Part 32
Maar hoe ernstig en hartverscheurend deze smarten mochten zijn voor eene jonge dame met een overdreven gevoelig gestel, overtuigden zij Laura niet, dat Blanche zich in vele kleine omstandigheden des levens naar behooren gedroeg. Het kon bij voorbeeld zeer waar zijn, dat de kleine Frans heel ondeugend was en Blanche van de genegenheid harer mama beroofd had; maar dit was voor Blanche geen reden om het kind om de ooren te slaan, omdat het een glas water over hare teekening had gestort, en om het in het Engelsch en Fransch uit te schelden; en de voorkeur, die den kleinen Frans betoond werd, gaf haar geen recht om een vorstelijken toon van gezag tegenover de gouvernante van het kind aan te nemen en die jonge dame door het gansche huis heen te zenden om haar een boek te brengen, of om haar zakdoek te halen. Laura was altijd erkentelijk en vriendelijk als een bediende eene boodschap voor haar gedaan had; maar zij merkte op, dat de kleine muze niet het minste bezwaar maakte hare bevelen uit te deelen aan allen, die haar omringden, en ieders gemak aan het hare op te offeren. Het was Laura’s eerste ondervinding in de vriendschap, en het smartte het lieve meisje, dat zij de bekoorlijkheden en schitterende hoedanigheden, waarmede hare verbeelding hare nieuwe vriendin had toegerust, één voor één als ijdele droombeelden moest laten varen, en dat zij bevinden moest, dat de betooverende kleine fee slechts eene stervelinge en, alles bijeen genomen, geen heel beminnelijke stervelinge was. Zou er wel iemand van edele inborst zijn, die in zijn tijd niet op dezelfde wijze te leur gesteld is? en zou er wel iemand bestaan, die niet op zijne beurt anderen aldus te leur gesteld heeft?
Toen de kleine Frans, die weerspannige zoon en erfgenaam van het huis Clavering, de complimenten in het Fransch en Engelsch en den oorveeg van zijne zuster ontving, kon Laura, die een humoristischen geest bezat, niet nalaten zich de roerende en teere verzen te herinneren, die de muze haar uit Mes Larmes voorgelezen had, aldus beginnende: „Slaap zacht, mijn aardig broertje, Door de englenschaar bewaakt,” en waarin de muze, na den zuigeling over den voornamen rang, dien hij in de wereld bekleeden zou, gecomplimenteerd en dien met haar eigen verlaten toestand vergeleken te hebben, desniettemin verzekerde, dat het engelachtige knaapje nooit grooter genegenheid dan de hare, en in de valsche wereld, die voor hem lag, nimmer iets standvastigers en teerders zou leeren kennen dan het zusterhart. „Wellicht,” vervolgde de verlatene, – „wellicht zult gij ’t versmaden, Mijn cherubijntje zoet! Maar jaagt gij me uit uw boezem, Dan klem ik me aan uw voet! O laat mij u beminnen, Want eens vindt gij, met rouw, De wereld valsch en trouwloos, Maar ik blijf immer trouw!” En kijk, daar diende de muze nu oorvegen aan haar cherubijntje van een broertje toe, in plaats van aan zijne voeten te knielen, en gaf zij aan jufvrouw Laura hare eerste les in de cynische wijsbegeerte (hoewel niet de allereerste). Iets wat op deze zelfzucht en eigenzinnigheid, op dit contrast tusschen practijk en poëzie, tusschen hoogdravende dichterlijke ontboezemingen en het dagelijksche leven geleek, had zij thuis in den persoon van onzen jeugdigen vriend Pen bijgewoond.
Maar met Pen was het toch een ander geval. Pen was een man, en het scheen dus wel natuurlijk, dat hij koppig zou zijn en altijd zijn eigen zin wilde volgen. En onder zijne weerbarstigheid en zelfzucht schuilde inderdaad een welwillend en edelmoedig hart. Zulk een diamant tegen zulk een valschen steen als die andere te verruilen, was hard. Om kort te gaan, Laura begon genoeg te krijgen van hare bewonderde Blanche. Zij had haar op den toetssteen gebracht en haar onecht bevonden; en hare vroegere bewondering en opgetogenheid, die zij op hare gewone eenvoudige wijze had te kennen gegeven, maakte plaats voor een gevoel, dat geen verachting was, maar er zeer na aan grensde, ten gevolge waarvan Laura een ernstigen en bedaarden toon van meerderheid jegens jufvrouw Amory aannam, die aanvankelijk volstrekt niet naar den smaak der muze was. Niemand wil gaarne betrapt worden, of, na eene hooge plaats te hebben ingenomen, daarvan afdalen.
De overtuiging, dat dit haar boven het hoofd hing, strekte niet om jufvrouw Blanche’s goede luim te vermeerderen, en daar zij er kregelig en met zich zelve ontevreden door werd, maakte het haar nog onaangenamer voor hare omgeving. Zoo kwam het dan op zekeren dag tot een geregelden veldslag tusschen de liefste Blanche en de liefste Laura, waarin beider vriendschap bijna geheel vernietigd werd. De liefste Blanche had zich dien dag buitengemeen grillig en netelig betoond. Zij was tegen hare moeder onbeleefd geweest, tegen den kleinen Frans woest, tegen de gouvernante van den knaap alleronbeschaamdst en tegen hare kamenier Pincott onuitstaanbaar hardvochtig. Daar zij het niet waagde hare vriendin aan te tasten (want de kleine dwingeland bezat eene omzichtige kattennatuur en sloeg hare klauwen alleen in degenen, die zwakker waren dan zij), mishandelde zij die allen en inzonderheid de arme Pincott, die dienstbode, vertrouwelinge of gezelschapsjufvrouw (maar altijd slavin) was, naar gelang van de luimen harer jonge meesteres.
Toen dit meisje, dat bij de jonge dames in de kamer gezeten had, door de wreede bejegeningen harer meesteres schreiend de deur uitgedreven en nog door een bijtend gezegde achtervolgd was, kon Laura zich niet meer stilhouden, maar barstte in eene luide en verontwaardigde ontboezeming uit; zij gaf hare verwondering te kennen, dat iemand, nog zoo jong, zoozeer den eerbied vergeten kon, die zij zoowel aan hare meerderen in jaren als aan hare minderen in stand verschuldigd was, en dat zij, terwijl zij zelve zulk eene fijngevoeligheid voorwendde, de gevoelens van anderen zoo pijnlijk folteren kon. Laura verklaarde het gedrag van hare vriendin voor goddeloos, en riep uit, dat zij den hemel wel op hare knieën om vergiffenis mocht smeeken. Na met eene warmte en drift zich op die wijze ontboezemd te hebben, waarover zij zelve bijna evenzeer verwonderd stond als hare toehoorderes, nam zij hoed en doek, en ging in groote haast en ontroering door het park naar huis, tot verbazing van mevrouw Pendennis, die haar niet vóór den avond had terug verwacht.
Laura gaf aan Helena verslag van het voorgevallene en deed voor het vervolg afstand van hare vriendin. „O mama, gij hebt wel gelijk gehad,” sprak zij; „Blanche, die zoo zacht en vriendelijk schijnt, is zelfzuchtig en hardvochtig, zooals gij gezegd hebt. Al spreekt zij altijd van aandoeningen, zij kan geen hart hebben. Geen braaf meisje zou hare moeder zóó bedroeven, of eene dienstbode zóó kwellen; en – en ik zie van haar af, en ik wil geen andere vriendin dan u!”
Daarop hielden de beide dames de kus-oefening, die tusschen haar gebruikelijk was, en mevrouw Pendennis putte heimelijk een grooten troost uit dien twist, daar Laura’s verslag scheen te zeggen: „Dat meisje kan nooit eene vrouw voor Pen zijn, want zij is lichtvaardig en zonder hart, – onzen edelen held ten eenemale onwaardig. Hij zal dat zelf wel ontdekken, en dan tegen dat wufte schepseltje gewaarborgd zijn en uit zijn droom ontwaken.”
Doch mejufvrouw Laura vertelde niet aan mevrouw Pendennis, en wilde het misschien ook zich zelve niet bekennen, wat de eigenlijke oorzaak der oneenigheid was geweest. De kleine ondeugende muze van een Blanche verkeerde in een zeer slecht humeur en had allerlei kwaad in den zin, zoodat zij al zeer vroeg met hare kuren begon. Haar engel van een Laura was den dag bij haar komen doorbrengen, en zoodra zij bij elkander zaten, had Blanche goedgevonden het gesprek op mijnheer Pen te brengen.
„Ik geloof, dat hij erg wispelturig is,” had zij gezegd. „Jufvrouw Pybus, en vele anderen uit Clavering, hebben ons alles aangaande die actrice verteld.”
„Ik was nog een kind toen dat voorviel en weet er niets van,” antwoordde Laura met een hoogen blos.
„Hij heeft haar zeer slecht behandeld,” zeide Blanche, haar hoofdje schuddende. „Hij is haar ontrouw geworden.”
„Dat is hij niet!” riep Laura uit. „Hij heeft haar zoo eerlijk behandeld als men maar wenschen kan en alles willen opofferen om haar te trouwen. Zij is hem ontrouw geweest. Het heeft hem het hart bijna gebroken; hij ....”
„Ik dacht, dat gij niets van het gebeurde wist, liefje?” voegde jufvrouw Blanche er tusschen.
„Mama heeft het mij verteld,” antwoordde Laura.
„Nu, hij is heel knap,” hernam de andere lieveling. „Wat maakt hij lieve verzen! Hebt gij er ooit van hem gelezen?”
„Niets anders dan de Visscher en de Duiker, dat hij voor ons vertaald heeft, en zijn prijsvers, dat den prijs niet kreeg; en ik moet ook bekennen, dat ik het zeer hoogdravend en prozaïsch vind,” voegde Laura er lachend bij.
„Heeft hij dan nooit verzen aan u geschreven, lieve?” vroeg jufvrouw Amory.
„Neen, beste,” antwoordde jufvrouw Bell.
Op die woorden liep Blanche naar hare vriendin toe, kuste haar hartelijk, noemde haar minstens driemaal „mijn engel van een Laura,” keek haar schalks aan, knikte eens en zeide: „Als gij mij beloven wilt het aan nie-ie-mand te vertellen, zal ik u iets laten zien.”
En daarop de kamer doortrippelende, opende zij met een zilveren sleutel een met parelmoer ingelegd lessenaartje, en nam er een paar verkreukte en met iets groens bevlekte papieren uit, die zij aan hare vriendin ter hand stelde. Laura nam ze aan en las ze. Het waren zonder tegenspraak minneliederen, – iets over eene Ondine, – over eene Najade, – over eene rivier. Laura keek er een tijdlang in, maar, om de waarheid te zeggen, waren de regels niet zeer duidelijk voor hare oogen.
„En hebt gij ze beantwoord, Blanche?” vroeg zij, de papieren teruggevende.
„O neen! om alles ter wereld niet, liefje,” zeide Blanche, en toen Laura geheel klaar was met de verzen, trippelde zij terug en borg ze weer in het mooie lessenaartje.
Vervolgens ging zij naar hare piano en zong een paar liederen van Rossini, wiens muziek haar buigzaam stemmetje onverbeterlijk kon uitvoeren, en Laura zat er afgetrokken naar te luisteren. Waaraan dacht jufvrouw Bell onderwijl? Zij wist het ternauwernood zelve, maar zat stil neder terwijl de liederen voortgalmden. Na dit concert werden de jonge dames geroepen om het tweede ontbijt te gebruiken, en natuurlijk met den arm om elkanders middel geslagen, gingen zij naar beneden.
Jaloezie of boosheid kon het niet geweest zijn, dat Laura stil maakte; want toen zij den gang door- en de trap afgegaan waren en de zaaldeur openden, stond Laura stil, zag hare vriendin teer en oprecht in het gelaat en gaf haar met zusterlijke warmte een kus.
Maar daarna moet er iets gebeurd zijn – denkelijk kleine Frans manier van eten, of mama’s taalfouten, of Sir Francis’ tabakslucht – dat jufvrouw Blanche ergerde en haar die ondeugende streken deed bedrijven, die wij hierboven opnoemden, en welke den reeds beschreven twist uitlokten.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN HUIS VOL GASTEN.
De oneenigheid tusschen de meisjes duurde niet lang. Laura was altijd te zeer gezind om te vergeven en zich te laten vergeven, en jufvrouw Blanche’s boosheid, die nooit zeer langdurig of blijvend was, werd niet opgewekt door het tooneel, dat wij geschilderd hebben. Niemand trekt het zich aan, dat hij van verdorvenheid beschuldigd wordt; die aantijging kwetst niemands ijdelheid. Blanche was eerder gestreeld dan geërgerd door de verontwaardiging van hare vriendin, die nooit zou losgebroken zijn zonder de reden, die beiden wel wisten, schoon geen van beiden er van sprak.
Laura moest dus met een zucht bekennen, dat het romantische gedeelte van hare eerste vriendschap afgeloopen was, en dat het voorwerp dier vriendschap op niet meer dan eene zeer alledaagsche soort van achting aanspraak kon maken.
Blanche, van haar kant, schreef dadelijk een roerend gedicht, waarin zij schetste hoe men haar verlaten had en hoe haar de oogen waren opengegaan. Het was niets dan de oude geschiedenis van liefde, die met koelheid, en trouw, die met ontrouw beloond wordt; en daar juist omstreeks dezen tijd eenige familiën uit Londen, die dochters hadden zich in den omtrek kwamen vestigen, had jufvrouw Amory de gelegenheid, om voor eeuwig eene vriendin onder deze jonge dames te kiezen en hare smarten en teleurstellingen aan die nieuwe vertrouwde mee te deelen. De lange lakeien brachten nu zelden briefjes aan de lieve Laura, en de hittenwagen werd slechts enkel naar Fairoaks gezonden ten behoeve van de dames aldaar. Blanche nam, toen Laura haar kwam bezoeken, een voorkomen van onderworpen lijden aan. Laura lachte over de sentimenteele buien van hare vriendin en behandelde die met eene luchtigheid, die volstrekt niet eerbiedig was.
Maar zoo jufvrouw Blanche nieuwe vriendinnen vond om haar te troosten, rust op den waarheidlievenden geschiedschrijver ook de plicht om te verklaren, dat zij kennissen van het andere geslacht ontdekte, die haar ook heel wat troost schenen te schenken. Waar dit argelooze schepseltje een jonkman ontmoette en een onderhoud van tien minuten met hem in den tuin, aan het venster der gezelschapszaal, of in de tusschenpoozen van eene wals had, schonk zij hem haar vertrouwen, liet zij hare mooie oogen spelen, sprak hem op een toon van teedere belangstelling eenvoudig en roerend toe – en liet hem staan, om dat zelfde aardige dramaatje ten genoegen van zijn opvolger te spelen.
In den eersten tijd nadat de Clavering’s op het park gekomen waren, deden zich voor jufvrouw Blanche weinige gelegenheden op om hare kunsten te vertoonen, zoodat Pen uitsluitend begunstigd werd met hare lonkjes en vertrouwde mededeelingen, en het onderhoud aan het venster, of de wandeling in den tuin met niemand behoefde te deelen. In het stadje Clavering, gelijk wij reeds gezegd hebben, waren in het geheel geen jonge heeren, en in de geheele omstreek slechts een paar hulppredikers of een boersche landjonker met groote voeten en slecht gemaakte kleederen. De baronet richtte geen uitnoodigingen tot de dragonders, die te Chatteries in garnizoen lagen, want het was ongelukkig zijn eigen regiment; toen hij het verliet, stond hij op slechten voet met sommige officieren van het corps; er liepen leelijke geruchten over het verkoopen van een paard, over eene betwiste speelschuld, over hazard-spel, over het weigeren van een duel; maar wat behoeven wij ons daarin te verdiepen? wij zijn niet geroepen om te veel in het vroegere leven onzer personages door te dringen, tenzij zulke tot opheldering der onderhavige geschiedenis noodig mocht zijn.
Maar in het najaar, toen de zitting van het parlement en het Londensche seizoen geëindigd was, kwamen een paar der voorname plattelands familiën op hare buitenplaatsen terug. Dit jaargetijde deed het naburige badplaatsje Baymouth tamelijk vol loopen, den koninklijken schouwburg van onzen vriend Bingley te Chatteries openen, en het gewone gezelschap op de bals bij het houden der assises en der wedrennen bijeenkomen. Tot dusverre hadden de oude familiën van het graafschap zich op een afstand van onze vrienden op Clavering Park gehouden, zooals de Fogy’s van Drummington, de Square’s van Tozely Park, de Welbore’s van de Barrow, enz. Er liepen in die kringen allerlei praatjes over de familie te Clavering. Niemand, die hen over hunne buren had hooren spreken, zou hebben kunnen volhouden, dat de menschen op het platteland geen verbeeldingskracht bezitten. Er liepen ontelbare vertelseltjes, die wij hier niet behoeven te herhalen, over Sir Francis en zijne vrouw, en hare afkomst en familie; over jufvrouw Amory en over kapitein Strong; zoodat de familie van het Park drie maanden in het graafschap gewoond had, alvorens de groote lui bezoeken kwamen afleggen.
Maar toen de graaf van Trehawk, lord-stadhouder van het graafschap, op het einde van het seizoen naar het kasteel Eyrie gekomen was en de gravin-douairière van Rockminster, wier zoon ook tot de aanzienlijken des lands behoorde, een huis op de Marine Parade te Baymouth betrokken had, brachten die voorname lui dadelijk en in staatsie een bezoek aan de familie op Clavering Park; en nu volgden de rijtuigen der overige familiën van het graafschap spoedig in het spoor, door de hoogadellijke wielen nagelaten.
Toen eerst begon Mirobolant gelegenheid te krijgen om zijne kunst ten toon te spreiden en onder dien arbeid de kwellingen der liefde te vergeten. Toen was het, dat de lange lakeien het te druk hadden op Clavering Park om boodschappen over te brengen of een glas dun bier met de arme dienstmeisjes op Fairoaks te ledigen. Toen was het, dat Blanche andere boezemvriendinnen dan Laura vond, en andere wandelplaatsen dan den oever der rivier, waar Pen zat te visschen. Hij kwam den eenen dag na den anderen; maar de visch wilde niet bijten en de Nimf niet verschijnen. En hier mogen wij wel een woordje zeggen over zekere kiesche zaak, waarop wij reeds vroeger gezinspeeld hebben; maar onder de roos, en met verzoek om het niet verder te vertellen. Wij hebben vroeger al gesproken van zekeren hollen boom, bij welken Pen zich plaatste toen hij nog dol was op jufvrouw Fotheringay, en in welks holte hij later andere dingen dan zijn aas en vischtuig verborg. Om de waarheid te zeggen, herschiep hij dien boom in eene brievenbus. Onder wat mos en een steen legde hij gedichtjes, of even dichterlijke brieven, gericht aan zekere Ondine of Najade die den stroom bezocht, en die een paar malen vervangen werden door een reçu in den vorm van eene bloem, of een paar woordjes tot dank, met een fijn handje in het Fransch of Engelsch, op geparfumeerd rosé papier geschreven. Het is zeker, dat jufvrouw Amory, gelijk wij gezien hebben, wel eens langs het riviertje wandelde, en dat zij geparfumeerd rosé papier voor hare brieven gebruikte. Maar sinds de grootelui Clavering Park bezocht hadden en de staatsiekoets den eenen avond na den anderen het hek uitreed en den weg naar de andere groote buitenplaatsen insloeg, kwam er niemand meer om Pen’s geschriften uit de brievenbus te halen; het witte papier werd niet tegen rosé verwisseld, maar bleef onaangeroerd onder den steen en het mos liggen, terwijl de boom zich in het water weerkaatste en de Brawl onvermoeid voortkabbelde. Er stond echter in die brieven niet veel, en in de rosé briefjes ternauwernood iets, hoogstens een paar half schertsende half meewarige woordjes, gelijk elke jonge dame ze zou kunnen schrijven. Maar, malle Pendennis, als gij dit meisje wildet hebben, waarom deedt gij dan uw mond niet open? Misschien meende geen van beiden het ernstig. Gij speeldet slechts den verliefde, en de schalksche kleine Ondine liet u met dat spelletje begaan.
Maar als men in zijn spel gedwarsboomd wordt, maakt men zich wel eens boos, en toen Pen’s gedichten door niemand meer werden afgehaald, begon hij die producten met een zeer ernstig oog te beschouwen. Hij gevoelde zich weer bijna zoo tragisch en sentimenteel als ten tijde van zijne eerste liefdesgeschiedenis, en in ieder geval had hij besloten, dat het tot eene verklaring moest komen. Den eenen dag begaf hij zich naar het Heerenhuis en vond de kamer vol bezoekers; den anderen dag kon hij jufvrouw Amory niet te zien krijgen, daar zij des avonds naar een bal moest en nu vooraf wat rust nam. Pen verwenschte de bals, de bekrompenheid zijner beurs en de onbeduidende plaats, die hij in het graafschap innam, zoodat zij, die zulke partijen gaven, hem voorbijgingen. Bij eene derde gelegenheid was jufvrouw Amory in den tuin en toen spoedde hij zich daarheen; maar zie, zij wandelde er met geen minder personage dan den bisschop van Chatteries, diens vrouw en hunne kinderen, die hem zuur aanzagen en eene stijve houding aannamen, toen hij aan hen werd voorgesteld en zij zijn naam hoorden. De hoogeerwaarde prelaat had dien reeds vroeger vernomen, evenals dat grapje in den tuin van den deken.
„De bisschop zegt, dat gij een losbandig jongmensch zijt,” fluisterde hem de goedhartige Lady Clavering toe. „Wat hebt gij toch gedaan? Ik hoop toch – niets, wat zulk eene lieve mama als de uwe verdriet zou kunnen doen? Hoe vaart uwe lieve ma? Waarom komt zij niet eens aan? Ik weet niet, in hoe langen tijd wij haar niet gezien hebben! Wij gaan tegenwoordig veel uit, zoodat wij weinig met onze buren kunnen omgaan. Doe haar en Laura mijn compliment, en komt allen hier morgen eten.”
Mevrouw Pendennis gevoelde zich te ongesteld om uit te gaan, maar Laura en Pen voldeden aan de uitnoodiging en vonden een groot gezelschap verzameld, zoodat Pen slechts in der haast een woordje met jufvrouw Amory kon wisselen. „Gij komt,” zeide hij, „tegenwoordig in het geheel niet meer aan de rivier.”
„Ik kan niet,” antwoordde Blanche, „want ons huis is tegenwoordig vol gasten.”
„Ondine heeft den stroom vaarwelgezegd,” hernam Pen, die trachtte poëtisch te zijn.
„Zij had dien nooit moeten bezoeken,” zeide jufvrouw Amory. „En zij zal er ook niet heengaan. Het was heel dwaas en verkeerd; het was ook maar scherts. Bovendien hebt gij een anderen troost thuis,” en bij die woorden zag zij hem een oogenblik vlak in het gelaat en sloeg toen de oogen neder.
Waarom sprak hij toen niet, indien hij haar had willen hebben? Zelfs toen nog zou zij wellicht „ja” hebben gezegd. Doch toen zij van een anderen troost sprak, dacht hij aan Laura, die zoo teeder en rein was, en aan zijne moeder, wier liefderijk hart op zijne verbintenis met hare pleegdochter gezet was. „Blanche!” begon hij dus op spijtigen toon: „jufvrouw Amory!”
„Laura ziet naar ons, mijnheer Pendennis,” zeide de jonge dame. „Ik moet mij weer bij het gezelschap voegen,” vervolgde zij en liet hem staan, zoodat hij in verlegenheid op de nagels stond te bijten en in den door de maan verlichten tuin te staren.
Laura keek inderdaad naar den kant van Pen. Zij was in gesprek met den heer Pynsent, den zoon van Lord Rockminster, of scheen althans naar hem te luisteren. Hij was de zoon der douairière Rockminster, die, op de eereplaats gezeten, met een deftig gezicht Lady Clavering’s slecht Engelsch aanhoorde en den suffen Sir Francis, wiens invloed in het graafschap zij ten voordeele van haar kleinzoon wenschte aangewend te zien, patroniseerde. Pynsent en Pen hadden samen te Oxbridge gestudeerd, waar de laatste, gedurende den korten tijd toen hij geld bezat en in de mode was, boven den jongen patriciër gestaan en hem misschien wel wat uit de hoogte behandeld had. Sedert hun afscheid van de academie hadden zij elkander aan dit diner voor het eerst ontmoet en elkander met dat hoogst impertinente en te gelijk kluchtige halve knikje van herkenning begroet, dat alleen in Engeland gebruikelijk is en slechts door studenten naar den vollen eisch wordt uitgevoerd, en waarmee men schijnt te willen zeggen: „Wat drommel! wat heb jij hier te maken?”
„Ik heb dien heer te Oxbridge als student gekend,” zeide mijnheer Pynsent tegen jufvrouw Bell: „zekere mijnheer Pendennis, geloof ik.”
„Ja,” antwoordde zij.
„Hij schijnt een goed oogje op jufvrouw Amory te hebben,” ging hij voort. Laura keek naar die beiden, en was misschien van hetzelfde gevoelen, maar zeide er niets van.
„Hij heeft hier in het graafschap groote goederen, niet waar? Hij sprak er van, dat hij voor dit district in het parlement dacht te komen. In de debatteerclub voerde hij dikwijls het woord. Waar liggen toch zijne goederen?”
„Zijne goederen liggen aan de overzijde der rivier, dicht bij de portierswoning,” antwoordde Laura glimlachend. „Hij is mijn neef, en ik woon daar ook.”
„Waar?” vroeg mijnheer Pynsent met een lachje.
„Wel, aan den overkant der rivier, op Fairoaks,” hernam jufvrouw Bell.
„Zijn daar veel fazanten? Ik zou het wel denken, naar het hout te oordeelen,” zeide de argelooze man.
Laura glimlachte nogmaals. „Wij hebben negen kippen en een haan, een varken en een ouden jachthond.”
„Heeft Pendennis dan geen eigen jacht?” hervatte de heer Pynsent.
„Gij moet hem maar eens een bezoek komen brengen,” antwoordde het meisje lachend, daar zij het zeer kluchtig vond, dat men haar Pen voor een rijk landbezitter hield en dat hij zelf zich misschien daarvoor uitgegeven had.
„Wel, het zal mij zeer veel genoegen doen onze kennis voort te zetten,” antwoordde mijnheer Pynsent beleefd en met een blik, die duidelijk zeide: „U zou ik eigenlijk wenschen te bezoeken,” welken blik en toespraak mejufvrouw Laura met een lachje en eene kleine buiging beloonde.