Chapter 38 of 85 · 3943 words · ~20 min read

Part 38

„Zeer goed ingezien, mijn jongen! Minnevuur en liefdeschichten en verliefdheid tot den dood en zoo voorts is heel goed voor een knaap, en gij waart niets anders toen dat geval met die Fotheringill – of Fotheringay (hoe heet zij eigenlijk?) – plaats had. Doch een man van de wereld laat die dwaasheden varen. Gij kunt nog zeer goed vooruitkomen. Gij zijt gekwetst geworden, maar gij kunt nog herstellen. Gij zult een klein inkomen erven, dat iedereen voor vrij wat grooter houdt dan het is. Gij bezit een goeden naam, goede vermogens, goede manieren en een goed voorkomen – en ik zie voor den drommel niet in, waarom gij niet eene vrouw met geld zoudt trouwen – waarom gij niet in het parlement zoudt komen en u daar onderscheiden – en zoo voorts. Bedenk, dat het even makkelijk gaat eene rijke als eene arme vrouw te trouwen; en het is verduiveld veel pleizieriger zich neder te zetten tot een fijn diner dan tot een schapebout, op gemeubileerde kamers. Prent u dat goed in. Eene vrouw met een goeden bruidschat te trouwen is verduiveld veel gemakkelijker dan de advocatenpraktijk, dat kan ik u verzekeren. Kijk maar eens goed uit de oogen; ik zal het van mijn kant ook voor u doen; en ik zal mijn hoofd gerust neerleggen, beste jongen, als ik u verbonden zie met eene vrouw, die eene echte dame is, en gij er een goed span paarden op nahoudt, in de wereld verkeert en uwe vrienden ontvangt, als een gentleman. Zoudt gij gaarne willen wegkwijnen, evenals uwe beste moeder op Fairoaks? Verduiveld, jongen! zonder geld en omgang in de groote wereld is het leven niets waard.” Op deze en dergelijke wijze was het, dat de liefhebbende oom sprak en zijne eenvoudige wijsbegeerte voor Pen uiteenzette.

„Ik zou wel eens willen weten, wat mijne moeder en Laura van dit alles zouden zeggen?” dacht de jongeling. Maar de zedeleer van den ouden Pendennis was niet de hare en zijne wijsheid was niet hare wijsheid.

Dit aandoenlijke onderhoud tusschen oom en neef was ternauwernood afgeloopen, toen Warrington weer uit zijne slaapkamer te voorschijn kwam, nu niet langer in een haveloos gewaad, maar gekleed gelijk een gentleman betaamde, met opgerichten hoofde en in eene opgeruimde stemming. Hij nam de honneurs van zijne slordige zitkamer met evenveel gemak waar, alsof het de fraaiste kamer in Londen ware geweest. En een kluchtig vertrek was het, waarin de majoor zijn neef aantrof. Het vloerkleed was vol gaten en de tafel stond vol kringen van Warrington’s bierkannen. Er was eene kleine verzameling van rechtsgeleerde boeken, dichtbundels en werken over de wiskunde, waarvan hij veel hield. (Hij was in zijn tijd een der grootste pretmakers en ijverigste studenten te Oxbridge geweest, waar de naam van Warrington den „Doordraaier” nog beroemd was wegens het afkloppen van schuitenvoerders, het roeien om het hardst, het winnen van prijzen en het drinken van melk met brandewijn.) Boven den schoorsteenmantel hing eene afbeelding van het oude Collegie, terwijl eenige vlijtig gelezen deelen van Plato, met het welbekende wapen van het Collegie op het plat, op de boekenplanken stonden. Verder zag men twee armstoelen, een staand lessenaar vol rekeningen, en eenige nietsbeduidende processtukken op eene schrijftafel met een verminkten poot. Er was om de waarheid te zeggen bijna geen meubelstuk, dat niet in den oorlog was geweest en kwetsuren had bekomen. „Kijk, mijnheer,” zeide Warrington, „hier naast is Pens kamer. Het is een dandy, zoodat hij zich gordijnen om zijn bed heeft aangeschaft; hij draagt verlakte laarzen en heeft eene zilveren toiletdoos.” De kamer van Pen was dan ook met zekere coquetterie ingericht, en er hingen een paar fraaie platen van opera-danseressen, boven en behalve eene afbeelding van Fairoaks, aan den muur. In Warrington’s kamer zag men ternauwernood eenig huisraad, buiten een groot stortbad en een stapel boeken naast zijn bed, waar hij op stroo lag en zijne pijp rookte en den halven nacht zijne geliefkoosde dichters of in wiskundige werken las.

Toen dus mijnheer Warrington zijn eenvoudig toilet gemaakt had, kwam hij uit zijne kamer te voorschijn en ging naar de muurkast om te zien wat er voor het ontbijt was.

„Mag ik u eene lamscôtelet presenteeren, mijnheer? Wij braden die zelven, heet van den rooster, en ik leer Pen de grondbeginselen van de rechtsgeleerdheid, de kookkunst en de zedekunde allemaal te gelijk. Hij is een luiaard, mijnheer, en nog veel te veel een dandy.”

En met die woorden veegde mijnheer Warrington een rooster met een stuk papier af, zette dat werktuig op het vuur, legde er twee lamscôteletten op en haalde uit eene kast een paar borden en wat messen en zilveren vorken, benevens eene peperbus.

„Zeg het maar ronduit, majoor Pendennis,” vervolgde hij; „er ligt nog eene côtelet in de kast, en anders gaat Pidgeon dadelijk halen wat gij verkiest.”

Majoor Pendennis zat dit alles met verwondering en vermaak aan te zien, maar zeide, dat hij pas ontbeten had en niets zou gebruiken. Warrington braadde dus de côteletten en wipte ze nog sissende en knappende op de borden.

Pen viel met een gezegenden eetlust op zijne côtelet aan, na een blik op zijn oom, die hem deed zien, dat die heer nog altijd in goede luim verkeerde.

„Begrijpt ge, mijnheer,” zeide Warrington, – „vrouw Flanagan is niet hier om ze te braden, en aan den jongen hebben wij niets, want die kleine schavuit is den ganschen dag bezig met de laarzen van Pen te poetsen. En nu nog een teugje bier! Pen drinkt thee; maar dat is een drank voor oude wijven.”

„En dus waart gij gisterenavond bij Lady Whiston?” zeide de majoor, die waarlijk niet wist waarmee hij tegenover dezen ruwen diamant voor den dag zou komen.

„Ik bij Lady Whiston? Neen, zóó gek niet, mijnheer! Ik geef niet om het gezelschap van dames. Om de waarheid te zeggen, ik verveel mij daar. Ik heb mijn avond wijsgeerig in de Achterkeuken doorgebracht.”

„In de Achterkeuken – wezenlijk?” zeide de majoor.

„Ik zie, dat gij die plaats niet kent,” hernam Warrington. „Vraag er Pen maar eens naar. Hij is er nog geweest, toen hij van de partij van Lady Whiston kwam. Kom, Pen, vertel majoor Pendennis eens wat van de Achterkeuken – wees nu niet beschaamd.”

En zoo vertelde Pen dan, dat het een klein en wel wat zonderling gezelschap van letterkundigen en pretmakers was, waarin men hem had opgenomen; en de majoor begon te gelooven, dat de jonge snaak reeds heel wat van het leven gezien had sedert hij te Londen was gekomen.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE TEMPELRIDDERS.

Academische collegiën, scholen en Inns of court koesteren nog eenigen eerbied voor den ouden tijd en hebben een groot aantal gebruiken en instellingen van onze voorvaderen in stand gehouden, welke door de menschen, die aan onze voorouders geen bijzondere hoogachting toedragen, of misschien niet heel goed met hen bekend zijn, sinds lang zijn afgeschaft. Voor gezondheid, gemak en zindelijkheid is in een goed ingericht werkhuis of gevangenis veel beter gezorgd dan op eene voorname school, die in den ouden tijd gesticht is, of in eene Inn, waar de geleerdheid troont. Op deze laatste plaats vinden de bewoners goed, in donkere vertrekjes te wonen, en voor eene zitkamer en de kast, die zij tot slaapkamer moeten gebruiken, een prijs te betalen, waarvoor zij eene villa met tuin in de voorsteden, of een ruim huis op een der minder bezochte pleinen van Londen zouden kunnen huren. De armste ambachtsman in Spitalfields heeft een regenbak, en kan over eene onbepaalde hoeveelheid water beschikken; maar voor de heeren in de Inns of court en aan de academiën wordt de hoeveelheid, die zij van dit kosmetiek behoeven, door waschvrouwen en beddenopmaaksters in kannen gehaald, en genoemde heeren wonen in huizen, die reeds lang gebouwd waren eer zindelijkheid en fatsoenlijkheid onder ons in de mode kwamen. Er leven nog personen, die op het volk smalen en er met verachtelijke bijnamen van spreken. Maar, mijne heeren, het lijdt weinig twijfel, dat uwe voorouders tot het groote gilde der ongewasschenen behoorden, en het is vrij zeker, dat de deugd der reinheid, die men zegt, dat het naast aan de vroomheid grenst, vooral in den Temple slechts onder groote bezwaren en in zeer beperkte mate in beoefening kon gebracht worden.

De oude Grump, die als advocaat de zittingen van het hof van assises te Norfolk bijwoonde, en dertig jaar de kamers onder die van Warrington en Pendennis bewoond had, werd doorgaans wakker van de kletterende stortbaden, welke die heeren in hunne vertrekken namen (en waarvan een gedeelte nu en dan door de zoldering in zijne kamer droop), en verklaarde, dat deze gewoonte eene dwaze en fatterige nieuwigheid was, terwijl hij dagelijks de waschvrouw verwenschte, die door het halen van water de trappen, welke hij beklimmen moest, glibberig maakte. Grump, die op het oogenblik veel meer dan eene halve eeuw oud was, had zich dan ook nooit de bedoelde weelde veroorloofd. Hij was er zeer goed zonder water gekomen, en onze vaderen vóór hem ook. Was er onder al de ridders en baronets, lords en gentlemen, wier wapens op de muren der vermaarde zaal in den Upper Temple geschilderd zijn, niet één menschlievend genoeg, om warme baden te stichten voor de rechtsgeleerden, die toen zijne makkers waren, of na hem zouden komen? De geschiedschrijver van den Temple meldt niet, dat er ooit zulk een plan bestaan heeft. Wel heeft men daar het Pomp-plein en het Fontein-plein met hunne watertoestellen; maar men heeft nooit vernomen, dat een rechter zich in de kom van de fontein verlustigd heeft, en men komt onwillekeurig tot de overtuiging, dat de pomp aan menigen advocaat, die in het recht van den ouden tijd zeer ervaren was, goed zou gedaan hebben.

Desniettemin bezitten die eerwaardige Inns, welke het Lam, de Vlag en het Gevleugelde Paard tot zinnebeelden hebben, aantrekkelijkheden voor degenen, die er wonen, en eene soort van behaaglijkheid en vrijheid, die men zich altijd met genoegen herinnert. Ik weet niet, of de beoefenaar van het recht zich de opwekking der geestdrift veroorlooft, of zich aan dichterlijke herinneringen overgeeft wanneer hij historisch geworden kamers voorbijgaat, en zegt: „Ginds heeft Eldon gewoond – hier zat Coke over Lyttleton na te peinzen – hier sloofde Chitty zich af – hier schreven Barnwell en Alderson te zamen hun beroemd werk – hier maakte Byles zijn groot boek over het Wisselrecht af en bracht Smith zijn onsterfelijk werk over de gerechtelijke antecedenten bijeen, – hier arbeidt Gustavus altijd voort, met Salomo tot zijn bijstand;” – maar de letterkundige kan niet anders dan liefde koesteren voor de plaats, die zoovele zijner medebroeders bewoond of met scheppingen van hun brein bevolkt hebben, scheppingen, die voor ons even wezenlijk zijn als de schrijvers, wier vindingen zij waren. Sir Roger de Coverley, die in den tuin van den Temple wandelt en zich daar met den Spectator onderhoudt over de schoonen met hoepelrokken en mouches, die over het gras drentelen, staat even duidelijk voor mijne oogen als de oude Samuel Johnson, die, met den Schotschen heer op zijne hielen, door den mist naar de kamer van Dr. Goldsmith in Brick Court draaft; of Henry Fielding, die met inktvlekken op zijne lubben en een natten handdoek om zijn hoofd, te middernacht artikelen voor het Covent Garden Journal afroffelt, terwijl de drukkersjongen in den gang zit te slapen.

Indien wij de geschiedenis van één enkelen dag konden vernemen, gelijk die wordt doorgebracht in elk dier huizen van vier verdiepingen op het morsige binnenplein, waar onze vrienden Pen en Warrington woonden, zou een of andere Asmodeus van den Temple er een merkwaardig boek over kunnen schrijven. Misschien woont er gelijkvloers een voornaam advocaat, die rechtszaken voor de balie van het parlement behandelt, en die op den tijd van het diner naar Belgravia rijdt, als wanneer ook zijn klerk een heer wordt, zijne vrienden onthaalt en in de wereld gaat. Nog slechts kort geleden woonde hij uitgehongerd en zonder bezigheden op een zolderkamertje; hij leefde van letterkundig werk, dat hij tersluiks verrichtte; hij hoopte en wachtte en verloor den moed, en er kwamen maar geen clienten; hij putte zijne eigen middelen en de hulpvaardigheid zijner vrienden uit; hij moest nederig uitstel verzoeken aan schuldeischers, en het geduld van arme crediteuren inroepen. Met volle zeilen scheen hij het verderf te gemoet te gaan, toen het rad der Fortuin plotseling eene wenteling maakte en den geluksvogel een dier prachtige prijzen in den schoot wierp, die soms in de groote loterij van het advocaatsberoep getrokken worden. Veel knapper advocaten dan hij hebben geen vijfde gedeelte van het inkomen van zijn klerk, die weinige maanden geleden ternauwernood krediet kon krijgen voor het poetsen van zijn meesters onbetaalde laarzen. Op de eerste verdieping zult gij misschien als bewoner een man met een beroemden naam vinden, die reeds eene halve eeuw in de Inn gewoond heeft en wiens brein vol boekengeleerdheid is, wiens planken buigen onder klassieke en rechtsgeleerde werken. Hij heeft al die vijftig jaren alleen geleefd, alleen en voor zich zelven, en geleerdheid verzameld en geld opgestapeld. Hij komt nu des avonds uit de club, waar hij heerlijk gedineerd heeft, op zijne eenzame kamers thuis, waar hij als een ondeugende oude hermiet leeft. Wanneer hij sterft zal de Inn eene marmeren plaat ter zijner gedachtenis in den muur laten metselen, terwijl zijne erfgenamen een gedeelte zijner boekerij zullen verbranden. Zoudt gij zulk een uitzicht voor uw ouden dag willen hebben, zoudt gij geld en geleerdheid willen opstapelen en zóó eindigen? Maar wij moeten niet te lang aan de deur van mijnheer Doomsday blijven staan. Boven hem woont de achtenswaardige mijnheer Grump, die ook een oud bewoner der Inn is, en als Doomsday thuis komt en Catullus gaat zitten lezen, met drie deftige rechtsgeleerde heeren van zijn leeftijd aan een stevigen rubber whist zit, na een diner, waar zij hunne drie stevige flesschen port gedronken hebben. Zondags kunt gij zien, hoe die oude knapen in de kerk van den Temple zitten te dutten. Zelden komen procureurs hen lastig vallen met de opdracht van eene zaak, en gelukkig hebben zij van zich zelven eenig vermogen. Aan den anderen kant van het derde portaal, waar Pen en Warrington wonen, zit mijnheer Paley, met den hoogsten graad gepromoveerd en tot fellow van zijn Collegie benoemd, lang na middernacht, ja tot twee ure des morgens, oude processen te lezen en er de hoofdpunten uit te noteeren; ’s morgens ten zeven ure staat hij weer op en zit dan op het kantoor van den advocaat, bij wien hij leert, zoodra het open is, waar hij werkt tot een uur vóór het diner; na den maaltijd, in de gemeenschappelijke zaal, komt hij thuis en gaat hij weer processen lezen en uittrekken tot het aanbreken van den volgenden dag, als wanneer misschien mijnheer Arthur Pendennis en diens vriend mijnheer Warrington van een of anderen hunner avontuurlijke tochten thuis komen. Wat heeft mijnheer Paley zijn tijd geheel anders besteed! Die heeft zich niet weggeworpen; hij heeft enkel en alleen een veelomvattend verstand met inspanning neergedrukt tot het peil van een onbeduidend onderwerp, en, om dit behoorlijk te overmeesteren, met vasten wil alle verhevene denkbeelden, alle dingen, die méér waard zouden zijn, al de wijsheid van wijsgeeren en geschiedschrijvers, al de vindingen der dichters, allen geest, alle verbeelding, alle denkvermogen, alle kunst, liefde, waarheid buitengesloten, opdat hij zich die onmetelijke fabel van het recht zou mogen eigen maken, met welks toelichting hij zijn onderhoud hoopt te verdienen. Warrington en Paley waren in vroeger dagen mededingers naar de eereprijzen der universiteit geweest en hadden elkander zeer na op de hielen gezeten; en iedereen verklaarde nu, dat de eerstgenoemde zijn tijd en zijne talenten verspilde, maar prees daarentegen Paley om zijne vlijt. Het zou echter nog de vraag kunnen zijn, wie van beiden zijn tijd het best besteedde. De een kon tijd vinden om te denken, en dat kon de ander nooit. De een kon genegenheid opvatten en vriendschap bewijzen, en de ander moest noodwendig altijd zelfzuchtig zijn. Hij kon geen vriendschapsband aanhouden, of eene weldaad doen, of een werk van genie bewonderen, of in geestdrift ontsteken op het zien van iets schoons, of op het hooren van een roerend lied; hij had geen tijd en geen aandacht voor iets anders dan zijne rechtsgeleerde boeken. Buiten den lichtkring zijner studeerlamp was alles donker. De liefde, de natuur, de kunst (die de uitdrukking is van onze lofprijzing van Gods heerlijke wereld en van de mate van ons begrip daarvan) gingen hem niet aan. En als hij des avonds zijne eenzame lamp uitdraaide, legde hij zich, met de vaste overtuiging, dat hij zijn dag nuttig had besteed, zonder dankgevoel en zonder zelfverwijt, ter ruste. Maar hij ijsde wanneer hij zijn oud kameraad Warrington op de trap ontmoette, en schuwde hem als iemand, die aan het verderf gewijd was.

Het kan het aanschouwen van die ziellooze vlijt en zelfbehaaglijke kleingeestigheid, die op Paley’s vaal gelaat te lezen stond en uit zijne half gesloten oogen sprak, of eene natuurlijke overhelling tot vermaak en gezelligheid, waarop wij bekennen moeten, dat mijnheer Pen buitengemeen verzot was, geweest zijn, welke dien rampzaligen jonkman weerhield zijn streven naar de waardigheden van opperrechter of lord-kanselier met dien ijver, of liever die volharding te vervolgen, die onmisbaar is voor heeren, welke tot die eerezetels willen opklimmen. Hij genoot het leven in den Temple met groote opgewektheid; zijne geachte familie meende, dat hij zoo vlijtig studeerde als een rechtgeaard student betaamde, en zijn oom schreef brieven vol gelukwenschen aan de liefhebbende weduwe op Fairoaks en berichtte haar, dat de jongen uitgeraasd had en de bestendigheid zelve werd. Maar het ware van de zaak was, dat het leven, hetwelk Pen nu leidde, eene nieuwe soort van prikkel voor hem bezat, en, nadat hij eenige der fatterige manieren en voorname airs had laten varen, welke hij aangenomen had onder zijne aristocratische medestudenten, waarmee hij nu weinig meer verkeerde, de minder verfijnde vermaken en uitspanningen van een ongetrouwd heer te Londen hem zeer nieuw en aangenaam waren, gelijk hij ze dan ook volop genoot. Er was een tijd, dat hij de dandy’s hunne fraaie paarden in Rotten Row benijd zou hebben, maar thans was het hem genoeg in het Park te wandelen en naar hen te zien. Hij was nog te jong om zonder een grooter naam en een aanzienlijker fortuin dan hij bezat, in de Londensche wereld opgang te maken, en te vadsig, om zonder die hulpmiddelen vooruit te komen. De oude Pendennis streelde zich met de overtuiging, dat hij zwaar in het recht studeerde, omdat hij van de gelegenheid, om in voorname wereld te verkeeren, geen gebruik maakte en, na een half dozijn bals en partijen bijgewoond te hebben, voor de verveling en eentonigheid dier bijeenkomsten terugdeinsde; en wanneer men den waardigen majoor naar zijn neef vroeg, gaf de oude heer ten antwoord, dat de jonge schavuit zich gebeterd had, zoodat men hem bijna niet van zijne boeken weg kon krijgen. Doch de majoor zou bijna even erg geijsd hebben als mijnheer Paley, indien hij geweten had welk een leven mijnheer Pen eigenlijk leidde en hoezeer hij zijne rechtsgeleerde studiën met vermaken afwisselde.

Eenige uren lezens des morgens, eene wandeling in het Park, een roeipartijtje op de rivier, een tochtje den heuvel op naar Hampstead en een bescheiden diner in eene restauratie, een avond hier of daar in vroolijkheid, maar niet in ondeugd doorgebracht (want Arthur Pendennis koesterde zulk eene oprechte bewondering voor de vrouwen, dat hij er geene in zijn gezelschap dulden kon, die niet braaf en rein waren, althans in zijn oog), een stil avondje thuis met een vriend, een pijpje en een matig teugje Britschen drank, waarvan vrouw Flanagan, de waschvrouw, steeds de qualiteit onderzocht: – dit waren de bezigheden van onzen jongen heer, zoodat men zal moeten erkennen, dat hij geen onpleizierig leven leidde. Gedurende den studietijd legde mijnheer Pen eene prijzenswaardige stiptheid aan den dag in de vervulling van ten minste één onderdeel der plichten van een student, namelijk het nuttigen van zijn diner in de eetzaal der Inn. De eetzaal van den Upper Temple levert ook inderdaad een belangwekkend gezicht op, en behoudens eenige onbeduidende veranderingen en anachronismen, die daar langzamerhand zijn ingevoerd, zou men er zich kunnen neerzetten, in de overtuiging, dat men aan een maaltijd in de zeventiende eeuw deel nam. De gepromoveerde advocaten en de studenten hebben hunne afzonderlijke tafels; degenen, die het reeds tot de waardigheid van rechter gebracht hebben, zitten aan de voornaamste tafel op eene verhevenheid, omringd van de portretten van opperrechters en vorstelijke personen, die de feestmaaltijden in deze zaal met hunne tegenwoordigheid, of met blijken van hunne goedkeuring, vereerd hebben. Toen Pen hier voor het eerst werd binnengeleid en rondkeek, vond hij het tooneel, dat zich aan zijn oog vertoonde, zeer aardig. Als medestudenten zag hij hier heeren van allerlei leeftijd, van zestig tot zeventien jaar; zwaarlijvige procureurs met grijze hoofden, die den als hooger beschouwden advocaatsrang wilden bekomen, dandy’s en heeren van de wereld, die, om de eene of andere reden, eenmaal wilden kunnen zeggen, dat zij sinds zeven jaar advocaat waren; bruinachtige, zwartoogige inboorlingen der koloniën, die overgekomen waren om hier te promoveeren en later op de eilanden, waar zij thuis behoorden, te praktizeeren, en eindelijk vele heeren van Iersche afkomst, die eenigen tijd in Middle Temple Lane doorbrengen, alvorens zij naar hun groen geboorteland terugkeeren. Er waren kleine groepjes hardwerkende studenten, die gedurende den ganschen maaltijd over het recht spraken; anderen, die hunne hoofdzaak van roeien maakten en wier gesprek over wedstrijden, den Vauxhall, de opera enz. liep; nog anderen, die ver waren in de politiek en in de debatteerclubs der studenten het woord voerden; en met al die soorten van studenten – uitgezonderd de eerste, wier gesprekken eene bijna onbekende en, in elk geval, in eene geheel onverschillige taal voor hem waren – maakte mijnheer Pen allengs kennis, daar hij in vele punten met hen sympathiseerde.

De oude en vrijgevige Inn van den Upper Temple verschaft in hare eetzaal voor een zeer matigen prijs een uitmuntend, hoewel eenvoudig diner, van soep, vleesch, gebak en portwijn of sherry, aan de advocaten en studenten, die daar komen eten. Elk tafeltje is voor vier gasten bestemd, en elk viertal krijgt een stuk ossevleesch of schapebout, een appeltaart en eene flesch wijn! Maar de eerzame bezoekers dier eetzaal, die tot den minderen stand der studenten behooren en desniettemin van een goed leventje houden, kennen verscheidene onschuldige kunstjes om hun maal te verbeteren; „loopjes”, zooals men in de gemeenzame spreektaal zegt, – waardoor zij fijnere schotels trachten machtig te worden, dan de gewone alledaagsche, waarmee de studenten zich moeten vergenoegen.

„Wacht eens even,” zeide mijnheer Lowton, een dier gourmands van den Temple, terwijl hij Pen aan zijn tabbaard trok; „de tafels hier zijn zeer vol, en daar ginds zitten slechts drie rechters voor tien schotels; als wij wachten, zullen wij misschien wel iets van hunne tafel krijgen.” Op die woorden keek Pen met zekere nieuwsgierigheid, gelijk Lowton met groote begeerigheid, naar de verheven tafel der rechters, waar drie oude heeren achter een dozijn zilveren schoteldeksels stonden, terwijl de kapelaan het gebed opdreunde.

Lowton was een groot man, wanneer het op de leiding van een diner aankwam. Hij trachtte het zoo aan te leggen, dat hij de eerste, of „kapitein” van de tafel was, waardoor hem het dertiende of laatste glas uit de flesch portwijn ten deel viel. Als zoodanig had hij dan ook het bestuur over het stuk vleesch, hetwelk hij op zijne geliefkoosde wijze voorsneed, en wist zich dikwijls behendig van de saus te bedienen, hetgeen Pen verbazend vermaakte. Arme Jack Lowton! wat gij van het leven genoot, was zeer onschuldig; hoewel gij door en door een epicurist waart, ging uwe begeerte de grenzen van anderhalve shilling niet te buiten!