Chapter 67 of 85 · 3981 words · ~20 min read

Part 67

De dokter was weer thuis eer het recept klaar was, waarvoor zijn bediende Harbottle zooveel tijd had noodig gehad; en gedurende den verderen loop van Arthur’s ziekte vertoonde de arme Fanny zich niet meer in de hoedanigheid van oppasster op zijne kamers. Maar dien dag en den volgenden kon men een klein figuurtje in den omtrek van Pen’s trap zien rondsluipen, – een droef, zeer droef kopje, dat den apotheker en diens loopjongen en de waschvrouw en den vriendelijken dokter zelven ondervroeg, wanneer zij uit de kamers van den zieke kwamen. En den derden dag hield het rijtuig van den welwillenden geneesheer voor Shepherd’s Inn op, waar de brave en weldadige man de portierswoning binnentrad en zijne zorgen aan eene kleine patiënte wijdde, die hij daar had, en voor wie hij geen beter geneesmiddel bezat, dan toen hij Fanny Bolton kon vertellen, dat de crisis voorbij was en er eindelijk alle hoop op het behoud van Arthur Pendennis bestond.

De weledelgeboren heer J. Costigan, vroeger in harer majesteits militairen dienst, zag het rijtuig van den dokter en maakte de paarden en het bijbehoorende tot het onderwerp zijner kritiek. „Groene livreien, voor den drommel!” zeide de Generaal, „en zulk een prachtig paar koetspaarden als ooit een gentleman mee gereden heeft, – laat staan een dokter! De hoogmoed en aanmatiging van die dokters is tegenwoordig ongehoord, – ofschoon dit een van de goeden is, een man van wetenschap en een beste kerel, waarlijk; hij heeft dat arme meisje mooi door hare koorts geholpen; Bows, beste jongen,” en mijnheer Costigan was zoo opgetogen over de handelwijze en de bekwaamheid van den geneesheer, dat hij er in het vervolg een punt van eer van maakte, als hij Dr. Goodenough in diens rijtuig tegenkwam, om hem op zulk eene hoffelijke en omslachtige wijze te groeten, alsof de dokter de lord-stadhouder van Ierland ware en kapitein Costigan in al zijne glorie in het Phenix Park wandelde.

De dankbaarheid der weduwe jegens den dokter kende geene of ternauwernood eenige grenzen. De hulpvaardige man lachte om het denkbeeld, dat hij van een letterkundige, of van de weduwe van een kunstbroeder geld zou aannemen, waarop zij besloot hem, zoodra zij op Fairoaks terug zou zijn, de zilververgulde vaas te zenden, het pronkstuk van het huis en de trots van wijlen John Pendennis, wien het zorgvuldig in groen baai bewaarde kunstwerk te Bath door Lady Elizabeth Firebrace ten geschenke was gegeven, na de herstelling van haar zoon, nu wijlen Sir Anthony Firebrace, van het roodvonk. Nog heden vertoont de vaas Hippocrates, Hygeia, den beschermgod der stad Bath en een krans van slangen; zij was door de heeren Abednego in Milsom Street in hun prachtigsten stijl bewerkt, terwijl de heer Birch, de gouverneur van den jongen baronet, er het opschrift voor had vervaardigd.

Dit onwaardeerbare kunstjuweel besloot de weduwe aan Goodenough, den redder van haar zoon, te schenken. Er was schier geen gunst, die zij hem in het vuur harer dankbaarheid niet zou bewezen hebben, behalve de ééne, die hij het meest verlangde, namelijk dat zij wat barmhartig en vriendelijk over de arme Fanny zou denken, van wier eenvoudige, droevige geschiedenis hij in zijne gesprekken met haar iets vernomen had, zoodat hij zeer welwillend over het meisje dacht. Hij oordeelde niet zeer gunstig over het gedrag van Pen in deze zaak en wist ook niet recht hoedanig het gedrag geweest was. Evenwel wist hij genoeg om in te zien, dat het arme verblinde meisje vooralsnog zonder schuld was; dat zij in Pen’s kamer was geweest, om hem, naar zij meende, in zijn laatste oogenblikken bij te staan; dat Arthur ternauwernood bewust was geweest van hare tegenwoordigheid; en dat zij in de diepste en roerendste smart verkeerde bij de gedachte hem in dood of leven te zullen verliezen.

Maar bij een paar gelegenheden, dat Goodenough op Fanny zinspeelde, nam het anders altijd zachtzinnige en vriendelijke gelaat der weduwe eene zoo wreedaardige en onverbiddelijke uitdrukking aan, dat de dokter inzag, dat hij tevergeefs rechtvaardigheid of barmhartigheid van haar zou verwachten, zoodat hij alle voorspraak naliet en geene verdere toespelingen op zijne kleine patiënte maakte. Volgens een populair dichter uit de dagen van koningin Elizabeth, bestaat er eene kwaal, waartegen de slaapbol en de mandragora en al de geneesmiddelen van het Oosten niets vermogen en die, wanneer zij zich bij vrouwen vertoont, door geene latere ontdekkingen of praktijken op het veld der geneeskunde, door homoeopathie, noch hydropathie, door mesmerismus, noch door dokter Simpson, noch door dokter Locock kan genezen worden; – die kwaal zullen wij niet jaloezie noemen, maar met den zachten naam van naijver en mededinging tusschen dames bestempelen.

Die bemoeizieke en prozaïsche menschen, die elke mededeeling van den romanschrijver ziften en napluizen en bijv., wanneer de helden elkander den dolk op de keel hebben gezet, willen weten hoe de schrijver hen weer uit den moorddadigen toestand zal weten te redden, zullen wellicht vragen hoe het mogelijk was in een apartement van den Temple, bestaande uit drie kamers, twee kabinetjes, een gang en een kolenhok, een gezelschap te bergen, samengesteld uit den zieken Arthur, Helena, zijne moeder, Laura, haar aangenomen dochter, Martha, beider meid van het platteland, jufvrouw Wheezer, een oppasster uit het St.-Bartholomeushospitaal, vrouw Flanagan, een Iersche waschvrouw, majoor Pendennis, een gepensioneerd officier, Morgan, diens kamerdienaar, Pidgeon, den loopjongen van mijnheer Arthur, en nog anderen meer. Maar die vraag is dadelijk beantwoord door de mededeeling, dat bijna al de bewoners van den Temple uit de stad waren en dat zich schier niemand in Pen’s huis op Lamb Court bevond dan degenen, die rondom de sponde van den zieke geschaard waren, van wiens lijden wij geen uitvoerig verslag hebben willen geven, evenmin als wij breed zullen uitweiden over het genoeglijker onderwerp van zijne herstelling.

Gelijk wij zeiden, was iedereen uit de stad, en dus kon men natuurlijk niet verwachten, dat zulk een voornaam heer als de jonge Sibwright, die kamers op de tweede verdieping van Pen’s woning had, in Londen zou zijn. Vrouw Flanagan, de waschvrouw van Pen, was bekend met vrouw Rouncy, die de kamers van mijnheer Sibwright schoonhield, en de slaapkamer van dien heer werd dus ingericht voor jufvrouw Bell, of mevrouw Pendennis, wanneer deze laatste geneigd mocht zijn het ziekvertrek van haar zoon te verlaten en zelf een weinigje rust te zoeken.

Wat zou die jonge dandy van een Percy Sibwright, die bloem van Baker Street, fier op zijne slaapkamer zijn geweest, indien hij geweten had wie dat vertrek gebruikte; wat zou hij verzen op Laura geschreven hebben! (verscheidene zijner gedichten waren in de jaarboekjes en in handschrift in de albums van den adel te vinden). Hij was een oud student van Camford en het had, naar men zeide, weinig gescheeld, of hij had den prijs voor de Engelsche dichtkunst weggedragen. Doch Sibwright was afwezig en zijn bed was aan jufvrouw Bell overgeleverd. Het was het aardigste koperen ledikantje ter wereld, met paarsch gevoerde chitsen gordijnen. Voor het venster zijner slaapkamer stond een potje reseda, en reeds het gezicht alleen van zijne kleine tentoonstelling van blinkende laarzen, die in nette rijen op zijne kleerkast geschaard stonden, was eene verlustiging voor den beschouwer. Verder had hij een museum van reukwateren en potten met pommade en berenvet, merkwaardig om te zien; en aan de nette muren van zijn elegante rustplaats prijkte eene keurige verzameling portretten van vrouwen, die bijna alle in droefheid gedompeld en meerendeels verkleed, of in négligé waren. Medora, met hangende haren, troostte zich over de afwezigheid van haar Conrad; prinses Fleur de Marie (van Rudolstein, uit de Mystères de Paris) lonkte droevig naar buiten tusschen de tralies harer kloosterkooi, in welke zij als een arm opgesloten vogeltje wegkwijnde; de Dorothea van Don Quijote waschte als altijd hare voeten; kortom, het was zulk een elegante galerij als men bij zulk een galant aanbidder van het schoone geslacht verwachten kon. In Sibwright’s zitkamer stond maar eene magere verzameling rechtsgeleerde boeken in net kalfsleder gebonden, en eene vrij groote hoeveelheid boeken in de oude talen, die hij niet lezen kon, en Engelsche en Fransche dichtwerken en romans, die hij veel te veel las. Zijn uitnoodigingskaarten van het afgeloopen seizoen staken nog tusschen den spiegel. Er was bijna niets anders, dat aan den advocaat herinnerde, dan de pruikendoos naast de Venus op de middelste plank der boekenkast waarop, men in gouden letters Mr. P. Sibwright las.

Sibwright deelde zijne kamers, naar het heette, met mijnheer Bangham. Deze was een liefhebber van jagen enz. en had eene rijke weduwe getrouwd. Bangham had geen praktijk en kwam geen driemaal in het seizoen op zijne kamer, doch maakte de omgangen met het hof van assises mede, om die raadselachtige redenen, welke sommige advocaten aansporen tot het deelnemen aan die tochten. Zijn ongebruikte kamer was een groot gemak voor Sibwright, als die jonge heer zijne kleine diners gaf. Wij moeten verklaren, dat deze beide heeren in geenerlei betrekking hoegenaamd tot ons verhaal staan en er waarschijnlijk niet meer in zullen voorkomen; doch wij kunnen niet nalaten eventjes in hunne kamers te kijken, wanneer die toevallig voor ons openstaan en wij ons naar Pen’s woning begeven; gelijk wij, op onzen levensweg, in het Strand, in de club, ja zelfs in de kerk, niet kunnen nalaten te kijken naar de winkels, die wij voorbijgaan, naar het diner van onzen buurman of naar de gezichten onder de hoeden in de naaste bank.

Vele jaren na de gebeurtenissen, die wij thans beschrijven, bekende Laura met een blosje en een zeer schalkschen lach, dat zij een Franschen roman had gelezen, die eenmaal sterk in den smaak was, en toen haar echtgenoot met verwondering vroeg waar ter wereld zij dat boek kon machtig geworden zijn, gaf zij te kennen, dat het in den Temple was geweest, toen zij de kamer van mijnheer Percy Sybwright bewoonde.

„En zoo heb ik ook nooit verteld wat ik nu bij deze gelegenheid eveneens zal bekennen,” sprak zij, „namelijk dat ik de verlakte doos opendeed, er die wonderlijke pruik uitnam, haar opzette en mij toen in den spiegel bekeek.”

Indien Percy Sibwright op dat oogenblik eens ware binnengekomen? Wat zou de opgetogen guit wel gezegd hebben? Wat zouden al de afbeeldingen der verkleede schoonen op zijne kamer te beteekenen hebben gehad, in vergelijking met dat levend exemplaar? Ach, wij spreken van zeer oude tijden, toen Sibwright nog ongetrouwd en nog geen rechter in een provinciaal gerechtshof was, – toen de menschen, de meeste menschen nog jong waren. Thans zijn andere menschen jong, maar wij niet meer.

Men zal wel begrijpen, dat, toen jufvrouw Laura die grap met de pruik speelde, Pen daar boven niet meer doodziek was; anders zou zij, ofschoon zij bijna niets meer om hem gaf, zich door haar gevoel en de eischen der welvoeglijkheid hebben laten weerhouden van grappen of verkleedingen.

Maar er hadden in de laatstverloopen dagen verschillende gebeurtenissen plaats gehad, geschikt om haar opgeruimdheid te vermeerderen of te rechtvaardigen, en er was thans eene kleine kolonie van des lezers oude vrienden en bekenden op Lamb Court in den Temple vereenigd en rondom Pen’s ziekbed geschaard. Vooreerst was Martha, de dienstmaagd van mevrouw Pendennis, van Fairoaks overgekomen, van waar de majoor haar ontboden had, die zeer te recht oordeelde, dat zij hare meesteres en den jongen heer tot gemak en hulp kon zijn, daar het gezelschap van vrouw Flanagan (die gedurende Pen’s ziekte meer dan ooit geestrijke opwekking noodig had om haar staande te houden) aan geen van beiden aangenaam kon wezen. Martha verscheen dus ter juister ure bij mevrouw Pendennis, want deze had zich geen enkele maal te bed begeven voordat de trouwe dienstbode bij haar was, en toen legde zij zich, met een hart vol moederlijke dankbaarheid, ter ruste op Warrington’s stroomatras en te midden zijner wiskundige boeken, die wij reeds vroeger vermeld hebben.

Voor dien dag had er echter reeds eene groote en verblijdende verandering in Pen’s toestand plaats gegrepen. Door dokter Goodenough’s pleisters, drankjes en lancetsteken overwonnen, had de koorts den jonkman verlaten, of hem bij tusschenpoozen nog slechts even bezocht; zijne dwalende zinnen hadden weer vasten post gevat in zijn verzwakt brein; hij had gelegenheid gehad zijne moeder te kussen en haar te danken voor hare komst, en Laura en zijn oom te roepen (die beiden, naarmate van hun verschillend karakter, geroerd waren door zijn vermagerd voorkomen, zijne tengere en doorschijnende handen, zijne holle oogen en holle stem, en zijn ingevallen en ongeschoren gelaat) en beider handen te drukken en hun hartelijk dank te zeggen; en toen de bezoekers na dit wederzien door zijne zorgvuldige oppasster de kamer uitgezet waren, was hij in een verkwikkenden slaap gevallen, die omtrent zestien uren aanhield; waarna hij ontwaakte en uitriep dat hij honger had. Zoo het aan den eenen kant beklagenswaardig is ziek te zijn en van het eten te walgen, wat is het aan den anderen kant aangenaam weer beter te worden en honger te hebben, – en o, welk een honger! Helaas, het genoegen der herstelling wordt met het toenemen der jaren flauwer, gelijk het ook met andere genoegens gaat; en eindelijk – eindelijk komt die ziekte, waarop in het geheel geen herstel meer volgt.

Op dien gelukkigen dag kwam nog iemand anders in Lamb Court aan. Groote wolken tabaksrook gingen naar de zitkamer van Pen en Warrington vooruit; achter die wolken volgde een persoon met eene sigaar in zijn mond en een reiszak onder zijn arm. Het was Warrington, die uit Norfolk kwam aangesneld, daar mijnheer Bows zorg had gedragen, hem te schrijven welke ramp zijn vriend getroffen had. Doch hij was afwezig toen die brief ten huize van zijn broeder aankwam; de oostelijke graafschappen konden zich toen nog niet op het bezit van een spoorweg beroemen (want wij verzoeken den lezer wel in aanmerking te willen nemen, dat wij alleen anachronismen begaan wanneer wij het goedvinden en wanneer door die verkrachting der natuurwetten eene groote zedelijke waarheid in het licht moet gesteld worden). In één woord, Warrington verscheen pas met de overige gelukjes op den gelukkigen dag nadat Pen’s herstelling gezegd kon worden voorgoed aangevangen te zijn.

In ieder geval was zijne verwondering niet groot, dat hij de kamers van zijn zieken vriend bezet vond, en dat zijn oude kennis de majoor op zijn gemak in een armstoel zat (want Warrington was met zijn eigen sleutel in de kamers gekomen), luisterende of schijnende te luisteren naar eene jonge dame, die hem, met zachte en liefelijke stem, een stuk van Shakespeare voorlas. De jonge dame hield op en verschrikte bij de verschijning van den langen reiziger met de sigaar en het valies en legde het boek neer. Hij bloosde, wierp zijne sigaar in den gang weg, nam den hoed af, liet dien vallen, en ging toen naar den majoor, drukte den ouden heer de hand en vroeg naar bijzonderheden omtrent Arthur.

De majoor antwoordde hem met eene trillende, maar opgeruimde stem (het was opmerkelijk hoe zeer de aandoening hem scheen verouderd te hebben); hij beantwoordde Warrington’s handdruk met eene bevende hand en vertelde hem Arthur’s gelukkig doorgestane crisis, en de aankomst zijner moeder met hare jonge pupil – met juffer....

„Gij behoeft mij haar naam niet te noemen,” zeide mijnheer Warrington met groote levendigheid, want hij was getroffen en opgetogen bij de gedachte aan de herstelling van zijn vriend; „gij behoeft mij haar naam niet te noemen. Ik begreep dadelijk, dat het Laura was.” En daarbij strekte hij zijne hand uit en nam de hare. Terwijl hij haar aanzag en toesprak, straalde er een onuitsprekelijke vriendelijkheid en teederheid van onder zijne ruige wenkbrauwen en was die tevens in zijne stem waar te nemen. „En dit is dus Laura!” scheen zijn blik te zeggen. „En dit is Warrington!” was de weerklank in het hart van het lieve meisje. „Arthur’s held – die edele en hulpvaardige man, die honderden mijlen ver gekomen is om bijstand te bieden, toen hij den rampspoed van zijn vriend vernam!”

„Ik dank u, mijnheer Warrington,” was evenwel alles wat Laura zeide, en toen zij zijn vriendelijken handdruk beantwoordde, bloosde zij zoo sterk, dat zij blijde was dat de lamp achter haar stond en de gloed op haar gelaat dus verborgen bleef.

Terwijl beiden in die houding stonden, werd de deur van Pen’s slaapkamer zoo voorzichtig geopend als men van mevrouw Pendennis gewoon was, en zag Warrington een andere dame, die eerst hèm aankeek, en zich toen naar het bed omkeerde en met opgeheven hand: „St!” zeide.

Het was Pen, naar wien Helena zich keerde, om hem tot voorzichtigheid te vermanen. Maar Pen riep met zwakke en trillende, doch blijde stem uit: „Kom binnen, kameraad – kom binnen, Warrington. Ik wist dat gij het waart – aan, – aan den – den rook ouwe jongen,” zeide hij en stak zijne vermagerde hand uit, en verwelkomde zijn vriend met tranen zoowel van zwakheid als van blijdschap.

„Ik – ik vraag verschooning voor mijn rooken, mevrouw,” zeide Warrington, die op dit oogenblik bijna voor het eerst van zijn leven over zijne slechte gewoonte bloosde.

Helena zeide enkel: „God zegen u, mijnheer Warrington!” Zij gevoelde zich zoo gelukkig, dat zij George wel had willen kussen. Nadat de vrienden een kort, zeer kort onderhoud hadden gehad, gaf de verheugde doch onverbiddelijke moeder de hand aan Warrington en zond hem de kamer uit naar Laura en den majoor, die de lezing van het tooneelstuk Cymbeline niet weer hadden opgevat ter plaatse waar zij die hadden afgebroken, toen de rechtmatige eigenaar van Pen’s kamers binnentrad.

VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DE HERSTELLING.

Wij zijn thans verplicht een feit ten aanzien van Pendennis mee te deelen, dat, hoe schandelijk en onverantwoordelijk ook wanneer men het van den held en den peet van een roman vermelden moet, evenwel aan het publiek, dat zijne waarachtige gedenkschriften leest, dient bekend gemaakt te worden. Nadat hij, met de koorts en ook in zekere mate ziek door den hartstocht der liefde te bed gegaan zijnde, de lichamelijke ziekte doorstaan had en ten ader gelaten en gepleisterd en kaal geschoren en geneeskundig behandeld en van medicijnen voorzien was, naar het voorschrift van den dokter, – is het een feit, dat zijne zielsziekte, toen hij van zijne lichaamsziekte verlost was, hem ook verlaten had en hij evenmin meer op Fanny Bolton verliefd was als gij of ik, die veel te verstandig of te zedelijk zijn, om ons aan portiersdochters te verslingeren.

Hij moest in zich zelven lachen, toen hij, op zijne sponde uitgestrekt, over deze tweede genezing nadacht, die hij ondervonden had. Hij gaf thans niet het minste meer om Fanny; hij verwonderde zich, dat hij het ooit gedaan had, en volgens zijne gewoonte opende hij het lijk van dien dooden hartstocht en ontleedde hij zijn eigen overleden gevoel voor zijn arme kleine oppasster. Wat kon hem slechts weinige weken vroeger zoo vurig en verlangend ten haren opzichte gestemd hebben? Niet haar geest, niet hare beschaving, niet hare schoonheid, – er waren honderden vrouwen, die er beter uitzagen dan zij. Die hartstocht was van hem zelven uitgegaan, want in haar lag die niet. Zij was dezelfde, maar de oogen, die haar beschouwden, waren veranderd en – helaas, dat wij het zeggen moeten! – niet zeer begeerig om haar ooit weer te zien. Hij was jegens het schepseltje zeer welwillend gezind en wat meer van dien aard is; maar de vurige persoonlijke belangstelling, die hij nog maar weinige weken geleden voor haar gekoesterd had, was onder den invloed van de pillen en het lancet, die de koorts in zijn lichaam gedood hadden, verdwenen. Het was ook een onbeschrijfelijke bron van geruststelling en dankbaarheid voor Pen (ofschoon er iets egoïstisch in dat gevoel lag, gelijk in de meeste andere gevoelens van jongelieden) dat hij in staat was gesteld de verzoeking te weerstaan ten tijde toen het gevaar het grootst was, en dat hij, zoover hij zich zijn gedrag jegens het jonge meisje herinnerde, geen bijzondere reden van zelfverwijt had. Als uit een afgrond, in welken hij was neergetuimeld, liet hij, uit de koorts van welke hij juist hersteld was, zijn oog over den valstrik van Fanny Bolton gaan, waaraan hij nu ontkomen was; maar ik zou niet durven verzekeren, dat hij zich niet schaamde over de voldoening, die hij hierdoor smaakte. Het is misschien verblijdend, maar toch vernederend, wanneer men bekennen moet, dat men niet meer liefheeft.

De vriendelijke lachjes en de teedere zorgen zijner moeder naast zijn bed vervulden intusschen den jongen met vrede en gerustheid. Deze onvermoeibare oppasster wenschte niets anders dan zijne gezondheid te zien terugkeeren, en zij kende geen grooter blijdschap en voldoening dan aan elke gril of bevel van haar patiënt gevolg te geven. Hij voelde zich door hare liefde omstrengeld, en verbeeldde zich, dat hij er haar bijna even dankbaar voor was als in zijne zwakke en hulpelooze kindsheid.

Pen had wellicht eenige schemerachtige herinneringen uit den eersten tijd zijner ziekte, dat Fanny hem had opgepast; doch zij waren zoo flauw, dat hij zich die niet duidelijk kon voorstellen, noch ze onderscheiden van hetgeen hij wist dat hersenschimmen uit zijn ijlenden toestand waren, die hem nog waren bijgebleven. En daar hij het bij vorige gelegenheden niet raadzaam had geacht zich over Fanny Bolton tegen zijne moeder uit te laten, kon hij haar natuurlijk thans niet over zijne gevoelens ten aanzien van Fanny onderhouden, noch de waardige dame tot zijne vertrouwde maken. Het was aan beide zijden eene rampzalige omzichtigheid en gebrek aan vertrouwen, want een paar woorden op zijn pas zouden aan de goede dame en aan degenen, die tot haar in betrekking stonden, zeer veel smart en bezorgdheid bespaard hebben.

Het spijt mij te moeten zeggen, dat mevrouw Pendennis, toen zij de jonge jufvrouw Bolton als oppasster bij Pen aantrof, de slechtst mogelijke uitlegging aan de betrekking tusschen deze beide rampspoedige jongelieden gegeven had, en zich in haar hart overtuigd hield, dat de tegen Pen ingebrachte beschuldigingen op waarheid gegrond waren. Waarom gaf zij zich de moeite niet, dit te onderzoeken? Er loopen geruchten ten nadeele van een man, welke de vrouwen, die het meest van hem houden, altijd het meest geneigd zijn om te gelooven. Is de vrouw van een man niet dikwijls de eerste om jaloersch op hem te zijn? De arme Pen kreeg zijn deel van die achterdochtige soort van liefde van de oppasster, die hem thans verzorgde; en de liefhebbende en reine vrouw dacht, dat haar zoon eene veel ontzagwekkender en vernederender kwaal dan de louter lichamelijke koorts doorstaan had en dat hij zoowel door misdaad onteerd als door ziekte verzwakt was. Het bewustzijn hiervan moest zij natuurlijk stilzwijgend dragen; zij moest haar inwendige zekerheid, wanhoop en afgrijzen achter een masker van opgeruimdheid en vertrouwelijkheid verbergen.

Toen kapitein Shandon te Boulogne het volgende nommer van de Pall Mall Gazette las, maakte hij tegen zijne vrouw de opmerking, dat Jack Finucane’s hand niet meer in de hoofdartikelen zichtbaar was en dat mijnheer Warrington de pen weer moest hebben opgevat. „Ik zou het klappen zijner zweep en de striemen, die hij nalaat, uit honderden herkennen. Daar hebt ge Jan Bludyer; die gaat als een slachter te werk en slaat zijne tegenpartij tot brij; maar mijnheer Warrington brengt zijn vijand naar de regelen der kunst om hals en snijdt hem in mooten, en elke snede kost bloed.” Op die afgrijselijke beeldspraak riep mevrouw Shandon uit: „Heere! Charles, hoe kunt gij zoo spreken! Ik heb mijnheer Warrington wel altijd voor heel trotsch, maar toch voor een zachtzinnig mensch gehouden, en voor de kinderen was hij althans zeer lief.” Waarop Shandon antwoordde: „Ja met de kinderen is hij heel lief, maar woest met de menschen. Doch, liefje, gij begrijpt geen woord van hetgeen ik daar zeide; en dat is ook maar het best, want het schrijven voor nieuwsbladen levert weinig goeds op. Het is hier beter te Boulogne, waar wij genoeglijk zijn, waar de wijn overvloedig is en de cognac slechts twee franken de flesch kost. Maak mij nog een glas gereed, Marie-lief; ik zal spoedig weer in het gareel moeten. Cras ingens iterabimus æquor, – voor den drommel!”