Chapter 83 of 85 · 3806 words · ~19 min read

Part 83

Aan dat lieve jeugdige schepseltje was iedere verandering welgevallig, als het maar verandering was; en een paar weken lang zou zij zelfs behagen geschept hebben in armoede en een hutje en in een korstje brood met kaas, en een enkelen nacht misschien in een kerker op brood en water, en derhalve was de verhuizing naar Tunbridge haar in geenen deele onwelkom. Zij wandelde in de bosschen en teekende boomen en boerderijen uit; zij las geregeld Fransche romans; zij reed vrij dikwijls naar Tunbridge Wells, om elke tooneelvoorstelling of bal, of goochelavond of concert bij te wonen, dat daar plaats had; zij sliep veel; des morgens twistte zij met mama en Frans; zij vroeg naar de dorpsschool en legde daar een bezoek af; eerst liefkoosde zij de meisjes en plaagde de onderwijzeres, en vervolgens beknorde zij de meisjes en lachte om de jufvrouw, en natuurlijk kwam zij trouw ter kerk. Het was een aardig kerkje, eene heerlijke antiquiteit – een klein Anglo-Normandisch juweeltje, eergisteren gebouwd en versierd met allerlei geschilderde vensters, gebeeldhouwde heiligenkoppen, bijbelteksten in vergulde letters en vrije banken. Blanche begon dadelijk, volgens hoogkerkelijk gebruik, een altaarkleed voor dat kerkje te werken. Een tijdlang was zij eene heilige in het oog van den dominé, dien zij geheel verblindde en zoo kunstig vleide en prees en in de hoogte stak, dat de arme mevrouw Smirke, die haar eerst heel lief vond, haar vervolgens slechts duldde en eindelijk haast niet meer woord wilde staan, en bijna dol was van jaloerschheid. Mevrouw Smirke was de echtgenoote van onzen ouden vriend Smirke, den leermeester van Pen en den aanbidder van de arme Helena. Hij had zich over haar afwijzing getroost met eene jonge dame van Clapham, welke zijne moeder voor hem gezocht had. Na het overlijden van deze laatste, werden de begrippen van onzen vriend van dag tot dag strenger. Hij sneed den kraag van zijn rok af en liet zijn haar tot in den hals groeien. Met zelfverloochening deed hij afstand van de kuif, die hij vroeger droeg, en van den knoop zijner das, waarop hij tamelijk trotsch was geweest. Hij liep nu geheel zonder das, vastte elken Vrijdag, las de Roomsche gebeden en gaf te verstaan dat hij bereid was in de consistoriekamer de biecht af te nemen. Ofschoon hij het onschuldigste schepsel ter wereld was, werd hij door Muffin, in de afgescheiden kerk, en door mijnheer Simeon Knight, in de oude kerk, voor een zwarten en allergevaarlijksten Jezuïet en papist uitgekreten. Mijnheer Smirke had van het geld, dat zijne moeder te Clapham hem had nagelaten, zijne Kapel der Ruste gebouwd. Heere! heere! wat zou zij wel gezegd hebben, als zij eene tafel een altaar had hooren noemen! als zij er kaarsen op gezien had! als zij brieven ontvangen had, gedagteekend van het feest van Sint Dinges, of van Sint Die- en Die! Al die dingen bracht de jonge geestelijke van Clapham in practijk, en zijne getrouwe vrouw ging daarin met hem mee. Maar toen Blanche een onderhoud van bijna twee uren met mijnheer Smirke in de consistoriekamer had, liep Belinda het grasperkje op en neer, waar tot nog toe slechts twee grafzerkjes lagen, en zou gewenscht hebben dat er nog een derde lag, ware het niet te vreezen geweest, dat hij dan waarschijnlijk zijne hand aan dat schepsel zou aanbieden, hetwelke hem in minder dan veertien dagen betooverd had. Neen, zij zou de plaats ruimen, zij zou in een klooster gaan, de gelofte afleggen en hem verlaten. In zulk een slechten reuk stond Smirke bij zijne vrouw en zijne buren; deze laatsten hielden het er voor, dat hij in rechtstreeksche briefwisseling met den bisschop van Rome stond; de eerste betreurde afdwalingen, die in haar oog nog hatelijker en noodlottiger waren, en echter had onze vriend niet het minste kwaad ter wereld in den zin. De post bracht hem nooit een brief van den paus, en zeker is het, dat hij Blanche wel in den beginne als het vroomste, begaafdste, rechtzinnigste en innemendste meisje beschouwde, dat hij ooit ontmoet had, terwijl hare manier van zingen in de kerk hem geheel wegsleepte; – maar na eenigen tijd begon jufvrouw Amory hem te vervelen; hare manieren en lieftalligheden stonden, waardoor dan ook, hem tegen; vervolgens begon hij aan jufvrouw Amory te twijfelen; eindelijk verwekte zij een opschudding op de school, maakte zich boos en tikte de kinderen op de vingers. Blanche wekte eerst bewondering en bracht later tegenzin bij vele mannen teweeg. Zij trachtte hun te behagen, spreidde al hare bekoorlijkheden op eenmaal ten toon, en overlaadde hen met hare liefste lachjes, vleierijen, aardigheden en lonkjes. Maar weldra begonnen zij haar te vervelen en verveelden haar tevens die kunstgrepen om hen te behagen, en daar zij nooit iets om hen gegeven had, liet zij hen varen; en zoo begon zij ook de mannen te vervelen, die zich van hun kant terugtrokken. Het was een zalige avond voor Belinda toen Blanche heenging, en haar man meteen blosje en een zuchtje bekende, „dat hij zich in haar bedrogen had; hij had gemeend, dat zij met vele kostbare begaafdheden was toegerust, en nu vreesde hij, dat dit alles maar klatergoud was; hij dacht, dat zij rechtzinnig was, en hij vreesde nu dat zij den godsdienst slechts tot een tijdverdrijf had gebezigd; in ieder geval had zij zich boos gemaakt tegen de onderwijzeres en Polly Rucker barbaarsch op de kneukels geslagen.” Belinda vloog in zijn armen en er was geen sprake meer van graf of sluier. Teeder kuste hij haar op het voorhoofd. „Er is niemand u gelijk, mijne Belinda,” zeide hij, terwijl hij zijne mooie oogen naar de zoldering opsloeg, „gij gezegende onder de vrouwen!” En wat Blanche betrof, zoodra Smirke en Belinda buiten haar gezicht waren, dacht zij aan beiden geen oogenblik meer en bekommerde zich in het minst niet over hen.

Maar tot dit punt van onverschilligheid was het met jufvrouw Blanche of den eenvoudigen dominé nog niet gekomen, toen Arthur naar Tunbridge Wells overkwam, om eenige dagen bij de begum door te brengen. Smirke beschouwde haar nog als een engelin en een wonder onder de vrouwen. Zulk een toppunt van volmaaktheid had hij nog nooit gezien, en als zij op de zomeravonden muziek maakte, zat hij, in bewondering opgetogen en zijne thee en boterhammen vergetende, met open mond naar haar te luisteren. Hoe wegslepend hij ook had gehoord dat de muziek in de opera was – hij had maar eens eene voorstelling van dien aard bijgewoond (waarvan hij slechts blozende en zuchtende sprak – het was op dien avond toen hij Helena en haar zoon naar den schouwburg te Chatteries vergezeld had) – zoo kon hij zich toch niets liefelijker, niets hemelscher, zou hij bijna gezegd hebben, dan jufvrouw Amory’s muziek voorstellen. Zij was een hoogbegaafd wezen; zij had een allerverhevenste ziel; zij bezat alleropmerkelijkste talenten en, voor zoover men oordeelen kon, een engelachtig humeur, enz., enz. In dezen geest liet Smirke, die toen op het toppunt van opgewondenheid en bewondering voor Blanche stond, zich tegen Arthur over haar uit.

Het weerzien der beide oude bekenden was zeer hartelijk geweest. Arthur hield van iedereen, die van zijne moeder gehouden had, en Smirke kon met ongeveinsd gevoel en aandoening over haar spreken. Zij hadden elkander honderd dingen te vertellen, die hun reeds in hun leven overkomen waren. „Arthur zou wel opmerken,” zeide Smirke, „dat zijne – zijne begrippen over kerkelijke zaken sedert hun vriendschappelijken omgang eene hoogere vlucht genomen hadden.” Mevrouw Smirke, eene dame van voorbeeldigen levenswandel, bevorderde die naar vermogen. Hij had zijn kerkje gebouwd na het afsterven zijner moeder, die hem genoegzame middelen had nagelaten. Ofschoon hij zelf, als het ware, in een klooster leefde, was Arthur’s reputatie toch tot hem doorgedrongen. Hij zeide dit alles op zijn vriendelijksten en weemoedigsten toon; daarbij sloeg hij de oogen neer en liet zijn blond hoofd op zijde hangen. Arthur vermaakte zich onbeschrijfelijk met hem, met zijne manieren, zijn eigenaardigheden en zijn onnoozelheid, met zijne witte das en zijn lang haar, met zijne wezenlijke goedheid, zachtmoedigheid en vriendschappelijkheid. En zijne loftuitingen over Blanche behaagden en verrasten onzen vriend niet weinig en waren oorzaak, dat hij haar met bijzonder gunstige oogen aanzag.

Blanche was inderdaad zeer verheugd Arthur te zien, gelijk men zich verblijdt over de aankomst van een onderhoudend man op het land, die het laatste nieuws en de laatste anekdotes uit de hoofdstad meebrengt, die beter kan praten dan de meeste landbewoners en ten minste die liefelijke Londensche brabbeltaal kan spreken, die voor de bewoners der hoofdstad zoo aangenaam en onmisbaar is, en door personen, die buiten de wereld leven, zoo weinig verstaan wordt. Den eersten dag van Pen’s overkomst hield hij Blanche na het diner uren lang aan het lachen. Zij zong hare liedjes met dubbele opgewektheid. Zij keef niet met hare moeder, maar vertroetelde en kuste haar, tot verbazing van de eerzame begum. Toen het tijd werd om zich ter rust te begeven, riep zij met een allerliefst spijtig gezichje: „Déjà!” Zij was wezenlijk wanhopig, dat zij reeds naar bed moest gaan, en klemde Arthur’s hand op de innigste wijze in de hare, terwijl hij van zijn kant aan dat lieve handje een zeer hartelijken druk gaf. Onze jonge heer was van zulk eene natuur, dat oogen, die slechts middelmatig schitterden, hem spoedig van zijn stuk brachten.

„Zij is aanmerkelijk verbeterd,” dacht Pen, in de stilte van den nacht naar buiten ziende: „aanmerkelijk. Ik vooronderstel, dat de begum er niets tegen zal hebben, dat ik uit het open venster rook. Het is een opgeruimde, goede oude vrouw, en Blanche is ontzaglijk verbeterd! Haar omgang met hare moeder heden avond beviel mij zeer. Wat lachte zij aardig om dien mallen hokkeling van een jongen, dien men niet moest toestaan zich te bedrinken. Zij zong die versjes alleraardigst, en het waren ook verduiveld aardige versjes, ofschoon ik misschien de laatste ben, die dat moest zeggen.” En daarop neuriede hij een wijsje, dat Blanche op eenige zijner eigen verzen gemaakt had. „O, wat een heerlijke nacht! Wat is eene sigaar bij avond toch aangenaam! Wat ziet dat Saksische kerkje er in het maanlicht lief uit! Wat zou die ouwe Warrington nu wel op het oogenblik doen? Ja, het is een verduiveld aardig kopje, zooals oom zegt.”

„O, hoe hemelsch!” liet zich thans eene stem uit een met clematis begroeid venster hooren – eene meisjesstem: het was die der schrijfster van Mes Larmes.

Hier barstte Pen in het lachen uit. „Vertel niet, dat ik gerookt heb,” zeide hij, zich uit zijn eigen venster vooroverbuigende.

„O, ga maar voort! Ik vind het heerlijk,” riep de dame van Mes Larmes. „O, wat een hemelsche nacht! Hemelsche, hemelsche maan! Maar ik moet mijn venster sluiten en niet met u praten, vanwege les moeurs. Wat zijn die toch kluchtig, les moeurs. Adieu.” En Pen begon den „goeden nacht aan Don Basile” te zingen.

Den volgenden dag wandelden zij lachend en snappend, als het vroolijkste paar bekenden dat men zien kon, door het veld. Zij spraken over de dagen hunner jeugd en Blanche was alleraardigst sentimenteel. Zij babbelden over Laura, die allerliefste Laura, die Blanche als eene zuster bemind had; gevoelde zij zich gelukkig bij die oude Lady Rockminster? Zou zij niet te Tunbridge bij hen willen komen logeeren? O, wat zouden zij samen heerlijke wandelingen doen! Wat zouden zij liederen zingen – die oude, oude liederen! Laura bezat eene heerlijke stem. Wist Arthur – zij kon hem niet anders dan Arthur noemen – wist Arthur, nu hij zulk een groot man was geworden en zulk een succès had verworven, nog wel welke liederen zij zongen in die gelukkige vroegere dagen? enz., enz.

En den daaropvolgenden dag, door een lief uitstapje in het bosch naar Penshurst en de bezichtiging van dat mooie park met het heerenhuis verlevendigd, had het gesprek met den dominé plaats, waarvan wij reeds melding hebben gemaakt, en hetgeen onzen vriend heel veel te denken gaf.

„Is zij wezenlijk zoo voortreffelijk geworden?” vroeg hij zich af. „Is zij nu ernstig en godsdienstig? Bemoeit zij zich met de school en bezoekt zij de armen? Is zij jegens hare moeder en haar broeder zoo vriendelijk? Ja, ik ben er van overtuigd, want ik heb dat zelf gezien.” En toen Pen met zijn gewezen leermeester diens kleine gemeente doorwandelde en zijne school bezocht, zag hij met onuitsprekelijk genoegen, dat Blanche de kinderen zat te onderwijzen, en daarbij stelde hij zich voor, hoe geduldig en goedhartig en onschuldig, hoe wezenlijk eenvoudig en onbedorven zij was.

„En houdt gij inderdaad van het verblijf op het land?” vroeg hij haar, toen hij met haar wandelde.

„Ik zou wenschen, die akelige stad nooit weer te zien. O, Arthur – ik wil zeggen mijnheer – nu, Arthur dan – de goede gedachten ontkiemen bij den mensch in deze liefelijke bosschen en in deze kalme eenzaamheid, gelijk die bloemen, die gij wel weet, dat in Londen niet willen bloeien. De tuinier komt eenmaal ’s weeks de bloemen op ons balkon vernieuwen. Ik geloof, dat ik Londen niet meer in het gezicht zal kunnen zien – in dat leelijke, berookte, ijzeren gezicht. Maar och!”

„Waarom die zucht, Blanche?”

„Och, dat komt er niet op aan.”

„Ja, het komt er voor mij wel op aan. Vertel mij alles, alles!”

„Ik wenschte, dat gij niet waart overgekomen,” en er verscheen eene tweede uitgave van Mes Soupirs.

„Hebt gij dan niet gaarne, dat ik hier ben, Blanche?”

„Ik heb niet gaarne, dat gij weggaat. Ik geloof niet, dat het hier heel genoeglijk zal zijn als gij weg zijt, en dit is de reden waarom ik wenschte, dat gij niet gekomen waart.”

Bij deze woorden werden Mes Soupirs ter zijde gelegd en Mes Larmes voor den dag gebracht.

Ach, welk antwoord volgt er op deze, wanneer zij zich in de oogen eener jonge vrouw vertoonen? Welk middel wordt er aangewend, om ze weg te wisschen? Wat gebeurde er? O, tortelduifjes en rozen! o, dauwdroppels en wilde bloemen! o, golvende boschjes en balsemgeurende zomerluchtjes! Hier had men twee afgesloofde Londensche pretmakers, die zich zelven voor een oogenblik bij den neus namen en meenden dat zij op elkander verliefd waren, gelijk Phillis en Corydon!

Wanneer men aan het leven op het land en de wandelingen in de boschjes denkt, verwondert men zich, dat er nog één man bestaat, die ongetrouwd is gebleven.

VIJF EN ZESTIGSTE HOOFDSTUK.

VERZOEKING.

Vanwaar, dat Arthur, die altijd zoozeer op zijn gemak en zoo openhartig was met Warrington, deze vriend en vertrouwde van al zijne geheimen niet onderrichtte van de kleine voorvallen, die op de villa nabij Tunbridge Wells hadden plaats gehad? Hij sprak zonder omwegen over het weerzien van zijn ouden leermeester Smirke, over diens vrouw, over zijn Anglo-Normandische kerk en over zijne reis van Clapham naar Rome; maar als hij over Blanche ondervraagd werd, gaf hij ontwijkende of algemeene antwoorden; hij verklaarde, dat zij een goedhartig en geestig schepseltje was en onder goede leiding misschien nog zoo’n slechte vrouw niet zou zijn, maar dat hij voor het oogenblik geen trouwlustige plannen koesterde, dat zijne romaneske dagen voorbij waren, dat hij met zijn tegenwoordigen toestand tevreden was, en meer van dien aard.

In den tusschentijd kwamen er nu en dan op Lamb Court in den Temple aardige kleine gesatineerde enveloppen, voorzien van een zeer net geschreven adres en verzegeld met een van die verbazende naamcijfers, waaruit Warrington, indien hij nieuwsgierigheid genoeg had bezeten om op de brieven van zijn vriend te letten, of indien dat naamcijfer maar ontcijferbaar ware geweest, zou gezien hebben, dat mijnheer Pen briefwisseling voerde met eene jonge dame wier voorletters B. A. waren. Mijnheer Pen beantwoordde die lieve opstelletjes op zijne beste en galantste manier, met grappen, stadsnieuwtjes, geestigheden, ja, waarschijnlijk wel met aardige versjes, in antwoord op de gedichtjes der muze van Mes Larmes. Wij weten dat Blanche rijmt op „avalanche” en „revanche”, en een heer van Pen’s vernuft heeft zeker deze gelegenheden niet laten voorbijgaan, maar het zijne gezegd bij die lieve woordjes. Wij gelooven dan ook inderdaad, dat die minnedichtjes van Pen, welke zooveel opgang maakten in de Rozebladeren, dat mooie jaarboekje, hetwelk onder redactie van Lady Violet Lebas uitkwam en door den beroemden teekenaar Pinkney met de portretten der voornaamste adellijke dames opgeluisterd werd, in dit tijdperk des levens van onzen held zijn vervaardigd en eerst per post aan Blanche waren gezonden, eer zij in druk verschenen als bloempjes aan Pinkney’s kunstguirlande.

„Versjes zijn heel aardig.” zeide de oude Pendennis, toen hij Pen eenmaal in de club bezig vond met het opschrijven van een dezer ongekunstelde ontboezemingen, terwijl hij op zijn diner zat te wachten, „en het schrijven van brieven is ook goed, als mama het toestaat, en tusschen zulke oude vrienden, die elkander kennen sedert den tijd dat zij ten platten lande woonden, mag natuurlijk wel eenige briefwisseling en meer van dien aard plaats hebben, – maar pas op, Pen, dat gij u niet vastwerkt, beste jongen. Want wie weet, voor den drommel, wat er gebeuren kan? Het best is, te zorgen dat er in uwe brieven niets van belang staat. Ik heb nooit van mijn leven een brief geschreven, die vat op mij gaf, en toch, voor den drommel, neef, heb ik heel wat ondervinding van vrouwen gehad.” En daarop verhaalde deze achtenswaardige heer, die, naarmate hij in jaren vorderde, ook spraakzamer en vertrouwelijker met zijn neef werd, een aantal treffende voorbeelden van de slechte gevolgen, welke dit gebrek aan voorzichtigheid voor verscheidene voorname lui had gehad; – hij vertelde, hoe de jonge Spoony, door te vurige uitdrukkingen in eenige verzen aan de weduwe Naylor te bezigen, zich had blootgesteld aan een bezoek van haar broeder, kolonel Flint, die daarover opheldering kwam vragen, waardoor Spoony gedwongen was geworden eene vrouw te trouwen, oud genoeg om zijne moeder te zijn, – dat Hopwood, van de Garde, nadat het Louisa Salter eindelijk gelukt was den jongen Sir John Bird tot eene declaratie te brengen, met eenige brieven voor den dag was gekomen, die jufvrouw S. hem geschreven had, waarop Bird van haar afzag en later metjufvrouw Stickney van Lyme Regis trouwde, enz. Zoo de majoor niet veel had gelezen, had hij daarentegen veel opgemerkt en kon hij zijne betoogen met een aantal voorbeelden toelichten, die hij door langdurige en zorgvuldige studie van het groote boek der wereldkennis opgezameld had.

Pen lachte om die voorbeelden en zeide, met een blosje over de raadgevingen van zijn oom, dat hij die in gedachte houden en voorzichtig wezen zou. Misschien sproot zijn blos daaruit voort, dat hij ze in gedachte had gehouden, dat hij voorzichtig was, dat hij zich, hetzij onwillekeurig, hetzij uit een gevoel van eerlijkheid, in zijn geschrijf aan jufvrouw Blanche van alle verklaringen onthouden had, die hem konden binden. „Herinnert gij u de les niet, oom, die ik in die zaak met Lady Mirabel – met jufvrouw Fotheringay, gekregen heb? Ik zal mij niet meer laten vangen,” zeide Arthur, met schijnbare openhartigheid en onderdanigheid. De oude Pendennis wenschte zich zelven en zijn neef van harte geluk met de behoedzaamheid en de vorderingen van dezen laatste en verheugde zich over het juiste standpunt, dat Arthur als man van de wereld gekozen had.

Ware Warrington geraadpleegd, diens oordeel had ongetwijfeld anders geluid; voorzeker zou hij verklaard hebben, dat de dwaze brieven van den knaap beter waren dan de behendige complimenten en sluwe vleierijen van den man; en dat slechts een schelm, of een lafaard, bedekt en langs zijpaden en met een veiligen aftochtsweg achter zich er op uittrekt om de vrouw te verwerven, die hij bemint. Doch Pen sprak over dit onderwerp niet met Warrington, daar hij zeer goed wist èn dat hij schuldig was èn in welken zin het vonnis van zijn vriend zou luiden.

Kolonel Altamont was nog slechts sinds weinige weken op zijne buitenlandsche reis en Sir Francis Clavering had zich ten gevolge zijner overeenkomst met majoor Pendennis onderwijl naar buiten begeven, toen de slagen des lots onverwacht en zwaar op den eenigen overgebleven compagnon der kleine firma in Shepherd’s Inn begonnen neer te dalen. Toen Strong, bij zijn afscheid van Altamont, in de volheid zijner beurze en de edelmoedigheid zijns harten het geld had afgewezen, dat laatstgenoemde hem ter leen aanbood, bracht hij een offer aan zijn geweten en zijne kieschheid, dat hem later menigmaal berouw en spijt veroorzaakte, en hij gevoelde (wat hem niet dikwijls in zijn leven gebeurd was), dat hij in dit geval te kiesch en te schroomvallig was geweest. Waarom zou iemand, die in verlegenheid verkeerde, een vriendelijk aanbod van de hand wijzen? Waarom zou een dorstig mensch eene kan water uit eene welwillende hand weigeren, al was die een weinig onzindelijk? Strong gevoelde gewetensknagingen, dat hij iets had afgewezen, hetwelk de ander eerlijk gewonnen en gul aangeboden had; en hij bedacht met smart, nu het te laat was, dat Altamont’s geld even veilig in zijn zak zou zijn bewaard geweest als in dien van de speeltafelhouders te Baden of te Ems, aan wien zijn excellentie onvermijdelijk zijne winst van de wedrennen verliezen zou. Onder de winkeliers, de geldschieters en anderen, die in geldelijke betrekking tot kapitein Strong stonden, liep het praatje, dat zijne compagnieschap met den baronet ontbonden en het „papier” van den kapitein dus voortaan waardeloos was. De winkeliers, die hem tot nog toe een onbeperkt vertrouwen hadden geschonken – want wie was tegen Strong’s prettig gezicht en ronde manieren bestand? – begonnen thans met beleedigend wantrouwen hunne rekeningen in te zenden. Er werd zonder ophouden aan de deur der kamers in Shepherd’s Inn geklopt, en de kleermakers, laarzenmakers, en koks, die diners geleverd hadden, maakten in persoon, of vertegenwoordigd door hunne knechts, hunne opwachting bij Strong. Hierbij kwamen nog een paar personen van minder luidruchtigen, maar veel slimmer en gevaarlijker aard, – de jonge deurwaardersklerken namelijk, die rondom de Inn zwierven, of zich met den klerk van den heer Campion op diens kantoor in de nabijheid in verband stelden en in hunne onheilspellende portefeuilles dagvaardingen hadden, waarbij Edward Strong gelast werd op dien en dien dag te verschijnen voor de rechtbank, ten einde zich te hooren veroordeelen, enz., enz.

De arme Strong, die geen guinje op zak had, wist zich natuurlijk tegen dien aanval van schuldeischers nergens beter te beveiligen dan in des Engelschmans kasteel, waarin hij dan ook de wijk nam en de binnen- en buitendeur voor den neus van den vijand sloot, terwijl hij zijne sterkte eerst na het vallen van den avond verliet. De vijand kwam en rameide en vloekte tegen de buitenwerken, en onder de hand begluurde de chevalier hen door het gordijntje, dat hij over de opening van zijne brievenbus gehangen had, en had de treurige zelfvoldoening de lange gezichten van woedende klerken en brullende schuldeischers te zien, die met hun hoofd door den muur wilden en weder moesten terugdeinzen. Daar echter de vijanden van den chevalier niet altijd vóór zijne deur konden staan, noch op zijne trap overnachten, lieten zij hem tusschenbeide met rust.