Part 42
„Nu gaan zij elkander nog meer in de wielen rijden,” zeide Warrington, toen Pen den brief gelezen had. „Bungay en Bacon haten elkander als de pest; ieder hunner heeft de zuster van den ander getrouwd, en vroeger waren zij de innigste boezemvrienden en compagnons. Hack zegt, dat het mevrouw Bungay is, die al het kwaad tusschen hen beiden gesticht heeft, terwijl Shandon, die veel voor Bungay werkt, zegt, dat het de schuld van mevrouw Bacon is; ik, voor mij, weet niet wie gelijk heeft: het is oud lood om oud ijzer. Maar sedert zij hunne vennootschap ontbonden hebben, voeren die twee uitgevers een verwoeden oorlog met elkander. Nauwelijks zendt de een een reisverhaal, een bundel verzen, een magazijn of een vierendeeljaars-, maandelijksch-, wekelijksch- of jaarlijksch-tijdschrift in het licht, of zijn mededinger komt met iets dergelijks in het veld. Ik heb den armen Shandon met de grootste pret hooren vertellen, hoe hij Bungay bewogen had een groot diner te Blackwall aan al zijne schrijvers te geven, door hem te vertellen, dat Bacon zijn corps op eene partij te Greenwich genoodigd had. Toen Bungay uw beroemden vriend Wagg had aangenomen tot redacteur van den Londenaar, haastte zich Bacon dadelijk om mijnheer Grindle over te halen zijn naam aan het Westminster Magazijn te leenen. Toen Bacon den comischen Ierschen roman Barney Brallaghan uitgaf, reisde Bungay dadelijk naar Dublin en kwam met zijne dolle Hibernische vertelling Looney Mac Twolter voor den dag. Toen doctor Hicks zijne Omzwervingen door Mesopotamië in het licht zond bij Bacon, ondernam Bungay professor Sandiman’s Onderzoekingen in de Sahara. Bungay geeft nu zijne Pall Mall Gazette uit, als een tegenwicht tegen Bacon’s Whitehall Review. Wij zullen eens iets naders van de Gazette gaan hooren. Wellicht is daarbij een plaatsje voor u te krijgen. Pen, mijn beste jongen. Wij moeten Shandon gaan opzoeken; hij is altijd thuis.”
„Waar woont hij?” vroeg Pen.
„In de Fleet-gevangenis,” antwoordde Warrington. „En hij is er ook zeer goed thuis; hij is daar koning.”
Pen had deze phase van het Londensche leven nog nooit gezien en trad met groote belangstelling de grijnzende poort van het sombere gebouw binnen. Zij gingen de voorzaal door, waar de beambten en bewaarders gezeten waren, en kwamen door een klein poortje in de gevangenis. Pen werd getroffen en in spanning gehouden door het gedruis en de menschenmenigte, het leven, het geschreeuw, de woeligheid en de armoede, die er heerschten. De menschen liepen onophoudelijk en rusteloos heen en weer, gelijk de dieren in de hokken eener menagerie. Mannen speelden op de plaats stuivertje-wisselen. Anderen wandelden en stampten op en neer; de een was in gesprek met zijn advocaat in een kalen zwarten rok; de ander wandelde droevig voort met zijne vrouw aan zijne zijde en een kind op zijn arm. Sommigen waren in havelooze kamerjaponnen gehuld en hadden een voorkomen van verloopen fatsoen. Iedereen scheen bezig te zijn en het druk te hebben en op het punt te staan van te verhuizen. Het was Pen alsof hem de keel toegesnoerd werd, en alsof men hem er nimmer weer uit zou laten, nu de deur achter hem gesloten was.
Zij gingen een plein over en eene steenen trap op, en door gangen vol menschen, vol gedruis, vol vallichten, waar allerwege zwarte deuren toegeslagen werden en galmden. Pen had een gevoel, zooals men in een koortsigen droom in den vroegen morgen kan hebben. Eindelijk zeide de kleine jongen, die Shandon’s brief had gebracht, en die hen onder het eten van appelen door de Fleet Street was gevolgd en hun den weg door de gevangenis had gewezen: „Dit is de deur van den kapitein,” waarop Shandon’s stem hen verzocht binnen te komen.
Ofschoon de kamer kaaltjes was, zag ze er niet onpleizierig uit. De zon scheen door het venster, waarbij eene dame zat te werken, die eenmaal schoon en opgeruimd was geweest, maar wier verwelkt gelaat nog altijd vriendelijk en vol uitdrukking was. Dit trouwe schepseltje aanbad haar man, in weerwil van al zijne gebreken en door eigen schuld veroorzaakte tegenspoeden en ongelukken, en hield hem voor den besten en knapsten der mannen, gelijk hij ook inderdaad een der goedhartigste was. Niets scheen ooit in staat, zijn opgeruimd humeur te verstoren: noch schulden, noch schuldeischers, noch ellende, noch de flesch, evenmin als het rampspoedige lot zijner vrouw of de vernietigde vooruitzichten zijner kinderen. Hij hield, op zijne manier, dol veel van zijne vrouw en de kleintjes; hij had altijd de zoetste woordjes en glimlachjes voor hen ten beste en bracht hen met de grootste liefde ten verderve. Hij kon zich zelven noch iemand anders een genoegen ontzeggen, dat met geld te koopen was; hij zou zijne laatste guinje met Piet en Klaas gedeeld hebben en men kon zeker zijn, dat hij een zwerm van dergelijke aanhangers bezat. Hij endosseerde de wissels van iedereen en betaalde nooit zijne eigene schulden. Hij was bereid voor elke partij te schrijven en zich zelven of een ander met gelijke onverschilligheid aan te tasten. Hij was een der geestigste, beminnelijkste en onverbeterlijkste der Ieren. Als men Charles Shandon eenmaal gezien had, moest men van hem houden, en zelfs degenen, die hij in ellende stortte, konden bezwaarlijk boos op hem zijn.
Toen Pen en Warrington binnentraden, zat de kapitein (die eenmaal bij een Iersch militieregiment gediend en daarvan nog den titel behouden had) in eene gescheurde kamerjapon op het bed, met een lessenaartje op zijne knieën, waarop hij iets schreef, zoo snel als zijne vlugge pen vliegen kon. De eene natbeschreven strook papier na de andere viel van den lessenaar op den grond. Boven zijn bed hing eene schilderij, met de portretten zijner kinderen, van welke het jongste, een meisje, door de kamer kroop.
Tegenover den kapitein zat mijnheer Bungay, een gezet man met een dom uitzicht, met wien het kleine meisje een gesprek trachtte aan te knoopen.
„Pa is heel knap, zegt ma,” zoo sprak het kind.
„Ja! heel knap,” zeide Bungay.
„En u is heel rijk, meneer Bundy,” kreet het kind, dat nog ternauwernood duidelijk kon spreken.
„Marie!” riep mama van haar werk.
„O, laat haar maar praten,” zeide Bungay met een zwaren lach; „laat haar zeggen dat ik rijk ben – hi, hi! – ja, ik ben vrij goed af, mijn schatje.”
„Als u rijk is, waarom haalt ge dan pa hier niet uit?” vroeg het kind.
Op deze woorden begon mama hare oogen af te wisschen met het werk, waaraan zij bezig was. (De arme dame had gordijnen voor de vensters gehangen, de schilderij der kinderen hier gebracht en boven het bed geplaatst, en nog enkele pogingen gedaan om het vertrek wat op te knappen). Mama begon dus te schreien; mijnheer Bungay werd rood en keek knorrig uit zijne kleine, roode oogen; Shandon’s pen ijlde voort, en op dit oogenblik klopten Pen en Warrington aan.
Kapitein Shandon zag van zijn arbeid op en zeide: „Hoe vaart ge, mijnheer Warrington? Binnen ééne minuut ben ik tot uw dienst. Gaat zitten, heeren, als gij ten minste plaats kunt vinden,” en voort ging de pen weer.
Warrington trok een ouden koffer vooruit – de eenige bruikbare zitplaats – en zette zich, na eene buiging tegen mevrouw Shandon en een knikje tegen Bungay, daarop neer; het kind kwam bij Pen staan en keek hem aandachtig aan; en na een paar minuten hield het krassen op; Shandon wierp zijn lessenaartje op zijde en bukte om de papieren op te rapen.
„Ik geloof dat dit wel voldoen zal,” sprak hij. „Het is het prospectus voor de Pall Mall Gazette.”
„En hier is het geld er voor,” zeide Bungay, terwijl hij een bankje van vijf pond neerlegde. „Ik ben een man van mijn woord, al zeg ik het zelf. Als ik gezegd heb, dat ik betalen zal, dan doe ik het ook.”
„Nu, dat is meer dan sommigen zeggen kunnen,” zeide Shandon en stak het bankje gretig op.
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DAT IN DEN OMTREK VAN LUDGATE HILL SPEELT.
Onze gekerkerde kapitein verkondigde in zijn prospectus, in kernachtige en bezielde taal, dat de gentlemen van Engeland eindelijk de noodzakelijkheid gevoeld hadden, om zich te vereenigen tot verdediging van hunne gemeenschappelijke rechten en van hun roemrijken maatschappelijken stand, thans van alle zijden bedreigd door buitenlandsche omwentelingen, radicale woelingen binnenslands, sluwe lasteringen van fabrikanten en katoenlords, en de domme vijandigheid der volksmassa’s, die zij misleidden en aanvoerden. „De oude monarchie,” zeide de kapitein, „werd aangerand door een verwoed republikeinsch gepeupel. De kerk werd verzwakt door den afval van wangunstigen en tersluiks ondermijnd door het ongeloof. De gezegende instellingen, die ons land met roem bekransd en den naam van „Engelsch gentleman” tot den aanzienlijksten in de wereld gemaakt hadden, bleven zonder bescherming en werden overgelaten aan de aanvallen en den smaad van menschen, die niets heiligs ontzagen, omdat zij in niets heiligs geloofden; die geene geschiedenis eerbiedigden, omdat zij te onkundig waren om van het verledene gehoord te hebben; en die zich door geene wet lieten binden, welke zij sterk genoeg waren te verbreken, zoodra hunne aanvoerders het sein tot plundering geven. Omdat de koningen van Frankrijk hunne gentlemen wantrouwden, ging de monarchie van den Heiligen Lodewijk te gronde,” deed mijnheer Shandon opmerken; „omdat het volk van Engeland nog in zijne gentlemen geloofde, bood dit land niet alleen het hoofd aan den geduchtsten vijand, dien eene natie ooit had gehad, maar het overwon hem; omdat de Engelschen door gentlemen werden aangevoerd, moesten de adelaars van de Douro tot de Garonne voor hen terugwijken. Het was een gentleman, die door de vijandelijke slagorde te Trafalgar brak, en een ander, die de vlakte van Waterloo schoonveegde.”
Bungay knikte op veelbeteekenende wijze en knipoogde toen de kapitein aan die zinsnede betrekkelijk Waterloo kwam, terwijl Warrington daarentegen in lachen uitbarstte.
„Gij ziet hoe onze geachte vriend Bungay aangedaan is,” zeide Shandon, met een schelmschen blik van zijne papieren opziende; „dat is de proef op de som. Ik heb den hertog van Wellington en den slag van Waterloo wel honderdmaal te pas gebracht, en nog nooit is het mij gebeurd, dat de hertog den gewenschten indruk niet maakte.”
De kapitein bekende verder met de meeste openhartigheid, dat de gentlemen van Engeland, in het volle vertrouwen op hun goed recht en zonder zich te bekommeren om degenen, die er aan twijfelden, tot nog toe de staatkundige belangen van hun stand, evenals het bestuur van hunne landgoederen of de regeling hunner rechtszaken, hadden overgelaten aan personen, welke opzettelijk met dat werk belast waren, en dus hunne belangen in de pers hadden laten voorstaan door de woordvoerders en verdedigers van beroep. Die tijd verklaarde Shandon nu te beschouwen als voorbijgegaan: de gentlemen van Engeland moesten hunne eigene kampvechters zijn. De verklaarde vijanden van hun stand waren dapper, machtig, talrijk en zonder genade. De gentlemen moesten thans die vijanden openlijk te keer gaan, zij moesten niet belachen en in een verkeerd daglicht geplaatst worden door gehuurde pennen; voor hen behoefden geen broodschrijvers Gazetten van Whitehall uit te geven; „dat is een steek op Bacon’s volk, mijnheer Bungay,” zeide Shandon tegen zijn uitgever.
Bungay stampte met zijn stok op den vloer, „Sla daarop los, raak hem, kapitein!” riep hij in vervoering uit, en zijn dommen kop heviger dan ooit schuddende, zeide hij tegen Warrington: „Als men een moorddadig artikel moet hebben, mijnheer, kan geen mensch het den kapitein verbeteren – geen mensch!”
De steller van het prospectus berichtte vervolgens, dat eenige gentlemen, wier namen, om licht te bevroeden redenen, niet konden bekend gemaakt worden (waarop Warrington weer begon te lachen), besloten hadden een dagblad op te richten, dat die en die beginselen zou voorstaan. „Die mannen zijn fier op hun stand en zullen alles inspannen om hem in eere te houden,” riep kapitein Shandon uit en zwaaide zijn papier met een grijns heen en weer. „Uit innige overtuiging en op het voetspoor hunner voorouders, zijn zij trouw aan hun vorst; zij hebben hunne kerk lief, waar zij hopen dat hunne kinderen zullen knielen en voor welke hunne voorvaderen hun bloed vergoten hebben; zij beminnen hun vaderland en wenschen het te doen blijven wat de gentlemen van Engeland, – ja, de gentlemen van Engeland (wij zullen dat met vette letters laten zetten, Bungay mijn jongen)! – wat de gentlemen van Engeland er van gemaakt hebben: het grootste en vrijste land ter wereld; en gelijk de namen van sommigen hunner onder het charter staan, waarbij onze vrijheden bevestigd werden te Runnymede –”
„Wat is dat?” vroeg mijnheer Bungay.
„Een mijner voorouders bezegelde het met den knop van zijn zwaard,” zeide Pen met de grootste deftigheid.
„Het is de Habeas Corpus acte, mijnheer Bungay,” zeide Warrington, waarop de uitgever antwoordde: „O, dan zal het wel goed zijn,” en geeuwde, maar zeide nog: „Ga voort, kapitein.”
„– te Runnymede, zoo zijn zij ook nog heden bereid die vrijheid met zwaard en pen te verdedigen, en nu nog, gelijk toenmaals, als één man pal te staan voor de oude wetten en vrijheden van Engeland.”
„Bravo!” riep Warrington uit. Het kleine kind stond nog vol verbazing te kijken; Shandon’s vrouw werkte in stilte voort en zag haar man met bewondering aan. „Kom eens hier, Marietje,” zeide Warrington en liet de fraaie lokken van het kind door zijne groote hand glijden. Maar de kleine deinsde voor zijne ruwe liefkoozingen terug, en ging liever haar heil zoeken aan Pen’s knieën, om met zijn mooien horlogeketting te spelen; en het behaagde Pen wel, dat zij bij hem kwam, want hij was zeer weekhartig en eenvoudig, ofschoon hij zijne zachtheid onder een schuw en deftig uiterlijk verborg. Het kind klom dus op zijn schoot, terwijl haar vader voortging met de voorlezing van zijn programma.
„Straks hebt gij gelachen, toen ik van die „licht te bevroeden redenen” sprak,” zeide de kapitein tegen Warrington. „Nu zal ik u laten hooren wat die redenen zijn, ongeloovige heiden!” – „Wij hebben gezegd,” ging hij voort, „dat wij de namen der bij deze zaak betrokken personen niet kunnen noemen, en dat er gegronde redenen voor die geheimhouding bestaan. Wij bezitten invloedrijke vrienden in de beide huizen van het Parlement en hebben ons bondgenooten in alle diplomatische kringen van Europa weten te verschaffen. De bronnen, waaruit wij onze berichten zullen putten, zijn van dien aard, dat zij onmogelijk publiek kunnen gemaakt worden; geen ander blad te Londen, of in Europa, zou ze, langs welken weg ook, tot de zijne kunnen maken. Wat wij echter zeggen mogen, is dit: dat men de eerste berichten over hetgeen er in Engeland of op het vasteland op staatkundig gebied voorvalt, alleen in de kolommen der Pall Mall Gazette zal aantreffen. De staatsman en de kapitalist, de landedelman en de godgeleerde zullen tot onze lezers behooren, omdat wij onze medewerkers onder hen tellen. Wij richten ons tot de hoogere standen der maatschappij; wij willen het niet ontkennen: de Pall Mall Gazette wordt door gentlemen voor gentlemen geschreven; hare schrijvers spreken tot de klassen, onder welke zij leven en geboren zijn. De veldpredikers hebben hun blad, de radicale vrijdenkers hebben het hunne: waarom zouden de gentlemen van Engeland geen eigen orgaan bezitten?”
Zeer bescheiden weidde mijnheer Shandon vervolgens uit over de letterkundige en fashionabele rubrieken van de Pall Mall Gazette, die door gentlemen van erkende verdiensten zouden bezorgd worden, – mannen, die zich met roem hadden overladen aan de academie (bij die zinsnede kon Pendennis een lach en een blos ternauwernood onderdrukken), die bekend waren in de clubs, en die tot de kringen behoorden, van welke zij verslag zouden geven. Aan degenen, die advertentiën te plaatsen hadden, gaf hij op eene fijne wijze te verstaan, dat geene andere courant aan de artikelen, welke zij te koop aanboden, zulk eene uitgebreide bekendheid zou kunnen verschaffen als de Pall Mall Gazette; en eindelijk deed hij een welsprekend beroep op de pairs van Engeland, de baronets van Engeland, de geëerde geestelijkheid van Engeland, de rechtsgeleerden van Engeland, de moeders, dochters, huizen en haardsteden van Engeland, om de goede oude zaak te ondersteunen, en toen de voorlezing afgeloopen was, ontwaakte Bungay uit een tweede dutje, dat hij zich veroorloofd had, en zeide andermaal dat het heel goed was.
Na deze kennisneming van het prospectus handelden de heeren over eenige bijzonderheden betreffende de staatkundige en letterkundige leiding van het blad, terwijl Bungay daarbij zat te luisteren en te knikken, alsof hij iets van het gesprek begreep en de geopperde inzichten goedkeurde. Bungay’s eigen inzichten waren inderdaad zeer eenvoudig. Hij hield het er voor, dat de kapitein de knapste man in Engeland was, om een moorddadig artikel te schrijven. Hij wenschte zijn concurrent Bacon te „vermoorden,” en dat kon, naar zijne meening, de kapitein doen. Indien de kapitein een brief van Junius op een stuk papier overgeschreven, of den catechismus gekopieerd had, zou mijnheer Bungay uitstekend voldaan zijn geweest en het stuk als een moorddadig artikel beschouwd hebben. Hij stak dus de papieren met het grootste welgevallen in zijn zak, en betaalde er niet alleen voor, gelijk wij gezien hebben, maar riep zelfs de kleine Marie en gaf haar een stuiver toen hij heenging.
Toen de voorlezing van het manuscript afgeloopen was, begon het gezelschap een algemeen gesprek te voeren, waarbij Shandon eene luchtige voornaamheid aan den dag legde, als een compliment aan de beide vreemden, die bij hem zaten en die hij naar hun voorkomen en manieren als leden van den beau monde beschouwde. Hij wist inderdaad zeer weinig van de groote wereld, maar hij had iets daarvan gezien en trok van die kennis zooveel mogelijk partij. Hij sprak van de meest bekende personen en van de aanzienlijkste onder de groote lui met gemak en gemeenzaamheid en maakte schertsende toespelingen op hen, alsof hij dagelijks met hen omging. Hij verhaalde anekdotes uit hun bijzonder leven en gesprekken, die hij gevoerd, en sprak van partijen, die hij bijgewoond had en waarop dit en dat gebeurd was. Het vermaakte Pen, den kalen gevangene in de gescheurde kamerjapon met zulk eene radheid van tong over de grootsten des lands te hooren spreken. Mevrouw Shandon was er altijd mee ingenomen als haar man die verhalen deed en geloofde ze allen gaarne. Voor zich zelve had zij geen verlangen om in de voorname wereld te verkeeren, want daar was zij niet knap genoeg voor; maar die groote wereld was de ware plaats, waar haar Charles behoorde te zijn; hij schitterde daar, hij was daar in aanzien. Werkelijk was Shandon eens bij den graaf van X. op het diner genoodigd, en zijne vrouw had de invitatie-kaart altijd als een schat in haar werkdoosje bewaard.
Mijnheer Bungay had spoedig van dat gesprek genoeg en stond op om afscheid te nemen, waarop Warrington en Pen ook opstonden om met den uitgever mee te gaan, ofschoon de laatste nog wel wat langer had willen blijven, om met het gezin, dat hem belangstelling inboezemde en zijne deelneming opwekte, nader kennis te maken. Hij mompelde iets van de hoop, dat hij zijn bezoek nog eens zou mogen hervatten, waarop Shandon met een pijnlijk glimlachje antwoordde, dat hij altijd thuis was en het hem veel eer zou zijn mijnheer „Pennington” te ontvangen.
„Ik zal u tot aan het hek mijner buitenplaats uitgeleide doen, heeren,” zeide de kapitein terwijl hij zijn hoed opnam, in weerwil van een smeekenden blik en den flauwen uitroep: „Charles!” van mevrouw Shandon. Op afgedragen pantoffels slofte de kapitein vóór zijne gasten uit en voerde hen door de sombere gangen der gevangenis. Hij voelde reeds in zijn vestzak waar Bungay’s bankbiljet geborgen was, toen hij aan het poortje van de drie heeren afscheid nam, van welke één, en wel mijnheer Arthur Pendennis, zich aanmerkelijk verlicht gevoelde, toen hij uit dat akelige gebouw was en wederom in vrijheid het plaveisel van Farringdon Street betrad.
Mevrouw Shandon ging droevig met haar werk voort aan het venster, dat uitzicht had op het binnenplein. Zij zag Shandon met een paar mannen achter zich haastig naar de cantine der gevangenis loopen. Zij had gehoopt, dat hij dien dag bij haar zou blijven eten; er was een stuk vleesch voorhanden en op de richel aan de buitenzijde van het venster stond eene kom met wat salade; ditmaal had zij verwacht, dat hij met haar en de kleine Marie zou deelen. Maar daarop bestond thans geen kans meer. Hij zou in de cantine blijven zitten tot het uur van sluiting kwam; vervolgens zou hij op de kamer van een ander gaan kaartspelen of drinken, en eindelijk, in zich zelven gekeerd, met verglaasde oogen en een weinig onvast in zijn gang terugkomen, om verder door zijne vrouw verzorgd te worden. O, wat doen wij onze vrouwen toch verschillende soorten van kwellingen aan!
Mevrouw Shandon ging dus nu naar haar kastje en zette wat thee, in plaats van een maal te gebruiken. Wat heeft die arme trekpot, sedert den tijd toen de opbeurende theeplant bij ons werd ingevoerd, tallooze malen de rol van vertrouweling gespeeld bij die verschillende soorten van pijn, waarvan wij zoo even spraken! Men kan zich verzekerd houden, dat myriaden vrouwen er bij zitten weenen. Bij hoeveel ziekbedden heeft hij staan dampen! Hoeveel koortsige lippen hebben er verfrissching uit ontvangen! De natuur had medelijden met de vrouwen, toen zij de theeplant schiep; en hoeveel tafereelen en groepen kan de verbeelding zich niet met een weinig nadenken voorstellen en rondom den trekpot en de kopjes rangschikken! Melissa en Sacharissa bespreken daarbij hare hartsgeheimen. De arme Polly heeft den trekpot en de brieven van haar minnaar op de tafel, de brieven van hem, die nog gisteren haar minnaar was, toen zij er uit blijdschap, niet uit wanhoop, bij schreide. Marie treedt op hare teenen moeders slaapkamer binnen en brengt een kop van den vertroostenden drank aan de weduwe, die niets anders gebruiken wil. Ruth zet bezorgd de thee voor haar man, die van den veldarbeid thuis komt. Men zou eene gansche bladzijde met dergelijke tooneelen kunnen vullen. Kortom, mevrouw Shandon en de kleine Marie zetten zich neder en drinken thee met elkander, terwijl de kapitein uitgaat en zijn vermaak zoekt. Zij verlangt niets anders, als haar man er niet bij is.
Een heer, met wien wij reeds oppervlakkig bekend zijn, mijnheer Jack Finucane, een stadgenoot van kapitein Shandon, vond diens vrouw en de kleine Marie (voor wie hij altijd iets lekkers meebracht) aan de thee. Jack beschouwde den kapitein als het grootste genie op het wereldrond; Finucane was een paar malen uit den nood geholpen door den goedhartigen verkwister, die altijd een vriendelijk woord en soms eene guinje, voor een vriend, die in het nauw zat, overhad. Hij deed daarom gaarne Shandon’s boodschappen en behandelde zijne geldelijke aangelegenheden met uitgevers en dagbladredacteurs, schuldeischers, leveranciers, houders van acceptatiën van den kapitein, en heeren, die in dat papier speculeerden; met een woord, hij nam de honderden kleine zaken waar van een Iersch heer, die in nood zit. Ik heb nog nooit een verarmd Iersch heer gezien zonder een adjudant van zijne eigen natie, die eveneens in geldelijke ongelegenheid verkeerde. Die adjudant heeft zelf weer ondergeschikten, die op hunne beurt weer insolvente volgelingen hebben. Zijn gansch leven hang marcheerde onze kapitein aan de spits van een haveloozen troep, die het lief en leed van zijn aanvoerder deelde.
„Ik wed een guinje, dat het bankbriefje van vijf pond niet lang in zijn bezit zal wezen,” zeide Bungay met het oog op den kapitein, toen hij met zijne metgezellen de gevangenis verliet. En de uitgever had zeer juist geoordeeld; want toen mevrouw Shandon de zakken van haar man nazag, vond zij slechts een paar shillings en eenige stuivers, als overschot van de ontvangst van dien morgen. Shandon had een pond sterling aan een zijner schuimloopers gegeven, een schapebout met aardappelen en bier aan een kennis in de armen-afdeeling der gevangenis gezonden, eene openstaande rekening betaald in de cantine, waar hij zijn bankbiljet gewisseld had, en aldaar een diner gebruikt met twee vrienden, aan wie hij later, bij het kaartspelen, ettelijke daalders verloren had; zoodat de avond hem even arm liet als de morgen hem gevonden had.