Part 69
Laura keek Warrington met eene schalksche flikkering in haar oog aan, en Warrington schaterde het uit van lachen; zelfs de weduwe moest lachen, en de majoor, die rood werd, verwenschte den overmoed der jongelui, en zeide dat hij, als hij zijn haar liet knippen, een lokje voor Laura zou afzonderen.
Warrington stelde voor, dat Pen een advocaatspruik zou opzetten; die van Sibwright was beneden en zou hem onverbeterlijk staan. „Gekheid!” zeide Pen, en zag er even verlegen uit als zijn oom. Maar het slot van dit alles was, dat zeker heer uit de Burlington Arcade den volgenden dag zijn opwachting bij mijnheer Pendennis kwam maken en een bijzonder onderhoud met hem op zijne slaapkamer had; en eene week daarna verscheen dezelfde persoon weer met eene doos onder den arm en een onbeschrijfelijken grijns van beleefdheid op zijn gezicht, en verklaarde, dat hij mijnheer Pendennis’ pruik medegebracht had.
Het moet een treffend maar melancholisch tafereel zijn geweest, Pen in de verborgenste hoeken van zijn vertrek weemoedig zijne verwoeste schoonheid en de kunstmiddelen, om die verwoesting te verbergen, te zien beschouwen. Eindelijk kwam hij met zijne pruik uitgedost voor den dag; doch Warrington schreeuwde het zoo uit van het lachen, dat Pen boos werd, en zijn fluweelen kapje ging halen, een sierlijk stuk, dat de teederste der moeders voor hem gewerkt had Daarop haalden mijnheer Warrington en jufvrouw Bell eenige bloemen uit de hoeden der dames en maakten daar een krans van, waarmee zij de pruik versierden, die zij in processie ronddroegen en daaraan hulde bewezen. Zij gaven zich aan honderd spelletjes, grappen, snakerijen en petits jeux innocents over, zoodat de tweede en derde verdiepingen van nº. 6 op Lamb Court in den Temple van meer vroolijkheid en gelach weergalmden dan men sinds langen tijd in die vertrekken gehoord had.
Na tien dagen eindelijk van een dergelijk leven, kwam er op zekeren avond, toen de kleine bespiedster van het pleintje hare gewone standplaats bij den lantarenpaal innam, geen muziek meer uit het venster der tweede verdieping en was er geen licht meer op de kamers der derde verdieping; de vensters van al die vertrekken stonden open en de bewoners waren verdwenen. Vrouw Flanagan, de schoonmaakster, vertelde aan Fanny wat er gebeurd was. De dames waren met de anderen naar Richmond gegaan, om verandering van lucht te genieten. De ouderwetsche reiskoets was weer voorgekomen en met een aantal kussens belegd voor Pen en zijne moeder; en Laura was op de eenvoudigste wijze met den omnibus gegaan, onder de hoede van mijnheer George Warrington. Deze kwam dien avond terug en nam weer van zijn oud bed op de ledige en eenzame kamers bezit, en had weer genot van zijn oude pijpen, maar misschien niet van zijn ouden slaap.
De weduwe had eene vaas met net gerangschikte bloemen op zijn tafel laten staan, die, toen hij binnentrad, het verlaten vertrek met haar geur vervulden. Het waren herinneringen aan de lieve, zachte menschen, die vertrokken waren en deze eenzame, vreugdelooze plaats een korten tijd opgeluisterd hadden. George gevoelde, dat hij de gelukkigste dagen van zijn leven had doorgebracht; hij begreep dit nu zij pas weg waren; en dus nam hij de bloemen op en rook er aan en kuste ze misschien. Toen hij ze neerzette, streek hij met een bitter woord en een bitteren lach met de ruwe hand over zijn oogen. Hij had leven en ziel willen afstaan, om den prijs te winnen, dien Arthur verwierp. Was zij begeerig naar roem? hij zou dien voor haar verworven hebben; – naar hartelijke toewijding? een grootmoedig hart, vol van lang ingehouden teederheid en liefde en welwillendheid was hier voor haar, indien zij het mocht aannemen. Maar dat kon niet zijn. Het noodlot had het anders beschikt. „En al kon het anders, dan zou zij mij toch niet begeeren,” dacht George. „Wat is er aan een leelijken ruwen ouden kerel gelijk ik, dat eener vrouw behagen kan? Ik word oud, en heb het tot niets gebracht. Ik bezit noch voorkomen, noch jeugd, noch geld, noch naam. Om zich door eene vrouw te doen beminnen, moet een man nog tot iets anders in staat zijn dan haar aan te staren en op zijne knieën haar zijne lompe hulde te bieden. Wat kan ik doen? Een aantal jonge kerels zijn mij in den wedren voorbijgestreefd; wat zij de prijzen des levens noemen, scheen mij de moeite van den strijd niet waard. Doch om haar te winnen! Indien zij de mijne ware geweest en een diamant begeerd had, zou ik gezorgd hebben, dat zij dien had gedragen! Och, wat ben ik een dwaas, te snoeven op hetgeen ik zou gedaan hebben! Wij zijn de slaven van het lot. Ons lot wordt voor ons voorbeschikt, en het mijne is sinds lang beslist. Kom laat, ik nog eene pijp opsteken, om den geur van deze bloemen te verdrijven. Arme stille bloempjes! morgen zult gij dood zijn. Waarom ook moest gij uwe roode wangetjes op deze sombere plaats vertoonen?”
Naast zijn bed vond George een nieuwen Bijbel, dien de weduwe daar geplaatst had, met een inschrift, luidende dat zij dit boek niet gezien had onder zijne verzameling in eene kamer waar zij een aantal uren had doorgebracht, en waar God haar op hare gebeden het leven van haar zoon had geschonken, zoodat zij aan Arthur’s vriend het beste aanbood wat zij hem schenken kon; zij verzocht hem nu en dan eens in dat boek te lezen en het te bewaren als eene gedachtenis aan de achting en genegenheid eener dankbare moeder. Weemoedig kuste de arme George het boek, gelijk hij de bloemen gedaan had; en de morgen trof hem nog lezende aan in die indrukwekkende bladzijden, waarin zoovele geslagen harten, zoovele teedere en geloovige zielen troost onder rampen en toevlucht en hoop onder beproeving gevonden hebben.
VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.
FANNY HEEFT AFGEDAAN.
Gelijk wij gezien hebben, had de goede Helena sinds de ziekte van haar zoon dien jongeling met zijne laden en kastjes en al wat daarin bevat was, in volslagen bezit genomen. Zij had nagezien aan welke hemden knoopen moesten worden gezet, welke kousen gestopt moesten worden, en – moeten wij het openbaren? – ook de brieven in beslag genomen, welke tusschen die kleedingstukken lagen en die natuurlijk, gedurende Arthur’s zwakken en hulpeloozen toestand, noodzakelijk door iemand beantwoord moesten worden. Misschien was mevrouw Pendennis door eene loffelijke begeerte bezield om iets naders te weten omtrent dat vreeselijke geval met Fanny Bolton, waarover zij nog geen woord tegen haar zoon gerept had, ofschoon het haar altijd voor den geest stond en haar onuitsprekelijken angst en ongerustheid veroorzaakte. Zij had den koperen klopper van de binnendeur der kamers laten afschroeven, daar het zware kloppen van den brievenbesteller, gelijk zij zeer juist aanmerkte, de rust van haar patiënt zou verstoren, en zij liet geen der aankomende brieven onder zijn oogen komen, noch van laarzenmakers die hem lastig vielen, noch van hoedenmakers, die aanstaanden Zaterdag eene zware som moesten betalen en zich zeer verplicht zouden rekenen indien de heer Arthur Pendennis de goedheid wilde hebben die kleinigheid af te doen, enz. Pen, die altijd kooplustig en onnadenkend was, kreeg van die documenten natuurlijk zijn bescheiden deel, en ofschoon niet zeer groot, was dat deel toch meer dan genoeg om zijne zuinige en nauwgezette moeder angst aan te jagen. Zij had een spaarpotje gemaakt. Pen’s edelaardige zelfverloochening en haar eigene zuinigheid, die door hare groote eenvoudigheid en afkeer van vertoon bijna aan gierigheid grensde, had haar gelegenheid verschaft een sommetje gelds ter zijde te leggen, waarvan zij volgaarne een gedeelte besteedde om de schulden van den jongen af te doen. Tegen dezen prijs zou menig onberispelijk jongmensch en geachte lezer zijne correspondentie gaarne aan zijn ouders overhandigen, en er is misschien geen grooter bewijs van iemands geregeld leven en gerust geweten, dan dat hij den brievenbesteller zonder ontroering durft afwachten. Gelukkig hij, die zich over de komst van dien beambte verblijdt! De braven verlangen er naar; maar de boozen beven als zij hem hooren. En derhalve was het dubbel vriendelijk van mevrouw Pendennis, dat zij Pen gedurende zijne ziekte den last bespaarde iets van zijne brieven te hooren of ze te moeten beantwoorden.
Er kon zich niets in de laden of kasten van den jonkman bevonden hebben, dat hem in eenig opzicht beschuldigde; er was niets, dat het geval met Fanny Bolton genoegzaam ophelderde, want de weduwe moest haar schoonbroeder vragen, of hij iets wist van die akelige zaak en van de vreeselijke minnarij, waarmee haar zoon zich had ingelaten. Op zekeren dag toen zij zich te Richmond bevonden, en Pen zich met Warrington op het terras op eene bank had gezet, nam de weduwe majoor Pendennis ter zijde, en bekende hem haar angst en verlegenheid, zooveel althans als zij goedvond aan haar raadsman toe te vertrouwen; want, naar de gewoonte van mannen en vrouwen, openbaarde zij niet alles, en ik geloof niet dat één verkwister, dien men om de lijst zijner schulden heeft gevraagd, of eene voorname dame, die hare modemaakstersrekeningen aan haar man moet overleggen, ze ooit geheel zuiver heeft opgegeven.
Toen zij den majoor dus vroeg, welken weg zij ten aanzien van deze verschrikkelijke deze afschuwelijke zaak moest inslaan, en of hij er iets van wist, trok de oude heer een scheef gezicht, zoodat men niet wist of hij al dan niet lachte; daarop wierp hij een schelmschen blik uit zijne kleine oogjes op de weduwe, sloeg ze weer neer en zeide: „Schepseltje-lief, ik weet er niets van, en ik wensch er ook niets van te weten. Als gij mijn gevoelen vraagt, houd ik het er voor, dat het ook voor u het beste is er niets van te weten. Jongelui zijn jongelui; en waarlijk, zusje-lief, als gij denkt, dat onze jongen een Jozef –”
„Ik verzoek u mij dit te besparen,” viel Helena hem met verbazende deftigheid in de rede.
„Kind-lief,” zeide de majoor heel beleefd buigende, „vergun mij u te herinneren, dat ik het gesprek niet begonnen ben.”
„Ik kan van zulk eene zonde – van zulk een ijselijke zonde, niet op die manier hooren spreken,” zeide de weduwe, terwijl tranen van verdriet in haar oogen opwelden. „Ik kan er niet aan denken, dat mijn jongen zulk eene misdaad zou bedreven hebben. Ik wenschte bijna, gestorven te zijn vóór dien tijd. Ik weet niet hoe ik het overleven zal; want mijn hart, majoor Pendennis, breekt bij de gedachte, dat zijn vaders zoon – mijn zoon – dien ik mij nog als zoo braaf herinner – o zoo braaf en zoo vol eergevoel – zoo vreeselijk diep zou gevallen zijn, dat hij – dat hij –”
„Dat hij met eene kleine grisette gecoquetteerd heeft, schepseltje-lief?” zeide de majoor. „Nu, indien de harten van al de moeders in Engeland moesten breken, omdat – Kom, kom, op mijn woord van eer, wees niet zoo zenuwachtig – ga nu niet schreien. Ik kan geen vrouw zien weenen – dat heb ik nooit kunnen aanzien – nooit! Maar hoe weten wij, dat er iets ernstigs gebeurd is? Heeft Arthur u iets gezegd?”
„Het blijkt uit zijn stilzwijgen,” snikte mevrouw Pendennis achter haar zakdoek.
„In het geheel niet. Er zijn onderwerpen, mijn beste, waarover een jonkman toch niet met zijne mama kan spreken,” voerde haar schoonbroeder aan.
„Zij heeft aan hem geschreven,” riep de dame van achter het batist.
„Hoe, voordat hij ziek was? Wel waarschijnlijk.”
„Neen, daarna,” snikte de rouwdraagster achter het batisten masker; „niet vroeger; dat wil zeggen, dat geloof ik niet, dat wil zeggen, ik –”
„Alleen daarna, – en gij hebt – ja, ik begrijp het al. Gij hebt u zeker van zijne brieven meester gemaakt, toen hij te ziek was om ze te lezen?”
„Ik ben de ongelukkigste moeder op den geheelen aardbodem,” riep de rampzalige Helena uit.
„De ongelukkigste moeder op den geheelen aardbodem, omdat uw zoon een man en geen kluizenaar is! Pas op, zusje-lief! Indien gij brieven van hem hebt achtergehouden, kunt gij u zelve veel kwaad hebben gedaan, en kan hieruit, indien ik Arthur’s karakter wél ken, een oneenigheid tusschen u en hem voortspruiten, die u uw gansche leven berouwen zal, – een oneenigheid, die drommels veel meer te beteekenen heeft, vrouwtje-lief, dan die kleine – kleine – gekheid, die er de oorzaak van is.”
„Het is maar één brief geweest,” zeide Helena, „een heel kleintje – maar weinige woorden. Hier is hij. O, hoe kunt – hoe kunt gij zoo spreken?”
Toen de goede ziel „een heel kleintje” zeide, kon de majoor eigenlijk in het geheel niet spreken, zooveel lust had hij om te lachen, in weerwil van den angst der arme vrouw, die hij een hartelijk medelijden en te gelijk veel genegenheid toedroeg. Doch elk hunner beschouwde de zaak uit zijn of haar eigen oogpunt en volgens zijn begrip van zedelijkheid, en de lezer weet, dat des majoors zedeleer niet die van een kluizenaar was.
„Ik raad u,” hernam hij met een ernstig gezicht, „het briefje weer toe te maken (die soort van brieven zijn gewoonlijk met een ouwel gesloten), het tusschen Pen’s andere brieven te leggen en het hem te geven zoodra hij er om vraagt. Of, als we het niet meer kunnen toemaken, moeten wij maar zeggen, dat wij het geopend hebben, in de meening dat het eene rekening was.”
„Ik kan mijn zoon geen leugen vertellen,” zeide de weduwe. De brief was twee dagen vóór hun vertrek uit den Temple stilletjes in de brievenbus gestoken en Martha had hem aan mevrouw Pendennis gebracht. Deze had natuurlijk nog nooit Fanny’s schrift gezien, maar toen zij den brief in handen kreeg gevoelde, zij dadelijk wie de schrijfster was. Sedert Pen’s ziekte had zij als het ware op dien brief zitten wachten, en verscheidene zijner andere brieven geopend, in de hoop, dat deze er onder zou zijn. Op dit zelfde oogenblik verpestte het afgrijselijk stuk papier haar zak, en zij nam het er nu uit en bood het haar schoonbroeder aan.
Er kwam een spotlach op zijn gezicht toen hij het adres „Aan den weledelen heer Arthur Pendennis” in een bevend en onregelmatig handje las. „Neen, mijne beste,” sprak hij, „ik wil niet verder lezen. Maar daar gij den brief gelezen hebt, kunt gij mij wel vertellen wat er in staat. Enkel zegenwenschen voor het herstel zijner gezondheid in eene slechte spelling, zegt gij? en het verlangen om hem te zien? Nu, daarin steekt niet veel kwaads. En als gij mij vraagt,” hier begon de majoor van zijn kant een weinig zonderling te kijken en trok zijn gezicht in de stemmigste plooi, „als gij mij vraagt wat ik er van weet, mijne waardste, nu, dan wil ik u wel zeggen, dat – ah – dat mijn knecht Morgan eens geïnformeerd heeft naar die zaak, en dat – mijn vriend dokter Goodenough heeft er ook naar onderzocht – en het schijnt, dat dit meisje smoorlijk op Arthur verliefd is geweest dat hij met haar den Vauxhall bezocht en de entrée voor haar betaald heeft, zooals Morgan van een oud bekende van Pen en van ons hoorde, te weten van een Ier, die eens op het punt heeft gestaan om de eer te hebben – nu, om kort te gaan, van een Ier, – dat de vader van het meisje, een ruw man, die zich aan den drank te buiten gaat, hare moeder heeft geslagen, die aan den eenen kant tegen haar man volhoudt dat hare dochter volmaakt onschuldig is, terwijl zij aan den anderen kant aan Goodenough vertelde, dat Arthur zich gemeen jegens haar kind gedragen had. Gij ziet dus, dat de geheele geschiedenis een raadsel is. Wilt gij het opgelost hebben? Ik behoef het Pen maar te vragen en hij zal het mij dadelijk zeggen, – want hij is een man van eer bij uitnemendheid.”
„Eer!” zeide de weduwe op bitteren en smadelijken toon. „O, broeder, wat noemt gij eer? Als mijn jongen schuldig is geweest, moet hij haar trouwen. Ik zou er hem op mijne knieën om smeeken.”
„Goede Hemel! zijt gij gek?” schreeuwde de majoor, want hij herinnerde zich vroegere voorvallen uit de geschiedenis van Arthur en Helena, en begreep, dat haar zoon, indien zij hem dat verzoek deed, het meisje zou trouwen; hij was doorzettend en stijfhoofdig genoeg om elke denkbare dwaasheid te begaan, als de vrouw, die hij liefhad, er in betrokken was. „Zusterlief, hebt ge uw verstand verloren?” ging hij voort (na een oogenblik van spanning, gedurende hetwelk de evengenoemde onzalige overweging hem voor den geest kwam), en dit sprak hij op zachtzinniger toon. „Met welk recht zouden wij aannemen, dat er tusschen hem en dit meisje iets voorgevallen is? Laat mij den brief eens zien. Haar hart breekt; „schrijf mij toch als het u belieft spoedig – thuis ongelukkig – harde vader – uwe oppasster – de arme kleine Fanny,” – eene spelling, gelijk gij wel zegt, in strijd met alle begrippen van fatsoen. Maar, hemeltje, mijne waardste, wat steekt er nu in dit alles? niets anders dan dat het arme schaap nog altijd op hem verliefd is. Nu, zij kwam pas op zijne kamers, toen hij zoo erg ijlde, dat hij haar niet kende. Dat heeft de waschvrouw – hoe heet zij ook? – Flanagan, aan mijn knecht Morgan verteld. Zij is er in gezelschap van een oud man, zekeren mijnheer Bows, gekomen, die ook zoo vriendelijk is geweest mij van Stillbrook te komen afhalen – en nu herinner ik mij, dat ik hem in de cab heb laten zitten en de vracht niet betaald heb. Het was drommels vriendelijk van hem. Neen, er is geen gevaar bij de gansche historie.”
„Gelooft gij dat? Ik dank de hemel er voor, Goddank” riep Helena uit. „Ik zal met den brief naar Arthur gaan en het hem vragen. Kijk, daar is hij op het terras met mijnheer Warrington. Zij spreken met kinderen; mijn jongen hield altijd veel van kinderen. Hij is onschuldig, – Goddank, Goddank! Ik zal dadelijk naar hem toegaan.”
De oude Pendennis had zijn eigen gevoelen over de zaak. Toen de oude heer zich slechts een oogenblik te voren van Arthur’s onschuld overtuigd verklaarde, was hij waarschijnlijk van een andere meening dan die, welke hij openbaarde en beoordeelde hij den jongen naar het geen hij zelf zou gedaan hebben. Als zij naar Arthur gaat en deze voor de waarheid uitkomt, dacht hij, dan is alles verkorven, en dus wendde hij nog eene laatste poging aan.
„Beste, goede ziel,” zeide hij, terwijl hij Helena’s hand nam en die kuste, „hebt gij wel recht om u in deze zaak te mengen, daar uw zoon er u niet mee bekend heeft gemaakt? Als gij hem voor een man van eer houdt, waarom zoudt gij dan aan zijn eer in dit geval twijfelen? Wie is zijn aanklager? Een schelm, die zich niet noemt en die geene bepaalde beschuldiging tegen hem aanvoert. Zouden de ouders van het meisje niet opgekomen zijn, als er wezenlijk grond toe bestond? Hij is niet verplicht eene naamlooze aantijging te weerleggen, evenmin als gij om die te laten gelden, en hem voor schuldig te houden, omdat een meisje van dien stand hem op zijne kamer oppaste; – wel, gij zoudt evengoed kunnen vergen, dat hij die verwenschte oude dronken Iersche schoonmaakster, die vrouw Flanagan, trouwde.”
De weduwe moest tusschen hare tranen om dat denkbeeld lachen en de oude veldheer had de overwinning behaald.
„Ja, jufvrouw Flanagan trouwde, – voor den drommel!” herhaalde hij en klopte haar op de tengere hand. „Neen, de jongen heeft er u niets van verteld en gij weet er niets van. De knaap is onschuldig – dat spreekt van zelf. En welke gedragslijn moeten wij nu volgen? Stel, dat hij aan het meisje gehecht is – kijk nu niet zoo verslagen, het is maar een onderstelling – en, wat drommel! een jongmensch mag toch wel eene genegenheid koesteren – niet waar? Zoodra hij hersteld is, zal hij weer naar haar toegaan.
„Hij moet mee naar huis komen! Wij moeten dadelijk naar Fairoaks terugkeeren.” riep de weduwe uit.
„Schepseltje-lief, op Fairoaks zal hij zich doodkniezen. Hij zal daar niets te doen hebben dan aan de liefde te denken. Er is geen plaats ter wereld waar eene kleine liefde weliger tiert en een mensch meer genoodzaakt wordt zich met zijn eigen gedachten bezig te houden, dan zoo’n verwenscht buitenplaatsje, waar men niets om handen heeft. Wij moeten hem bezig houden, hem afleiding verschaffen en met hem buitenslands gaan; hij heeft nog nooit een tochtje in den vreemde gedaan, dan een enkel uitstapje naar Parijs. Wij moeten wat met hem reizen. Hij moet iemand hebben, die hem oppast en in alle opzichten voor hem zorgt, want Goodenough zegt, dat hij maar ternauwernood de dans ontsprongen is (zie er nu maar niet zoo verschrikt uit), en dus moet gij meegaan om het oog op hem te houden. Waarschijnlijk zult gij jufvrouw Bell wel meenemen en ik zou Warrington wel eens willen verzoeken ook mee te gaan. Arthur houdt drommels veel van Warrington, en kan zonder hem niet leven. Warrington’s familie behoort tot de oudste van Engeland, en hij is een der fatsoenlijkste jonge menschen, die ik ooit in mijn leven ontmoet heb. Ik houd buitengewoon veel van hem.”
„Weet mijnheer Warrington iets van dit – dit geval?” vroeg Helena. „Ik weet, dat hij reeds twee maanden van huis was toen het gebeurde; dat heeft Pen mij geschreven.”
„Geen woord – ik heb er hem naar gevraagd en hem uitgehoord. Hij heeft nooit iets van de zaak vernomen, nooit; daar geef ik u mijn woord op,” riep de majoor eenigszins onthutst. „En ik geloof, mijne waardste, dat het ook het beste is, dat gij hem er niet over spreekt, – het allerbeste, natuurlijk, want het is een zeer kiesch en pijnlijk onderwerp.”
De argelooze weduwe greep haar broeders hand, die zij drukte. „Ik dank u, broeder,” sprak zij. „Gij zijt zeer vriendelijk voor mij geweest, allervriendelijkst, en hebt mij veel troost geschonken. Ik zal naar mijne kamer gaan en eens overleggen wat gij gezegd hebt. Ik ben door die ziekte en deze – deze aandoeningen – erg van streek, en gij weet, dat ik niet sterk ben. Maar ik zal er God voor danken, dat mijn jongen onschuldig is. Hij is toch onschuldig, – daar houdt gij het immers ook voor?”
„Ja, ja, schatje-lief,” zeide de oude heer, die haar hartelijk kuste en door de teederheid, welke zij aan den dag legde, geroerd was. Hij keek haar, toen zij zich verwijderde, met een welwillendheid na, die pikant werd door een zekeren spot, waarmee dat gevoel gepaard ging. „Onschuldig!” zeide hij. „Ik zou er liever een eed op doen dat hij onschuldig is, dan die goede ziel smart te veroorzaken.”
Na die zegepraal behaald te hebben, strekte de vermoeide maar verheugde krijgsman zich op de sofa uit, wierp zijn geel zijden zakdoek over zijn gelaat en gaf zich aan een verkwikkelijk dutje over, dat zonder twijfel door zeer aangename droomen verlevendigd werd, daar hij met eene behaaglijke regelmatigheid snorkte. De jongelieden zaten ondertusschen de laatste uren van den zonneschijn zeer genoegelijk op het terras te genieten, waarbij althans Pen zeer spraakzaam was. Hij zette aan Warrington het plan van een nieuwen roman en een nieuw treurspel uiteen. Lachte Warrington om het denkbeeld, dat hij een treurspel zou schrijven? Bij den hemel, hij zou toonen, dat hij er toe in staat was, en daarop begon hij eenige regels uit het stuk op te dreunen.