Part 50
Toen het uur van vertrek gekomen was, stond de majoor op en betuigde zijn leedwezen, dat zulk een genoeglijke avond zoo snel was voorbijgegaan, waarbij hij inzonderheid zijn compliment aan jufvrouw Amory maakte over haar heerlijk talent voor den zang. „Lady Clavering,” zeide hij, „uwe dochter is volmaakt een nachtegaal, volmaakt een nachtegaal, op mijn woord! Ik heb zelden iemand gehoord, die met haar vergeleken kan worden, en hare uitspraak van alle talen – ja, van alle talen – houd ik voor onberispelijk. De beste huizen van Londen moeten open staan voor eene jonge dame met zulke talenten en – vergun een oud man het te zeggen, jufvrouw Amory – voor zulk een gezichtje.”
Blanche stond even verbaasd over dit compliment als Pen, die zijn oom nog zoo kort geleden in zeer af keurenden zin over de sylphide had hooren spreken. De majoor en de beide jonge heeren gingen te voet naar huis, nadat mijnheer Foker zijne moeder in haar rijtuig geholpen en zich een vlammetje voor eene reusachtige sigaar verschaft had.
Of het gezelschap, òf de tabak van Foker behaagde majoor Pendennis niet, want hij wierp verscheidene malen een schuinen blik op hem, waaruit duidelijk zijn wensch sprak, dat de jonge heer afscheid zou nemen; maar Foker bleef zich aan oom en neef vastklemmen en vergezelde hen tot zelfs aan de woning van den eerstgenoemde in Bury Street, waar de majoor de jongelieden goedennacht wenschte.
„Zeg eens, Pen,” zeide de majoor fluisterend tegen zijn neef, dien hij teruggeroepen had, „denk er aan, morgen eene visite in Grosvenor Place te gaan maken. Zij zijn buitengemeen beleefd geweest, – verbazend beleefd en vriendelijk.”
Pen beloofde het, vol verwondering, en toen Morgan de deur achter den majoor gesloten had, nam Foker den arm van Pen en wandelde, onder het rooken zijner sigaar, een tijdlang in stilte met hem voort. Toen zij eindelijk, op Arthur’s weg naar den Temple, Charing Cross bereikt hadden, luchtte Henry Foker zijn hart, en barstte los in die lofrede op de dichtkunst en dat beklag over zijne verwaarloosde jeugd, waarvan wij hierboven gesproken hebben. En den ganschen weg door het Strand en tot aan de trap van Pen, op het Lamb Court in den Temple, hield de jonge Henry Foker niet op met geestdrift over het zingen en over Blanche Amory zelve uit te weiden.
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
AANGELEGENHEDEN VAN DEN HEER HENRY FOKER.
Sedert dien noodlottigen maar heerlijken avond op Grosvenor Place had mijnheer Henry Foker’s hart in zulk een staat van ontroering verkeerd, als men niet lichtelijk zou gedacht hebben, dat zulk een groot wijsgeer kon ondervinden. Wanneer wij ons herinneren hoeveel goeden raad hij in vroegere dagen aan Pen gegeven had, hoeveel vroegtijdige wijsheid en menschenkennis de begaafde jonkman aan den dag had gelegd, en hoe een aanhoudend leven van genot, gelijk aan een heer van zijne middelen en vooruitzichten paste, zijne onverschilligheid had moeten doen toenemen en hem met elken dag al minder en minder belang in iemand anders dan in mijnheer Henry Foker zelven had moeten doen stellen, – dan moet men zich verwonderen, dat hij in het ongeval geraakt was, dat de meesten onzer een paar malen in het leven overkomt, en dat zijne groote ziel verontrust werd door eene vrouw. Maar hoe vroeg ook Foker wijs was geworden, hij bleef altijd mensch. Hij kon het algemeene lot evenmin ontgaan als Achilles of Ajax, of Lord Nelson, of onze stamvader Adam, en nu zijn tijd gekomen was werd de jonge Henry een slaaf van de alverwinnende Liefde.
Toen hij dien avond, na van Arthur Pendennis op Lamb Court afscheid genomen te hebben, naar de Achterkeuken ging, had de grog en de gebraden kalkoen niets bekoorlijks voor hem; de grappen zijner vrienden lieten hem ongevoelig, en toen mijnheer Hodgen, de zanger van de Lijkendief, een nieuw lied voordroeg, nog akeliger en humoristischer dan het genoemde vermaarde gedicht, riep Foker, die de vriend van den kunstenaar was, wel „Bravo, Hodgen!” gelijk de beleefdheid en zijne positie als steunpilaar van de Achterkeuken van hem eischte, maar hij hoorde eigenlijk geen woord van het lied, hetwelk Hodgen onder den titel van de Kat in het kastje zoo beroemd heeft gemaakt. Laat en zeer vermoeid sloop hij naar zijne kamer en zocht de donzen peluw op; maar zijn slaap werd gestoord door de onrust, welke hem kwelde, en zoodra hij uit zijne koortsige sluimering ontwaakte, stond het beeld van jufvrouw Amory voor hem en voegde hem de woorden toe: „Hier ben ik, ik ben uwe prinses en uwe schoone; gij hebt mij gezien en zult u verder om niets anders meer bekommeren!”
Goede hemel wat kwamen hem zijne vroegere vermaken en vriendschapsbetrekkingen nietswaardig en smakeloos voor! Tot nog toe was hij niet veel gewoon geweest aan het gezelschap van vrouwen van zijn eigen stand. Als hij van zulke dames sprak, noemde hij ze „fatsoenlijke vrouwen.” Die deugd, die wij hopen dat zij ook bezaten, woog tot nog toe bij mijnheer Foker niet op tegen het gemis der levendigheid, waarmee de dames zijner eigen familie niet bedeeld waren, en die hij daarentegen bij mesdemoiselles, de dames van het tooneel, aantrof. Ofschoon zijne moeder goed en liefderijk was, vermaakte zij hem niet, en zijne nichten, de dochters van zijn oom van moederszijde, den achtbaren graaf van Rosherville, verveelden hem bovenmate. De eene was eene geleerde vrouw en hield zich met de geologie bezig; de andere reed te paard en rookte sigaren; de derde behoorde tot de uiterste gelederen der vrijzinnige kerk en koesterde in godsdienstzaken de meest kettersche gevoelens; zooals ten minste de vierde beweerde, die, van haar kant, tot de fijnste aanhangsters der rechtzinnige kerk behoorde, haar kabinetje tot een bidvertrekje had ingericht en, het gansche jaar door, elken Vrijdag vastte. Foker liet zich zelden bewegen, het ouderlijk huis dier dames te Drummington te bezoeken. Hij zwoer, dat hij liever naar het armenhuis wilde gaan dan dáár te logeeren. Hij was er dan ook niet zeer bemind. Lord Erith, de zoon van Lord Rosherville, beschouwde zijn neef als een gemeen persoon van jammerlijk slechte manieren, terwijl Foker, met evenveel recht, Erith voor een kwast en een domkop uitmaakte, en beweerde dat hij het Lagerhuis in slaap praatte, dat hij een steen des aanstoots voor den voorzitter was en dat hij tot de vervelendste der zoogenaamde philanthropische redenaars behoorde. En evenmin kon ook George Robert, graaf van Gravesend en Rosherville, ooit vergeten, dat zijn neef, op zekeren avond, toen hij zich had willen verwaardigen met dien jongen heer te biljarten, zijne lordschap met de queue in de ribben gestooten had onder den uitroep: „Wel, ouwe jongen ik heb menigen leelijken stoot gezien, maar nog nooit zoo’n leelijken als dien van jou!” De graaf speelde het spel met engelachtige zelfbeheersching af, want Henry was èn zijn gast èn zijn neef; maar het scheelde weinig of mylord kreeg in den nacht eene beroerte, en hij bleef op zijne kamer tot de jonge Foker Drummington verliet en naar Oxbridge terugkeerde, waar de opvoeding van dien belangwekkenden jongeling, ten dien tijde, voltooid werd. Het was een vreeselijke slag voor den achtbaren graaf; er werd in de familie nooit over het voorgevallene gesproken; hij ontweek Foker, als deze hem te Londen of buiten kwam bezoeken, en kon ternauwernood van zich verkrijgen om den jongen verworpeling stotterend te vragen: „Hoe vaart ge?” Doch de graaf wilde het hart zijner zuster Agnes niet breken door Henry geheel uit de familie te bannen; en, om de waarheid te zeggen, schikte het hem ook niet, om met mijnheer Foker senior te breken, met wien mylord vele vertrouwelijke zaken had gehad, bestaande in eene uitwisseling van orderbriefjes op Foker’s bankier en van eigenhandige geschriften van den graaf zelven, met de woorden „neme aan op vertoon te betalen” boven zijne doorluchtige handteekening.
Buiten de vier dochters van Lord Gravesend, wier verschillende eigenschappen wij reeds hierboven hebben opgesomd, was mylord nog met eene vijfde dochter gezegend, Lady Anna Milton, die sedert hare vroegste jeugd, ja van de wieg af, eene bestemming had gehad. Hare ouders hadden met hare tante vastgesteld, dat Lady Anna de vrouw van Henry Foker zou worden, zoodra deze den vereischten leeftijd bereikt had. Met dat denkbeeld was zij reeds gemeenzaam geweest, toen zij nog de kinderkleeren droeg en Henry, de slordigste van alle knapen, met blauw geslagen oogen van de school naar Drummington kwam, of naar zijn vaders buitenplaats Logwood, waar Lady Anna dikwijls bij hare tante logeerde. De beide jongelieden hadden zich zonder tegenwerpingen of verzet naar de beschikkingen hunner ouders gevoegd. Lady Anna kwam evenmin op de gedachte om zich tegen de bevelen van haar vader te verzetten, als het bij Esther zou opgekomen zijn de bevelen van Ahasverus te betwisten. De vermoedelijke erfgenaam van het huis Foker betoonde zich ook gehoorzaam, want toen de oude heer zeide: „Henry, ik ben met uw oom overeengekomen, dat gij, als gij den vereischten leeftijd hebt, Lady Anna zult trouwen. Zij zal geen geld ten huwelijk brengen, maar zij heeft edel bloed in de aderen en ziet er goed uit, en ik zal wel voor u zorgen. Als gij dat niet verkiest, zult gij hebben wat uwe moeder ten huwelijk heeft gebracht en tweehonderd pond ’s jaars zoolang ik leef,” – toen berustte Henry, die wist, dat hij zijn vader, ofschoon deze geen man van vele woorden was, blindelings kon vertrouwen, in het besluit der ouders en antwoordde: „Nu, vader, als Anna het goedvindt, ben ik er mee tevreden. Zij ziet er in het geheel niet kwaad uit.”
„En zij heeft het beste bloed van Engeland in hare aderen, Henry; uw moeders bloed, uw eigen bloed,” zeide de bierbrouwer. „Daar gaat niets boven.”
„Nu, vader, zooals gij het goedvindt,” hernam Henry. „Als het gebeuren moet, zeg het mij dan maar. Er is echter geen haast bij, en ik hoop, dat gij het nog lang zult uitstellen. Ik zou gaarne nog wat van de wereld genieten, eer ik trouw.”
„Ga je gang maar, Henry,” antwoordde zijn liefderijke vader. „Niemand verbiedt het u, niet waar?” Daarna werd er weinig meer over het onderwerp gesproken, en mijnheer Henry joeg die genoegens des levens na, die hem het meest toelachten; hij hing een klein portretje van zijne nicht in zijne zitkamer op, midden tusschen Fransche prenten, afbeeldingen van beroemde actrices en danseressen, tooneelen van wedrennen en paardrijden, waarin hij den meesten smaak had, en die zijne kunstgalerij uitmaakten. Het was een weinig beduidend portretje, een eenvoudig rond gezichtje, met krullende lokken, dat, wij moeten het bekennen, niet veel vertoon maakte naast mademoiselle Petitot, die op een regenboog danste, of mademoiselle Redowa, die met roode laarsjes en een lansiers-shako stond te grinniken.
Daar Lady Anna Milton geëngageerd en hare bestemming dus reeds aangewezen was, ging zij niet zooveel uit als hare zusters, en dikwijls bleef zij in het ouderlijke huis op Gaunt Square achter, als hare mama met de andere dames uitging. Zij praatten en dansten met den eenen heer na den anderen, en die heeren kwamen en gingen, en er waren verschillende praatjes omtrent haar in omloop. Maar met betrekking tot Lady Anna was het altijd dezelfde geschiedenis: zij was geëngageerd met Henry Foker en mocht nooit aan iemand anders denken. Het was geen heel vroolijke geschiedenis.
Welnu, op hetzelfde oogenblik toen Foker ’s morgens na het diner bij Lady Clavering ontwaakte, stond Blanche’s beeltenis met hare heldere grijze oogen en haar verleidelijken glimlach hem aan te staren. Haar air klonk hem in de ooren: „Ik zweef soms hier rond, – ik zweef soms hier rond,” hetgeen de arme Foker klaaglijk begon te neuriën, toen hij onder de rood zijden sprei in zijn bed opzat. Tegenover hem hing eene Fransche plaat, voorstellende eene Turksche dame met haar Griekschen minnaar, die door een eerwaardig Muzelman, den echtgenoot der dame, overvallen werden; aan de andere muur prijkte eene Fransche plaat van een heer en eene dame te paard, die in vollen galop elkander kusten; overigens was deze kuische slaapkamer met nog meer andere Fransche platen behangen, de portretten van in gaas gehulde nimfen der opera, of fraaie tooneelen uit romans, en met een paar Engelsche meesterstukken, waarop jufvrouw Calverley van de koninklijke Engelsche opera afgebeeld was in de engsluitende pantalon van hare geliefkoosde rol, als page, of jufvrouw Rougemont als Venus, terwijl de waarde dezer voorstellingen verhoogd werd door de handteekeningen dier dames, Mary Calverley, of Frederika Rougemont, die in keurig facsimile onder de platen prijkten. Aan zulke prenten haalde de eerzame Henry zijn hart op. Hij was niet slechter dan vele zijner makkers; hij was een leegloopend, pretmakend, welwillend, geldverkwistend jonkman; en als hij zijne kamers zoo overvloedig met voortbrengselen van de Fransche kunst versierde, dat de eenvoudige Lady Agnes, zijne mama, als zij in het vertrek trad, waar haar lieveling in geurige wolken van Latakia gehuld zat, dikwijls verstomd stond over al het moois, dat haar oog trof, moeten wij in aanmerking nemen, dat hij rijker was dan de meeste jongelieden, zoodat hij zijn smaak gemakkelijker kon bevredigen.
Op zijn bedtafeltje lag, te midden van sleutels, geldstukken, sigarenkokers en een takje verbena, dat jufvrouw Amory hem had gegeven, een brief van jufvrouw Calverley, die het fijne gewaterlijnde papier met eene zeer ongedwongen spelling en schrift bekrabbeld had en, na begonnen te zijn met mijnheer Henry haar „lieven Hoky-poky-foky” te noemen, hem verder herinnerde, dat de dag genaderd was, waarop hij „dat diner in the Elephant and Castle te Richmond moest geven, dat hij beloofd had;” verder een kaartje voor eene afzonderlijke loge bij jufvrouw Rougemont’s aanstaand benefice, een pakje toegangkaartjes voor „Ben Budgeon’s voorstelling, de bokser uit Noord-Lancashire, bij Martin Faunce in de Driekante Hoed in St. Martin’s Lane, waar Conkey Sam, Dick the Nailor en Deadman (de bokser uit Worcestershire) de bokshandschoenen zullen aantrekken en alle bewonderaars van de goede oud Britsche lichaamsoefeningen uitgenoodigd worden te verschijnen,” deze en nog verscheidene andere herinneringen aan de tijdverdrijven en vermaken van mijnheer Foker lagen op tafel naast zijn bed, toen hij wakker werd.
Ach, wat kwamen hem die zouteloos voor! Wat gaf hij om Conkey Sam of dien bokser uit Worcestershire? Wat om die Fransche dames, die hem uit alle hoeken zijner kamer toelonkten, om al dat verbazende moois? En wat schreef die Calverley slecht, en hoe durfde dat onbeschaamde vrouwspersoon hem Hoky-poky noemen? De gedachte van in the Elephant and Castle te Richmond te moeten dineeren met dat oude wijf (zij was stellig zeven en dertig jaar), vervulde hem nu met walging en ergernis, in plaats van het genoegen, dat hij nog gisteren bij dat uitstapje dacht te smaken.
Toen zijne teedere mama haar zoon dien morgen zag, merkte zij op hoe bleek zijne wangen waren en hoe neerslachtig hij scheen. „Waarom blijft gij toch zoo biljart spelen in die akelige zaal van Spratt?” vroeg Lady Agnes. „Kindlief, dat biljart zal u nog den dood aandoen; dat zal het zeker!”
„Het is het biljart niet,” antwoordde Henry somber.
„Dan is het die verschrikkelijke Achterkeuken,” hernam Lady Agnes. „Ik ben dikwijls voornemens geweest – weet ge, Henry – aan de kasteleines te schrijven en haar te verzoeken maar heel weinig wijn in uw glas te doen, en er op te letten dat gij uw doek omslaat, voordat gij in uw brougham stapt.”
„Ga uw gang maar, mama; jufvrouw Cutts is zeer vriendelijk en eene echte moeder,” zeide Henry. „Maar het is de Achterkeuken óók niet,” liet hij er met een akeligen zucht op volgen.
Daar Lady Agnes haar zoon nooit iets weigerde en in al zijne handelingen met de teederste inschikkelijkheid berustte, werd haar dit door het volkomenste vertrouwen van de zijde van den jongen Henry vergolden, die nooit voor haar ontveinsde welke plaatsen hij gewoon was te bezoeken: hij deelde haar integendeel eene keur van anekdotes uit de clubs en de biljartzalen mede, waarin de eenvoudige dame veel genoegen schepte, al begreep zij ze niet. „Mijn zoon gaat naar Spratt,” sprak zij tot hare vertrouwde vriendinnen. „Al de jongelui gaan naar Spratt, als zij van de bals komen. Het is de rigueur, mijne waardste; en zij spelen nu biljart, gelijk men in de dagen van mijnheer Fox macao en hazard speelde. Ja, mijn lieve vader heeft mij dikwijls verteld, dat zij in de club van Brooke altijd tot negen ure den volgenden morgen opzaten met mijnheer Fox, dien ik mij nog herinner met een geel vest en eene zwart satijnen kniebroek te Drummington gezien te hebben, toen ik een klein meisje was. Mijn broeder Erith heeft als jongmensch nooit gespeeld, noch laat opgezeten; zijne gezondheid liet het niet toe; maar mijn jongen moet met zijne vrienden meedoen, weet ge. En dan gaat hij ook dikwijls naar eene plaats, die de Achterkeuken heet, waar alle menschen van genie en schrijvers bijeenkomen, die men op gezelschappen niet ontmoet, maar wier omgang Henry als een groot voorrecht en genoegen beschouwt; daar hoort hij dan de vraagstukken van den dag bespreken; en mijn lieve vader zeide dikwijls, dat wij verplicht waren de letterkunde aan te moedigen, en hij had nog gehoopt Dr. Johnson te Drummington te ontvangen; – maar die stierf juist in dien tijd. Ja, mijnheer Sheridan kwam ook bij ons en dronk heel veel wijn – iedereen dronk veel wijn in dien tijd, en papa’s wijnkoopersrekening was tienmaal hooger dan die van Erith, die zijn wijn, als hij dien noodig heeft, van Fortnum en Mason neemt en er in het geheel geen kelder op nahoudt.”
„Dat was gisteren een bijzonder goed diner, mama,” merkte de listige Henry aan. „Hunne soep was beter dan de onze. Moufflet doet te veel kruiden in alles. De suprême de volaille was zeer lekker – buitengewoon lekker, en de confituren waren beter dan die van Moufflet. Hebt ge de plombière geproefd, mama, en die maraskino-gelei? Verbazend lekkere maraskino-gelei!”
Lady Agnes stemde zoowel met deze gevoelens van haar zoon als met schier al zijn andere oordeelvellingen in, waarop hij het gesprek behendig voortzette met de woorden:
„Mooi huis, dat van die Clavering’s. Gemeubeld zonder naar de kosten te vragen. Prachtig zilverwerk, mama,” welke opmerkingen de moeder mede toestemde.
„Aardige menschen, die Clavering’s.”
„Hm!” zeide Lady Agnes.
„Ik weet wat gij bedoelt. Lady C. is niet heel distinguée, maar uiterst goedhartig.”
„Dat is zij,” erkende mama, die zelve eene der goedhartigste der vrouwen was.
„En Sir Francis spreekt niet veel in tegenwoordigheid van dames, maar na het diner valt hij verbazend mee, mama; dan blijkt het, dat hij een hoogst onderhoudend en zeer knap mensch is. Wanneer zult ge hen te dineeren vragen? Doe het zoo spoedig mogelijk;” en daarop het zakboekje van Lady Agnes inziende, koos hij een dag, die slechts veertien dagen verwijderd was (ofschoon die veertien dagen den jongen heer eene eeuw toeschenen), waarop de Clavering’s in Grosvenor Street zouden genoodigd worden.
De volgzame Lady Agnes schreef de gewenschte uitnoodiging. Zij was gewoon dit te doen zonder voorkennis van haar man, die zijne eigen kringen en gewoonten had, en zijne vrouw hare vrienden alleen liet ontvangen. Henry keek het kaartje in en ontdekte een verzuim, dat hem niet beviel.
„Ge hebt jufvrouw – hoe heet zij ook? – jufvrouw Emery, Lady Clavering’s dochter, niet gevraagd.”
„O, dat kleine nest!” riep Lady Agnes uit. „Neen, die niet!”
„Wij kunnen toch niet nalaten jufvrouw Amory te vragen,” hernam Foker. „Ik – ik zou Pendennis ook willen noodigen, en – en die is dol op haar. Vindt gij niet, mama, dat zij heel mooi zingt?”
„Zij kwam mij al te vrij voor, en naar haar zingen heb ik niet geluisterd. Het had voor mij den schijn, dat zij alleen voor u en mijnheer Pendennis zong. Maar als gij het zoo gaarne wilt, Henry, zal ik haar ook vragen,” en derhalve werd jufvrouw Amory’s naam bij dien harer moeder op de kaart geschreven.
Toen Henry er dit proefstuk van diplomatie zegevierend afgebracht had, omhelsde hij zijne lieve moeder met de grootste innigheid, en begaf zich naar zijne eigen kamers, waar hij zich op zijne ottomane uitstrekte en in stil gepeins verzonken bleef, onder verzuchting naar den dag, die de schoone jufvrouw Amory onder zijn vaders dak zou brengen, en onder het smeden van honderderlei onuitvoerbare plannen om haar te ontmoeten.
Mijnheer Foker junior had bij zijne terugkomst van zijne reis door Europa een knecht meegebracht, die verscheidene talen sprak, de plaats van Domkop vervulde en zich wel verwaardigen wilde aan het diner, bij welke gelegenheid hij een geborduurd overhemd met tal van gouden knoopjes en kettingen aanhad, zijn meester en de oudere leden van het gezin te bedienen. Deze man, die eigenlijk tot geen bepaald land behoorde en alle talen even slecht sprak, was onzen Henry in velerlei opzichten van dienst; hij las de brieven van den argeloozen jonkman, kende zijne geliefkoosde plaatsen van uitspanning en de adressen zijner kennissen, en bediende bij de bijzondere diners, welke de jonge heer gaf. Toen Henry na het gesprek met zijne mama op de sofa, in eene prachtige kamerjapon, onder somber stilzwijgen aan zijne pijp lag te trekken, moet ook Anatole wel bemerkt hebben, dat er iets was dat zijn meester drukte, maar hij legde geene ongepaste meewarigheid met Henry’s ontstemden gemoedstoestand aan den dag. Toen Henry zich begon te kleeden, was hij zeer moeielijk te voldoen; hij was buitengewoon kregelig en moeielijk ten opzichte van zijn toilet; hij paste en verwenschte pantalons van allerlei strepen, ruiten en kleuren; al de laarzen waren ellendig gepoetst; de hemden hadden te schreeuwende patronen. Dien dag overstroomde hij zijne kleederen en zijn persoon met reukwateren, en hoe verbaasd moet de knecht niet gestaan hebben toen de jonge heer, na eenig blozen en aarzelen, vroeg: „Zeg eens, Anatole hebt gij, toen ik u engageerde – hm! – hebt ge toen niet gezegd, dat ge – dat ge kondt – kappen?”
„Ja,” antwoordde de knecht, „dat had hij gezegd.”
„Cherchy alors une paire de tangs – et – krully moi un piou,” zeide mijnheer Foker, alsof het hem niet schelen kon. Nog onzeker of zijn heer verliefd was dan wel naar een gemaskerd bal wilde, ging de knecht de verlangde voorwerpen zoeken, – eerst bij den ouden knecht, die de rol van kamerdienaar bij mijnheer Foker senior vervulde, op wiens kale kruin de tang ternauwernood honderd haren zou gepakt hebben, en vervolgens bij de dame, die met de zorg voor de kastanjebruine toer van Lady Agnes belast was. En toen monsieur Anatole de tang was machtig geworden, krulde hij de lokken van zijn jongen meester zoo lang, dat Henry’s hoofd zoo kroezig als dat van een neger was; waarna de jonkman zich met de uiterste zorg en pracht kleedde en zich gereedmaakte om uit te gaan.
„Hoe laat moet ik het rijtuig bij jufvrouw Calverley laten voorkomen, mijnheer?” vroeg de knecht fluisterend in zeer slecht Engelsch, toen zijn meester heenging.
„Laat haar naar den duivel loopen! – Zeg het diner af! Ik kan niet gaan!” zeide Foker. „Neen, voor den drommel – ik moet gaan. Poyntz en Rougemont, en al die anderen komen. Laat het rijtuig maar ten zes ure aan Pelham Corner zijn, Anatole.”
Dat rijtuig was geen van Foker’s eigen equipages, maar werd bij feestelijke gelegenheden van een stalhouder gehuurd; Foker nam echter dezen morgen zijn eigen rijtuig in gebruik; en met welk oogmerk denkt de geachte lezer wel? Niet anders dan om naar Lamb Court in den Temple te rijden, waarvoor hij zijn weg over Grosvenor Place nam (hetgeen, gelijk ieder weet, in de rechte lijn van Grosvenor Street naar den Temple ligt), bij welke gelegenheid hij het genoegen had naar de paarsche venstergordijnen van jufvrouw Amory te kunnen opzien, na welk genoegen hij naar Pen’s kamer reed. Waarom verlangde hij zoo sterk om zijn vriend Pen te zien? Waarom haakte en snakte hij zoo naar hem en scheen Foker’s leven als het ware er van af te hangen, dat hij Pen dien morgen nog zag, nadat hij hem pas den vorigen avond in de bloeiendste gezondheid verlaten had? Pen woonde reeds twee jaren te Londen en Foker had nog geen half dozijn bezoeken bij hem afgelegd. Wat deed hem nu zoo haastig daarheen snellen?