Part 31
„Ik declareerde mij aan haar,” zeide Alcide met de hand op zijn hart, „op eene wijze, die, naar ik mij vlei, even nieuw als aangenaam was. Waar zou de liefde niet kunnen doordringen, achtenswaardige madame Fribsby? Cupido is de vader der uitvindingen! – Ik onderzocht bij de bedienden welke plats mademoiselle het liefst at, en richtte dienovereenkomstig mijne kleine batterij in. Op zekeren dag, toen hare ouders uit dineeren waren gegaan (en het grieft mij te moeten zeggen, dat een grossier diner bij een restaurateur op den boulevard, of in het Palais Royal, eene heerlijkheid voor die van fijnen smaak ontbloote personen scheen te zijn), onthaalde de bekoorlijke Miss eenige kameraadjes van de kostschool, en ik besloot een klein diner boven te zenden, dat voor zulke fijne jonge verhemelten geschikt was. Haar lieftallige naam is Blanche. De sluier der maagd is wit, en de krans van rozen, dien zij draagt, is eveneens wit. Ik nam mij voor, dat mijn diner zoo smetteloos als sneeuw zou zijn. Op het gewone uur zond ik, in plaats van den lompen gigot à l’eau, die doorgaans op hare al te eenvoudige tafel werd voorgediend, een kleine potage à la reine – ik noemde het à la reine Blanche – zoo blank als haar eigen kleur en toebereid met de geurigste room en amandelen. Daarna legde ik op haar altaar een filet de merlan à l’Agnes neder, en een keurigen schotel, dien ik éperlan à la Sainte-Thérèse betitelde, en waarvan mijne charmante Miss met genoegen gebruikte. Ik liet hierop twee kleine entrées van gebak met kip volgen, en het eenige bruine, dat ik mij op dit diner veroorloofde, was een klein lams-rôti, dat ik in een weiland van spinazie plaatste, omringd van croustillons, die lammetjes voorstelden, en opgeluisterd met madeliefjes en andere wilde bloemen. Daarop kwam mijn second service; een podding à la reine Elisabeth (die, zooals madame Fribsby weet, eene maagdelijke vorstin was), een schotel opaalgekleurde pluviereieren, dien ik nid de tourtereaux à la roucoule noemde en waar ik twee van die teedere vogeltjes in het midden geplaatst had, die zaten te trekkebekken, alles toebereid uit boter; een korfje kleine gateaux met abrikozen, waar, dit weet ik, alle jonge dames dol op zijn; en een maraskino-gelei, blank, betooverend, bedwelmend als de aanblik der schoonheid; dit noemde ik ambroisie de Calypso à la Souveraine de mon Coeur. En het ijs – een ijs van plombière en kersen – hoe denkt gij wel, dat ik dat gefatsoeneerd had, madame Fribsby? In den vorm van twee harten aan een pijl geregen, waarover ik, voordat het binnengebracht werd, een bruidssluier van geknipt papier had gelegd, en daarop een maagdenkrans van oranjebloesems. Ik stond aan de deur te wachten, om te zien welk een indruk deze entrée zou maken. Het was één uitroep van opgetogenheid! De drie jonge dames vulden hare glazen met de bruisende Aï en brachten een toast op mij uit. Ik hoorde Miss van mij spreken – ik hoorde haar roepen: „Zeg aan monsieur Mirobolant, dat wij hem laten bedanken – dat wij hem bewonderen – dat wij hem liefhebben!” Mijne knieën knikten toen zij sprak.
„Kan ik, na dat voorval, met eenigen grond twijfelen, dat de jonge artiste zekere vorderingen gemaakt heeft in het hart der Engelsche Miss? Ik ben nederig, maar mijn spiegel zegt mij, dat ik er niet onbevallig uitzie. Nog andere veroveringen hebben mij daarvan overtuigd.”
„Gevaarlijk mensch!” riep de modemaakster uit.
„De blonde misses van Albion zien in de sombere bewoners van haar nevelachtig eiland niets, dat in vergelijking kan komen met het vuur en de levendigheid der kinderen van het Zuiden. Wij brengen den zonneschijn met ons; wij zijn Franschen en gewoon aan veroveringen. Zoudt gij denken, dat ik zonder deze liefdesgeschiedenis, zonder mijn besluit om eene Anglaise te trouwen, op dit eiland blijven zou (dat niet ten eenemale ondenkbaar is, daar ik hier eene teedere moeder in de respectabele madame Fribsbi gevonden heb), op dit eiland en in die familie? Mijn genie zou verstompen in het gezelschap van die boeren; – die vleeschetende eilanders kunnen de poëzie mijner kunst niet begrijpen. Neen – de mannen zijn akelig, maar de vrouwen – de vrouwen, waarde Fribsbi, dat moet ik bekennen, zijn verleidelijk! Ik heb gezworen, dat ik er eene trouwen zou; en daar ik niet op uwe markten kan komen om er volgens landsgebruik eene te koopen, heb ik besloten mij naar een ander gebruik te voegen en er met eene naar Gretna Green te vluchten. De blonde Miss zal wel meegaan. Zij is betooverd. Hare blikken hebben mij daarvan overtuigd. De blanke duif wacht maar op een sein, om uit te vliegen.”
„Hebt gij ooit brieven met haar gewisseld?” vroeg Fribaby vol verbazing, niet wetende of de jonge dame dan wel de minnaar aan eene romaneske inbeelding leed.
„Ik correspondeer met haar door middel van mijne kunst. Zij gebruikt van de gerechten, die ik opzettelijk voor haar gereedmaak. Op die wijze geef ik haar duizend wenken, die zij, daar zij enkel geest is, ook zeer goed begrijpt. Maar ik moest andere hulp in hare nabijheid hebben.”
„Daar hebt ge Pincott, hare kamenier,” zeide madame Fribsby, die, of uit aanleg of uit ervaring, eenige kennis van minnarijen scheen te hebben; maar de groote artiste fronste de wenkbrauwen op die raadgeving.
„Madame,” gaf hij ten antwoord, „er zijn punten, waaromtrent een galant man zich zelven het stilzwijgen moet opleggen; ofschoon hij, indien hij het geheim verraadt, dit nog op de minst onvoegzame wijze aan zijne beste vriendin, aan zijne pleegmoeder doet. Weet dan, dat er eene reden bestaat waarom Miss Pincott mij vijandig is, – eene reden, niet ongewoon bij uwe sekse: – de jaloezie.”
„Trouwelooze verrader, die gij zijt!” riep de confidante.
„Ach neen,” hernam de kunstenaar met eene diepe basstem en een tragischen toon, die de Porte Saint Martin en hare geliefkoosde melodrama’s waardig was: „niet trouweloos, maar noodlottig. Ja, ik ben een noodlottig mensch, madame Fribsbi. Het is mijn lot, hopelooze liefde in te boezemen. Het is mijne schuld niet, dat de vrouwen mij beminnen. Kan ik het helpen, dat die jonge vrouw bij den dag vermagert en wegkwijnt, omdat zij verteerd wordt door eene liefdevlam, die ik niet kan beantwoorden? Hoor eens! Er zijn nog anderen in die familie, die in dezelfde ongelukkige omstandigheden verkeeren. De gouvernante van den jongen Milor heeft mij op mijne wandelingen ontmoet en mij aangezien op eene wijze, die slechts voor ééne uitlegging vatbaar is. En Milady zelve, die reeds van rijpen leeftijd is, maar oostersch bloed in de aderen heeft, heeft een paar malen complimenten aan den eenzamen artiste gericht, waarin men zich niet vergissen kan. Ik vermijd de leden van het huisgezin; ik zoek de afzondering en ik onderwerp mij aan mijn lot. Ik kan er maar ééne trouwen en heb besloten, dat het eene dame van uwe natie zal zijn. En ik geloof, dat juist Miss mij het best zou passen, indien haar fortuin voldoende is. Ik zou wel wenschen te weten wat zij bezit, alvorens ik haar naar Gretna Green voer.”
Wij moeten aan het oordeel van den lezer overlaten of Alcide een even onweerstaanbaar veroveraar als zijn naamgenoot, dan wel eenvoudig stapelgek was. Doch indien de lezer het geluk heeft gehad vele Franschen te leeren kennen, heeft hij misschien wel mannen onder hen aangetroffen, die zich als even onverwinnelijk beschouwden en, indien men hen gelooven wilde, evenvele veroveringen op de harten van les Anglaises hadden gemaakt.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HANDELT ZOOWEL OVER LIEFDE ALS OVER JALOEZIE.
Onze lezers zijn reeds bekend gemaakt met Sir Francis Clavering’s rondborstige meening over de dame, die hem haar fortuin geschonken en de middelen verschaft had om in zijn vaderland en in de voorvaderlijke woning terug te keeren, en het is maar al te waar, dat de baronet zich niet geheel vergiste in zijn oordeel over zijne echtgenoote en dat Lady Clavering niet tot de verstandigste of best opgevoede vrouwen behoorde. Zij had gedurende een paar jaren eene Europeesche opleiding genoten in de voorstad Hackney te Londen, die zij tot haar laatsten levensdag ’Ackney bleef noemen, en van daar had haar vader haar op vijftienjarigen leeftijd naar Calcutta terug ontboden. Op die terugreis aan boord van den Oostindievaarder Ramchunder, kapitein Bragg, met welk schip zij twee jaar te voren naar Europa gekomen was, maakte zij kennis met mijnheer Amory, haar eersten man, die op dat vaartuig den post van derden stuurman bekleedde.
Wij zullen niet in de bijzonderheden van dat vroegere leven van Lady Clavering treden; maar kapitein Bragg, onder wiens opzicht jufvrouw Snell naar haar vader terugreisde – die een der patroons van den kapitein en aandeelhouder in den Ramchunder en vele andere schepen was, – zag zich genoodzaakt zijn oproerigen stuurman in de boeien te doen slaan en hem vervolgens aan de Kaap achter te laten, en leverde eindelijk het meisje aan haar vader te Calcutta uit, na eene stormachtige en noodlottige reis, waarbij de Ramchunder met zijne lading en passagiers groot gevaar liep en veel schade leed.
Eenige maanden daarna verscheen Amory, die vóór den mast van de Kaap gekomen was, weer te Calcutta, trouwde de dochter van den rijken procureur tegen wil en dank van dien ouden duitendief, vestigde zich als indigoplanter en ging failliet, beproefde zijn geluk als handelsagent en ging andermaal failliet, werd redacteur van den Sunderbund Pilot en ging ten derden male failliet, gedurende al welke ondernemingen en tegenspoeden hij aanhoudend met zijn schoonvader en zijne vrouw overhoop lag, en besloot eindelijk zijne loopbaan met zeker opzienbarend geval, dat hem verplichtte Calcutta te verlaten en naar de straf koloniën van Nieuw Zuid-Wallis te reizen. Het was in deze rampspoedige omstandigheden, dat mijnheer Amory waarschijnlijk Sir Jasper Rogers, den hooggeschatten president van het hoog gerechtshof te Calcutta, leerde kennen; en, als wij de waarheid moeten zeggen, was het ten gevolge van het ongepast gebruik van den naam van zijn schoonvader, die heel goed kon schrijven en geen hulp noodig had, dat de Fortuin mijnheer Amory voorgoed in den steek liet en hem noodzaakte allen verderen strijd met haar op te geven.
Daar het Europeesche publiek de gerechtelijke verslagen uit Calcutta niet zeer trouw leest, kende het die gebeurtenissen niet zoo goed als de ingezetenen van Bengalen, en vermits mevrouw Amory en haar vader het verblijf in Indië niet meer zeer aangenaam vonden, werd er bepaald, dat de dame naar Europa zou terugkeeren, met haar dochtertje Betsy, of Blanche, toenmaals vier jaar oud. Zij werden vergezeld door Betsy’s min, die wij in het voorgaande hoofdstuk aan den lezer voorgesteld hebben als jufvrouw Bonner, Lady Clavering’s vertrouwde kamenier, en kapitein Bragg nam voor de vrouwen een huis in de nabijheid zijner eigene woning in Pocklington Street.
Het was een zeer ongunstige zomer en een tijdlang na mevrouw Amory’s aankomst stortregende het dag aan dag. Bragg gedroeg zich zeer hoog en onaangenaam; misschien schaamde hij zich om de Indische dame aan haar lot over te laten en wellicht wenschte hij van haar af te zijn. Zij geloofde, dat iedereen te Londen over de schande van haar man sprak en dat de koning, de koningin en de directeuren der Oost-Indische Compagnie hare ongelukkige geschiedenis kenden. Zij genoot een ruim jaargeld van haar vader en er bestond geen reden waarom zij in Engeland zou blijven wonen, zoodat zij besloot buitenslands te gaan. Zij vertrok derhalve, blijde aldus aan het benauwende toezicht van dien akeligen bullebak, kapitein Bragg, te kunnen ontsnappen. Niemand maakte bedenking, in de steden van het vasteland waar zij stilhield en in de onderscheidene kosthuizen waar zij flink betaalde, om haar te ontvangen. Wel is waar noemde zij Hackney altijd ’Ackney (ofschoon zij anders het Engelsch met een licht buitenlandsch accent uitsprak, dat zeer aardig en niet onaangenaam was), kleedde zij zich opzichtig, trok zij de aandacht door haar eet- en drinklust, en maakte curries en pillaus gereed in elk kosthuis waar zij vertoefde; doch hare eigenaardigheden in spreken en doen gaven juist iets ongemeens aan haar omgang en mevrouw Amory was dus te recht populair. Zij was de goedhartigste, opgeruimdste en edelmoedigste vrouw, die men zien kon. Dadelijk was zij voor elk partijtje gereed, wie het ook had voorgesteld, en bij de „picnics” bracht zij driemaal meer champagne, gevogelte en ham mee, dan iemand anders. Zij nam tallooze plaatsen voor den schouwburg en biljetten voor de gemaskerde bals, en gaf die aan iedereen weg. Zij betaalde de houders der kosthuizen maanden vooruit, en hielp arme, kale dandies met prachtige knevels en douairières, wier remises maar niet aankwamen, aanhoudend met hare beurs. In dier voege reisde zij Europa door en vertoonde zij zich te Brussel, te Parijs, te Milaan, te Napels, te Rome, naarmate hare luim zulks ingaf. Zij ontving de tijding van Amory’s overlijden in laatstgenoemde stad, waar kapitein Clavering op dat oogenblik ook vertoefde, buiten machte om de rekening in zijn logement te betalen, gelijk ook het geval was met zijn vriend, den chevalier Strong; en de goedhartige weduwe trouwde den afstammeling van het oude geslacht der Clavering’s, zonder veel verdriet over het verlies van haar schavuit van een man aan den dag te leggen. Aldus hebben wij hare geschiedenis geschetst tot op het tegenwoordige oogenblik nu zij de meesteres van Clavering Park was, onder welks geboomte de beroemde schilder Pinkney haar heeft afgebeeld met haar zoontje aan hare zijde.
Juffie vergezelde mama op de meeste harer omzwervingen en kreeg aldus heel wat van de wereld te zien. Een tijdlang had zij eene gouvernante en na het hertrouwen van hare moeder genoot zij het voorrecht van eene opleiding op madame de Caramel’s voorname kostschool in de Champs Elysées. Toen de Clavering’s naar Engeland overkwamen, kwam zij natuurlijk mede. Eerst eenige jaren na den dood van haar grootvader en de geboorte van haar broertje begon zij te bemerken, dat hare positie in het leven veranderd was en dat jufvrouw Amory, de dochter van een onaanzienlijk man, een zeer onbeduidend personage in huis was, in vergelijking met den jongen heer Francis Clavering, den erfgenaam van een ouden baronetstitel en een aanzienlijk landgoed. Ware de kleine Frans er niet geweest, zij zou eene erfdochter geweest zijn in weerwil van den stand van haar vader; en ofschoon zij niet veel verstand had van geld en er zich ook niet veel om bekommerde, omdat zij er nooit gebrek aan had gehad, en hoewel zij eene romaneske kleine muze was, gelijk wij gezien hebben, zoo kon men toch in redelijkheid niet verwachten, dat zij jegens de personen, die zooveel hadden toegebracht om haar te benadeelen, dankbaarheid zou koesteren; zij wist zelfs niet eens nauwkeurig wat haar ware toestand was, voordat zij wat verder gekomen was en eene juistere kennis van de wereld had verkregen.
Doch zooveel was duidelijk, dat haar stiefvader suf was en zwak van karakter; dat mama de h’s wegliet waar zij behoorden, en niet fatsoenlijk in manieren en voorkomen kon heeten; en dat de kleine Frans een bedorven, ondeugende bengel was, die altijd zijn zin moest hebben, haar altijd in den weg zat, altijd zijn eten op haar kleedje morste en haar van haar erfdeel beroofde. Zij was overtuigd, dat geen van die allen haar begreep; en haar eenzaam hart haakte dus naar andere banden en zocht iemand, dien zij met de kostbare gave van hare onverdeelde genegenheid kon gelukkig maken.
Het lieve meisje was dus zoo aangenaam in huis uit gebrek aan sympathie, of om andere redenen, en maakte hare moeder zoo zenuwachtig en ergerde haar stiefvader zoo zeer, dat allen even sterk wenschten als zij zelve, dat zij maar trouwen zou. Vandaar de wensch, dien Sir Francis Clavering in het vorige hoofdstuk aan zijn vriend ontboezemde, dat mevrouw Strong sterven mocht en dat de chevalier dan Blanche tot zijne tweede echtgenoote zou nemen.
Daar dit echter niet gebeuren kon, zou men haar gaarne aan ieder ander gegund hebben; en een knap jonkman van een goed uiterlijk en eene goede opvoeding, zooals onze vriend Arthur Pendennis, had haar vrij mogen vragen, indien hij er lust toe had gevoeld, en zou door Lady Clavering met open armen als schoonzoon zijn ontvangen, wanneer hij moed genoeg had bezeten om naar jufvrouw Amory’s hand te staan.
Behalve andere gebreken evenwel, die Pen bezat, verkoos hij ook eene groote nederigheid ten opzichte van zich zelven te gevoelen. Hij was beschaamd over het mislukken zijner plannen in den laatsten tijd, over zijn lui en nutteloos leven, over de armoede, waarin hij zijne moeder door zijne dwaze streken gestort had, en onder dat weifelen en die bedeesdheid school evenveel ijdelheid als berouw. Hoe kon hij ooit op zulk een hoogste lot uit de loterij als de schitterende Blanche Amory hopen, die op een prachtig park en kasteel woonde en door een dozijn kerels als boomen, in livrei, bediend werd, terwijl op Fairoaks een dienstmeisje het sober maal binnenbracht en zijne moeder verplicht was uit te zuinigen en te berekenen om rond te komen? Hij zag hinderpalen, die van zelf zouden verdwenen zijn indien hij er dapper op ware losgegaan, voor onoverkomelijk aan en wilde liever wanhopen, of zijne wenschen bedwingen (die hij zich echter misschien nog niet duidelijk had voorgesteld), dan te trachten het doelwit zijner begeerte manmoedig te veroveren. Menig jonkman, die het maar voor het vragen zou hebben, mist zijn doel door die soort van ijdelheid, die men bedeesdheid noemt.
Wij willen daarmede echter niet zeggen, dat Pen hiervan tot nog toe een helder bewustzijn had, of dat hij veel meer deed dan zich voor te nemen verliefd te worden. Jufvrouw Amory was een bekoorlijk en levendig meisje, dat hem door duizenderlei kunstgreepjes of natuurlijke bevalligheden en vleierijen betooverde en streelde. Maar er waren, buiten bedeesdheid en ijdelheid, verborgen redenen, die hem terughielden. Pen’s moeder had het meisje, in weerwil van hare talenten en betuigingen en bekoorlijkheden, doorzien en vertrouwde haar niet. Mevrouw Pendennis zag, dat Blanche lichtvaardig en grillig was, en ontdekte in haar vele gebreken, die bij de reine en godsdienstige vrouw afkeuring verwekten; onder anderen een gemis van eerbied voor hare ouders en, gelijk Helena meende, voor nog veel heiliger zaken, kortom wereldzin en zelfzucht, onder mooie woorden en lieve uitdrukkingen vermomd. In den beginne bestreden Laura en Pen de weduwe met vuur, want Laura was voor het oogenblik nog vol geestdrift voor hare nieuwe vriendin, en Pen was nog niet verliefd genoeg om eenige poging te doen om zijne ware gevoelens te verbergen. Hij lachte om Helena’s bedenkingen en zeide: „Bah! moeder, gij zijt jaloersch op Blanche – alle vrouwen zijn jaloersch!”
Maar toen Helena binnen een paar maanden, terwijl zij het paar met die angstvalligheid gadesloeg, waarmee bezorgde moeders nagaan aan wie hare zonen hunne liefde wijden (en waarbij ik het voor zeker houd, dat de moeder eene sexueele jaloezie en een heimelijk hartzeer ondervindt) – toen Helena, zeg ik, zag, dat de kennismaking inniger werd en de beide jongelieden aanhoudend voorwendsels wisten te vinden om elkander te ontmoeten en dat jufvrouw Blanche elken dag op Fairoaks, of mijnheer Pen op het Huis was, toen begon de moed der arme weduwe te verflauwen, want haar geliefkoosd plan scheen in damp te vervliegen; zoodat zij op zekeren dag aan haar gevoel toegaf en ronduit aan verklaarde, wat hare bedoeling en hoop was geweest; dat zij gevoelde, dat zij zelve verminderde en niet lang meer op deze wereld zou verwijlen, en dat zij dus hoopte en bad, dat zij vóór haar verscheiden hare beide kinderen vereenigd mocht zien. De voorvallen van den laatsten tijd, Pen’s leven en zijne vroegere liefde voor de actrice hadden den moed dezer teedere vrouw neergedrukt. Zij gevoelde, dat hij haar ontsnapt was en niet meer tot het ouderlijk nest behoorde, en daarom klemde zij zich met eenige wanhopige hartelijkheid aan Laura, aan die Laura, welke haar door Francis in den hemel nagelaten was.
Pen gaf haar een kus en stelde haar op zijne voorname en beschermende wijze gerust. Hij had er wel iets van gemerkt; hij had al sinds lang vermoed, dat zijne moeder dit huwelijk tot stand wilde brengen. Wist Laura er iets van? (Neen, antwoordde mevrouw Pendennis; voor geen geld ter wereld zou zij er een woord van tegen Laura gerept hebben). Nu, nu, men had er nog den tijd mee; zijne moeder zou zoo gauw niet sterven, zeide Pendennis lachend; daarvan wilde hij niets weten; en wat de muze betrof, die was eene veel te groote dame om aan een zoo onbeduidend persoon als hij was, te denken; en Laura – wie wist of zij hem wel wilde hebben! „Natuurlijk zal zij alles doen wat gij haar voorschrijft,” sprak hij. „Maar ben ik haar waardig?”
„O Pen, dat zoudt gij kunnen zijn,” antwoordde de weduwe. Om de waarheid te zeggen, had Pen daaraan nooit getwijfeld; een gevoel van onbeschrijfelijke opgetogenheid en zelfbehagen beving hem, toen hij over het voorstel nadacht en zich Laura voor den geest riep, gelijk hij zich haar van jaren herwaarts herinnerde, altijd rond en eerlijk, vriendelijk en vroom, opgeruimd, teeder en trouw. Zijn blik helderde op, toen hij haar, aan het einde van het grasperk, uit den tuin zag binnenkomen met tamelijk roode wangen, een open en lachenden blik en een mandje rozen in de hand.
Zij nam er de mooiste van en bracht ze aan mevrouw Pendennis, die zich verkwikte aan geur en kleur van die bloem, en het meisje omhelsde haar hartelijk en gaf haar de roos over.
„En dien schat heb ik maar voor het vragen!” dacht Pendennis, met een gevoel van triomf, terwijl hij zijn blik op het lieve meisje liet rusten. „Zij is even schoon en liefelijk als hare rozen.” Het tafereel van die beide vrouwen bleef voor altijd in zijne ziel geprent en nooit kon hij het zich voor den geest roepen, zonder dat hem de tranen in de oogen kwamen.
Voordat Laura nog heel lang op vertrouwelijken voet met hare nieuwe vriendin verkeerd had, was zij verplicht in te stemmen met Helena’s oordeel, dat de muze zelfzuchtig, hardvochtig en onbestendig was. Natuurlijk nam Blanche hare boezemvriendin in het geheim van al hare kleine grieven en huiselijke onaangenaamheden; zij vertelde haar, dat niemand van het gezin haar kon begrijpen en dat zij dus te midden van die allen alleen stond; dat hare arme mama eene slechte opvoeding genoten had, zoodat zij over hare misslagen moest blozen; dat Sir Francis zwak en jammerlijk dom was en zich alleen op zijn gemak gevoelde als hij zijne akelige sigaren rookte; dat zij, na de geboorte van haar broertje, opgemerkt had, dat hare moeder hare hooggeschatte genegenheid, die zij op hooger prijs stelde dan iets anders op aarde, aan hare eenmaal zoo geliefde dochter onttrokken had; en dat zij nu alleen, alleen, alleen op de wereld stond.