij u daardoor laten weerhouden?” vroeg Smirke op klagenden toon en met blijkbare toespeling op het bejaarde voorwerp van Pen’s hartstocht.

De knaap voelde den steek en bloosde tot achter de ooren. „Die gevallen staan niet gelijk, Smirke,” gaf hij ten antwoord, „en gij hadt die woorden wel vóór u kunnen houden. Een man kan zijn rang wel eens vergeten en eene vrouw daartoe opheffen; maar vergun mij op te merken, dat onze omstandigheden zeer verschillend zijn.”

„Wat bedoelt gij, beste Arthur?” vroeg de hulpprediker weemoedig, wegkrimpende bij de gedachte, dat zijn doodvonnis hem aangekondigd zou worden.

„Wat ik bedoel? Ik bedoel wat mijne woorden uitdrukken. Mijn meester, ik zeg mijn meester, heeft geen recht, eene vrouw van mijn moeders stand ten huwelijk te vragen. Het is misbruik van vertrouwen! Dat zeg ik, Smirke, en dat het ongepast, heel ongepast is – eene laagheid!”

„O, Arthur!” begon de hulpprediker met gevouwen handen en een verslagen gezicht; maar Arthur stampte op den grond en trok aan de bel. „Laten wij er niet meer over spreken. Wij zuilen een kop koffie gebruiken, als gij het goedvindt,” zeide hij majestueus en verzocht daarop den ouden knecht, die op het schellen binnenkwam, dien drank te brengen.

Jan zeide, dat hij juist de koffie in de huiskamer had gebracht en dat majoor Pendennis den jongen heer Arthur verzocht daar te willen komen, waarbij de oude man een verbaasden blik op de drie leege wijnflesschen wierp. Smirke zeide, dat hij – dat hij liever niet meer binnen zou komen, waarop Arthur hooghartig antwoordde: „Zooals het u behaagt,” en last gaf mijnheer Smirke’s paard voor te brengen. De arme jongen zeide, dat hij den weg in den stal wel wist en zelf zijn hit zou halen, waarop hij in het voorhuis in de treurigste stemming zijne jas aantrok en zijn hoed opzette.

Pen volgde hem blootshoofds naar buiten. Helena wandelde nog altijd het fluweelzachte grasperk op en neer, terwijl de zon onderging. De hulpprediker nam den hoed af, boog bij wijze van afscheid, en richtte zich naar de staldeur, door welke beiden verdwenen. Smirke kende, gelijk hij gezegd had, den weg naar den stal zeer goed. Hij frommelde aan de zadelriemen, die Pen voor hem vastmaakte, legde den teugel aan en voerde den hit op het plein. De knaap was geroerd door de droefheid, die hij op het gelaat van den ander onder het opstijgen waarnam. Pen reikte hem de hand, die Smirke sprakeloos in de zijne drukte.

„Zeg eens, Smirke,” voegde Pen hem met eene ontroerde stem toe, „vergeef mij, als ik u iets hards gezegd heb, – want gij zijt altijd heel, heel vriendelijk voor mij geweest. Maar dit kan niet zijn, ouwe jongen, het kan niet zijn. Wees man! God zegen je!”

Smirke knikte zwijgend en reed het hek van het park uit. Pen zag hem nog een paar minuten na, tot hij op den weg verdween en het hoefgekletter wegstierf. Helena talmde nog altijd op het grasperk tot haar jongen terugkwam. Toen streek zij het haar van zijn voorhoofd weg en kuste hem hartelijk. Zij vreesde, sprak zij, dat hij te veel wijn gebruikt had. Waarom was mijnheer Smirke heengegaan zonder thee te blijven drinken?

Pen keek haar met eene goedhartige vroolijkheid aan en zeide lachend, dat Smirke niet heel wel was. In langen tijd had Helena haar zoon niet zoo opgeruimd gezien. Hij nam haar in den arm en wandelde met haar voor het huis op en neer. Laura begon op de ruiten der huiskamer te trommelen en te lachen en te knikken. „Komt binnen, gij met u beiden!” riep majoor Pendennis: „de koffie wordt ijskoud!”

Toen Laura naar bed was, kwam Pen, die van zijn geheim bijna stikte, er mee voor den dag en beschreef het pijnlijke, maar potsierlijke tooneel, dat plaats had gevonden. Helena hoorde het gebeurde aan, onder menig blosje, hetwelk op haar bleek gelaat zeer goed stond, en met eene verlegenheid, waarin Arthur een ondeugend pleizier had.

„Het is verduiveld onbeschaamd!” zeide majoor Pendennis, terwijl hij zijne kaars opnam. „Hoever zal de vermetelheid van die menschen nog gaan?” Pen en zijne moeder voerden dien avond nog een lang gesprek, vol van liefde, vertrouwen en vroolijkheid, en de knaap sliep geruster en werd opgeruimder wakker dan in vele maanden het geval was geweest.