Part 15
Milly keek zeer ernstig en nadenkend, terwijl zij hare satijnen schoenen wreef. „Mij dunkt, als er geen geld is, papa, zou het nutteloos zijn hem te trouwen,” sprak zij zoo deftig als een orakel.
„Waarom zeide de schavuit, dat hij geld had?” vroeg Costigan.
„De arme jongen heeft altijd gezegd, dat hij arm was,” antwoordde het meisje. „Gij waart het, papa, die volhieldt, dat hij rijk moest zijn, en mij dwongt hem te nemen.”
„Hij had oprecht moeten zijn en ons met zijne positie bekend maken, Milly,” hernam haar vader. „Een jonkman, die een kostbaar paard berijdt en shawls en armbanden ten geschenke geeft, is een bedrieger als hij geen geld heeft. Zijn oom zal ik de pruik aftrekken, als ik hem tegenkom. Bows moet hem eene uitdaging brenger en hem dat vertellen. Of er moet een huwelijk komen, of hij moet mij als man in het gevecht staan; anders trek ik hem voor een hotel of op de wandelpaden van Fairoaks ten aanschouwe van iedereen bij den neus, – zoo waar ik leef.”
„En gij kunt, zoo waar ik leef, iemand anders met uwe boodschap zenden,” antwoordde Bows lachende. „Ik ben een speelman en geen vechtersbaas, kapitein.”
„Bah! gij hebt geen moed, mijnheer!” bulderde de generaal. „Dan zal ik, als niemand mij helpen wil of partij voor mij trekt, mijn eigen secondant zijn. Ik zal mijne pistoolkist meenemen en hem in de koffiekamer van den George neerschieten.”
„En dus heeft de arme Arthur geen geld?” zuchtte jufvrouw Costigan op bijna klagenden toon. „Arme jongen! Het was een goede jongen ook; hij was opgewonden en sprak onzin, met zijne verzen en poëzie en zoo meer, maar hij was oprecht en mild; ik hield wezenlijk van hem – en hij hield van mij ook,” liet zij er zachter op volgen, terwijl zij aanhoudend haar schoen wreef.
„Waarom trouwt gij hem dan niet, als gij zooveel van hem houdt?” viel mijnheer Bows tamelijk driftig uit. „Hij is niet meer dan tien jaar jonger dan gij. Zijne moeder zal er zich misschien in schikken, en dan kunt gij op Fairoaks Park gaan wonen en geborgen zijn. Waarom wordt gij geen groote dame? Ik zou mijn kost kunnen verdienen met de viool, en de Generaal zou van zijn pensioen kunnen leven. Waarom trouwt gij hem niet? Gij weet, dat hij van u houdt.”
„Er zijn anderen, die evenveel van mij houden, Bows, en die geen geld hebben en oud genoeg zijn,” antwoordde jufvrouw Milly deftig.
„Ja voor den –,” vloekte Bows op bitteren toon, „die oud en arm en gek genoeg zijn.”
„Er zijn oude gekken en jonge ook. Dat hebt gij zelf dikwijls gezegd, malle vent,” hernam de gebiedende schoone met een veelbeteekenenden blik op het oude heertje. „Als Pendennis geen geld genoeg heeft om er van te leven, zou het eene dwaasheid zijn hem te trouwen; en daarmee is het uit!”
„En de jongen?” vroeg Bows. „Waarachtig, jufvrouw Costigan, gij werpt een man als een ouden handschoen weg.”
„Ik weet niet wat gij bedoelt, Bows,” antwoordde jufvrouw Fotheringay kalm, en begon aan den tweeden schoen te wrijven. „Bezat hij de helft van de twee duizend pond ’s jaars, die papa hem toekende, of de helft van die helft, ik zou hem trouwen. Maar waartoe leidt het, als men een bedelaar neemt? Wij zijn reeds arm genoeg. Het zou nergens toe dienen, dat ik ging wonen bij eene oude dame, die misschien stuursch en kregel is, en mij elke bete zou misgunnen. (Het is waarlijk haast etenstijd, en nog heeft Suze de tafel niet gedekt.) En,” voegde Jufvrouw Costigan er volmaakt argeloos bij, „indien er eens kleintjes kwamen? – wel, papa, dan zouden wij niet eens zoo goed af wezen als tegenwoordig.”
„Neen, waarlijk, dat zoudt ge ook niet, beste Milly,” gaf haar vader ten antwoord.
„En dus is het uit met al die mooie praatjes over Arthur Pendennis van Fairoaks Park, – van de vrouw van het parlementslid,” zeide Milly met een lachje. „Wij zouden zulke mooie rijtuigen en paarden hebben om te rijden! – daar hadt gij altijd den mond van vol, papa! Maar het is altijd hetzelfde! Zoodra een man mij maar aankeek, moest gij u inbeelden, dat hij mij zou trouwen; en als hij een goeden rok aanhad, was hij in uwe oogen zoo rijk als Crezes.”
„– Als Croesus,” zeide mijnheer Bows.
„Nu, noem hem zooals gij het goedvindt. Doch het is waar, dat papa mij in de laatste acht jaar wel twintigmaal heeft uitgehuwd. Zou ik niet Lady Poldoody van Oystertown Castle worden? Verder hadden wij dien kapitein ter zee te Porthsmouth, en dien ouden chirurgijn te Norwich, en dien methodisten-predikant hier verleden jaar, en wie weet hoeveel meer! Nu, ik wil wedden, dat ik in weerwil van al uwe plannen ten slotte nog als Milly Costigan zal sterven. En dus heeft die arme kleine Arthur geen geld? Blijf hier eten, Bows; wij hebben eene heerlijke vleeschpastei.”
„Ik zou wel eens willen weten of zij al klaar is met Sir Derby Oaks,” dacht Bows, wiens oogen en gedachten haar altijd bespiedden. „De kunstgrepen van de vrouwen gaan alle bevatting te boven, en ik ben zeker, dat zij dien knaap niet zoo licht zou opgeven, als zij niet een ander plan in het hoofd had.”
Het zal niemands aandacht ontgaan zijn, dat jufvrouw Fotheringay, ofschoon zij over het algemeen het stilzwijgen bewaarde en niet veel waard was wanneer het gesprek over poëzie, letterkunde of de schoone kunsten liep, in haar eigen familiekring onbeschroomd en bovendien verstandig spreken kon. Men kon haar juist geen romanesk meisje noemen; hare letterkundige begaafdheden waren niet groot; zoodra zij het tooneel verliet, sloeg zij geen oog meer in Shakespeare, en al den tijd, dat zij het tooneel versierde, begreep zij geen woord van hem; doch over een podding of een naaiwerk, of hare eigen huiszaken, kon zij zoo goed oordeelen als iemand ter wereld; en daar zij door geene sterke verbeelding of hartstochtelijkheid van den weg gebracht werd, had zij best de gelegenheid om een kalm oordeel te vellen. Toen Costigan, onder hun maaltijd, zich zelven en zijn gezelschap trachtte diets te maken, dat de opgave van den majoor aangaande Pen’s geldelijke aangelegenheden ongeloofwaardig en niets dan eene list van dien ouden schijnheilige was, om hun aanleiding te geven, dat zij zelven het engagement afbraken, wilde jufvrouw Milly volstrekt niet toegeven, dat er misleiding van de zijde der tegenpartij mogelijk was, terwijl zij duidelijk in het licht stelde, dat het haar vader was, die zich zelven had misleid en niet de arme kleine Pen, die nooit getracht had hun een rad voor de oogen te draaien. Wat dien armen knaap betrof, verzekerde zij, dat zij hem uit den grond van haar hart beklaagde. Zij at met buitengewoon veel smaak, tot verbazing van mijnheer Bows, die eene opmerkelijke bewondering en te gelijk minachting voor die vrouw koesterde; en onder en na dien maaltijd besprak het drietal de beste wijze, om gaan deze liefdesgeschiedenis een einde te maken. Costigan’s plan om den majoor bij den neus te gaan trekken, vervloog in rook onder het gebruik van zijn glas whisky-grog na den eten; hij was zeer onderdanig jegens zijne dochter en bereid tot elk plan, dat zij mocht vaststellen met betrekking tot de crisis, die zij zag dat ophanden was.
De kapitein, die Pen en zijn oom beiden had willen aanvliegen en neervellen zoolang hij zich voor de beleedigde partij hield, deinsde nu wel eenigszins terug voor de gedachte om den eerstgenoemde te ontmoeten, en vroeg „wat zij voor den drommel tegen den jongen zeggen moesten, wanneer hij zich aan het engagement hield en zij het van hun kant verbraken?” „Hoe?” zeide Bows. „Weet gij niet hoe men een man afschepen moet? Laat eene vrouw het u dan maar eens uitleggen!” en daarop legde jufvrouw Fotheringay uit, dat zoo iets zeer eenvoudig kon geschieden en niets gemakkelijker was. „Papa schrijft aan Arthur en vraagt hem welke beschikkingen hij in geval van een huwelijk denkt te maken en wat zijne middelen zijn. Arthur schrijft terug en meldt wat hij bezit, en dan wed ik, dat alles bevonden zal worden zooals de majoor zegt. Daarop schrijft papa weer, dat dit niet genoeg is en dat het beter is, dat het engagement afgebroken worde.”
„En natuurlijk sluit gij er een regeltje van afscheid in, waarbij gij zegt, dat gij hem altijd als een broeder zult beschouwen,” zeide mijnheer Bows, haar op zijne spottende wijze aanziende.
„Natuurlijk zal ik dat doen,” antwoordde jufvrouw Fotheringay. „Het is in mijn oog een zeer brave jongen. Och, reik mij het zout eens aan. Wat zijn dat mooie noten!”
„En zal er dus niemand bij den neus getrokken worden, Cos, beste jongen? Het spijt mij, dat gij zoo te leur gesteld wordt,” zeide mijnheer Bows.
„Neen, denkelijk niet,” antwoordde Cos, zijn eigen neus wrijvende. „Wat zult gij met die brieven en verzen en gedichten doen, Milly, mijn schatje? Gij moet ze terugzenden.”
„Pruikenburg zou er honderd pond voor geven,” zeide Bows op hoonenden toon.
„Ja, dat zou hij zeker,” zeide kapitein Costigan, die zich nu leiden liet zooals men wilde.
„Papa,” zeide jufvrouw Milly, „zoudt gij er niet voor zijn, om den armen jongen zijne brieven terug te zenden? Die brieven en gedichten behooren mij toe. Zij waren heel lang en vol van onzin en latijn en dingen, waarvan ik de helft niet begreep; om de waarheid te zeggen, heb ik ze niet alle gelezen, maar wij zullen ze aan hem terugzenden, als het er tijd voor is.” En daarop begaf jufvrouw Fotheringay zich naar eene lade en nam er een nommer van den County chronicle and Chatteries champion uit, waarin Pen gloeiende verzen geschreven had, die hare optreding in de rol van Imogene verheerlijkten, en na het blad, waarop dat gedicht voorkwam, op zijde gelegd te hebben (want gelijk de dames van haar beroep gewoon zijn, verzamelde zij alle gunstige recensiën en beschrijvingen van haar spel), pakte zij er al de brieven, gedichten, ontboezemingen en hersenschimmen van Pen in en bond het pakje netjes met een touwtje toe, zooals zij een zakje suiker zou gedaan hebben.
Onder dat bedrijf was zij in het minst niet aangedaan. Hoeveel uren had de knaap niet over die papieren doorgebracht! Van hoeveel liefde en smachten, van hoeveel edele trouw en manhaftige toewijding, van hoeveel doorwaakte nachten en koortsige uren, in eenzaamheid doorleefd, hadden zij niet kunnen getuigen! Zij bond ze toe als een pakje uit den kruidenierswinkel, en ging zitten en zette de thee met een volkomen rustig en tevreden hart: terwijl Pen op tien mijlen afstands naar haar zat te verlangen en haar beeld in het binnenste zijner ziel koesterde.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
EENE CRISIS.
In den tusschentijd verwonderde men zich op Fairoaks, dat de majoor nog niet terug was. Doctor Portman en zijne vrouw gaven op hunne terugreis naar Clavering aan de woning van Helena’s portier een kort briefje van majoor Pendennis voor haar af, waarin hij meldde, dat hij nog een dag te Chatteries zou vertoeven, daar hij gaarne den procureur Tatham wilde spreken, en hem dien namiddag zou zien; maar er stond geen woord in over de zaken, waarmee hij zich des morgens had bezig gehouden. Het briefje was dan ook geschreven in de oogenblikken van stilstand na het eerste gedeelte van den strijd, toen de majoor er bepaald het slechtst afgekomen was.
Pen wilde zich liefst niet in de stad vertoonen zoolang zijn oom daar was. Hij wilde niet onder den indruk verkeeren, dat zijn voogd hem van het grasperk van dien akeligen deken bespiedde terwijl hij zijn hof aan jufvrouw Costigan op hare kamers maakte; en het genoegen van eene wandeling (eene zaligheid, die hij maar zelden genieten mocht) zou bedorven zijn geweest, indien hij daarop den man met de mooi gepoetste laarzen ontmoet had. Zijne bescheidene liefde kon zich in het publiek door geene uitwendige teekenen kenbaar maken, behalve door zijne oogen (waarmee de arme kerel verbazend lonkte en staarde); zij was stom in de tegenwoordigheid van anderen; en dat was ook goed, want van al het gepraat, dat in de wereld plaats vindt, is dat van verliefden het flauwste voor de oningewijden. Het is eene woordenlijst, waarvan men den sleutel niet heeft; eene lamp, waarvan men de vlam niet ziet. Laat degeen, die dit boek in handen heeft, eenige oude minnebrieven herlezen of herdenken, die hij (of zij) bezeten en vergeten heeft. Wat schijnen zij zinledig en nietsbeteekenend! Welke opgewondene dwaasheid moet het geweest zijn, die dien onzin schoon deed schijnen! Men moet zich verwonderen, hoe zulk zuchten en wauwelen ooit iemand gelukkig heeft kunnen maken. En echter is er een tijd geweest, toen gij die zotte brieven in vervoering moest kussen, toen gij op zes dwaze regels eene week lang leefdet, en toen gij, tot de tijd van omkeer kwam, rusteloos en ongelukkig waart, zoolang gij geen nieuwen toevoer van onzin ontvingt.
Dit is de reden waarom wij geen der brieven en verzen zullen meedeelen, die mijnheer Pen in dit tijdperk zijns levens schreef; wij laten het na uit loutere zorg voor den goeden naam van den jonkman. Zij zijn te kinderachtig en opgewonden. Men moest ze aan geen jonge meisjes in koelen bloede laten lezen. Wacht uw tijd af, jonge dames; misschien zult gij iets dergelijks zelve spoedig ontvangen en schrijven. Intusschen zullen wij mijnheer Pen’s eerste ontboezemingen ontzien, en ze in de couranten opgevouwen laten liggen, waar jufvrouw Fotheringay ze met een touwtje toegebonden en kapitein Costigan ze met zijn groot zilveren cachet verzegeld heeft.
De majoor keerde met zooveel opgekropte verbolgenheid van zijn onderhoud met kapitein Costigan terug, dat het gevaarlijk was hem nabij te komen. „Die onbeschaamde schelm van een landlooper durft mij dreigen!” dacht hij. „Durft er van spreken om zijne verwenschte Costigan’s te vernederen door hen met een Pendennis te laten trouwen! Mij eene uitdaging zenden! Als de kerel iemand, die op een gentleman gelijkt, vinden kan om mij de uitdaging te brengen, dan heb ik grooten lust om hem zijn zin te geven! – Bah! wat zou de wereld er van zeggen, als ik met een dronken spelleman ging vechten wegens een twist over eene actrice uit eene kermistent!” Toen de majoor dus doctor Portman sprak, die hem in gespannen verwachting naar den afloop van, zijn gevecht met den draak vroeg, wilde mijnheer Pendennis den geestelijken heer niet bekend maken met het onbeschaamde gedrag van den Generaal, maar zeide hij eenvoudig, dat het eene leelijke en onaangename zaak was, waarvan men het einde nog niet voorzien kon.
Hij drukte den doctor en mevrouw Portman op het hart, niets van het geval op Fairoaks te vertellen, waarheen hij zelf slechts het briefje verzond, dat wij reeds vermeld hebben. Daarop keerde hij naar zijn hotel terug, waar hij zijn toorn tegen zijn knecht Morgan luchtte, „en alle duivels bij elkaar vloekte,” gelijk die heer tegen Foker’s knecht zeide, toen zij samen in de dienstbodenkamer van den George aten.
De laatstgenoemde bracht dit nieuws aan zijn meester over. Mijnheer Foker, die tegen dezen tijd – het was twee uur des namiddags – zijn ontbijt geëindigd had, was nieuwsgierig naar den uitslag van het gesprek tusschen zijne beide vrienden, en na het nommer der zitkamer van den majoor gevraagd te hebben, liep hij over in zijne zijden kamerjapon en tikte aan.
Majoor Pendennis had, gelijk hij had opgegeven, eenige zaken betrekkelijk een huurcontract van de weduwe te verrichten, waarover hij den ouden procureur Tatham wilde spreken, die zijn broeders zaak waarnemer was geweest en een hulpkantoor te Clavering had, waar hij en zijn zoon op markt- en andere dagen, drie- of viermaal in de week, te spreken waren. Deze heer en zijn client zaten nu in gesprek, toen mijnheer Foker met zijne prachtige kamerjapon en zijn geborduurd mutsje aan de deur van majoor Pendennis verscheen.
Toen de bescheiden jonkman zag, dat de majoor met papier en zegels bezig was en een oud heer met een grijs hoofd bij zich had, wilde hij terugkeeren. „O, hebt gij zaken – dan zal ik wel eens terugkomen,” zeide hij. Maar Pendennis wilde hem gaarne spreken en verzocht hem dus, met een lachje, binnen te komen; waarop mijnheer Foker zijne geborduurde muts (eigenhandig door de teederste der moeders gewerkt) afnam en, tegen de heeren buigende, met een innemend lachje naderde. Mijnheer Tatham had nog nooit zulk eene schitterende vertooning gezien als dien jongen heer in „het zij,” die in een armstoel plaats nam, de karmozijnen panden van zijne kamerjapon breed uitspreidde en de twee anderen met de meeste minzaamheid en onbeschroomdheid aanzag.
„Mijne kamerjapon schijnt u te bevallen, mijnheer,” zeide hij tegen Tatham. „Mooi, niet waar? Heel netjes, en in het minst niet opzichtig. En hoe vaart gij, majoor Pendennis? kunt ge het hier nog al vinden?”
Er was in Foker’s manieren en voorkomen iets, dat een inquisiteur in goede luim zou gebracht hebben, en het deed dan ook de rimpels onder Pendennis’ pruik verdwijnen.
„Ik heb een gesprek met dien Ier gehad (gij kunt vrij uitspreken in tegenwoordigheid van mijn vriend hier, mijnheer Tatham, die al de familiezaken kent) en ik moet bekennen, dat het niet veel stof tot tevredenheid geeft. Hij wil niet gelooven, dat mijn neef arm is; hij zegt, dat wij allebei leugenaars zijn, en hij deed mij de eer, toen ik vertrok, te verstaan te geven, dat ik een lafaard was. Ik dacht, toen gij aan de deur kwaamt kloppen, dat gij de heer zoudt zijn, dien ik met eene uitdaging van mijnheer Costigan verwacht. Dat is de wijze hoe ik het hier maak, mijnheer Foker.”
„Gij meent dien Ier, den vader der actrice, toch niet?” vroeg mijnheer Tatham, die een afgescheidene was en van het tooneel niet hield.
„Dien Ier, den vader der actrice – juist denzelfden. Hebt gij niet gehoord, hoe mijn neef zich aan dat meisje verslingerd heeft?” Mijnheer Tatham, die nooit een voet binnen de muren van een schouwburg zette, had niets gehoord, zoodat majoor Pendennis nogmaals de geschiedenis der verliefdheid van zijn neef aan den procureur moest vertellen, waartusschen mijnheer Foker op zijne gewone gemeenzame wijze nu en dan toepasselijke aanmerkingen maakte.
Tatham verstomde van verbazing bij dat verhaal. Waarom, dacht hij, had mevrouw Pendennis geen man van eene ernstige denkwijze getrouwd – mijnheer Tatham was weduwnaar – en dien rampzaligen knaap van het verderf teruggehouden? Wat Costigan’s dochter betrof, wilde hij niets zeggen; haar beroep was toereikend om haar te doen kennen. Hier kwam mijnheer Foker er tusschen met de opmerking, dat hij verscheidene zeer achtenswaardige lui op de planken – zooals hij den Tempel der Muzen noemde – gekend had. Nu, het kon waar zijn, mijnheer Tatham hoopte dat ten minste – maar den vader kende Tatham persoonlijk als een man van de slechtste reputatie, een dronkaard en een steunpilaar van kroegen en biljartkamers, en een kale bedelaar.
„Ik begrijp zeer goed, majoor,” zeide hij, „waarom de kerel niet op mijn kantoor wilde komen, om de waarheid van uwe opgaven te onderzoeken. Wij hebben een vonnis tegen hem en een anderen gemeenen kerel, ook een van de acteurs, wegens een wissel, dien zij aan mijnheer Skinner alhier, een voornaam kruidenier en handelaar in wijnen en sterke dranken, een lid van het genootschap der Kwakers, afgegeven hebben. Die Costigan kwam schreiende de genade van mijnheer Skinner inroepen – hij stond te huilen in zijn winkel, en wij hebben het vonnis tegen den een zoo min als tegen den ander ten uitvoer gelegd, daar van geen van beiden een duit te halen is.”
Terwijl mijnheer Tatham deze historie vertelde, werd er weder aan de deur geklopt en kwam er een heer van athletische gestalte in eene kale jas met lussen binnen, met een brief, die een groot gespat rood lak droeg, in zijne hand.
„Mag ik de eer hebben majoor Pendennis afzonderlijk te spreken?” begon hij. „Ik heb eenige woorden aan u alleen te zeggen, mijnheer. Ik breng eene boodschap van mijn vriend kapitein Costigan!” doch hier hield de man met de basstem op, begon te stotteren en werd bleek, – want hij kreeg het roode gezicht van mijnheer Tetham, dat hij zich maar al te goed herinnerde, in het oog.
„Kom aan, Garbetts, spreek op!” riep mijnheer Foker vroolijk.
„Wel, beware, dat is de andere onderteekenaar van den wissel!” zeide mijnheer Tatham. „Wacht eens, mijnheer, wacht eens!” Maar Garbetts stamelde met een gezicht zoo bleek als dat van Macbeth, wanneer hem Banquo’s geest verschijnt, eenige onsamenhangende woorden en vluchtte de kamer uit.
De majoor kon zijne deftigheid niet bewaren en schaterde het uit, evenals mijnheer Foker, die uitriep: „Bij den hemel, dat was mooi!” evenals de procureur, ofschoon deze krachtens zijn beroep een ernstig man was.
„Ik geloof niet, dat het tot een gevecht zal komen, majoor,” zeide de jonge Foker en begon den acteur na te bootsen. „Als het zoover komt, dan kan deze oude heer – Tatham, niet waar? – veel eer, kennis met u te maken, mijnheer Tatham – de deurwaarders zenden om de strijders te scheiden,” hetgeen mijnheer Tatham ook beloofde te zullen doen. De majoor was volstrekt niet spijtig over den belachelijken afloop van den twist. „Gij schijnt altijd te moeten komen, mijnheer,” zeide hij tegen Foker, „om mij in goede luim te brengen.”
En dit was niet de eenige dienst, die mijnheer Foker dezen dag aan de familie Pendennis bewijzen zou. Wij hebben gezegd, dat hij toegang had ten huize van kapitein Costigan, en des namiddags kwam hij op het denkbeeld den Generaal een bezoek te brengen, om uit zijn eigen mond te vernemen wat er dien morgen bij het onderhoud met mijnheer Pendennis voorgevallen was. Kapitein Costigan was niet thuis; zijne dochter had hem verlof gegeven, ja aangespoord, om naar den vriendenkring in de Ekster te gaan, waar hij ongetwijfeld op dat zelfde oogenblik zat te zwetsen over zijn lust om zekeren schavuit te vermoorden; want hij was niet alleen dapper, maar hij wist dat ook, en hield er dus van om zijn moed te toonen en als het ware te luchten te hangen.
Costigan was er dan niet, maar jufvrouw Fotheringay was thuis en spoelde het theegoed om, terwijl Bows tegenover haar zat.
„Net met het ontbijt klaar, zie ik – hoe vaar je?” vroeg mijnheer Foker, terwijl hij zijn kluchtig hoofdje binnen de deur stak.
„Pak je weg, kleine guit!” riep jufvrouw Fotheringay.
„Gij meent, kom binnen!” gaf de ander ten antwoord. „Daar zijn we!” en met gekruiste armen binnengetreden zijnde, begon hij het hoofd met eene ongeloofelijke vlugheid rechts en links te draaien, evenals de clown in de pantomimes, als hij uit den dop of uit een zak te voorschijn komt. Jufvrouw Fotheringay schudde van lachen; zij kon om eene enkele beweging van Foker in den lach schieten, terwijl de bitterste spotternij van Bows haar geen glimlach ontlokte en de mooiste toespraak van Pen haar slechts in de war bracht. Toen de arlekinade afgeloopen was, liet Foker zich op ééne knie zakken en kuste haar de hand. „Gij zijt het potsierlijkste kereltje, dat ik ooit gezien heb,” sprak zij en gaf hem schertsend een tikje. Pen beefde als hij hare hand kuste en zou het van een tikje bestorven zijn.
Na deze inleiding begon het drietal te praten, waarbij Foker hen vermaakte door hun de nederlaag van Garbetts, welke hij bijgewoond had, te beschrijven, waardoor zij voor het eerst vernamen hoe ver de Generaal zijne wraakzucht tegen majoor Pendennis gedreven had. Foker betoogde in de sterkste bewoordingen, dat de majoor een waarheidlievend man en een man van eer was, en beschreef hem als een eersten piet, die in de voornaamste kringen verkeerde en zich tot geen bedrog verlagen zou, en wel het allerminst ten aanzien van zulk eene betooverende jonge dame als jufvrouw Foth.
Met kieschheid gleed hij over de teedere huwelijks-questie heen, ofschoon hij tegen wil en dank liet doorschemeren, dat hij van Pen geen groote gedachten had. Hij koesterde ook werkelijk eene misschien niet ongegronde minachting voor Pen’s hoog opgeschroefde sentimentaliteit, daar hij meende van zijn kant aan dat euvel niet mank te gaan.