Part 24
Helena beefde in het binnenste harer ziel en Laura evenzeer. Laura was ondertusschen een aardig, bevallig, schoon meisje geworden, dat zich aan Helena vastklemde en de weduwe met hartstochtelijke genegenheid vereerde. Beide vrouwen gevoelden, dat de knaap veranderd was. Hij was niet langer de eenvoudige Pen van vroeger, die zoo vrijmoedig, zoo oprecht, zoo teeder was. Zijn gelaat droeg de sporen van zorg en smart, zijne stem klonk holler, zijn toon was meer sarcastisch. De zorg scheen hem te vervolgen; doch hij lachte eens wanneer zijne moeder hem onder handen nam en keerde hare angstige vragen met eene of andere spotternij af. Hij bracht ook niet veel van zijne vacantiën thuis door; meestal ging hij bij den een of anderen voornamen vriend logeeren, en dan verschrikte hij het eenvoudige paar vrouwen te Fairoaks door zijn verslag van de aanzienlijke huizen waar hij genoodigd was en door lords bij hun naam te noemen zonder hun titel.
De goede Henry Foker, die Arthur Pendennis in kennis had gebracht met die soort van jongelui aan de academie, van wier omgang en vriendschap zijn oom zooveel voordeel voor hem verwacht had; die Arthur tot het zingen van zijn eerste liedje op zijn eerste souper had uitgenoodigd; en die hem had voorgehangen in de Barmeciden-club, waarin alleen de voornaamste jongelui van Oxbridge werden toegelaten (zij bestond in Pen’s tijd uit zes edellieden, acht gentlemen-pensioners en twaalf der voornaamste burger-jongelui aan de academie), zag spoedig, dat hij in de voorname wereld van Oxbridge verre achtergelaten werd door den jongen groen; en daar hij een edelmoedige en brave kerel was, die geen greintje nijd in zijn hart koesterde, was hij buitengemeen verheugd over den opgang, dien zijn jonge beschermeling maakte, en bewonderde Pen even sterk als iemand dat doen kon. Hij was het, die Pen nu navolgde en zijne geestigheden rondvertelde, die zijne liedjes leerde, ze op minder aanzienlijke soupers zong en ze nooit te veel uit den mond van den begaafden jongen dichter zelven hooren kon, – want mijnheer Pen besteedde een groot gedeelte van den tijd, dien hij met veel meer vrucht aan de voortzetting zijner studiën had kunnen wijden, aan het opstellen van balladen, die hij, volgens academisch gebruik, op de partijen zong.
Het zou voor Arthur gelukkig zijn geweest, indien de goede Foker nog eenigen tijd aan de academie ware gebleven, want in weerwil van zijne levendigheid was hij een voorzichtig jongmensch, die Pen’s overhelling tot verkwisting dikwijls gestuit had. Maar Foker’s academische loopbaan duurde niet lang meer, nadat Arthur in Bonifacius was opgenomen. Ten gevolge van herhaalde oneenigheden met de academische autoriteiten moest mijnheer Foker de universiteit van Oxbridge ontijdig verlaten. Hij bleef, in strijd met de bevelen zijner academische overheden, de wedrennen op de naburige Hungerfordsche heide bijwonen. Men kon hem de kapel van het Collegie niet met de regelmatige vroomheid doen bezoeken, die de Alma Mater van hare kinderen eischt; opene karretjes, die een verfoeisel in de oogen der professoren en leeraren waren, maakten Foker’s grootste liefhebberij uit, en hij reed zoo roekeloos, richtte zooveel ongelukken aan en viel zoo dikwijls om, dat Pen van een toertje met hem altijd zeide: „gevaar behaagt.” En eindelijk toen mijnheer Foker op zijne kamer een dinertje gaf aan eenige Londensche vrienden, rustte hij niet voordat hij mijnheer Buck’s deur met vermiljoen geverfd had, waarbij hij op heeter daad betrapt werd door den proctor; en ofschoon de jonge Zwarte Gordel, de beroemde negerbokser, die een van mijnheer Foker’s geachte gasten was en den verfpot hield terwijl de jeugdige kunstenaar de deur met zijn schilderwerk versierde, twee bedienden van den proctor neervelde en wonderen van dapperheid verrichtte, deden die heldendaden mijnheer Foker meer kwaad dan goed; want de proctor had hem herkend en bovendien was hij met den kwast in de hand gegrepen, zoodat hij bij summier proces veroordeeld en van de academie weggejaagd werd.
De onderwijzer schreef daarover een zeer beleefden en gevoeligen brief aan Lady Agnes, houdende, dat iedereen met den jonkman ingenomen was, dat hij nooit iemand leed had gedaan, en dat de onderwijzer – wat hem betrof – zeer gaarne die jeugdige en schadelooze dartelheid zou vergeven hebben, indien alles niet ongelukkigerwijze algemeen bekend was geworden, zoodat men het voorgevallene onmogelijk door de vingers kon zien. Hij besloot met de vurigste wenschen voor het welzijn van den jonkman, en die wenschen waren ongetwijfeld oprecht gemeend, want wij weten, dat Foker van moeders kant uit eene adellijke familie afstamde en van vaders kant verscheidene duizenden ponden ’s jaars zou erven.
„Het komt er niet op aan,” zeide Foker, toen hij het gebeurde met Pen besprak; „een weinigje vroeger of later doet er niet toe. Ik zou weer gedropen zijn, dat weet ik; ik kan dat Latijn niet in mijn hoofd stampen, en mama zou haar verdriet dan met den volgenden cursus gehad hebben. De ouwe zal razen en tieren, dat weet ik zeer goed, – maar dan moet hij maar weer bedaren. Ik zal denkelijk buitenslands gaan, om mijn verstand door reizen te scherpen. Ja, ja, parley-voe is het wachtwoord, – Italië, en zoo voorts. Ik zal naar Parijs gaan, om te leeren dansen en mijne opvoeding te voltooien. Maar het is niet over mij zelven, dat ik bezorgd ben, Pen. Zoolang men bier blijft drinken, zie ik er geen bezwaar in: voor u, beste jongen, ben ik echter bang. Gij zijt te hard van stal geloopen, en, ik verzeker u, gij kunt dat niet volhouden. Ik zeg dat niet om de vijftig pond, die ik nog van u krijg – betaal die of betaal die niet, naar het u schikt, – maar ik heb het oog op uw dagelijksch leven, en, geloof mij, dat zal u te gronde richten. Gij leeft alsof het geld in de kous thuis onuitputtelijk ware. Gij moest geen diners geven, maar ze krijgen. Men stelt er prijs op, u in het gezelschap te hebben. Gij moest geen geld voor paarden schuldig zijn, maar de paarden van andere kerels berijden. Gij hebt even weinig verstand van het wedden als ik van de algebra; de kameraden zullen u uw geld afwinnen, als gij hun de gelegenheid daartoe geeft. Gij waagt u aan alles. Ik zag u verleden week écarteeren bij Trumpington, en daarna met de dobbelsteenen bezig, na dat souper bij Ringwood. Zij zijn u de baas, beste Pen, al spelen zij eerlijk, hetgeen ik niet zeg dat zij doen, evenmin als ik zeg, let wel, dat zij het niet doen. Maar ik zou niet met hen spelen. Gij zijt niet tegen hen opgewassen. Gij zijt niet zoo knap als zij. Het is alsof de Zwarte Gordel het opnemen wilde tegen Tom Spring; de Zwarte is een knap bokser, maar, bewaar me! zijn arm is niet lang genoeg om Tom te raken; en ik herhaal nog eens, gij waagt het met kerels, die u de baas zijn. Hoor eens! als gij mij beloven wilt nooit meer te wedden, noch een dobbelsteen of kaart aan te raken, dan scheld ik u de vijftig pond kwijt!”
Maar Pen antwoordde lachend, „dat, ofschoon het hem op dit oogenblik niet schikte dat geld te betalen, hij echter niet kwijtgescholden wilde hebben wat hij naar recht schuldig was,” en daarop namen Pen en Foker afscheid van elkander, de laatste niet zonder een angstig voorgevoel ten opzichte van zijn vriend, die, zijns inziens, snel voortholde op den weg des verderfs.
„Men moet met de wolven huilen,” zeide Pen vrij pedant, en liet daarbij eenige goudstukken in zijn vestzak rammelen, „Een bedaard spelletje écarté kan iemand, die tamelijk goed speelt, niet veel schaden. Ik ben veertien souvereinen rijker van Ringwood’s souper heengegaan; en waarlijk! ik kon dat geld goed gebruiken.” En daarop ging hij, na afscheid van den armen Foker genomen te hebben, die met stille trom en zonder de diligence uit Oxbridge te rijden, aftrok, een klein diner besturen, dat hij op zijne kamers zou geven, voor welke diners de kok van het Collegie, die eene groote achting voor mijnheer Pendennis koesterde, altijd bijzondere zorg droeg.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE WEG DES VERDERFS.
Korten tijd vóór mijnheer Foker’s vertrek uit Oxbridge was er in het Bonifacius-Collegie een heer gekomen, die vroeger, gelijk in het vervolg bleek, student aan de andere hoogeschool van Camford was geweest, welke hij wegens onaangenaamheden met het bestuur had moeten verlaten. Deze heer, Horace Bloundell geheeten, behoorde tot de oude Suffolksche familie Bloundell-Bloundell, – van Bloundell-Bloundell Hall in Bloundell-Bloundellshire, zooals de jonge snaken plachten te spotten; en zeker was het uit hoofde van die afkomst en omdat Dr. Donne, de directeur van het Bonifacius-Collegie, uit Suffolk geboortig en wellicht met dat geslacht verwant was, dat mijnheer Horace Bloundell in het Bonifacius-Collegie was opgenomen, na door St. George en twee andere Collegiën te zijn afgewezen. De familie Bloundell had eene rijke predikantsplaats te begeven, die mijnheer Horace gaarne hebben wilde; en daar hij bij een regiment dragonders stond toen zijn derde broeder, voor wien de plaats aanvankelijk bestemd was, ziek werd en stierf, besloot hij dadelijk de karmozijnen broek en de zwarte shako te verruilen tegen den zwarten rok en de witte das van een Engelschen dominé. De kleine ongelukjes te Camford brachten eenige stoornis in mijnheer Bloundell’s plannen; maar ofschoon de gewezen dragonder aldus op ééne plaats de nederlaag leed, liet hij zich niet ontmoedigen en trachtte hij elders de overwinning te behalen.
In den loop van Pen’s tweede studiejaar legde majoor Pendennis een kort bezoek bij zijn neef af, die hem met verscheidene zijner academie vrienden in kennis bracht, zooals met den innemenden en beleefden Lord Plinlimmon, den ronden en openhartigen Magnus Charters, den slimmen en geestigen Harland, den rijmoedigen Ringwood, die in de debatteerclub Prins Rupert werd genoemd uithoofde van zijne politieke gevoelens en de koelbloedigheid waarmee hij bokken schoot; met Broadbent, bijgenaamd Barebones Broadbent wegens zijne republikeinsche begrippen (hij behoorde tot eene afgescheiden familie te Bristol en was in het debat een echte Boanerges); en eindelijk met mijnheer Bloundell-Bloundell, die dadelijk zijne plaats onder de voornaamste jongelui aan de academie had ingenomen.
Ofschoon majoor Pendennis Harland’s Grieksche aanhalingen niet verstond, noch bijzonder ingenomen was met Broadbent’s dikke schoenen en onzindelijke handen, was hij echter wel in zijn schik met den vriendenkring, die zich rondom zijn neef geschaard had, en gaf hij zijne goedkeuring over al die jongelui te kennen, behalve over dien éénen, die zich het grootste gezag aanmatigde en het meest wilde toonen, dat hij een man van de wereld was.
Terwijl de majoor den morgen na de partij op Pen’s kamer met dezen laatste zat te ontbijten, gaf hij zijn gevoelen over die jongelui te kennen, waarmee hij zeer ingenomen was. Hij had hen op sommige zijner geschiedenissen onthaald, die, ofschoon niet zeer versch meer te Londen (waar de menschen op het gebied van anekdotes altijd naar iets nieuws hunkeren), echter te Oxbridge geheel nieuw waren, en die de jongelieden met die oprechte belangstelling, dat levendig genoegen, dat luidruchtig gelach, of dien diepen eerbied aanhoorden, die in Londen zoo zeldzaam zijn en voor den verteller van beroep zoo streelend moeten wezen. Slechts een paar keeren onder het verhalen van die anekdotes droeg mijnheer Bloundell’s gelaat een minachtenden trek, of verried het door zijne uitdrukking, dat hij met die geschiedenissen reeds bekend was. Eens zelfs had hij de vermetelheid de waarheid der bijzonderheden van eene anekdote, die majoor Pendennis verhaalde, in twijfel te trekken, en gaf hij zijne eigene lezing van die gebeurtenis, die hij zeker wist, dat de juiste was, want hij had het in de club openlijk door dien en dien en dien anderen, die er zelf bij waren geweest, hooren verhalen. De studenten staarden hun kameraad, die den majoor durfde tegenspreken, met verwondering aan. Weinigen waren in staat de melancholische gratie en wellevendheid te waardeeren, waarmee majoor Pendennis dadelijk met mijnheer Bloundell’s lezing der anekdote instemde en hem bedankte voor de terechtwijzing. Zij zetten nog grooter oogen in hunne volgende bijeenkomst op, toen Bloundell met minachting over den ouden Pen sprak en zeide, dat iedereen hem kende als een klaplooper op Gaunt House, een vervelenden ouden kerel, in één woord een ouden kwast.
Van zijn kant hield majoor Pendennis geen zier van mijnheer Bloundell. Deze soort van sympathie is onder mannen en vrouwen doorgaans wederkeerig, en indien een belangstellend vriend mij vertelt, dat die en die kwaad van mij gesproken heeft, kan ik bijna zeker zijn, dat ik van mijn kant ook een hekel aan hem heb. Wij houden al of niet van elkander, op dezelfde wijze als de menschen al of niet van den geur van sommige bloemen, of van zekere gerechten, wijnen of boeken houden. Wij kunnen niet zeggen waarom. – maar in het algemeen zal niets ter wereld ons dezen of genen doen liefhebben, en even zeker als wij een hekel aan hem hebben, zal hij een hekel hebben aan ons.
De majoor zeide dus: „Pen, mijn beste jongen, uw diner liep à merveille af; gij hebt de honneurs met tact waargenomen; gij hebt zeer goed voorgesneden; het doet mij genoegen, dat gij het voorsnijden geleerd hebt; meestal wordt dit tegenwoordig in de voorname huizen aan het buffet gedaan, maar het is nog altijd een punt van belang en kan u onder den middelstand van dienst zijn. Lord Plinlimmon is een heel aardig jonkman, het evenbeeld van zijne lieve moeder (die ik nog als Lady Aquila Brownbill gekend heb); en die republikeinsche denkbeelden zullen bij Lord Magnus wel uitslijten. Zij staan een jong patriciër bij zijne intrede in het leven niet slecht, ofschoon niets zoo stuitend is onder menschen van onzen stand. Die Broadbent schijnt welbespraakt te zijn en veel gelezen te hebben. Uw vriend Foker is altijd onderhoudend. Maar die kennis van u, die mijnheer Bloundell, schijnt mij in alle opzichten iemand toe, waarmee gij niet moest omgaan.”
„Hoe is het mogelijk, oom!” riep Pen lachend uit. „Bloundell – Bloundell is de gevierdste man van de gansche academie. Wij verkozen hem de eerste week van zijne komst tot lid van de Barmeciden-club en hielden daarvoor nog wel eene buitengewone vergadering. Hij is van voorname familie – de Bloundell’s van Suffolk, die van Blondel, den getrouwen minnezanger van Richard Leeuwenhart, afstammen: zij voeren eene harp in hun wapen en het devies: „O Mong Roy.””
„Men kan een heel mooi wapen voeren en toch een ploert zijn, beste jongen,” zeide de majoor, terwijl hij zijn ei schilde. „Let maar op mijne woorden; die man is een ploert, een gemeene vent. Ik wil wedden, dat hij zijn regiment, een heel goed regiment (want een achtenswaardiger man dan mijn vriend Lord Martingale heeft nooit in den zadel gezeten), niet met eere verlaten heeft. Die mijnheer Bloundell draagt in zijn voorkomen de onmiskenbare getuigenis van gemeene taal en gemeene levensmanieren. Hij loopt in dobbelhuizen en biljartholen – hij is thuis in clubs van den derden rang – dat kan ik hem aanzien; ik zie het aan zijne houding. In die soort van zaken heb ik mij nooit vergist. Hebt ge wel opgelet, wat overdaad van ringen en andere sieraden hij draagt? Zoo ooit op iemands gezicht het woord Schurk heeft te lezen gestaan, dan is het op het zijne. Neem mijne woorden maar ter harte en laat hem links liggen. En laten wij nu maar over iets anders spreken. Het diner was een beetje te fijn, maar ik heb er niet tegen, dat gij eenige extra frais maakt, als gij vrienden ontvangt. Natuurlijk geeft gij niet dikwijls diners, en gij doet dat zeker alleen aan degenen, die het uw belang is te fêteeren. De côteletten waren uitmuntend en de soufflé was bijzonder licht en smakelijk. Die derde flesch champagne was niet noodig geweest; maar gij hebt een goed inkomen, en zoolang gij het niet overschrijdt zal ik u niet beknorren, beste jongen.”
Arme Pen! uw achtenswaardige oom vermoedde weinig hoe dikwijls er van die diners waren, daar de onbedachtzame jonge Amphitryon gaarne zijne gulheid en zijne ervaring in tafelzaken toonde. Er is geen kunst, waarin jongelui zich zoo gaarne als kenners voordoen, en echter is er geene, die eene zoo langdurige studie vereischt, die zoo moeielijk is te leeren, die zoo ontoegankelijk en boven de middelen is van vele beklagenswaardige menschen! Kennis van wijnen en fijne schotels beschouwen de jongelui als het kenmerk van den roué, den man van de wereld. Ik zie hen wel gaarne een glas wijn tegen het licht houden, alsof zij er heel wat van wisten, en over de verdiensten van een ragoût praten – arme jongens! Eerst als zij grijs worden zien zij, dat zij niets van de wetenschap verstaan, en dan fluistert hun geweten hun misschien in, dat die wetenschap de moeite haast niet waard is, en dat een schapebout, in tevredenheid genoten, tegen eene vorstelijke tafel kan opwegen. Maar de kleine Pen beschouwde het, in zijne rol van groot heer, als eene noodzakelijkheid, dat hij een kenner en gever van diners moest zijn. Wij hebben dan ook hierboven gesproken van de groote achting, die de kok van zijn Collegie hem toedroeg, en zullen spoedig in de gelegenheid komen om het te betreuren, dat die brave man zulk een blind vertrouwen in hem gesteld had. In het derde jaar van Pens verblijf te Oxbridge was zijne trap volstrekt niet versperd door schotels en dessertbenoodigdheden, of knechts, die gerechten binnenbrachten, of jongens die de flesschen champagne glacé opentrokken. Scharen van geheel andere bezoekers met stuursche of neerslachtige gezichten klommen die trap op en af, en vielen den beklagenswaardigen knaap aan, als hij uit zijn schuilhoek te voorschijn kwam.
De raad van zijn oom had ook geen invloed en bewoog Pen niet om den omgang met den weinig aanbevelenswaardigen heer Bloundell af te breken. Wat de jongelui in hunne kameraden bewonderen en wat aan Pen een groot gedeelte van zijn eigen aanzien en populariteit verschaft had, is eene wezenlijke of vermeende kennis van de wereld. Een man, die de wereld gezien heeft, of er met een gewichtig voorkomen van spreken kan, een roué of een Lovelace, die zijne avonturen kan vertellen, is zeker eene schare bewonderaars te vinden onder de jongelui. Het is verdrietig dit te moeten zeggen, maar het is de waarheid. Wij koesteren eerbied voor die soort van dapperheid. Sinds onze schooljaren hebben wij er bewondering voor leeren koesteren. Zijn er onder de honderden Engelsche knapen, die hunne opleiding aan onze groote scholen en collegiën ontvangen hebben, onder elke honderd slechts vijf, die niet zouden moeten bekennen, dat zij op zekeren tijd huns levens Don Juan gelezen en mooi gevonden hebben? Hoe vreeselijk breidt het kwaad zich niet uit. Dat denkbeeld behoorde den man, die de pen voert, te doen sidderen van vrees, om er onwaarheid, onreinheid, ongerechten toorn, of onverdienden lof uit te doen vloeien.
Een enkel schurftig schaap van dezen aard is toereikend om eene gansche kudde aan te steken, en de professoren van het Bonifacius-Collegie begonnen te bemerken, dat spoedig na mijnheer Bloundell’s aankomst te Oxbridge de fatsoenlijkheid van het Collegie verminderde en de jongelui onhandelbaar en bijna gemeen begonnen te worden. De voorname jongelui van het naburige Collegie van St. George, die Pen goed mochten lijden en met hem omgingen, lieten zich door Bloundell’s oppervlakkige deftigheid en zijne nagemaakte voorname manieren niet om den tuin leiden. Broadbent noemde hem Kapitein Macheath en zeide, dat hij lang genoeg zou leven om opgehangen te worden. Foker wilde met karakteristieke omzichtigheid, gedurende den korten tijd, dien hij nog met Macheath aan de academie doorbracht, niets ten nadeele van den Kapitein zeggen, doch gaf aan Pen een wenk, dat hij beter zou doen Bloundell bij het whisten tot maat dan tot tegenpartij te nemen en dat hij bij het écarté liever vóór dan tegen hem moest wedden. „Ge weet wel, dat hij beter speelt dan gij,” merkte die slimme jonge heer aan; „hij speelt bijzonder goed, die Kapitein, dat doet hij; – en als ik u was, Pen, zou ik niet te hoog tegen hem wedden. Ik geloof ook niet, dat de Kapitein te dik in het geld zit.” Doch verder dan deze duistere zinspelingen en algemeene opmerkingen wilde de voorzichtige Foker zich niet uitlaten.
Zijn raad zou echter toch niet méér gebaat hebben bij een eigenzinnig jongmensch, dan gewoonlijk met goeden raad het geval is bij een knaap, die zich voorgenomen heeft zijn eigen zin te volgen. Pen was met eene onverzadelijke zucht naar vermaak bezield en wierp er zich, wanneer de gelegenheid bestond, met eene gretigheid op, die voor zijn vurigen aard en zijne jeugdige gezondheid getuigde. Pleizier hebben noemde hij „in de wereld rondzien,” en daarbij haalde hij welbekende regels uit Terentius, Horatius en Shakespeare aan, om te bewijzen dat men alles moest doen wat een man betaamt. Hij was goed op weg om binnen weinige jaren geheel op en een roué te zijn, als hij op den tegenwoordigen voet voortging.
Op zekeren avond was er op een avondpartijtje in het Collegie, dat Pen en Macheath bijwoonden, een bedaard spelletje vingt-et-un gespeeld, eene veel aangenamer uitspanning voor studenten van het tweede en derde jaar, dan die rumoerige gewoonte om liedjes te zingen, die de proctors naar de kamers lokt, en die ook vervelend is geworden, omdat ieder student al wat hij weet reeds honderden malen gezongen heeft. Toen de gasten hunne baretten hadden genomen en zouden heengaan, na weinig verloren of gewonnen te hebben, nam Bloundell als voor de grap een groen wijnglas van de tafel, aan welke men gesoupeerd had, een glas, dat voor een „afzakkertje” bestemd was geweest, maar waarin hij nog iets veel verderfelijkers deed, namelijk een paar dobbelsteenen, die mijnheer uit zijn vestzak haalde. Hij gaf aan het glas een bevalligen zwaai, die getuigde, dat zijne hand geoefend was in het werpen van de dobbelsteenen, riep daarbij „onder de zeven,” liet de ivoren blokjes zacht over de tafel rollen, schoof ze weer met eene lichte handbeweging in het glas, en herhaalde dit alles twee- of driemalen. De anderen zagen dit aan, en natuurlijk ook Pen, die tot nog toe nooit de dobbelsteenen gehanteerd had dan voor een vervelend spelletje triktrak thuis.
Mijnheer Bloundell, die eene vrij goede stem bezat, begon het koor uit de opera Robert le Diable op te dreunen, die toen zeer in de mode was, en aan dat koor namen vele der studenten deel, inzonderheid Pen, die zeer vroolijk was, daar hij met het vingt-et-un heel wat kleingeld gewonnen had, – en een oogenblik later waren de meeste gasten, in plaats van naar huis te gaan, rondom de tafel gezeten en met dobbelen bezig, waarbij het groene glas van hand tot hand ging, totdat Pen het eindelijk in stukken brak, na zesmaal de hoogste oogen geworpen te hebben.
Van dien avond af dompelde Pen zich tot over de ooren in de genoegens van het hazardspel, met al het vuur, waarmee hij gewoon was elk nieuw vermaak na te jagen. Men kan evengoed ’s morgens als na het diner of souper dobbelen. Bloundell kwam na het ontbijt op Pen’s kamer, en het was verbazend hoe snel de tijd omvloog wanneer zij de dobbelsteenen lieten rollen. Zij maakten er aardige partijtjes met gesloten deuren, die geen opzien baarden, en Bloundell vond een beker uit, die van binnen met vilt bekleed was, zoodat de dobbelsteenen geen gedruis maakten, – wat hen had kunnen verraden en de scherphoorende onderwijzers naar de kamers lokken. Eens waren Bloundell, Ringwood en Pen bijna betrapt door mijnheer Buck, die, toen hij over het vierkante voorplein ging, uit Pen’s open venster de woorden „twee tegen één op den eersten worp” meende te hooren; maar toen de onderwijzer op Arthur’s kamer kwam, vond hij de drie jongelui met hun neus over drie Homerus’en gebogen. Pen zeide, dat hij het de beide anderen trachtte in te stampen, en vroeg met een uitgestreken gezicht aan mijnheer Buck, in welken staat de rivier Scamander tegenwoordig verkeerde en of zij al dan niet bevaarbaar was.
Arthur Pendennis verdiende bij die samenkomsten met mijnheer Bloundell niet veel geld, noch leerde hij veel goeds, behalve den slag van te wedden bij het hazardspel, wat hij ook uit boeken had kunnen leeren.