Part 33
Op dit oogenblik kwam Blanche met haar betooverendste lachje en lonkje hare lieve Laura verzoeken, de tweede partij te zingen van een duo. Laura was tot alles bereid wat genoegen kon geven en zette zich aan de piano; zoolang het duet duurde, bleef mijnheer Pynsent er bij staan luisteren, maar toen jufvrouw Amory alleen begon te zingen, ging hij weg.
„Wat is dat een aardig, rondborstig, lieftallig, welopgevoed meisje, Wagg,” zeide mijnheer Pynsent tegen een heer, die met hem van Baymouth was gekomen; „ik meen die lange met die krullen en die roode lippen – verbazend rood, niet waar?”
„En wat zegt gij van de dochter des huizes?” vroeg mijnheer Wagg.
„Die houd ik voor eene magere, schrale bedriegster,” zeide mijnheer Pynsent met de grootste openhartigheid. „Zij steekt hare schouders zoo hoog mogelijk uit hare japon, zij kan hare oogen niet stilhouden, en zij lacht en lonkt met evenveel gemaaktheid als eene Fransche kamenier.”
„Pynsent, pas op,” riep de ander, „daar staat iemand, die hooren kan wat ge zegt.”
„O, het is Pendennis van Bonifacius,” antwoordde mijnheer Pynsent. „Een mooie avond, mijnheer Pendennis; wij hadden het juist over uwe bekoorlijke nicht.”
„Zijt gij familie van mijn ouden vriend, majoor Pendennis?” vroeg mijnheer Wagg.
„Ik ben zijn neef en heb het genoegen gehad u op Gaunt House te ontmoeten,” zeide mijnheer Pen zoo voornaam mogelijk, – en in een oogenblik was de kennis tusschen de heeren gemaakt.
Den volgenden namiddag vond mijnheer Pen, die uit visschen was geweest en niets gevangen had, bij zijne terugkomst de beide heeren, die op Clavering Park logeerden, in zijn moeders gezelschapskamer in druk gesprek met de weduwe en hare pupil. De lange, schrale heer Pynsent, met zijne groote bakkebaarden en een geduchten haarbos aan zijne kin, zat zeer dicht bij jufvrouw Laura schrijlings op een stoel. Zijne eenvoudige, oprechte taal, soms luimig en scherp, en doormengd met studenten-uitdrukkingen, vermaakte haar. Het was het eerste exemplaar van een jongen Londenschen dandy, dat Laura ooit gezien of gehoord had; want zij was nog een kind toen mijnheer Foker op Fairoaks verscheen, en die geestige heer was ook niet veel meer dan een knaap, met het vernis van school en academie.
Toen mijnheer Wagg op Fairoaks kwam, nam hij alles nauwkeurig op. „Een oude tuinman,” zeide hij, toen hij Jan in het portiershuisje zag; „een oud rood livrei-vest – kleeren te drogen gehangen op de bessenstruiken – blauwe voorschooten, eene witte broek – wel, dat moet de witte broek van den jongen Pendennis zijn – niemand anders van de familie draagt er een. Een nog al min plaatsje voor een parlementslid in den dop, – hè, Pynsent?”
„Een aardig buitentje„” zeide mijnheer Pynsent; „een allerliefst grasperkje.”
„Is mijnheer Pendennis thuis, ouwe heer?” vroeg mijnheer Wagg aan den bejaarden bediende, die daarop antwoordde: „Neen, de jonge heer Pendennis is uit.”
„Zijn de dames thuis?” ging de jongste der bezoekers voort, waarop Jan van zijn kant antwoordde: „Ja, dat zijn ze.” Terwijl het tweetal over de zindelijke kiezelpaden en langs het nette plantsoen naar het bordes van het huis ging, waar Jan de deur opende, lette mijnheer Wagg op alles wat onder zijne oogen kwam: den barometer en den brievenzak, de paraplu’s en de overschoenen der dames, Pen’s hoeden en Schotsch geruiten reisdoek, en op Jan, die de deur der kamer opendeed, om de bezoekers binnen te laten. Zulke kleinigheden trokken Wags’s aandacht en hij merkte ze op in weerwil van zich zelven.
„Die ouwe doet al het werk,” fluisterde hij Pynsent toe; „het is een tweede Caleb Balderstone. Het zou mij niet verwonderen, als hij bovendien keukenmeid was.” Een oogenblik later bevonden beiden zich in tegenwoordigheid der dames van Fairoaks, welke Pynsent voor twee volmaakt goed opgevoede dames moest verklaren, terwijl mijnheer Wagg haar met sierlijke buigingen en overmatige beleefdheid begroette, maar nu en dan een veelbeteekenend knipoogje naar zijn vriend wierp. Mijnheer Pynsent toonde evenwel niet anders, dat hij dit merkte, dan door mijnheer Wagg zeer uit de hoogte en de dames uiterst voorkomend te behandelen. Zoo er iets bespottelijk was in het oog van Wagg, dan was het de armoede. Hij bezat het gemoed van een lakei, die uit de dienstbodenkamer is geroepen, om in de gezelschapszaal voor gek te spelen. Hij kende een overvloed van aardigheden en zijn hart was zoo kwaad niet; maar hij scheen niet te begrijpen, dat men een gentleman kon zijn ofschoon men een kalen rok droeg, of dat eene dame aanspraak op achting kon maken, indien zij er geen rijtuig, of geen Fransche modemaakster op na hield.
„Een heerlijk buitentje, mevrouw,” zeide hij met eene buiging tegen de weduwe; „een prachtig uitzicht. Het is een groot genot voor ons Londenaars, die zelden iets anders dan Pall Mall te zien krijgen.” Waarop de weduwe met de meeste eenvoudigheid antwoordde, dat zij slechts ééns in haar leven te Londen was geweest, en wel vóór de geboorte van haar zoon.
„Mooi dorp, mevrouw, mooi dorp,” ging mijnheer Wagg voort, „en met den dag breidt het zich uit. Het is geen kwaad gekozen woonplaats, als men, niet geheel buiten kan wonen, en het loont de moeite van een bezoek.”
„Mijn broeder, majoor Pendennis, heeft ons dikwijls van u gesproken,” zeide de weduwe, „en wij hebben ons van harte vermaakt met eenige van uwe geestige boeken, mijnheer.” Om de waarheid te zeggen, zij had nooit smaak kunnen vinden in de boeken van mijnheer, en zij keurde den toon, waarin die geschreven waren, geheel en al af.
„Het is een zeer goed vriend van mij,” antwoordde mijnheer Wagg met eene diepe buiging; „hij komt bijna overal, en waar hij komt, stelt men veel prijs op hem – dat verzeker ik u. Hij is nu met onzen vriend Steyne te Aken. Steyne heeft een tikje van de jicht weg en – maar dit blijft onder ons – dat heeft uw broeder ook. Ik ga naar Stillbrook om fazanten te schieten, en vervolgens naar Bareacres, waar ik Pendennis zeker wel ontmoeten zal;” en in dier voege ging hij voort met een vloed van mededeelingen uit de groote wereld, waarin hij de namen van een paar dozijn pairs wist te vlechten, en altijd doorpraatte, terwijl de onschuldige weduwe hem met stille verwondering zat aan te hooren. „Wat een man!” dacht zij; „zouden al de voorname lui te Londen op hem gelijken? Ik ben zeker, dat Pen nooit op hem gelijken zal.”
Onderwijl had mijnheer Pynsent het druk met jufvrouw Laura. Hij noemde eenige der buitenverblijven in den omtrek op, waar hij ging logeeren, en drukte de hoop uit, dat hij haar in sommige dier huizen zou mogen ontmoeten, en dat hare tante haar een seizoen te Londen zou laten doorbrengen. Als het volgende parlement moest bijeenkomen, verhaalde hij, zou hij zich in dit graafschap candidaat stellen, waarbij hij hoopte, dat Pendennis hem met zijn invloed zou ondersteunen. Hij sprak van den roem, dien Pen als redenaar te Oxbridge behaald had, en vroeg of hij ook zou trachten zich tot parlementslid te doen verkiezen? Op die wijze praatte hij zeer onderhoudend en tot Laura’s genoegen voort, totdat Pen zelf verscheen en, gelijk wij gezegd hebben, deze heeren bij de dames vond zitten.
Pen gedroeg zich jegens het tweetal, nu het eenmaal den weg naar zijne kwartieren gevonden had, zeer beleefd, ofschoon hij zich met zekeren angst een gesprek te Oxbridge herinnerde, in tegenwoordigheid van Pynsent gevoerd, waarbij hij, na eene uitvoerige discussie in de debatteerclub en onder eene groote opgewondenheid – het gevolg van een souper met champagne – zijn voornemen had te kennen gegeven om zich in het graafschap, waar hij het levenslicht had aanschouwd, tot candidaat voor het parlement te stellen; zelfs had hij in eene sierlijke rede ronduit zijn dank betuigd als nieuwgekozen lid. Pynsent was echter zoo rond en hartelijk, dat Pen hoopte, dat de eerstgenoemde die kleine snoeverij en alle ander gezwets, waaraan hij zich wellicht had schuldig gemaakt, zou vergeten hebben. Hij voegde zich dus naar de manieren der bezoekers en sprak over Plinlimmon en Magnus Charters en de oude kennissen te Oxbridge met eene losse gemeenzaamheid en eene voorname luchtigheid, alsof hij elken dag met markiezen omging en een hertog voor hem niet meer dan een dorpsdominé te beteekenen had.
Maar toen onder dit gesprek zes uur geslagen was, kwam Betsy de meid, die niet wist, dat er vreemden waren, zonder andere inleiding dan dat zij de deur wijd openwierp, met het theeblad binnen, waarop drie kopjes met een trekpot en een bord met dikke boterhammen stonden. Op dit gezicht verdween al de voornaamheid van Pen, zoodat hij begon te stotteren en geheel van zijn stuk geraakte. „Wat zullen zij van ons denken?” was de vraag, die voor zijn geest oprees, en werkelijk stak Wagg de tong in de wang omdat hij die theepartij vreeselijk bespottelijk vond, en wenkte en knipoogde tegen Pynsent, om er diens aandacht op te vestigen.
Maar naar Pynsent’s oordeel was de zaak zoo natuurlijk mogelijk. Hij zag niet in, waarom men niet evengoed ten zes ure als op een ander uur thee zou drinken, als men dit verkoos, zoodat hij, toen zij terugkeerden, aan Wagg vroeg waarover hij, voor den drommel, zoo had zitten grinniken en grijnzen, en wat hij toch zoo grappig had gevonden?
„Hebt gij dan niet gezien, hoe de hokkeling zich over de dikke boterhammen schaamde? Ik wed, dat zij er stroop op gebruiken. Dat zal ik den ouden Pendennis eens vertellen, als wij te Londen terug zijn,” zeide mijnheer Wagg vol inwendig pleizier.
„Ik vat de aardigheid niet,” zeide mijnheer Pynsent.
„Dat had ik ook niet verwacht,” mompelde Wagg, waarop beiden tamelijk ontstemd naar huis wandelden.
Met sterke kleuren en verwonderlijke nauwkeurigheid in de bijzonderheden vertelde Wagg de geschiedenis aan het diner. Hij beschreef den ouden Jan, de kleeren die te drogen hingen, de overschoenen in de vestibule, en de huiskamer met hare meubelen en schilderijen: „Een ouwe heer met een haviksneus en een kaal hoofd, – ik wed twee tegen een, dat wijlen Pendennis er zoo uitzag; een levensgroot portret van een jonkman met baret en tabbaard, – natuurlijk de tegenwoordige markies van Fairoaks; de weduwe, als jeugdige schoonheid, in miniatuur. Bij onze komst had zij eene ouderwetsche japon aan en handschoenen, waarvan de vingertoppen waren afgesneden; zóó naait zij zeker de boordjes van haar zoon. De meid kwam binnen met de thee voor hun drieën en wij lieten hen dus bij hunne boterhammen.”
Blanche, die dicht bij hem zat en les hommes d’esprit aanbad, schaterde het uit van lachen en noemde hem een schalk van het eerste water. Doch Pynsent, die een geweldigen hekel aan hem begon te krijgen, zeide met luider stemme: „Ik weet niet, mijnheer Wagg, aan welk soort van dames gij in uwe eigen familie gewoon zijt, maar waarachtig, voor zooveel men naar eene eerste kennismaking oordeelen kan, heb ik nooit in mijn leven twee beter opgevoede vrouwen ontmoet, zoodat ik hoop, mama,” vervolgde hij tegen Lady Rockminster, die aan de rechterhand van Sir Francis Clavering zat, „dat gij haar een bezoek zult brengen.”
Sir Francis fluisterde tegen den gast aan zijne linkerhand: „Daar heeft hij Wagg mooi beet!” terwijl Lady Clavering den jongen edelman in verrukking een tikje met haar waaier gaf en hem met een lonk van hare zwarte oogen toevoegde: „Mijnheer Pynsent, gij zijt een juweel van een jongen.”
Na den twist met Blanche kon men in Laura’s toon tegenover haar neef een zeker verschil – hoe gering ook – waarnemen; iets weemoedigs, niet onvermengd met bitterheid. Zij scheen hem te wegen en óók te licht te bevinden; de weduwe zag hoe de heldere en openhartige oogen van het meisje soms op den jonkman gevestigd waren en bijna eene minachtende uitdrukking op haar gelaat verscheen als hij in de kamer bij de vrouwen lanterfantte, of vadsig op het grasperk liep te rooken, of onder een boom zat te suffen over een boek, waarvoor hij te lusteloos was om het te lezen.
„Wat is er tusschen u beiden voorgevallen?” vroeg de scherpziende Helena aan het meisje. „Er moet iets gebeurd zijn. Heeft die ondeugende Blanche kwaad gestookt? Vertel het mij toch eens, Laura.”
„Er is in het geheel niets gebeurd,” gaf Laura ten antwoord.
„Waarom kijkt gij Pen dan zoo aan,” vroeg diens moeder driftig.
„Hem aankijken, moedertje-lief?” hernam het meisje. „Wij vrouwen zijn geen gezelschap voor hem; hij stelt geen belang in ons; wij zijn niet knap genoeg voor zulk een genie als Pen. Bij ons verbeuzelt hij zijn leven en zijne krachten onder de pantoffel. Hij stelt nergens belang in en het is hem nauwelijks de moeite waard, het tuinhek uit te gaan. Zelfs kapitein Glanders en kapitein Strong vervelen hem,” liet zij er met een bitteren glimlach op volgen, „en dat zijn toch mannen en onze meerderen. Zoolang hij hier blijft, zal hij zich niet gelukkig gevoelen. Waarom gaat hij de wereld niet in, waarom kiest hij geen beroep?”
„Wanneer wij heel zuinig zijn, hebben wij genoeg daarvoor,” zeide de weduwe, wier hart sterk begon te kloppen. „Pen heeft in vele maanden niets uitgegeven. Het is een heel beste jongen, en ik ben overtuigd, dat bij zeer gelukkig met ons zou kunnen zijn.”
„Wind u niet op, moedertje-lief,” hernam het meisje. „Ik zie dat niet gaarne. Gij moet het u niet aantrekken, als Pen hier niet op zijn gemak is. Zoo zijn alle mannen. Zij moeten bezigheid hebben en naam in de wereld maken. Zie maar, die twee kapiteins hebben gevochten en zijn in den oorlog geweest; mijnheer Pynsent, dien wij hier hebben gehad en die eenmaal heel rijk zal zijn, is ambtenaar en werkt zeer hard, omdat hij wil vooruitkomen. Naar hij zegt, was Pen een der beste redenaars te Oxbridge en bezit hij zooveel talent als iemand onder de studenten. Pen zelf lacht om de beroemdheid van mijnheer Wagg (dien ik ook akelig vind) en zegt, dat hij een weetniet is en dat een boerenjongen zijne boeken zou kunnen schrijven.”
„Ik vind hem ook onuitstaanbaar en onbeschaafd,” merkte de weduwe aan.
„En toch heeft hij reputatie. – Zie de County Chronicle maar; die zegt: „De beroemde heer Wagg heeft zich te Baymouth opgehouden; onze groote lui en onze zonderlingen kunnen zich wel weer voorbereiden op iets van zijne satirieke pen.” Als Pen beter dan die heer schrijven en beter dan mijnheer Pynsent spreken kan, waarom doet hij het dan niet? Tegen ons kan hij geen redevoeringen houden, mama; hij kan zich hier niet onderscheiden. Hij moet weg van hier, – wezenlijk, dat moet hij!”
„Laura-lief,” zeide Helena, terwijl zij de hand van het meisje greep, „is dat nu lief van u, hem zoo te haasten? Ik heb de gelegenheid afgewacht en reeds vele maanden gespaard om – om u – uw voorschot terug te betalen.”
„Stil, moeder!” riep Laura uit, terwijl zij hare vriendin met drift omhelsde, „Het was mijn geld niet, maar het uwe. Spreek er nooit meer van! Hoeveel geld hebt gij opgespaard?”
Helena antwoordde, dat er meer dan tweehonderd pond in de bank stond en dat zij in het laatst van het volgende jaar in staat zou zijn alles af te betalen wat Laura geleend had.
„Geef hem die tweehonderd pond. Laat hem naar Londen gaan en advocaat of iets anders worden; laat hem zijne moeder – en de mijne, mama-lief, – waardig zijn,” sprak het goede meisje, waarop de teerhartige weduwe met hare gewone innigheid en aandoening verklaarde, dat Laura een schat voor haar was en dat er geen beter meisje bestond, – en in dit laatste opzicht vertrouw ik, dat niemand haar zal tegenspreken.
De weduwe had over dit punt nog meer dan één onderhoud met hare dochter en gaf aan de dringende redenen van het oprechte en standvastige meisje toe, want, als er door Helena een offer gebracht moest worden, dan was die lieve dame maar al te begeerig om het te doen. Maar zij volgde daarbij haar eigen weg en verloor, bij het mededeelen dezer nieuwe vooruitzichten aan Pen, het doel, waarnaar zij streefde, niet uit het oog. Op zekeren dag dus verhaalde zij hem, dat die plannen bestonden en dat het Laura was, die er op aangedrongen had, dat hij naar Londen zou gaan om te studeeren; dat Laura er niet van wilde hooren nu de geldelijke verplichtingen af te doen, die aangegaan waren toen hij van Oxbridge terugkwam; en eindelijk, dat het Laura was, die hij er voor danken moest, indien hij óók van meening was, dat hij naar Londen behoorde te gaan.
Bij die woorden begon Pen’s gelaat van genoegen te schitteren en drukte hij zijne moeder aan zijn hart met een vuur, hetwelk die liefhebbende vrouw, vrees ik, een beetje pijn deed; doch het werd haar weder goed, toen hij zeide: „Het is toch een edel meisje, en God Almachtig zal haar zegenen! O moeder, ik heb hier maanden lang gekwijnd en gesmacht naar werk, zonder te weten wat ik doen moest. De gedachte aan mijne schande, mijne schulden en mijne verwenschte buitensporigheden en dwaasheden heeft mij verpletterd. Ik heb helsche folteringen uitgestaan. Mijn hart is er half van gebroken, – maar dat doet er nu niet toe. Indien zich eene kans aanbiedt om het verledene uit te wisschen en mijne plichten jegens mij zelven en de beste der moeders te vervullen, dan zal ik die, op mijn woord, gretig aangrijpen. Ik zal mij uwer nog waardig betoonen. God zegene u en Laura! Waarom is zij niet hier? Dan zou ik haar mijn dank kunnen betuigen.” En zoo ging Pen onsamenhangend voort; hij liep de kamer op en neer, dronk het eene glas water na het andere, viel zijne moeder duizendmaal om den hals, begon te lachen en te zingen, en was blijder dan zij hem ooit gezien had sedert zijn jongelingsleeftijd en sedert hij geproefd had van dien ontzagwekkenden Boom des Levens, die sinds den beginne het gansche menschelijke geslacht in verzoeking heeft gebracht.
Laura was niet thuis, want zij logeerde bij de deftige Lady Rockminster, dochter van Lord Bareacres, zuster van wijlen Lady Pontypool, en bij gevolg verre familie van Helena, zooals de lady, die ver in de geslachtrekenkunde was, het eerst de beleefdheid had gehad, aan de bescheidene plattelandsbewoonster te herinneren. Pen was zeer verheugd, dat de familiebetrekking erkend werd, maar minder dat Lady Rockminster jufvrouw Bell voor een paar dagen meenam naar Baymouth, zonder de geringste uitnoodiging tot mijnheer Arthur Pendennis te richten. Er was te Baymouth een bal op til, waar jufvrouw Laura voor het eerst in het publiek zou verschijnen. De douairière kwam haar met het rijtuig af halen en zij vertrok met een wit balkleed in haar koffer, en blij en blozend, gelijk de roos, waarbij Pen haar vergeleek.
Het was thans de avond van het bal, eene publieke bijeenkomst in het Baymouth Hotel. „Te drommel!” zeide Pen: „ik ga er te paard heen. – Neen, ik ga niet te paard, maar ik zal er toch naar toe gaan!” Zijne moeder was verheugd dat hij gaan zou, en terwijl hij nog stond te beraadslagen met welk soort van rijtuig hij zich naar Baymouth zou begeven, kwam kapitein Strong als geroepen en verklaarde, dat hij ook ging, zijn paard Butcher Boy voor de sjees zou spannen en hem zou meenemen.
Wanneer het huis op Clavering Park vol aangenaam gezelschap was, vertoonde de chevalier Strong, die, gelijk zijn patroon zeide, nooit te dicht bij of te ver af was, zich zelden in dien kring, maar zocht elders zijne uitspanning. „Ik heb in mijn tijd groote diners genoeg bijgewoond,” zeide hij, „en aan eene tafel gegeten, waar een koning en een prins van den bloede aan het hooger- en aan het lagereind zaten en ieder gast ten minste zes ridderorden op zijn rok had; maar waarachtig, Glanders, ik heb geen pleizier in die deftigheid, en de Engelsche dames met hare verwenschte hoogheid en de landjonkers met hunne politieke gesprekken doen mij na tafel in slaap vallen; ik mag sterven, als het niet waar is! Ik zit liever ergens waar ik eene sigaar kan rooken na tafel en, als ik dorst heb, mijn bier in de kan krijg.” Wanneer het dus gala op Clavering Park was, vergenoegde zich de chevalier met het oppertoezicht over de inrichting van de tafel en met het drillen van den majordomo en de bedienden; doch na het menu met monsieur Mirobolant te hebben vastgesteld, verkoos hij niet het geringste deel aan het feestmaal te nemen. „Bezorg eene côtelet en eene flesch wijn op mijne kamer,” zeide onze philosoof en wierp uit de vensters van dat vertrek, hetwelk over het terras en de oprijlaan uitzag, een blik op het gezelschap, dat in zijne rijtuigen aankwam, of sloeg een oogje op de dames in de vestibule door een rond venstertje in zijn gang, dat in het voorhuis uitkwam. Als de gasten eindelijk aangezeten waren, stapte Strong het park door naar het huisje van kapitein Glanders te Clavering, of legde een bezoek bij de buffetjufvrouw in het Wapen van Clavering af, of zocht madame Fribsby bij haar roman en hare thee op. Waar de chevalier ook kwam, overal was hij welkom, en overal waar hij heenging, liet hij een geur van warmen brandewijngrog achter.
De Butcher Boy – geenszins het slechtste paard uit Sir Francis’ stal – was aan kapitein Strong tot zijn bijzonder gebruik toegekend; en de oude krijgsman reed er, onder den man of voor de sjees, op alle uren van den dag of den nacht mee uit en thuis, en rechts en links de omstreken door. Waar maar eene herberg was, die goed bier schonk, een heerenboer met eene mooie dochter, die piano speelde, – naar den schouwburg of de kazerne te Chatteries, naar alle pretjes, die er te Baymouth voorvielen, naar dorpskermissen en wedrennen, daarheen zag men den chevalier met zijn bruintje aanhoudend op weg, en die waardige krijgsman leefde als in een bevriend land op kosten der inwoners. De Butcher Boy bracht Pen en den chevalier spoedig naar Baymouth over. De laatstgenoemde was daar met het hotel en den kastelein even gemeenzaam bekend als met elk ander logement of koffiehuis in den omtrek, en nadat zij eene slaapkamer gekregen hadden, traden zij de balzaal binnen. De chevalier maakte een schitterend figuur; hij droeg drie kleine gouden kruisjes aan een gespje op de breede borst van zijn blauwen rok en zag er als een buitenlandsch veldmaarschalk uit.
Het bal was publiek en allerlei personen werden toegelaten of waren zelfs aangespoord om te komen, daar de jonge Pynsent wenschte, zich tot parlementslid voor het graafschap te doen verkiezen, en Lady Rockminster de beschermvrouw van het bal was. Aan het eene einde der zaal zou er eene quadrille voor de aristocratie zijn en stonden er afgezonderde banken voor de voorname lui. Heel dicht bij dat afgezonderde gedeelte verkoos de chevalier niet te komen (daar hij, naar zijn zeggen, om de „grooten” niet gaf); doch in het andere gedeelte der zaal kende hij iedereen, de dochters der wijnkoopers, herbergiers, zaakwaarnemers en boerenheeren, hare vaders en hare broeders, en met die allen wisselde hij handdrukjes.
„Wie is die man met dat blauwe lint en die ster met drie stralen?” vroeg Pen, een heer in het zwart met gefriseerd haar en een haarbosje aan de kin bedoelende, die, met den duim zijner ééne hand in het armsgat van zijn vest en in de andere zijne claque houdende, fier stond rond te kijken.
„Zoo waar ik leef, het is Mirobolant!” riep Strong uit, terwijl hij het van lachen uitschaterde. „Bonjour, chef! – Bonjour, Chevalier!”
„De la croix de juillet, Chevalier!” zeide de chef en legde de hand op zijne decoratie.