Chapter 28 of 85 · 3836 words · ~19 min read

Part 28

Het was in een kosthuis te Lausanne, dat Francis Clavering – zooals hij het noemde – een gelukkigen coup deed en trouwde met de weduwe Amory, die eerst onlangs uit Calcutta was teruggekeerd. Zijn vader stierf kort daarop, en ten gevolge van dat overlijden werd zijne vrouw Lady Clavering. Mijnheer Snell van Calcutta was zoo opgetogen over dien titel, dat hij het jaargeld zijner dochter verdubbelde en iets later bij zijn overlijden aan haar en hare kinderen een fortuin naliet, dat, indien het door het gerucht niet vergroot was, inderdaad schitterend mocht heeten.

Vóór dien tijd hadden er omtrent de dame geruchten geloopen, die wel niet ongunstig voor hare reputatie luidden, maar toch een onaangenamen indruk nalieten. De voornaamste Engelschen in het buitenland ontweken hare kennismaking; hare manieren waren niet van de fijnste, en zij was van eene jammerlijk lage en onbekende afkomst. De Indische oudgasten, die men in grooten getale aantreft in elke stad op het vasteland waar Engelschen komen, spraken met minachting van haar vader, den slecht befaamden procureur en indigo-smokkelaar, en van haar eersten man Amory, die stuurman op den Oostindievaarder was geweest, waarmee jufvrouw Snell naar haar vader te Calcutta terugkeerde. Vader noch dochter verkeerden in de voorname wereld te Calcutta, en op het paleis van den gouverneur-generaal had men nooit van hen gehoord. De oude Sir Jasper Rogers, voormaals president van het gerechtshof te Calcutta, had eens tegen zijne vrouw gezegd, dat hij eene rare historie van Lady Clavering’s eersten man zou kunnen vertellen; maar tot groote spijt van Lady Rogers en van de jonge dames zijne dochters, had men den ouden president nooit kunnen bewegen het geheim te verklappen.

Iedereen verscheen echter gaarne op de partijen, die Lady Clavering gaf, toen zij zich in het hotel Bouilli, in de Rue Grenelle te Parijs, vestigde en gedurende den winter van 183– in de voorname wereld luisterrijk optrad. De Faubourg St. Germain nam zich harer aan. Burggraaf Bagwig, onze hooggeschatte ambassadeur, behandelde haar blijkbaar met achting. De prinsen van den bloede bezochten hare salons. De stijfste en aanzienlijkste Engelsche dames, die zich in de hoofdstad van Frankrijk ophielden, wilden haar wel kennen en hielden hare eer op, zooals de onbesproken Lady Elderbury, de stugge Lady Rockminster en de eerbiedwaardige gravin van Southdown, menschen, in één woord, die wegens hunne strengheid bekend waren en wier deugd iedereen in de oogen schitterde; – zulk een algemeenen en weldadigen invloed had het bezit van tien duizend pond ’s jaars (sommigen zeiden zelfs twintig duizend) op den naam en de faam van Lady Clavering uitgeoefend. Daaraan paarde zij eene onbegrensde mildheid en liefdadigheid. Iedereen (die tot de groote wereld behoorde) kon over hare beurs beschikken, zoodra een liefdadig plan op touw werd gezet. De Fransche dames de charité ontvingen bijdragen van haar, tot ondersteuning van scholen en kloosters; zonder onderscheid te maken, schreef zij in voor den Armenischen patriarch, voor pater Barbarossa, die naar Europa gekomen was om liefdegaven voor zijn klooster op den berg Athos in te zamelen; voor den zendingspost der doopsgezinden te Quashyboe, en voor de Episcopaalsche kolonie Feefawfoe, het grootste en meest woeste der Kannibalen-Eilanden. Men vertelt, dat, op denzelfden dag toen madame de Cricri vijf napoleons van haar ontving tot ondersteuning van de arme vervolgde Jezuïeten, die op dat oogenblik in Frankrijk in zeer kwaden reuk stonden, zij zich door Lady Budelight op de lijst liet zetten voor eene bijdrage ten behoeve van dominé J. Ramshorn, die in een visioen den last ontvangen had om den paus te Rome te gaan bekeeren. En behalve dit alles, en wel ten genoegen der wereldlingen, gaf de dame de beste diners en de luisterrijkste bals en soupers, die gedurende dat seizoen te Parijs gegeven waren.

In dien tijd moet het geweest zijn, dat de goedhartige dame de zaken met de schuldeischers van haar echtgenoot heeft weten te vereffenen; want Sir Francis vertoonde zich weder in zijn vaderland, zonder dat hij voor gijzeling beducht behoefde te zijn; de Morning Post en het blad van het graafschap vermeldden, dat hij zijn intrek in Mivart’s hotel genomen had, en op zekeren dag zag de oude huishoudster op Clavering House, die van nieuwsgierigheid brandde, een rijtuig met vier paarden de lange laan oprijden, en voor het met mos begroeide bordes van de groote en sombere portiek stilhouden.

Het was een open rijtuig, waarin drie heeren zaten. Op het achterbankje zat onze oude kennis, de heer Tatham van Chatteries, terwijl de eereplaatsen ingenomen werden door een heer van een knap en deftig uitzicht, met snorren, bakkebaarden, pelskraag en mantel uitgedost, en een bleek man met een lusteloos uitzicht die, schijnbaar zeer zwak, uit het rijtuig steeg, toen de kleine procureur en de heer in het bont er reeds luchtig uitgesprongen waren.

Zij klommen de groote bemoste stoep op en begaven zich naar de hoofddeur van het gebouw, waar een buitenlandsche knecht, met oorringen en eene pet met goudgalon, geweldig aan den grooten schelknop der gebarsten en gebeeldhouwde poort trok. Men hoorde het geluid der schel door het uitgestrekte en sombere gebouw weergalmen. Na eenige oogenblikken klonken er voetstappen door den marmeren gang, de deur werd geopend en daar stonden jufvrouw Blenkinsop, de huishoudster, Polly haar adjudant, en Smart de boschwachter nederig te buigen.

Smart trok aan eene lok van het hooikleurige haar, dat zijn door de zon verschroeid voorhoofd versierde, sloeg met den linkerhiel achteruit alsof een hond hem in de kuiten beet, en stak het hoofd vooruit om eene buiging te maken. De oude jufvrouw Blenkinsop maakte eene nijging. De kleine Polly, haar adjudant, nijgde eveneens en liet daarop verscheidene haastige buigingen volgen, terwijl jufvrouw Blenkinsop erg aangedaan stamelde: „Welkom op Clavering, Sir Francis. Het doet mij in het hart goed, nog eens iemand van de familie te zien.”

Die toespraak en die buigingen waren altemaal gericht tot dien voornamen heer met het bont en den mantel, die den hoed zoo kranig op één oor droeg en met zooveel zelfbehagen de snorren opkrulde. Maar die heer schaterde het uit van lachen en antwoordde: „Gij slaat de plank mis, oudje, – ik ben Sir Francis niet, die het erfslot zijner voorvaderen komt bezoeken. Vrienden en vasallen, ziet daar uw wettigen heer!”

En met die woorden wees hij op den bleeken, kwijnenden heer, die van zijn kant antwoordde: „Stel je zoo mal niet aan, Ned!”

„Ja, jufvrouw Blenkinsop,” ging hij voort, „ik ben Sir Francis Clavering; ik herinner mij u nog zeer goed. Mij hebt gij zeker vergeten? Hoe vaart ge?” en daarbij greep hij de bevende hand: der oude jufvrouw en knikte haar niet onvriendelijk toe, in weerwil van haar verbaasd gezicht.

Jufvrouw Blenkinsop verzekerde op haar geweten af, dat zij Sir Francis overal zou herkend hebben, want dat hij het evenbeeld was van Sir John, die dezen voorafgegaan was.

„Ja, ja – dank je – dat spreekt – zeer verplicht – en zoo voorts,” zeide Sir Francis, terwijl hij een wezenloozen blik door de groote zaal liet gaan. „Akelige ouwe spelonk, vindt je niet, Ned? Maar ééns van mijn leven hier geweest, toen mijn vader ruzie had gehad met mijn grootvader, in ’23.”

„Akelig? Heerlijk, zeg ik! Precies het kasteel van Otranto! Hier kunnen wij waarachtig de geheimen van Udolpho hebben!” antwoordde de heer, die met den naam van Ned werd aangesproken. „Wat een haard! Men zou er een olifant kunnen braden! Mooi gebeeldhouwde galerij! Het is zeker door Inigo Jones gebouwd. Ik wed vijf tegen twee, dat het van Inigo Jones is?”

„Het bovengedeelte is van Inigo Jones; het benedengedeelte is in den tijd van George I door den beroemden Hollandschen architect Van der Putty verbouwd, op last van Sir Richard, den vierden baronet,” berichtte de huishoudster.

„Zoo – oo!” zeide de baronet. „Nu, Ned, gij weet ook alles!”

„Ja, ik weet wel het een en ander,” antwoordde Ned. „Ik weet, dat dit schoorsteenstuk geen Snijders is – drie tegen één, dat het eene kopie is. Dat zullen wij restaureeren, beste jongen. Ge zult verwonderd staan, hoe het van een streekje vernis zal opkomen. Die ouwe heer in zijn rood costuum is zeker Sir Richard?”

„Die sheriff van het graafschap en in den tijd van koningin Anna lid van het parlement was,” zeide de huishoudster vol verbazing over de kennis van den vreemdeling; „die dame aan zijne rechterhand is Theodosia, de vrouw van Harbottle, den tweeden baronet, geschilderd door Lely en voorgesteld in het karakter van Venus, de godin der schoonheid; – naast haar staat haar zoon Gregory, de derde baronet, afgebeeld als Cupido, de minnegod, met boog en pijlen in de hand; in het andere vak ziet men Sir Rupert, die door Karel I tot ridder-banneret verheven werd en wiens bezittingen door Olivier Cromwell verbeurdverklaard zijn.”

„Dank je, jufvrouw Blenkinsop, maar ge behoeft niet verder voort te gaan,” zeide de baronet. „Wij zullen het gebouw wel alleen doorwandelen. Frosch, geef mij eene sigaar. Oók eene sigaar, mijnheer Tatham?”

De kleine Tatham probeerde het met de sigaar, die de koetsier van Sir Francis hem gaf, maar trok er de akeligste gezichten bij. „Gij behoeft niet met ons om te gaan, jufvrouw Blenkinsop. Zeg eens, jij – hoe heet je ook weer? – Smart, geef de paarden voer en wasch hun den bek. Ik zal niet lang blijven. Kom mee, Strong, – ik ken den weg, ik ben in ’23 hier geweest, in het laatst van grootvaders leven.” En Sir Francis ging met kapitein Strong, want dezen naam en titel voerde de vriend van den baronet, uit de groote zaal naar de receptiekamers en liet de teleurgestelde jufvrouw Blenkinsop vrij, om zich door eene zijdeur naar hare vertrekken te begeven, die voor het oogenblik de eenige bewoonbare kamers in het zoo lang ongebruikt gebleven heerenhuis waren.

Het gebouw was zoo reusachtig groot, dat geen huurder rijk genoeg was om het te bewonen, en toen Sir Francis en zijn vriend de eene kamer na de andere doorliepen, hadden zij de gelegenheid, om de ruimte, somberheid en voormalige pracht te bewonderen. Rechts van den hoofdingang waren de salons en gezelschapskamers en aan de andere zijde de eikenhouten kamer, de huiskamer, de eetzaal en de bibliotheek, waar Pen in vroeger dagen boeken gevonden had. Langs drie zijden der vestibule liep eene galerij, uit welke men door afzonderlijke gangen in de voornaamste slaapkamers kwam, waarvan vele een indrukwekkenden omvang hadden en nog overblijfselen van den ouden luister vertoonden. Op de tweede verdieping vond men een doolhof van kleine, ongemakkelijke zoldertjes, bestemd voor de bedienden der groote lui, die het huis in aloude tijden bewoonden. Ik ken geen verblijdender teeken van de meerdere menschlievendheid, die onzen tijd eigen is, dan de tegenstelling tusschen onze tegenwoordige wijze van bouwen en die onzer voorvaderen, en de betere zorg voor de dienstboden en de armen dan in die dagen toen mylord en mylady onder vergulde verhemelten sliepen en hunne bedienden zich op bovenvertrekjes behelpen moesten, die niet zoo luchtig of zindelijk waren als onze hedendaagsche stallen.

Bij die wandeling der beide heeren door het huis was de eigenaar zeer stil en legde weinig blijdschap over het bezit van zijn eigendom aan den dag, terwijl daarentegen zijn vriend de kapitein de plaatselijke gesteldheid met zooveel belangstelling en aandacht opnam, dat men hem voor den meester en den ander voor een onverschillig bezoeker van het gebouw zou gehouden hebben. „Ik zie, dat er wat van te maken is,” riep de kapitein uit. „Laat het maar eens aan mij over, en met geringe kosten zal ik het tot een sieraad van het land maken. Wat eene mooie tooneelzaal zou de bibliotheek kunnen zijn; het scherm zou tusschen de kolommen kunnen hangen, die de zaal verdeelen! Wat eene heerlijke kamer voor een galop! het gansche graafschap zou er in kunnen! Wij zullen de zaal behangen met het tapijtwerk uit uw tweede salon in de Rue de Grenelle en de eikenhouten kamer met die middeleeuwsche kabinetten en wapenrustingen meubileeren. Wapenrustingen steken heerlijk tegen donker eikenhout af, en er is op de Quai Voltaire een Venetiaansche spiegel te krijgen, die op een haar in dien hoogen schoorsteen passen zal. De lange zaal moet natuurlijk wit en karmozijn hebben, de gezelschapszaal geel satijn, en de kleine gezelschapskamer lichtblauw met kant er overheen, hé?”

„Ik herinner mij, dat mijn ouwe heer mij in die kleine kamer afroste,” zeide Sir Francis deftig; „de ouwe had altijd een hekel aan mij.”

„Chits zal wel waarschijnlijk de stof moeten zijn in de kamers van mylady en in de suite op het bovenportaal, de slaapkamer, de zitkamer en de kleedkamer? Wij zullen van het balkon eene broeikas maken. Waar wilt gij uwe kamers hebben?”

„Laat de mijne maar in den noordervleugel zijn,” antwoordde de baronet geeuwende, „buiten het bereik van jufvrouw Amory’s verwenschte piano. Die kan ik niet uitstaan. En van ’s morgens tot ’s avonds zit zij er bij te gillen.”

De kapitein schaterde het uit. In den verderen loop van hunne wandeling door het gebouw stelde hij de geheele overige inrichting der vertrekken vast, en toen de tocht was afgeloopen, traden zij de kamer van den rentmeester, nu bij jufvrouw Blenkinsop in gebruik, binnen, waar mijnheer Tatham een platten grond van het landgoed zat te bestudeeren en de oude huishoudster een collation ter eere van haar heer en meester had aangericht.

Vervolgens namen zij de keuken en de stallen op, voor welke Sir Francis veel belangstelling aan den dag legde, waarna kapitein Strong den tuin wilde bezoeken, doch de baronet riep uit: „Laat de tuin en al die boel naar den drommel loopen!” Ten slotte reed hij van de plaats even onverschillig weg als hij er gekomen was, en dien avond vernamen de bewoners van Clavering, dat Sir Francis Clavering het park bezocht had en voornemens was er zijn verblijf te vestigen.

Toen dit te Chatteries bekend werd, geraakte de gansche bevolking in beweging, zoowel hoogkerkschen als laagkerkschen, gepensioneerde kapiteins en oude vrijsters en douairières, jachtminnende landjonkertjes uit den omtrek, boeren, winkeliers en fabriekarbeiders: kortom, jan en alleman binnen en buiten het plaatsje. Het nieuws woei naar Fairoaks over en werd daar door de dames en mijnheer Pen met zekere opgewektheid vernomen. „Jufvrouw Pybus zegt, dat er een heel lief meisje in huis is, Arthur,” zeide Laura, die op dit punt even voorkomend en lief was als de vrouwen doorgaans zijn, – „zekere jufvrouw Amory, Lady Clavering’s voordochter. Natuurlijk zult gij, zoodra zij aankomt, op haar verliefd worden.”

„Praat toch zoo mal niet, Laura!” riep Helena uit, terwijl Pen er om lachte en uitriep: „Nu, er is een jonge Sir Francis voor u.”

„Die is pas vier jaar oud,” hernam jufvrouw Laura. „Maar ik zal mij met dien knappen officier troosten, dien vriend van Sir Francis. Hij zat verleden Zondag in de kerk in de bank der Claverings, en hij draagt heel mooie knevels.”

Het aantal leden van Sir Francis’ gezin (die alle in de bovenstaande regelen genoemd zijn) was vrij spoedig in het stadje bekend, evenals al wat verder zijne huishouding betrof, voor zoover menschelijke nieuwsgierigheid en vernuft het konden nasporen. De lanen en wandelpaden van het park werden nu op zomeravonden druk bezocht door de inwoners der stad, die zich naar het groote huis richtten, overal rondgluurden en hunne aanmerkingen maakten over de veranderingen, waarmee men bezig was. Ontelbare wagens uit Chatteries en Londen brachten de eene vracht meubelen na de andere aan, maar hoeveel er ook waren, kapitein Glanders wist wat elke wagen bevatte en geleidde de bagage naar het huis.

Want hij was reeds een vertrouwde kennis van kapitein Strong geworden. Deze laatste bewoonde te Clavering dezelfde kamers, die vroeger den vreedzamen Smirke gehuisvest hadden, en stond hoog in de gunst bij zijne huisvrouw, madame Fribsby. De kapitein had in persoon en kleeding een prachtig voorkomen; hij bezat eene frissche kleur, blauwe oogen, zwarte bakkebaarden, eene breede borst en eene athletische gestalte; eene kleine overhelling tot gezetheid benadeelde zijne flinke gestalte volstrekt niet en nooit bood dapperder soldaat den vijand eene breeder borst aan. Als hij de High Street te Clavering opging met den hoed op één oor, met zijn stok op de steenen slaande, en hij dien rondzwaaide en er houwen en steken mee uitvoerde, waarbij zijn vroolijke lach door de anders zoo stille straten weergalmde, dan was hij in het stadje zoo welkom als de zonneschijn en een troost voor de inwoners.

Reeds den eersten marktdag kende hij elk mooi meisje, dat ter markt kwam; hij maakte grappen met al de vrouwen, praatte met de boeren over hun vee en at des middags aan de boerentafel in het Wapen van Clavering, waar hij allen door zijne aardigheden en geestige zetten deed schudden van lachen. „Het is een aardige kerel, dat valt niet tegen te spreken,” was het eenparig gevoelen der heerenboeren. Hij schudde er wel twintig de hand toen zij op hunne oude knollen van het plein der herberg wegreden en wuifde hen zwierig met zijn hoed na, terwijl hij aan de deur van het logement zijne sigaar stond te rooken. In den loop van den avond was hij aan het buffet volkomen thuis, en wist hij hoeveel huur de kastelein betaalde, hoeveel bunders land hij in pacht had, hoeveel mout hij in zijn zwaar bier deed, en of hij zich ooit van Baymouth of van de visschersdorpen aan de kust wat brandewijn verschafte, waarvoor geen accijns betaald was.

Hij had zich eerst in het heerenhuis trachten in te richten, maar vond het zoo vervelend, dat hij het niet kon uithouden. „Ik ben voor de gezelligheid geboren,” zeide hij tegen kapitein Glanders. „Ik ben hier, om Clavering’s huis wat in orde te brengen, want, onder ons gezegd, Frans heeft geen vast karakter, mijnheer, geen vast karakter; hij heeft er geen hart voor, mijnheer,” (en bij die woorden zette hij zijne eigen borst op), „maar ik moet gezellig verkeer hebben. De oude jufvrouw Blenkinsop gaat om zeven uur naar bed en neemt Polly mee. De twee eerste avonden was er in dat groote huis niemand dan ik en het Spook, en, ik wil er wel voor uitkomen, mijnheer, ik houd van gezelschap. Dat doet een oud soldaat meestal.”

Glanders vroeg waar Strong gediend had, waarop de kapitein zijne knevels opkrulde en met een lachje antwoordde, dat de ander liever moest vragen waar hij niet had gediend. „Ik begon, mijnheer, als cadet bij de Hongaarsche ulanen, en toen de Grieksche onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, verliet ik dien dienst ten gevolge van onaangenaamheden met mijn ouwe; ik behoorde tot de zeven, die zich uit Missolonghi redden, en vloog in de lucht met een van Bozzaris’ branders, alles nog pas op mijn zeventiende jaar. Ik zal u mijn kruis van den Verlosser laten zien, indien gij van avond op mijne kamer een glas grog wilt komen drinken, kapitein. Ik heb nog eenige andere van die nesterijen in mijn lessenaar liggen. Ik bezit den Witten Adelaar van Polen, dien ik op het slagveld van Ostrolenka uit handen van Skrzynecki ontving” (hij sprak Skrzynecki’s naam met eene verwonderlijke juistheid en welgevallen uit). „Ik was luitenant bij het vierde regiment, mijnheer, en wij marcheerden door de liniën van Diebitsch – dwars er doorheen, mijnheer, Pruisen in, zonder een schot te lossen. Och, kapitein, dat was eene slecht berekende onderneming! Deze wond ontving ik aan de zijde van den koning vóór Oporto – waar hij die volgelingen van Pedro, die alleen van beursspeculatiën verstand hadden, zou vernield hebben, indien Bourmont mijn raad had willen volgen. Vervolgens diende ik in Spanje bij de troepen van den koning tot aan den dood van mijn waarden vriend Zumalacarreguy; – toen ik zag, dat het spel uit was, zoodat ik mijn degen aan den wand hing, kapitein. Alva bood mij een regiment aan, de Muleteros der koningin; maar ik kon het niet van mij verkrijgen – waarachtig, ik kon het niet, – en nu, mijnheer, nu weet gij wie Ned Strong – de chevalier Strong, zooals men mij in het buitenland noemt – wie Ned Strong is, zoogoed als hij het zelf weet.”

Op deze wijze leerde bijna iedereen te Clavering Ned Strong kennen. Hij vertelde het aan madame Fribsby, aan den kastelein van den George, aan Baker in het leesmuseum, aan mevrouw Glanders en de kinderen aan tafel; en eindelijk vertelde hij het aan mijnheer Arthur Pendennis, die op zekeren dag, toen hij uit verveling Clavering binnendrentelde, den chevalier Strong in gezelschap met kapitein Glanders vond, die met zijn nieuwen bekende ten hoogste ingenomen was.

Het duurde maar heel kort, of kapitein Strong was evengoed thuis in Helena’s huiskamer als op de eerste verdieping bij madame Fribsby, en hij vroolijkte het eentonige huis met zijn opgeruimden zin en zijn onvermoeid gepraat op. De beide dames hadden nog nooit zoo iemand gezien. Hij hield haar bezig met duizenderlei verhalen van gevechten en gevaren, van Grieksche gevangenen, Poolsche schoonen en Spaansche nonnen. Hij kende dozijnen liederen in een half dozijn talen, zette zich aan de piano en zong ze met eene volle krachtige stem achter elkander af. De twee dames zeiden, dat hij alleraardigst was, en dat was hij ook; ofschoon zij tot nog toe niet veel ondervinding van mannelijk gezelschap hadden gehad, daar zij in den loop van haar leven slechts weinige mannen gezien hadden buiten den ouden Portman, den majoor en mijnheer Pen, die zonder tegenspraak een genie was, maar genieën zijn thuis nog al saai en vervelend.

Kapitein Strong maakte zijne nieuwe vrienden te Fairoaks niet alleen met zijn eigen levensloop, maar ook met de gansche geschiedenis der familie, die nu op Clavering zou komen wonen, bekend. Hij was het, die het huwelijk tusschen zijn vriend Frans en de weduwe Amory beklonken had. Zij had behoefte aan rang en hij aan geld. Kon men een doelmatiger huwelijk bedenken? Hij was het, die het tot stand gebracht en die twee menschen gelukkig gemaakt had. Er bestond geen zweem van romaneske verliefdheid tusschen die beiden; de weduwe was van geen leeftijd of gestalte voor romaneske buien, en als Sir Francis maar zijn spelletje biljart en zijn diner had, bekommerde hij zich om weinig anders. Maar zij waren zoo gelukkig als iemand maar zijn kan. Clavering zou naar zijn land en geboorteplaats terugkeeren, het fortuin zijner vrouw zou de hypotheken helpen aflossen, en zijn zoon en erfgenaam zou een der mannen van het graafschap worden.

„En jufvrouw Amory?” vroeg Laura, die buitengewoon nieuwsgierig ten opzichte van die jonge dame was.

Strong begon te lachen. „O,” zeide hij, „jufvrouw Amory is eene muze – jufvrouw Amory is een mysterie – jufvrouw Amory is eene femme incomprise” – „Wat is dat?” vroeg de eenvoudige mevrouw Pendennis; maar de chevalier gaf haar geen antwoord en kon dat misschien ook niet. „Jufvrouw Amory schildert, jufvrouw Amory schrijft gedichten, jufvrouw Amory componeert muziek, jufvrouw Amory rijdt als Diana Vernon. Met één woord, jufvrouw Amory is een pronkjuweel.”

„Ik heb een hekel aan knappe vrouwen,” zeide Pen.

„Dank je,” zeide Laura. Wat haar betrof, was zij zeker, dat zij jufvrouw Amory allerliefst zou vinden; zij smachtte letterlijk naar zulk eene vriendin. En daarbij keek zij Pen recht in de oogen, alsof elk woord, dat de kleine huichelares sprak, een Evangelie was.