Part 47
Mijnheer Morgan en zijn meester onderhielden zich dus met elkander onder het toilet van dezen laatste. Er was den vorigen dag receptie ten hove geweest, en de majoor las in zijn blad, dat Lady Clavering door Lady Rockminster, en jufvrouw Amory door hare moeder, Lady Clavering was voorgesteld, – en in eene andere kolom van het blad werd de kleeding dier dames met eene nauwkeurigheid en in eene taal beschreven, die den oudheidkenner in latere eeuwen verlegen zal doen staan, maar die hem te gelijk vermaken zal. Het lezen van die namen deed den majoor met zijne gedachten naar het platteland teruggaan. „Hoelang zijn de Clavering’s reeds te Londen, Morgan?” vroeg hij. „Hebt gij iemand hunner bedienden gesproken?”
„Sir Francis heeft zijn vreemden kamerdienaar weggezonden, mijnheer,” antwoordde Morgan, „en een mijner vrienden in zijne plaats aangenomen, mijnheer. Hij is er op mijn aanraden naar toe gegaan. Misschien herinnert gij u Towler nog wel, mijnheer, – een lang man met rood haar, maar dat geverfd is. Hij was kamerdienaar bij Lord Levant, tot de zaken van mylord in de war raakten. Het is een achteruitgang voor Towler, mijnheer, maar als men arm is, kan men niet kieskeurig zijn.” zeide de knecht met eene aangedane stem.
„Wel, wel! dat is verduiveld hard voor Towler,” zeide de majoor, die er zich mee vermaakte, „en voor Lord Levant ook niet pleizierig, hi hi!”
„Ik wist wel dat het daartoe komen zou, mijnheer. Nu St. Michiel vier jaar geleden, heb ik er reeds van gesproken, toen mylady de diamanten verpandde. Het was Towler, mijnheer, die ze in twee cabs naar Dobree bracht, en een groot gedeelte van het zilver ging denzelfden weg. Herinnert ge u niet, dat ge het te Blackwall gezien hebt, met het wapen en de kroon van Lord Levant er op, terwijl mylord er zelf bij zat op het diner van Lord Steyne? Ik vraag excuus, mijnheer; heb ik u gesneden?”
Morgan was op dit oogenblik bezig aan de kin van den majoor, en vervolgde zijn onderwerp, terwijl hij zijn kunstrijk scheermes op den riem aanzette. „Zij hebben een huis in Grosvenor Place genomen, mijnheer, en leven op een buitengewoon grooten voet. Mylady zal drie partijen geven, behalve nog een diner elke week. Haar fortuin zal en kan er niet tegen bestand zijn.”
„Te drommel, zij had zoo’n goeden kok toen ik op Fairoaks was,” zeide de majoor, zeer weinig bekommerd om het geld der weduwe Amory.
„Hij heette Marobblan, mijnheer; – Marobblan is weg, mijnheer,” zeide Morgan, waarop de majoor deze maal met innige sympathie hernam, „dat het verduiveld spijtig was, dat zij hem verloren hadden.”
„Er is eene geweldige opschudding over dien mesjeu Marobblan geweest,” ging Morgan voort. „Op een bal te Baymouth, mijnheer, – ik weet niet hoe hij zoo onbeschaamd heeft durven zijn, – daagde hij mijnheer Arthur tot een duel uit, mijnheer, en mijnheer Arthur stond op het punt om hem neer te slaan en uit het venster te smijten, hetgeen hij ook verdiend zou hebben; doch de chevalier Strong, mijnheer, kwam er bij en maakte een einde aan het standje – ik vraag excuus, mijnheer, aan den twist – want die Fransche koks zijn zoo trotsch en brutaal alsof zij echte gentlemen waren.”
„Ik heb iets van die onaangenaamheid gehoord,” zeide de majoor; „doch dáárvoor is Mirobolant toch niet weggezonden?”
„Neen, mijnheer, – dat geval (mijnheer Arthur vergaf het hem en heeft zich daarin heel mooi gedragen) werd door de vingers gezien; maar het was om jufvrouw Amory, mijnheer, dat hij zijn ontslag kreeg. Die Franschen denken, dat ieder meisje op hen verliefd is, en hij klom dus langs dien grooten wijngaard tegen haar venster op, mijnheer, en deed moeite om binnen te dringen. Maar hij werd betrapt; mijnheer Strong kwam naar buiten; men voerde de tuinspuit aan en spoot hem nat, en dat gaf een allergeweldigst leven, mijnheer.”
„Wat een onbeschaamde kerel!” riep de majoor uit. „Maar gij wilt toch niet zeggen, dat jufvrouw Amory hem voet had gegeven?” liet hij er op volgen, plotseling getroffen door eene zeer bijzondere uitdrukking op Morgan’s gelaat.
Morgan trok zijn gezicht weer in de stemmige plooi. „Ik weet er niets van, mijnheer,” gaf hij ten antwoord. „Wij bedienden weten niets van zulke dingen. Hoogst waarschijnlijk was er niets van aan; er worden zooveel onwaarheden van de groote familiën verteld. Marobblan ging met pak en zak, met potten en piano weg – want de kerel had eene piano en schreef Fransche verzen; en hij nam eene kamer te Clavering en zwierf rondom het huis, en men vertelde zelfs, dat madame Fribsby, die modemaakster, brieven aan jufvrouw Amory overbracht, ofschoon ik geen woord daarvan geloof, evenmin als dat hij zich door kolendamp van het leven heeft willen berooven, hetgeen alles afgesproken werk was tusschen hem en madame Fribsby; en het scheelde weinig of hij was door den boschwachter van het park doodgeschoten.”
In den loop van denzelfden dag stond de majoor aan het groote venster van Bays’ Club in St. James’ Street, op dat namiddaguur wanneer men een dozijn oude fatten zich op dezelfde wijze ziet vermaken (Bays Club is thans eene ouderwetsche societeit en vele van hare leden zijn den middelbaren leeftijd reeds te boven; maar in den tijd van den prins-regent stonden die oude snaken, die toen tot de grootste dandy’s van het gansche rijk behoorden, reeds aan hetzelfde venster). Toen majoor Pendennis zoo door dat groote venster naar buiten keek, zag hij juist zijn neef Arthur met diens vriend, jonkheer Popjoy, voorbijwandelen.
„Kijk eens!” zeide Popjoy onder het voorbijgaan tegen Pen, „zijt ge ooit de club van Bays ten vier ure voorbijgegaan, zonder die verzameling van oude pruiken daar te zien? Het is bepaald een museum. Zij moesten in was afgebeeld en in het wassenbeeldenkabinet van madame Tussaud ten toon gesteld worden.”
„In eene afzonderlijke „kamer der gruwelen””, zeide Pen lachende.
„In eene kamer der gruwelen! Heel aardig, drommels aardig!” riep Pop uit. „De meesten zijn oude schelmen, dat is buiten tegenspraak. Daar hebt ge den ouden Blondel; daar hebt ge mijn oom Colchicum, den verfoeilijksten ouden zondaar in Europa; daar hebt ge – hola! daar tikt iemand aan het venster en knikt tegen ons.”
„Dat is mijn oom de majoor,” zeide Pen. „Is dat ook een oude zondaar?”
„Een erkende ouwe zondaar,” zeide Pop, het hoofd schuddende. „Hij wenkt u; hij wil u spreken.”
„Ga mee binnen,” zeide Pen.
„Neen, dat kan ik niet,” gaf de ander ten antwoord. „Ik heb twee jaar geleden onaangenaamheden met oom Col gehad over mademoiselle Frangipane,” en met die woorden nam de jonge zondaar afscheid van Pen en van de club der bejaarde misdadigers en drentelde die van Blacquière binnen, eene societeit in de nabijheid, die de verzamelplaats van snoodaards van zijn eigen leeftijd was.
Colchicum, Blondel en de oudste fatten hadden juist staan spreken over de familie Clavering, wier komst te Londen het onderwerp van het morgengesprek van majoor Pendennis met zijn knecht had uitgemaakt. Mijnheer Blondel’s huis stond naast dat van Sir Francis Clavering op Grosvenor Place. Daar hij zelf zeer goede diners gaf, had eenige beweging in de keukens van zijn buurman zijne aandacht getrokken. Sir Francis bezat werkelijk een nieuwen kok, die meer dan eens bij mijnheer Blondel was overgekomen om diens diners te regelen; want daar die heer slechts ééne vaste vrouwelijke artiste bezat, die echter buitengewoon knap was, gebruikte hij, wanneer hij groote feestmalen gaf, die koks van naam uit de buurt, die dan juist vrij waren. „Zij maken, naar ik hoor, verduiveld groote uitgaven en ontvangen verduiveld slecht gezelschap,” zeide mijnheer Blondel „zij loopen waarachtig de straten af, om menschen te zoeken, die bij hen willen dineeren. Champignon zegt dat zijn hart er van breekt, dat hij voor hun gezelschap diners moet klaarmaken. Het is schande, dat zulk volk geld heeft!” riep mijnheer Blondel wiens grootvader met veel lof leeren broeken had gemaakt, terwijl zijn vader geld had geleend aan de prinsen.
„Ik wenschte maar, dat ik zelf de weduwe ontmoet had,” zuchtte Lord Colchicum, „en dat die verwenschte jicht mij niet te Livorno had terug gehouden. Ik zou het mensch zelf getrouwd hebben. Ik heb gehoord, dat zij zesmaal honderd duizend pond in de drie percents bezit.”
„Zóóveel niet,” zeide majoor Pendennis. „Ik heb hare familie in Indië gekend; haar vader was een oude, schatrijke indigo-planter. Ik weet alles van haar. Clavering’s landerijen liggen naast de onze. Ha, daar gaat mijn neef met–” „Met den mijnen, dien vervloekten jongen rekel!” zeide Lord Colchicum, onder de zware wenkbrauwen naar Popjoy glurende, en verliet het venster toen majoor Pendennis er op begon te tikken.
De majoor was bijzonder opgeruimd. De zon scheen helder en de lucht was frisch en versterkend. Hij had besloten dien dag een bezoek bij Lady Clavering te gaan afleggen, en het viel hem in, dat Arthur een goede tochtgenoot op de wandeling door het Groene Park naar het huis van mylady zou wezen. De jonge heer wilde dien tocht gaarne met zijn voornamen oom doen, die hem op den korten weg door St. James’ Street een dozijn groote mannen aanwees, en groeten ontving van een hertog toen zij over de straat staken, van een bisschop te paard en van een minister met eene paraplu onder den arm. De hertog reikte den ouden Pendennis een vinger van een met pijpaarde witgemaakten handschoen, welken de majoor met den grootsten eerbied aanraakte; en het bloed tintelde in al de aderen van Pen, toen hij zich dus als het ware in aanraking bevond met dien beroemden man (want Pen had des majoors linkerarm vast, terwijl de andere vleugel van dien heer de rechterhand van zijne genade vasthield), zoodat Pen wel gewenscht had, dat de gansche Grauwebroeders-school, de gansche universiteit van Oxbridge, gansch Paternoster Row en de Temple, met Laura en zijne moeder van Fairoaks, langs beide zijden van de straat geschaard hadden gestaan, om de ontmoeting van hem en zijn oom met den beroemdsten hertog der christenheid te aanschouwen.
„Dag, Pendennis, – mooi weer,” waren de merkwaardige woorden, die zijne genade sprak, en met een knik van zijn doorluchtig hoofd ging hij weer door – met een blauwen rok, eene vlekkelooze witte broek, en eene witte stropdas met een blinkenden gesp van achteren.
De oude Pendennis, wiens gelijkenis met zijne genade wij reeds vermeld hebben, begon hem, nadat zij van elkander waren gegaan, onwillekeurig na te bootsen, door, naar het voorbeeld van den grooten man, in zeer korte volzinnen te spreken, ieder onzer heeft ongetwijfeld meer dan één officier ontmoet, die aldus de manieren van zekeren grooten veldheer dezer eeuw navolgde, en misschien zijn natuurlijken aard en aanleg veranderd heeft, omdat het lot hem met een haviksneus had begiftigd. Hebben wij niet gelijkerwijze menig ander zich zien verhoovaardigen, omdat hij een hoog voorhoofd had en eenigszins op den heer Canning geleek? Hebben wij niet menig ander het levenspad zien bewandelen, opgeblazen van zelf behagen op grond eener gewaande gelijkenis met den grooten en vereerden George IV (wij zeggen „gewaand”, omdat het onmogelijk is, dat iemand inderdaad op dien schoonsten en volmaaktsten der mannen zou geleken hebben)? Anderen droegen omslagen boordjes, omdat zij meenden dat zij er dan uitzagen als Lord Byron. En heeft het graf zich niet pas onlangs boven den armen Tom Bickerstaff gesloten, die, met even weinig verbeeldingskracht als mijnheer Joseph Hume, zich, als hij in den spiegel zag, verbeeldde dat hij op Shakespeare geleek? zijn voorhoofd schoor om nog meer op dien onsterfelijken dichter te gelijken, onophoudelijk treurspelen schreef, en stapelgek stierf, als een slachtoffer van zijn voorhoofd? Deze en dergelijke grillen der ijdelheid moeten de meesten, die in de wereld verkeerd hebben, met eigen oogen hebben gezien. De snaaksche Pen lachte in zijn vuistje over de wijze, waarop zijn oom den grooten man begon na te bootsen, dien zij zoo even verlaten hadden; maar mijnheer Pen was in zijne soort even ijdel als de oude heer en stapte dus zelf met eene tamelijk hooge borst naast den majoor voort.
„Ja, beste jongen,” zeide de oude jonkman terwijl zij het Groene Park doorgingen, waar zich een aantal arme kinderen met groote pret vermaakten en loopjongens kruis of munt speelden, en zwarte schapen in den zonneschijn liepen te grazen, en een acteur op eene bank zijne rol zat te leeren, en kindermeiden met de aan hare zorgen toevertrouwde kleinen heen en weer drentelden, en verscheidene paartjes op hun gemak wandelden; „ja, geloof mij, beste jongen, dat er voor iemand, die arm is, niets boven het bezit van voorname vrienden gaat. Wie denkt ge wel, dat die heeren waren, waarmee ge mij aan het venster bij Bays zaagt staan? Twee daarvan waren pairs des rijks. Hobananob wordt pair, zoodra zijn oudoom, die nu reeds zijne derde beroerte heeft, sterft; en onder de andere vier is er niet één, die minder dan zeven duizend pond ’s jaars heeft. Hebt gij dien donkerblauwen brougham, met dat ontzaglijk groote paard, aan de deur der club zien staan? Gij zult dien wel eens meer zien. Die brougham behoort aan Sir Hugh Trumpington; men heeft hem nog nooit zien loopen; nooit ziet men hem op straat te voet, nooit. Zelfs als hij twee deuren ver gaat om zijne moeder, de oude douairière, te bezoeken (waar ik u stellig zal introduceeren, want zij ontvangt van het beste gezelschap te Londen), wel, mijnheer, dan stijgt hij aan No. 23 te paard en klimt aan No. 25 A weer af. Hij zit nu op de bovenzaal in de club van Bays met graaf Punter piket te spelen; hij is op één na de beste speler in Engeland, en dit is natuurlijk, want elken dag zijns levens, uitgezonderd des Zondags (daar Sir Hugh een buitengewoon godsdienstig man is), speelt hij van ’s middags half vier tot half acht en gaat zich dan kleeden voor het diner.”
„Eene zeer godsdienstige manier om zijn tijd door te brengen,” zeide Pen lachende en niet vreemd aan het denkbeeld dat zijn oom begon te bazelen.
„Voor den drommel, mijnheer, dat is de questie niet! Een man van zijne positie in de maatschappij mag zijn tijd doorbrengen zooals hij verkiest. Als gij baronet zijt en lid van het parlement, met tien duizend bunders van het beste land in Cheshire en zulk een landgoed als Trumpington (ofschoon hij er nooit heengaat), dan kunt gij óók doen wat gij goedvindt.”
„En dat was dus zijn brougham, oom?” vroeg neef bijna spottend.
„Zijn brougham – o ja, ja – dat brengt mij weer op mijn onderwerp – revenons à nos moutons. Ja, voor den drommel, revenons à nos moutons. Welnu, als ik het verkies, is die brougham tusschen vier en zeven ure tot mijne beschikking, zoo goed alsof ik ze bijv. van Tilbury voor dertig pond ’s maands gehuurd had. Sir Hugh is de beste kerel ter wereld, en indien het niet zulk mooi weer was, zoudt gij op het oogenblik met mij in dien brougham op weg naar Grosvenor Place zijn geweest. Dat voordeel heeft men er bij, als men met rijke lui omgaat: – ik dineer voor niets, Arthur; – voor niets ga ik naar buiten en krijg ik paarden. Anderen houden jachthonden en boschwachters voor mij. Sic vos non vobis, gelijk wij bij de Grauwebroeders zeiden, niet waar? Ik ben het eens met mijn ouden vriend Leech, van het 44ste regiment, een verduiveld goede maar slimme kerel, gelijk de meeste Schotten. Leech zeide altijd, dat hij arm was, om er arme kennissen op te kunnen nahouden.”
„Gij handelt niet naar uwe beginselen, oom,” zeide Pen goedhartig.
„Niet naar mijne beginselen, mijnheer? Hoe meent ge dat?” vroeg de majoor min of meer geraakt.
„Gij hadt mij in St. James’ Street zeker niet moeten kennen, oom,” zeide Pen, „indien gij in de practijk niet toegeeflijker waart dan in de theorie. Gij, die met hertogen en de grootsten des lands omgaat, zoudt dan van een armen drommel als ik ben geen notitie genomen hebben.” Uit deze kleine reden kunnen wij zien, dat mijnheer Pen vorderingen maakte in de wereld en evengoed kon vleien als in zijn vuistje lachen.
Majoor Pendennis was dadelijk tevreden en zeer in zijn schik. Na zijn neef hartelijk op den arm geklopt te hebben, waarop hij leunde, zeide hij: „Gij, neef, zijt van mijn eigen vleesch en bloed. Wat drommel! ik ben zeer trotsch op u en houd veel van u, als ge maar zulke verwenschte dwaasheden en buitensporigheden niet begaan hadt. Ik hoop, dat gij uitgeraasd hebt, dat hoop ik van harte. Ik zou een man van u willen maken, Arthur; ik zou u eene plaats in de wereld willen zien innemen, die aan uw naam en den mijnen past. Gij hebt nu eenige reputatie verworven met uwe letterkundige talenten, die ik verre ben van gering te achten, ofschoon, voor den drommel, poëzie en genie en al dat soort van dingen in mijn jongen tijd verduiveld gemeen waren. Daar hadt ge, bij voorbeeld, den armen Byron, die er zich door ruïneerde en door zijn omgang met dichters en dagbladschrijvers en lui van dat slag de slechtste gewoonten aannam. Maar de tijden zijn nu veranderd – de letterkunde is in de mode – knappe kerels worden in de beste huizen der stad toegelaten. Tempora mutantur, mijnheer; en ik geef toe, dat „al wat is, is goed,” zooals Shakespeare zegt.”
Pen achtte het niet noodig zijn oom in te lichten welke auteur het eigenlijk was, die deze merkwaardige uitdrukking gebezigd had, en het paar, dat nu juist het Groene Park verliet, sloeg den weg naar Grosvenor Place in en naar het huis, door Sir Francis en Lady Clavering bewoond.
De luiken der eetzaal van dit fraaie verblijf waren opnieuw verguld; de klopper blonk als goud op de pas geschilderde deur; het balkon voor de gezelschapszaal was een hangende tuin van de schoonste gewassen, prijkende met witte, paarsche en roode bloemen; de vensters van de bovenkamer (ongetwijfeld het heiligdom en de kleedkamer van mylady) en zelfs een aardig klein venstertje op de derde verdieping, dat de scherpziende mijnheer Pen onderstelde te behooren tot de maagdelijke slaapkamer van jufvrouw Blanche Amory, waren op dezelfde wijze met bloemen versierd, en het geheele huis leverde uitwendig het schitterendste voorkomen op, dat nieuwe verf, blinkend spiegelglas, pas schoongemaakte steen en vlekkelooze kalk er aan kunnen verschaffen.
„Wat moet Strong zich verheugd hebben toen hij al die pracht in het leven riep,” dacht Pen, want hij herkende het genie van den chevalier in den luister, die hem hier tegenblonk.
„Lady Clavering gaat uit rijden,” zeide de majoor. „Wij zullen dus onze bordpapiertjes maar afgeven, Arthur.” Hij gebruikte het woord „bordpapiertjes,” dat hij van eenige vernuftige adellijke jongelui gehoord had, als eene moderne uitdrukking, die voor Pen’s jeugdige jaren geschikt was. Inderdaad kwam er een wagen voor, juist toen de beide heeren de deur bereikten, een prachtig geel rijtuig, van binnen met brocaat of satijn van teedere roomkleur bekleed, en getrokken door schoone schimmels met bonte linten en een tuig, dat overal met de helmteekens der familie prijkte. Niet minder dan drie van die heraldieke zinnebeelden pronkten boven de wapens op de portieren, die uit een ongeloofelijk aantal kwartieren bestonden, ten bewijze van de oudheid en den luister der huizen Clavering en Snell. Op het prachtige kleed van den bok (waarop dezelfde wapens in koper herhaald waren) zat een koetsier met eene eng sluitende witte pruik en hield de steigerende schimmels in bedwang; het was nog een jonkman, maar met een plechtig gelaat, een gegaloneerd vest en gespen op de schoenen, – kleine gespen, geheel anders dan die, welke John en James, de lakeien, dragen, en die wij weten, dat groot zijn en zich sierlijk over den voet uitspreiden.
Een der vleugels van de voordeur was open en John, een der zwaarsten van zijn ras, stond tegen den deurpijler te leunen met poeier in zijn geurig haar en met gekruiste beenen, met keurige zijden kousen en met een stok in de hand, goudgeknopt, dolichoskion. James was onzichtbaar, maar toch in den omtrek, want hij stond met den „gentleman” buiten livrei in de vestibule te wachten en hield zich gereed eene rol kleed uit te werpen, waarover mylady naar haar rijtuig zou treden.
Het vermelden van al deze mannen en voorwerpen, die het geoefende oog met één blik opmerkt, kost tijd, zoodat de majoor en Pen nauwelijks de straat waren overgestoken, toen de tweede vleugel der deur reeds werd opengeworpen; het paardenharen kleed rolde van de treden der stoep naar die van het rijtuig; John opende het aan de eene zijde en James aan de andere, en twee dames naar de allerlaatste mode gekleed, gevolgd door eene derde, die een jankend schoothondje aan een blauw lintje droeg, kwamen naar buiten, om in het rijtuig te stijgen.
Jufvrouw Amory was de eerste, die er in moest gaan, hetgeen zij met de vlugheid eener fee deed, waarop zij de plaats innam, die haar het best behaagde. Toen volgde Lady Clavering, maar zij was van meerder leeftijd en zwaarder van voet, zoodat een verrukt bewonderaar van vrouwelijk schoon, indien hij juist op het oogenblik van deze indrukwekkende plechtigheid daar ware voorbijgekomen, een dier voeten, in een groen satijnen laarsje gevat, benevens een gedeelte van eene kous, die zeer fijn was, – wat er dan ook ware van den enkel, die er door omsloten werd. – had kunnen zien zwaaien op de trede van het portier, toen zij op den arm van den onwrikbaren James leunde.
De Pendennis’en senior en junior aanschouwden die bekoorlijkheden toen zij aan de deur kwamen, waarbij de majoor ernstig en hoffelijk keek en Pen een weinig verlegen werd op het zien van het rijtuig en de dames, want hij dacht aan ettelijke kleine gebeurtenissen te Clavering, die zijn hart sneller deden kloppen.
Op dat oogenblik kreeg Lady Clavering, omziende, het paar in het oog; zij stond op de eerste trede en zou een oogenblik later in het rijtuig gezeten hebben; maar zij maakte eene beweging, die wat poeier uit het haar van den geparfumeerden James deed vliegen, en riep uit: „Heere, daar is Arthur Pendennis met den ouden majoor!” Dadelijk sprong de goedhartige vrouw weer op terra firma, stak twee vette handen uit, die in nauwe, oranjekleurige handschoenen geperst waren, en heette den majoor en zijn neef hartelijk welkom.
„Komt binnen allebei! Waarom zijt gij niet vroeger gekomen? Kom er uit, Blanche, en verwelkom uwe oude vrienden. Ik ben zóó blij, dat ik u zie! Wij hebben u ik weet niet hoe lang al gewacht. Komt binnen, het ontbijt is nog niet weggeruimd,” ging de gastvrije dame voort, terwijl zij Pen’s handen in beide de hare drukte (zij had die van den majoor na eene korte kneep van herkenning weer losgelaten), en daarop steeg Blanche, na de oogen omhoog naar de schoorsteenen te hebben geslagen, met een bedeesd, blozend en smeekend gezichtje ook uit het rijtuig en reikte haar kleine handje aan majoor Pendennis.
De gezelschapsjufvrouw, met het schoothondje, keek besluiteloos rond, alsof zij overlegde of zij Fido toch zijn luchtje niet moest laten scheppen; maar ook zij maakte rechtsomkeert en trad na Lady Clavering, hare dochter en de beide heeren binnen. Het rijtuig met de steigerende schimmels bleef dus niemand anders dan den koetsier met de witte pruik dragen.
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN DE SYLPHIDE WEER TE VOORSCHIJN KOMT.