Part 18
Doch in spijt van orgel en venster – of wel denkelijk ten gevolge van dit laatste, dat uit een papistisch land gekomen en vol afgodische voorstellingen was – bloeide de nieuwlichterskerk te Clavering op de ergerlijkste wijze onder den neus der orthodoxie, en vele leden der gemeente van den doctor liepen naar mijnheer Simcoe en de freule, zijne vrouw, over. Door hunne onvermoeide pogingen was zelfs de methodisten-kapel in de nabijheid leeggeloopen, die vóór Simcoe’s komst zoo vol placht te zijn, dat men de ruggen der toehoorders als het ware uit de kerkramen zag puilen. De traktaatjes van mijnheer Simcoe fladderden de deur van alle huisjes, die tot het gebied van den doctor behoorden, binnen, en werden even gretig aangenomen als de soep der welwillende mevrouw Portman, welke door de ondankbare schepsels nog al afgekeurd werd. Bij de werklieden in de lintfabriek, die bij het veer aan den Brawl lag en rondom welke de nieuwe stad was opgerezen, kon de orthodoxie in het geheel geen ingang vinden. De bedaarde jufvrouw Myra werd door de vurige mevrouw Simcoe en hare vrouwelijke adjudanten geheel uit het veld geslagen. Ach, het was eene zware beproeving voor de vrouw van den doctor, haar mans gemeente te zien wegsmelten; bij de weinige gelegenheden, wanneer zij met elkander in aanraking kwamen, den voorrang te moeten laten aan de vrouw van een afgescheiden dominé, omdat deze de dochter van een Ierschen pair was; en te weten, dat er in Clavering, hunne eigen stad Clavering, waaraan de doctor veel meer dan de inkomsten van zijn ambt besteedde, eene partij bestond, die hem in een kwaden naam bracht, omdat hij een partijtje whist speelde, en hem een heiden noemde, omdat hij den schouwburg bezocht. In hare verdrietige stemming spoorde zij hem aan den schouwburg en het kaartspel te laten varen – en het was werkelijk reeds zeer moeielijk een partijtje bijeen te krijgen, zoo luide werd dat tijdverdrijf veroordeeld; – maar de doctor verklaarde, dat hij doen zou wat recht was in zijne oogen en wat de groote en goede George III deed (wiens kapelaan hij was geweest); en wat betrof het afzien van het whisten, omdat die dwaze menschen er aanmerking op maakten, verklaarde hij, dat hij liever tot zijn laatsten dag toe met zijne vrouw en Myra met den blinde spelen zou, dan voor die verfoeilijke vervolging te buigen.
Van de beide familiën, die bezitters waren van de fabriek (door welke de forellenvangst in den Brawl bedorven en al het kwaad in de stad gebracht was), ging de oudste compagnon, mijnheer Rolt, naar de methodistische kapel, en de jongste, mijnheer Barker, naar de nieuwe kerk. In één woord, de menschen krakeelden in dit kleine plaatsje oneindig meer dan buren te Londen doen; en in het leeskabinet, dat de voorzichtige en vredelievende Pendennis opgericht had en dat een onzijdig gebied had behooren te zijn, werd zóó hevig getwist, dat men tegenwoordig bijna niemand meer in de leeszaal aantrof, behalve Smirke, die, ofschoon door eene flauwe vriendschapsbetrekking met de factie van Simcoe verbonden, nog altijd zekeren smaak voor tijdschriften en wereldsgezinde litteratuur behouden had; en den ouden Glanders, wiens grijs hoofd en ruige knevels men aan het venster kon zien; en natuurlijk de kleine mevrouw Pybus, die ieders brieven, welke de post aanbracht, bekeek (want de leeszaal te Clavering was, gelijk ieder weet, in de leesbibliotheek van Baker in London Street, vroeger Hog Lane) en alle advertentiën uit de courant las.
Men kan begrijpen welk eene opschudding de tijding van Pen’s liefdesgeschiedenis te Chatteries, in dit lieftallige maatschappijtje, teweegbracht. Het nieuws werd van huis tot huis rondgedragen en maakte het onderwerp der gesprekken bij hoogkerkschen, laagkerkschen en geenkerkschen uit; het werd tusschen de dames Finucane en hare secondanten besproken en hoogst waarschijnlijk ook door de jonge dames op de slaapzalen behandeld; de groote jongens van Wapshot kenden eveneens eene lezing van het verhaal en bekeken Pen nieuwsgierig als hij in zijne bank in de kerk zat, of wezen hem spottend met den vinger aan als hij over straat liep. Zij hadden altijd een hekel aan hem gehad en noemden hem Lord Pendennis, omdat hij geen grove kleeren droeg gelijk zij, een paard hield en zich zoo kwasterig voordeed.
Om de waarheid te zeggen, was het mevrouw Portman zelve, die de schiedenis van Pen’s verliefdheid hoofdzakelijk in omloop had gebracht. Elk nieuwtje, dat deze openhartige vrouw vernam, bracht zij onvermijdelijk aan hare buren over; en toen zij door het opzienbarende geval te Chatteries in het bezit van Pen’s geheim was gekomen, wist de arme doctor Portman, dat het den volgenden dag in het geheele kerspel, waar hij predikant was, bekend zou zijn. En dit was ook werkelijk het geval; het gansche stadje was op de hoogte; binnen weinige uren had de schiedenis de ronde gedaan door het leeskabinet, den modewinkel, en schoenenwinkel, den komenijswinkel aan den hoek der markt, bij mevrouw Pybus, bij de Glanders’, op de oefening bij mevrouw Simcoe, bij de eigenaren der fabriek, ja, in de fabriek zelve, en was de dwaasheid van Arthur Pendennis op ieders tong.
Al de kennissen van doctor Portman hielden hem staande, toen hij den volgenden dag over straat ging. De arme dominé wist, dat zijne Betsy de verspreidster van het nieuws was, en ergerde zich inwendig. Maar, het zou toch binnen een paar dagen uitgekomen zijn, en dan was het maar beter, dat de stad de ware toedracht der zaak kende. Wij behoeven hier niet te beschrijven wat de inwoners van Clavering dachten over de slechte opvoeding, die mevrouw Pendennis aan haar zoon gegeven had, en over de vermetelheid van dien baardeloozen schavuit van een Arthur, die met eene actrice had willen trouwen. Zoo er in ons vaderland hoogmoed bestaat (en zeker bezit men er meer dan genoeg van), dan is die nergens dieper geworteld dan bij niet rijke oude jufvrouwen in kleine plaatsjes. „Goede hemel!” ging de kreet op, „wat is die moeder blind voor dien brutalen en eigenzinnigen jongen, die op zijn volbloedpaard de houding van een lord aanneemt, voor wien ons gezelschap niet goed genoeg is, en die eene leelijke, geblankette actrice uit eene kermistent, waar hij zich zeker ook wil engageeren, zou willen trouwen. Als de goede oude heer Pendennis nog leefde, zou dit schandaal nooit gebeurd zijn.”
Neen, dat zou het waarschijnlijk niet, en wij zouden nu niet bezig zijn met Pen’s geschiedenis te verhalen. Het was waar, dat hij tegenover de bevolking van Clavering een zekeren hoogmoed aan den dag legde. Daar hij van nature fier en rondborstig was, verveelden hem hun gekakel en praatjes en nagemaakte voornaamheid, en legde hij daarvoor eene minachting aan den dag, die hij niet verbergen kon. De doctor en de hulpprediker waren de eenige menschen daar ter plaatse, in wie Pen belang stelde, – zelfs mevrouw Portman deelde in het algemeene wantrouwen omtrent hem en zijne moeder, de weduwe, die zich aan den omgang met de inwoners onttrok en dienovereenkomstig gehekeld werd, omdat zij – men zou zeggen! – zich op gelijken voet met de groote familiën van het graafschap wilde plaatsen. Zij moest zich schamen! Mevrouw Barker aan de fabriek nam viermaal meer vleesch van den slager dan de bewoners van Fairoaks, – in weerwil van al hunne voorname airs.
Enz., enz., enz. De lezer kan dit verder met bijzonderheden aanvullen, naar gelang van zijn smaak voor dorpspraatjes en zijne ondervinding daarvan. Het meegedeelde is genoeg om te doen zien op welke wijze eene brave vrouw, die zich alleen met de vervulling van hare plichten jegens hare naasten en hare kinderen bezig hield, en een oprechte, ronde knaap, met een warm hart en vol goede eigenschappen, die aan elk mensch ter wereld het beste toewenschte, vijanden en lasteraars vonden onder lieden, waar zij ver boven stonden en wien zij nooit een zweem van leed berokkend hadden. De honden van Clavering liepen rondom het huis van Fairoaks te janken en vonden er hun vermaak in, Pen te vervolgen.
Doctor Portman en Smirke zorgden wel, dat zij der weduwe het hoofd niet warm maakten met de aanhoudende praatjes, die over den armen Pen liepen, ofschoon deze er van op de hoogte gehouden werd door Glanders, die een vriend des huizes was. Men kan zich zijne verontwaardiging voorstellen: was er niemand in het stadje, van wien hij rekenschap kon vorderen? Eerlang begonnen sommige grappenmakers: „Lang leve Fotheringay!” en andere sarcastische toespelingen op het gebeurde, met krijt op de poort van Fairoaks te schrijven. Iemand anders bracht eene groote tooneelaffiche van Chatteries mede en plakte die daar op zekeren nacht met ouwels aan. Toen Pen eens de lagere stad doorreed, meende hij, dat de werklieden der fabriek hem najouwden; en eindelijk, toen hij eens door de deur van den doctor het kerkhof opstapte, waar eenige der jongens van Wapshot rondslenterden, nam de grootste van deze, een jonge heer van omtrent twintig jaar, de zoon van een klein landbezitter uit de buurt, die in de hoedanigheid van kostleerling bij mijnheer Wapshot woonde, eene tooneelachtige houding bij een pas gedolven graf aan en begon, met een afschuwelijken grijns, Ophelia’s verzen uit Hamlet op te zeggen.
Pen ontstak zoodanig in woede, dat hij met een uitroep, die heel veel naar een vloek geleek, op den langen Hobnell toesprong, hem met de karwats, die hij in de hand hield, een geweldigen striem over het gezicht gaf, de karwats daarop wegwierp, den lafhartigen schavuit toeriep, dat hij zich verdedigen moest, en een oogenblik later den verbluften jongen schelm in het graf smeet, dat op een geheel anderen bewoner wachtte.
Daarop riep hij, met gebalde vuisten en een gezicht, dat van drift en verontwaardiging trilde, Hobnell’s kameraden toe, dat hij al die schurken afwachtte, als zij maar durfden. Maar mokkend deinsden zij achteruit en bliezen den aftocht toen doctor Portman naar zijn hek kwam, terwijl mijnheer Hobnell, met akelig bebloeden neus en lippen, weer uit het graf kroop.
Met blikken, die dood en verderf aan de naar hunne zijde van het kerkhof terugtrekkende jongens verkondigden, keerde Pen door het hek van den doctor terug en onderging een verhoor van dien heer. Hij was zoo ontroerd, dat hij ternauwernood spreken kon. Toen hij antwoordde, brak hij in snikken los. „De – lafaard heeft mij beledigd, mijnheer,” en de doctor zag den vloek, waarvan dit gezegde vergezeld ging, door de vingers en eerbiedigde de gevoelens van dit eerlijke en zooveel lijdende jonge hart.
De oude Pendennis, die als echt man van de wereld eene gepaste en aanhoudende vrees voor het oordeel zijner medemenschen koesterde, was verbazend geërgerd over het zotte stormpje, dat in Chatteries woedde en Pen’s reputatie heen en weer slingerde. Doctor Portman en kapitein Glanders moesten de aanvallen der gansche maatschappij van Chatteries tegen den jeugdigen verworpeling, die als een monster van slechtheid beschouwd werd, afslaan. Pen zeide thuis niets van het gevecht op het kerkhof, maar begaf zich naar Baymouth, om zijn vriend den heer Henry Foker te raadplegen, die dadelijk met zijn rijtuig voor het Wapen van Clavering kwam, en van daar door middel van Domkop een briefje „aan den weledelgeboren heer Thomas Hobnell, ten huize van den eerwaarden heer Wapshot” zond, met de beleefde vraag wanneer hij dien heer zou mogen spreken.
Domkop bracht de boodschap terug, dat het briefje door mijnheer Hobnell geopend en aan een half dozijn van de grootste jongens voorgelezen was, op welke het diepen indruk scheen te maken; en dat Hobnell, nadat zij samen gepraat en gelachen hadden, gezegd had, dat hij na de namiddagschool, waarvoor de bel reeds luidde, een antwoord zou zenden, en dat toen juist mijnheer Wapshot in zijn doctors tabbaard te voorschijn was gekomen, – want Domkop was ervaren in de academische costumen, daar hij mijnheer Foker reeds op de Academie bediend had.
Foker ging in den tusschentijd de merkwaardigheden van Clavering bezien, maar daar hij geen smaak voor de schoone bouwkunde had, boeide doctor Portmans fraaie kerk hem weinig en verklaarde hij den toren voor zoo rot als eene oude Stiltonsche kaas. Hij slenterde de straten door en bekeek de weinige winkels. Kapitein Glanders zag hij aan het venster der leeszaal staan, en, na dien heer goed bekeken te hebben, knikte hij hem eens toe, ten bewijze van zijne tevredenheid. Bij den slager informeerde hij met den schijn van de grootste belangstelling naar den prijs van het vleesch, en vroeg wanneer er weer geslacht werd. Hij drukte zijn kleinen neus tegen de winkelkast van madame Fribsby plat, om te zien of er niet een mooi modemaakstertje in den winkel zat; maar er was geen mooier gezichtje aanwezig dan dat van den mutsenbol met eene Fransche muts op, die voor de glazen stond, en madame Fribsby zelve, die slechts onduidelijk in het achterkamertje te zien was, waar zij een roman zat te lezen. Dit voorwerp was niet belangwekkend genoeg om mijnheer Foker tot eene langdurige beschouwing uit te lokken, zoodat hij, na alles bezichtigd te hebben in de stad en in de stallen, waar geene andere beesten stonden dan een enkel oud paar huurpaarden, die den karigen kost verdienden door de fatsoenlijke lui naar de diners in het graafschap te rijden, gevaar liep geheel ten prooi der verveling te worden, toen men eindelijk iemand met eene boodschap van mijnheer Hobnell aandiende.
Dit was geen mensch anders dan de heer Wapshot in eigen persoon, die in de grootste verontwaardiging, met Pen’s brief in de hand, kwam binnenstuiven en aan Foker vroeg hoe hij zulk eene onchristelijke boodschap als eene uitdaging aan een leerling van zijne school durfde overbrengen.
Werkelijk kwam het schrijven van Pen aan zijn vijand van den vorigen dag daarop neer, dat, indien Hobnell, na de kastijding, die zijne onbeschaamdheid ruimschoots verdiend had, de voldoening mocht verlangen, die onder gentlemen gebruikelijk is, de vriend van mijnheer Arthur Pendennis, de heer Henry Foker, gemachtigd was alle schikkingen met den heer Hobnell te maken.
„En dus heeft hij u met het antwoord gezonden, mijnheer?” vroeg Foker, den schoolmeester van top tot teen in zijn geestelijk gewaad opnemende.
„Als hij die goddelooze uitdaging had aangenomen, zou ik hem afgeranseld hebben,” zeide mijnheer Wapshot met een blik op mijnheer Foker, waarin men lezen kon: „en ik zou u ook wel eens een ferm pak willen toedienen.”
„Dat is bepaald heel vriendelijk van u,” antwoordde Pen’s gemachtigde. „Ik heb mijn principaal al verteld,” ging hij met groote deftigheid voort, „dat de ander naar mijn inzien niet vechten zou. Hij wil zeker liever geranseld worden dan vechten. Zult ge ook iets gebruiken, mijnheer .....? ik heb het geluk niet, uw naam te kennen.”
„Ik heet Wapshot, mijnheer, en ben de meester van de school, mijnheer,” schreeuwde de ander; „en ik verkies niets te gebruiken, mijnheer, dank je wel, en ik heb geen lust om kennis met je te maken, mijnheer.”
„Nu – de uwe heb ik bepaald niet gezocht,” antwoordde mijnheer Foker. „In gevallen van dezen aard, weet je, vind ik het heel verkeerd, er dominés in te halen, maar – over den smaak valt niet te oordeelen, mijnheer.”
„En ik vind het heel verkeerd, dat jongens, mijnheer, zoo lichtvaardig over moord spreken als gij dat doet,” brulde de schoolmeester, „en als ik u op mijne school had –”
„Dan zoudt ge het mij zeker beter leeren, mijnheer,” vulde Foker met eene buiging den volzin aan. „Maar, dank je wel, mijnheer! Mijne opvoeding is voltooid, mijnheer, en ik ga niet weer naar school, mijnheer. Als het ooit gebeurt, dan zal ik uw vriendelijk aanbod in gedachte houden. Jan, laat dezen heer eens uit – en natuurlijk, daar mijnheer Hobnell zich verkiest te laten afranselen, kunnen wij daar niets tegen hebben, mijnheer, maar zal het ons een genoegen zijn hem daarop te onthalen, als hij ons ooit weer in den weg komt.”
Bij deze woorden maakte de jonge schavuit eene buiging tegen den bejaarden heer, die zijne kamer verliet, en ging een briefje aan Pen schrijven, waarin hij dezen berichtte, dat mijnheer Hobnell niet vechten wilde, en berustte onder de kastijding, die Pen hem had toegediend.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
NOG MEER STORMEN IN EEN GLAS WATER.
Pen’s handelwijze in dit geval werd natuurlijk spoedig bekend en ergerde zijn vriend doctor Portman niet weinig, terwijl majoor Pendennis er zich alleen over vermaakte. De goede mevrouw Pendennis daarentegen geraakte bijna van streek, toen zij van den twist en van Pen’s onchristelijk gedrag hoorde. Alle mogelijke ellende, last, misdaad en ergernis scheen uit het geval, waarin de rampzalige knaap zich gewikkeld had, voort te spruiten, en meer dan ooit haakte zij er naar, hem voor eenigen tijd uit Chatteries weg te krijgen, – overal heen, waar het ook was, als hij maar verre van de vrouw kwam, die hem in zoovele moeielijkheden had gebracht.
Toen Pen door zijne liefhebbende moeder vermaand en door den doctor hevig berispt werd over zijne ruwheid en zijne bloeddorstige oogmerken, nam hij met de verwaandheid en deftigheid, aan de jeugd eigen, de zaak au grand sérieux, en zeide, dat het voorgevallene hem zelven zeer speet, dat de beleediging hem was aangedaan zonder dat hij er eenige aanleiding toe gegeven had, en dat hij niemand veroorloven zou hem over deze zaak te hoonen zonder zijne eer te verdedigen; en zich daarop met groote waardigheid op zijn oom beroepende, vroeg hij, of hij als gentleman anders had kunnen handelen dan hij gedaan had door den smaad te wreken, die hem aangedaan was, en voldoening aan te bieden aan den persoon, dien hij had gekastijd.
„Vous allez trop vite, waarde jongen,” antwoordde zijn oom een beetje verlegen, want hij had zijn neef eenige zijner begrippen over het punt van eer zelf ingeplant – ouderwetsche begrippen, die veel meer naar het leger en de pistool roken dan onze bedaarder opvattingen van den tegenwoordigen tijd. – „Tusschen mannen van de wereld wil ik er niets van zeggen; maar tusschen twee schooljongens is zulk eene zaak heel belachelijk, beste jongen, heel belachelijk.”
„Het is zeer goddeloos, en van mijn zoon had ik zoo iets niet verwacht,” zeide mevrouw Pendennis met tranen in de oogen en geheel ontsteld over de stijfhoofdigheid van den knaap.
Pen gaf haar een kus en zeide met verbazenden ernst: „Weet wat, moederlief, vrouwen verstaan die zaken niet – ik heb het geheel aan Foker overgelaten – geen andere weg stond voor mij open.”
Majoor Pendennis grinnikte en haalde de schouders op. Hij was van oordeel, dat de jongelui zeer groote vorderingen maakten. Mevrouw Pendennis verklaarde, dat die Foker een goddeloos en akelig ventje was, die haar lieven jongen zeker ongelukkig maken zou, als Pen naar dezelfde academie ging als hij. „Ik denk er sterk over, hem in het geheel niet te laten gaan,” sprak zij; en zoo de liefhebbende moeder zich niet herinnerd had, dat de vader van den knaap altijd den wensch had uitgedrukt, dat zijn zoon studeeren zou dáár, waar hij zelf zijne korte academische opleiding had genoten, zou zij waarschijnlijk geweigerd hebben hem naar de hoogeschool te laten vertrekken.
Al de machten die over het lot van den knaap gezag uitoefenden, waren het met elkander eens geworden, dat hij gaan zou en wel met den eerstvolgenden herfst-cursus. Foker had beloofd hem in het beste gezelschap te introduceeren, en majoor Pendennis hechtte er groote waarde aan, dat hij het leven en den omgang aan de academie door tusschenkomst van dien bewonderenswaardigen jongen heer zou leeren kennen. „Mijnheer Foker gaat om met de voornaamste jongelui aan de academie,” zeide de majoor, „en Pen zal daar kennissen maken, die hem later van het grootste nut zullen zijn. De jonge markies van Plinlimmon, de oudste zoon van den hertog van St. David’s, is er; Lord Magnus Charters, zoon van Lord Runnymede, is er ook; het is een volle neef van mijnheer Foker (gij herinnert u toch wel, dat Lady Runnymede vroeger Lady Agatha Milton was). Lady Agnes zal hem zeker op Logwood vragen; en wel verre, dat wij zouden te vreezen hebben voor Arthur’s omgang met haar zoon, die wel een zonderling en snaaksch, maar toch zeer omzichtig en achtenswaardig jonkman is, aan wien wij groote verplichting hebben wegens zijn verdienstelijk gedrag in dat geval met jufvrouw Fotheringay, beschouw ik het als eene zeer gelukkige omstandigheid voor Pen, dat hij met dezen alleronderhoudendsten jongen heer kennis gemaakt heeft.”
Helena zuchtte, maar nam aan, dat de majoor het wel het beste zou weten. Mijnheer Foker had hun in die zaak met jufvrouw Costigan ontegenzeglijk veel vriendschap betoond en zij was er hem dankbaar voor. Maar desniettegenstaande had zij een schemerachtig voorgevoel, dat het niet goed zou gaan; en al die krakeelen en twisten en wereldsche zaken hadden haar voor de toekomst van haar zoon ongerust gemaakt.
Doctor Portman was stellig van oordeel, dat Pen naar de academie moest gaan. Hij hoopte, dat de knaap daar studeeren zou en tevens, met mate, van het beste gezelschap zou genieten. Hij geloofde, dat Pen zich zou onderscheiden; Smirke getuigde zeer gunstig van zijne kunde; en de doctor had hem zelf onderzocht, en verklaarde, dat hij het er zeer goed afgebracht had. In ieder geval was het een punt van belang, dat hij verre van Chatteries zou zijn; en Pen, door de velerlei onaangenaamheden, waartoe hij onwillekeurig aanleiding gegeven had, van zijn eigen verdriet afgeleid, zeide somber, dat hij gehoorzamen zou.
Gedurende een gedeelte van de maanden Augustus en September werden de zittingen van het hof van assises te Chatteries gehouden en waren daar wedrennen en partijen en dientengevolge een toevloed van bezoekers, en jufvrouw Fotheringay bleef nog altijd doorspelen en in den schouwburg van Chatteries van het publiek afscheid nemen. Niemand anders dan degenen, die wij reeds genoemd hebben, schenen zich hare aanwezigheid of haar aangekondigd vertrek bijzonder aan te trekken; en de voorname lui van het graafschap, die huizen te Londen hadden en jufvrouw Fotheringay waarschijnlijk verbazend toejuichten in de hoofdstad, toen de mode, die haar tot troetelkind had aangenomen, hun voorschreef, dat zij dit doen moesten, schenen niets bijzonders te vinden in de actrice, die op het kleine tooneel van Chatteries optrad. Om dezelfde reden heeft menig genie en menige kwakzalver voor en na den tijd van jufvrouw Costigan hetzelfde lot ondergaan. Deze eerzame dame droeg ondertusschen de veronachtzaming van het publiek en alle andere kruisen of bezwaren, die zij nog verder in haar leven te dragen had, met hare gewone gelijkmoedigheid; zij at, dronk, speelde en sliep met die regelmatigheid en kalmte, aan menschen van haar gestel eigen. Hoeveel verdriet, zorg en andere nadeelige aandoeningen worden niet door eene gezonde botheid en eene blijmoedige onverschilligheid voorkomen! Ik wil niet zeggen, dat deugd geen deugd is, omdat zij nooit van den rechten weg wordt afgelokt, maar alleen, dat botheid eene veel kostbaarder gave is dan wij gewoonlijk gelooven, en dat sommige lieden, die de natuur met eene goede hoeveelheid van dat verdoovingsmiddel begiftigd heeft, zeer gelukkig zijn.