Chapter 73 of 85 · 3968 words · ~20 min read

Part 73

„Gij weet wat ik meen – van, van jufvrouw – jufvrouw Bolton – dat arme lieve meisje,” barstte Arthur los. „Wanneer is zij op mijne kamer geweest? Was zij er toen ik lag te ijlen? – ik verbeeldde het mij; – was dat zoo? Wie is het, die haar uit mijne kamer weggezonden heeft? Wie heeft de brieven, die zij aan mij geschreven heeft, teruggehouden? Wie heeft dat durven doen? Zijt gij dat geweest, oom?”

„Ik ben niet gewoon de brieven van een gentleman achter te houden, noch verd – onbeschaamde vragen te beantwoorden,” riep majoor Pendennis, van ontroering en verontwaardiging bevende. „Er was een meisje op uwe kamer, toen ik, met groot ongemak voor mij zelven, naar u toekwam, voor den duivel, en het is, bij den hemel, alles behalve pleizierig, mijnheer, op deze wijze beloond te worden voor de genegenheid, die ik u betoond heb, – alles behalve pleizierig!”

„Dat is de vraag niet, oom,” antwoordde Arthur opgewonden, „en – en – ik vraag u verschooning! Gij zijt altijd allervriendelijkst voor mij geweest; maar ik vraag u nog eens, of gij iets hards tegen dit arme meisje gezegd hebt? Zijt gij het, die haar van mij hebt weggezonden?”

„Ik heb geen enkel woord tegen het meisje gesproken,” antwoordde zijn oom, „en ik ben het niet, die haar van u weggezonden heb. Ik weet niets méér van haar, en wensch niets méér van haar te weten, dan van den man in de maan.”

„Dan is het mijne moeder, die het gedaan heeft,” barstte Arthur los. „Heeft mijne moeder het arme kind weggezonden?”

„Ik herhaal, mijnheer, dat ik er niets van weet,” zeide de oude heer korzelig. „Laten wij, als het u belieft, over iets anders praten.”

„Ik zal het dengeen, die dat gedaan heeft, nooit vergeven,” riep Arthur uit, terwijl hij opsprong en zijn hoed greep.

„Wacht even, Arthur! In Gods naam, wacht even!” riep de majoor, maar eer hij dien volzin had uitgesproken, was Arthur de kamer uitgesneld, en een oogenblik daarna zag de majoor hem haastig de straat oversteken, in de richting van zijne woning.

„Zet het ontbijt gereed!” zeide de oude heer tegen Morgan en schudde zuchtend het hoofd, terwijl hij uit het venster zag. „Arme Helena! arme ziel! Dat zal een opschudding geven! Ik wist, dat het er van komen zou; en wat drommel! het is altemaal olie in de vlam!”

Toen Pen thuis kwam, vond hij alleen Warrington, die in de zitkamer der dames hare komst afwachtte, ten einde haar naar de zaal te geleiden, waar de weinige Engelschen te Rozenbad des Zondags kerk hielden. Helena en Laura waren nog niet voor den dag gekomen; de eerstgenoemde was ongesteld, en hare dochter bevond zich bij haar. Pen’s verontwaardiging was zoo groot, dat hij die niet ontveinzen kon. Hij wierp Fanny’s brief over de tafel aan zijn vriend toe. „Zie eens, Warrington,” zeide hij; „zij heeft mij in mijne ziekte opgepast, mij uit de arm des doods gered, en op deze wijze is het lieve schepseltje behandeld geworden. Men heeft hare brieven aan mij achtergehouden: men heeft mij als een kind, en haar, dat arme schaap, als een hond behandeld. Dat heeft mijne moeder gedaan!”

„Als dat zoo is, moet gij in aanmerking nemen dat het uwe moeder is,” kwam Warrington er tusschen.

„Dat zij het is, die het gedaan heeft, maakt de misdaad des te grooter,” gaf Pen ten antwoord. „Zij had de beschermster van het meisje, niet hare vijandin, moeten zijn. Zij behoorde zich op de knieën te werpen en haar vergiffenis te vragen. Dat moet zij, en dat wil ik. Ik gruw van de wreede bejegening, die men haar heeft aangedaan. Zij schonk mij alles, en is dit hare belooning? Zij offert alles voor mij op, en men schopt haar weg.”

„Stil!” zeide Warrington; „men kan u in de kamer hier naast hooren.”

„Hooren? Laten zij het hooren!” riep Pen slechts des te luider uit. „Zij, die mijne brieven achterhouden, mogen ook mijne woorden beluisteren. Ik zeg, dat dit arme meisje schandelijk behandeld is, en ik zal al het mogelijke doen om haar recht te laten weervaren; dat zal ik.”

De deur der naaste kamer ging open en Laura trad met een bleek en ernstig gelaat binnen. Zij zag Pen met vlammende blikken van fierheid, uittarting en afkeer aan. „Arthur, uwe moeder is zeer onwel,” sprak zij; „het is jammer dat gij zoo luid spreekt, dat hare rust er door verstoord wordt.”

„Het is jammer, dat men mij genoodzaakt heeft te spreken,” antwoordde Pen. „En ik heb nog meer te zeggen, eer ik heb afgedaan.”

„Ik geloof, dat hetgeen gij te zeggen hebt ternauwernood voor mijn ooren gepast zal zijn,” hernam Laura hooghartig.

„Gij kunt het aanhooren of niet, volkomen naar uw goedvinden.” zeide mijnheer Pen „Ik zal naar binnen gaan, om met mijne moeder te spreken.”

Laura trad snel vooruit, om niet door hare vriendin daar binnen verstaan te worden. „Nu niet, mijnheer!” voegde zij Pen toe. „Als gij het doet, kunt gij haar den dood berokkenen. Uw gedrag heeft genoeg bijgedragen, om haar rampzalig te maken.”

„Welk gedrag?” riep Pen woedend uit. „Wie durft iets op mijn gedrag aanmerken? Wie durft zich met mijne zaken bemoeien? Gij zijt het, die deze vervolging aanstookt!”

„Ik zeide reeds zoo even, dat het een onderwerp was, waarvan het mij niet paste te hooren, of te spreken,” zeide Laura. „Maar wat mama betreft, indien zij anders had gehandeld dan zij gedaan heeft met opzicht tot – tot de persoon, in welke gij zooveel belang schijnt te stellen, had ik het moeten zijn, die uw huis verliet, en niet die – die persoon.”

„Bij den hemel, dat is te veel!” riep Pen met een zwaren vloek uit.

„Dat hadt gij misschien wel gewenscht,” zeide Laura, haar hoofd oprichtende. „Maar niets meer hiervan, als het u belieft; ik ben niet gewoon zulke onderwerpen in zulk eene taal te hooren behandelen,” en met eene statige buiging keerde de jonge dame naar de kamer harer vriendin terug en zag op dien terugtocht, terwijl zij de deur voor Pen’s neus sloot, hare wederpartij strak in het gelaat.

Pen stond verbijsterd van verwondering, verlegenheid en woede over deze monsterachtige en onredelijke vervolging. Toen Laura hem verliet, barstte hij in een luid en bitter lachen uit, en bespotte met bitse gezegden en scheldwoorden, gelijk iemand die onder een operatie samenkrimpt, zoowel zijn eigen smart als de verontwaardiging zijner vervolgster. Die lach, – een bittere lach, maar geen zwakke of hatelijke smartkreet onder een allerwreedste en onverdiende foltering, – werd in het belendende vertrek gehoord evenals, het geval met zijne vorige ongelukkige uitdrukkingen was geweest, en werd, gelijk deze, door de hoorderessen geheel verkeerd uitgelegd. Dat geluid drong als een dolksteek in Helena’s gewond en teedere hart; het doorboorde Laura de ziel, en vervulde dit fiere meisje met minachting en toorn. „En aan dezen verstokten losbol.” dacht zij, „die op zijne gemeene minnarijen snoeft, had ik mijn hart geschonken.” – „Hij schendt de heiligste wetten,” dacht Helena. „Hij schenkt aan het voorwerp van zijn hartstocht de voorkeur boven zijn eigene moeder, en lacht en roemt over zijne misdaad, wanneer hij berispt wordt. „Zij schonk mij alles,” ik hoorde het hem zeggen,” peinsde de arme weduwe; „en daarop zwetst hij en lacht er om, en breekt zijner moeder het hart.” De ontroering, de schaamte, de smart, de vernedering deden haar bijna den dood aan. Zij gevoelde, dat zijne hardvochtigheid haar het leven zou kosten.

Warrington dacht aan Laura’s gezegde: „Dat hadt gij misschien wel gewenscht.” „Zij heeft Pen nog altijd lief.” sprak hij. „Het was de jaloezie, die haar dit deed zeggen.” – „Kom mee, Pen. Kom mee; laten wij naar de kerk gaan en tot kalmte trachten te komen. Gij moet die zaak duidelijk aan uwe moeder uitleggen. Zij schijnt de ware toedracht niet te kennen; en zoo staat het ook met u, beste jongen. Kom mee, en laten wij er eens over praten.” En andermaal herhaalde hij bij zich zelven: „Dat hadt gij misschien wel gewenscht.” Ja, zij bemint hem. Waarom zou zij hem niet beminnen? Wien anders zou ik verlangen dat zij liefhad? Wat kan zij anders voor mij zijn dan de liefste, schoonste en beste der vrouwen?

En terwijl zij de beide vrouwen op gelijke wijze bezig achterlieten, stapten de heeren weg, elk met zijn eigen gedachten vervuld en een geruimen tijd het stilzwijgen bewarende. Ik moet die zaak in orde brengen, daar zij hem nog altijd lief heeft, overlegde de trouwhartige George; „ik moet hem inlichten over die andere vrouw.” En naar dit liefderijke plan handelende, begon onze goede vriend breedvoeriger te vertellen wat Bows hem had meegedeeld over het gedrag en de lichtvaardigheid van de jonge jufvrouw Bolton, zoodat hij het meisje als niet veel beter dan eene loszinnige kleine coquette afschilderde; en wellicht overdreef hij de vroolijkheid en tevredenheid wel een weinig, die hij bij haar meende waargenomen te hebben bij het tooneel met mijnheer Huxter.

Maar al de berichten van Bows waren door de waanzinnige jaloezie en wangunst van dien ouden man sterk gekleurd, en in plaats dat Warrington’s mededeelingen dus Pen’s herlevende begeerte, om zijne kleine aanbidster weer te zien, temperden, vuurden zij Pendennis aan en vervulden hem met verontwaardiging, zoodat hij nog sterker verlangde dan te voren, om zich, zooals hij het bleef noemen, bij Fanny te rechtvaardigen. Spoedig bevonden zij zich aan de kerkdeur, maar vermoedelijk verstonden beiden ternauwernood één woord van de liturgie en geen lettergreep van dominé Shamble’s preek, daar elk te zeer in zijn eigen overdenkingen verdiept was. De majoor, met zijn gladgeborstelden hoed en nette pruik en met zijn luchtigste en opgeruimdste voorkomen, voegde zich na afloop van den kerkdienst bij hen. Hij maakte hun zijn compliment dat zij zich in de kerk vertoond hadden, en herhaalde, dat geen man comme il faut, wanneer hij in het buitenland vertoefde, de Engelsche godsdienstoefening verzuimde, waarna hij met de jongelieden terugkeerde, aanhoudend vroolijk voortsnappende, buigingen makende tegen voorbijgaande bekenden, en in zijn eenvoudigheid denkende, dat Pen en George opgetogen waren over zijn anekdotes, die zij met minachtende en sprakelooze lijdzaamheid lieten voorbijgaan.

Onder de preek van dominé Shamble (een rondzwervend Anglicaansch predikant, die op de plaatsen, waar de Engelschen plachten samen te vloeien, voor het seizoen gehuurd werd en, naar men zeide, aan het schuldenmaken, den drank en zelfs de roulette verslaafd was) – onder die preek had Pen, verwoed over de wijze, waarop de vrouwen zijner familie hem vervolgden, zitten broeien over eene groote daad van verzet en, gelijk hij zich zelven ingeprent had, van rechtvaardigheid; en Warrington had van zijn kant de meening opgevat, dat het ook in zijn eigen aangelegenheden tot eene crisis was gekomen, zoodat hij genoodzaakt zou zijn eene betrekking te verbreken, die hem elken dag rampzaliger maakte en hem toch dierbaarder werd. Ja, die tijd was thans gekomen. Hij nam die noodlottige woorden: „Dat hadt gij misschien wel gewenscht,” tot tekst voor eene sombere preek, die hij in de donkere binnenkameren van zijn hart tot zich zelven hield, terwijl dominé Shamble zijne leerrede met eene vervelende stem voordroeg.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

„FAIROAKS TE HUUR.”

Onze arme weduwe had (met bijstand van de trouwe Martha van Fairoaks, die vermaakt en verwonderd over de Duitsche manieren, het bestuur over de eenvoudige huishouding voerde) ter eere van de overkomst van majoor Pendennis een klein feestje aangericht, waaraan echter alleen de majoor en zijne beide jonge vrienden deel namen, daar Helena liet weten, dat zij zich te ongesteld gevoelde om aan tafel te verschijnen, terwijl Laura haar gezelschap wilde houden. De majoor voerde het woord voor allen en bemerkte niet of verkoos niet te bemerken, hoe somber en stil de beide andere deelnemers aan dit bescheidene diner waren. Het was avond eer Helena en Laura zich bij het in de zitkamer vergaderde gezelschapje voegden. De weduwe kwam op Laura’s arm geleund binnen, met haar rug naar het afnemende daglicht, zoodat Arthur niet kon zien hoe doodsbleek en onthutst haar gelaat stond, en toen zij naar Pen ging, dien zij den ganschen dag niet had gezien, en haar armenliefderijk om zijn hals sloeg en hem teeder kuste, liet Laura haar staan en begaf zich naar het ander eind van het vertrek. Pen bespeurde, dat de stem, ja, dat de gansche gestalte zijner moeder beefde, en hare hand was klam toen zij die op zijn voorhoofd legde en hem met een smartelijk gevoel omhelsde. Maar het gezicht van hare droefenis strekte alleen om de ontevredenheid en de opgewondenheid van den jonkman te vermeerderen. Hij beantwoordde ternauwernood den kus, dien de lijdende vrouw hem gaf; en hardvochtig en barsch was het gelaat, waarmee hij haar smeekenden blik bejegende. „Zij is het, die mij vervolgt,” dacht hij, „en zij nadert mij met het voorkomen van eene martelares.” – „Gij ziet er zeer slecht uit, mijn kind,” sprak zij, „ik zie u niet gaarne op die wijze staren.” En daarop ging zij naar eene sofa, terwijl zij eene zijner handen, die hij lijdelijk aan haar overliet, in hare tengere, kille vingers bleef klemmen.

„Er is veel, dat mij gehinderd heeft, moeder,” gaf Pen met haperende stem ten antwoord, en onder zijn spreken begon Helena’s hart zoo hevig te kloppen, dat zij halfdood en sprakeloos van schrik daarneder zat.

Warrington, Laura en majoor Pendennis hielden allen den adem in, overtuigd dat de storm op het punt stond van los te barsten.

„Ik heb brieven uit Londen ontvangen,” ging Arthur voort, „en daaronder één, die mij grooter smart heeft veroorzaakt dan ik nog ooit in mijn leven ondervonden heb. Ik zie daaruit, dat vroegere brieven van mij onderschept en achtergehouden zijn; dat – dat een jong schepseltje, hetwelk mij de grootste liefde en zorg betoond heeft, allerwreedaardigst behandeld is door – door u, moeder.”

„Houd om Gods wil op,” riep Warrington uit. „Zij is onwèl – ziet gij niet dat zij onwèl is?”

„Laat hem maar voortgaan,” zeide de weduwe met eene zwakke stem.

„Laat hem maar voortgaan en haar vermoorden!” riep Laura uit en snelde naar hare moeder toe. „Ga voort, mijnheer, als gij haar voor uw oogen wilt zien sterven.”

„Gij zijt wreed,” riep Pen, nog meer verbitterd en nog woester, daar zijn van nature zacht en week hart vol van verontwaardiging in opstand kwam over het onrechtvaardige van de smart, die hèm verweten werd. „Gij zijt wreed, die al dat verdriet aan mij wijt. Gij zijt wreed met uwe booze verwijten, uw boozen twijfel aan mijn eer, uwe booze vervolging van degenen, die mij liefhebben, – ja, die mij liefhebben en die alles voor mij verduren en die gij veracht en vertrapt, omdat zij van lager stand zijn dan gij. Wil ik u eens vertellen wat ik doen zal, – wat ik besloten heb te doen, nu ik weet wat gij gedaan hebt? – Ik zal terugkeeren naar dat arme meisje, hetwelk gij de deur hebt uitgezet, en haar verzoeken mee te gaan en mijn huis met mij te deelen. Ik zal den hoogmoed, die haar vervolgt, en de onbarmhartige achterdocht, waarmee men haar en mij beleedigt, neerslaan.”

„Bedoelt gij daarmee, Pen, dat gij –,” viel de weduwe hier met glinsterende oogen en uitgebreide handen in; doch Laura stuitte haaren riep: „Stil, lieve moeder, zwijg!” En de weduwe zweeg. Hoe woest Pen ook doorsprak, was zij maar al te begeerig om te hooren wat hij verder zou zeggen. „Ga voort, Arthur, ga voort, Arthur!” was al wat zij zeide, terwijl zij bij die woorden bijna in zwijm viel.

„Bij den hemel, hij zal niet voortgaan, of ik zal hem althans niet aanhooren, voor den drommel!” zeide de majoor, evenzeer van woede bevende. „Als gij, mijnheer, na al wat wij voor u gedaan hebben, na al wat ik zelf voor u heb gedaan, kunt goedvinden uwe moeder te beleedigen en uw naam te schandvlekken door eene laaggeboren dienstmeid te trouwen, ga dan uw gang maar, voor den drommel, – maar laten wij verder niets meer met hem te doen hebben, mevrouw! Ik trek mijne handen van u af, mijnheer; ik trek mijne handen van u af! Ik ben een oud man, ik zal niet lang meer op deze wereld zijn. Ik behoor tot eene familie, zoo oud en geëerd als eenige in geheel Engeland, en ik hoopte, dat de jongeling dien ik liefhad, dien ik groot gebracht, dien ik door het leven geleid heb, iets zou doen, bij den hemel, eer ik van hier ging, om te toonen dat onze naam, ja, de naam van Pendennis, ongeschonden zou achterblijven; maar als hij dat, voor den duivel, niet doen wil, dan zeg ik er amen op! Bij G–, mijn vader en mijn broeder Jack waren de fierste mannen in Engeland, en ik had nooit gedacht dat er schande over mijn naam zou komen, – nooit – en – en ik schaam mij, dat het Arthur Pendennis is, die dat doet!” De stem van den ouden man werd verder door snikken gesmoord; het was de tweede maal, dat Arthur tranen uit die gerimpelde oogleden deed vloeien.

Het geluid van zijne haperende stem stuitte oogenblikkelijk Pen’s toorn en hij hield op met de kamer op en neer te loopen, gelijk hij tot dusverre gedaan had. Laura stond bij Helena’s sofa, en Warrington was tot hiertoe een zwijgend, hoewel niet onverschillig toeschouwer van den familietwist gebleven. Onder het spreken der onderscheidene personen was het bijna donker geworden, en na de stilte, die op de hartstochtelijke ontboezeming van den majoor gevolgd was, hoorden de aanwezigen met geene geringe ontroering George’s zware stem, die thans door de schemerende kamer trilde.

„Wilt gij mij vergunnen, lieve vrienden, iets te verhalen wat mij zelven betreft?” vroeg hij. „Gij zijt zoo goed voor mij geweest mevrouw, – gij hebt mij zooveel vriendschap betoond, Laura (ik hoop, dat ik u zoo noemen mag), – mijn beste Pen en ik zijn zulke goede vrienden geweest, dat – dat ik u sinds lang mijne geschiedenis heb wenschen te verhalen zooals die is en die ik u reeds vroeger zou meegedeeld hebben, indien zij niet zoo treurig was en het geheim van een ander bevatte. Het kan echter voor Arthur nuttig zijn die te kennen, – en het is wenschelijk, dat iedereen hier ze verneme. Het zal de gedachten van een onderwerp afleiden, dat, ten gevolge van een noodlottig misverstand, bij allen groote smart heeft veroorzaakt. Wilt gij het mij vergunnen, mevrouw Pendennis?”

„Spreek, als het u belieft,” was al wat Helena zeide. Eigenlijk boezemde het haar niet veel belang in; haar geest was vervuld met een ander denkbeeld, dat Pen’s woorden bij haar hadden opgewekt, en zij koesterde de onzekere hoop, dat, hetgeen hij had aangeduid, mocht zijn wat zij wenschte.

George schonk zich een glas wijn in, dat hij ledigde, waarna hij begon te verhalen. „Gij allen weet wat ik thans ben,” zoo ving hij aan, „een mensch zonder begeerte om in de wereld vooruit te komen, die geen moeite doet om naam te maken en die op een zolderkamertje woont en van den eenen dag op den anderen leeft, ofschoon ik vrienden en een naam en, ik durf zeggen, talenten bezit, die mij van nut zouden zijn, indien ik er lust toe gevoelde. Doch let wel, dat ik dien lust niet bezit. Waarschijnlijk zal ik op mijn zolderkamertje in eenzaamheid sterven. In mijn jongen tijd heb ik mij zelven aan dat lot vastgekluisterd. Wil ik u eens vertellen wat mij jaren geleden belangstelling voor Arthur deed opvatten en mij genegenheid voor hem inboezemde zoodra ik hem zag? De studenten van ons College te Oxbridge wisten te verhalen van die vroegere geschiedenis met de actrice te Chatteries, over wie Pen mij later zoo dikwijls onderhouden heeft, en die, zonder het beleid van den majoor, op dit oogenblik uwe schoondochter had kunnen zijn, mevrouw. Ik kan Pen thans in de duisternis niet zien, maar ik ben zeker dat hij er om bloost, en ik houd het er voor, dat jufvrouw Bell het ook doet; en mijn vriend majoor Pendennis lacht zeker, zooals hij wel doen mag, want – hij won het spel. Wat zou Arthur’s lot thans zijn, indien hij op zijn negentiende jaar verbonden ware geworden aan een onbeschaafde vrouw, die ouder was dan hij, terwijl zij met elkander geen hoedanigheden gemeen hadden, die den een tot een geschikt gezelschap voor de andere maakte, geen gelijkheid van stand, geen vertrouwen, geen liefde? Wat had hij anders kunnen zijn dan diep rampzalig? En toen hij zoo even van eene soortgelijke verbintenis sprak en daarmee dreigde, kunt gij zeker zijn dat dit eene bedreiging was, die uit zijn toorn voortsproot, hetgeen gij mij wel zult veroorloven te zeggen, mevrouw, dat van zijn kant zeer natuurlijk was, want na zijn edel en moedig gedrag, – laat ik, die zeer goed met den loop der zaak bekend ben, zeggen, dat het hoogst edel en moedig was en van groote zelfverloochening getuigde, wat zeldzaam bij hem is, – heeft hij van sommige zijner betrekkingen eene zeer kwetsende verdenking moeten ondergaan en heeft hij zich over de onheusche behandeling van een andere onschuldige te beklagen gehad, aan wie gij allen groote verplichting hebt, evenzeer als hij.”

Op deze woorden wilde de weduwe opstaan, en Warrington, die hare poging om op te staan zag, vroeg: „Verveel ik u, mevrouw?”

„O neen – ga voort – ga voort!” zeide Helena met opgeruimde stem, waarop Warrington zijn verhaal vervolgde.

„Hij beviel mij, begrijpt gij, om die gebeurtenis uit zijn vroeger leven, die mij aan de academie ter oore gekomen was, en omdat ik achting koester voor een man – indien gij mij veroorlooft dit te zeggen, jufvrouw Laura – die het bewijs levert, dat hij een innige – al is het ook onberedeneerde – liefde voor eene vrouw kan koesteren. Dat was de reden waarom wij vrienden werden – en hier allen vrienden zijn – voor altijd, niet waar?” liet hij er zachter op volgen, terwijl hij zich tot haar overboog, „en Pen heeft veel troost opgeleverd en is een gewenscht gezelschap geweest voor een verlaten en ongelukkig man.

„Begrijpt mij wel, dat ik mij niet over mijn lot beklaag; want niemands lot is juist zooals hij het wenschen zou; en daar boven op mijn zolderkamertje, waar gij die bloemen hebt achtergelaten en ik mijn oude boeken en mijne pijp tot vrouw heb, ben ik tamelijk tevreden, en benijd ik slechts nu en dan andere mannen, die een schitterender levensloop hebben, of die hun tegenspoed kunnen temperen door datgeen, waarvan het noodlot en mijn eigen schuld mij beroofd heeft, – namelijk de genegenheid van eene vrouw, of een kind.” Op dit oogenblik liet zich in Warrington’s nabijheid uit de duisternis een zucht hooren en werd er eene hand naar hem uitgestoken, die zich echter dadelijk weer terugtrok, want onze dames zijn zoo preutsch, dat men haar leert aan haar zelve en de welvoeglijkheid te denken en bij de geringste aanleiding te blozen, voordat zij aan eenig gevoel lucht geven, of eenige vriendelijkheid of achting mogen betoonen. De zedigheid stuitte natuurlijk, gelijk betaamde, die natuurlijke opwelling en stelde zich in postuur; het vriendschappelijk gevoel deinsde terug en Warrington hervatte zijn verhaal. „Mijn lot is gelijk ik het gemaakt heb, en het is niet gelukkig voor mij, noch voor anderen, die er in betrokken zijn.

„Ook ik had een avontuur, eer ik naar de academie ging; en er was niemand om mij te redden zooals de majoor Pen gered heeft. Vergeef mij, jufvrouw Laura, dat ik deze geschiedenis ten uwen aanhoore vertel. Het is wenschelijk, dat gij allen mijne bekentenissen verneemt. Voordat ik naar de academie ging, als knaap van achttien jaren, woonde ik bij een huisonderwijzer, en daar vatte ik, evenals Arthur, genegenheid op – ten minste ik verbeelde mij dit – voor eene vrouw van veel lager stand en veel hooger leeftijd dan ik. Gij schrikt voor mij terug –”