Chapter 36 of 85 · 3814 words · ~19 min read

Part 36

Het kwetste hem in zijn gevoel van eigenwaarde, dat hij aldus in de antichambre moest blijven, terwijl hij eene audiëntie verlangde. Zulk een sultan als hij was behoorde men niet te laten wachten. Evenwel ging hij te bed en sliep daar, in weerwil van zijne teleurstelling, tamelijk gerust, zoodat hij niet vóór den vroegen morgen ontwaakte, toen hij, de oogen opslaande, zijne moeder in zijne kamer zag.

„Beste Pen, sta op,” zeide die dame, „wees niet lui! Het is de heerlijkste morgen, dien men zich kan voorstellen. Ik heb sinds het aanbreken van den dag geen oog meer kunnen toedoen en Laura is al een uur in den tuin. Op zulk een morgen als dezen behoorde iedereen in den tuin en buiten te wezen.”

Pen begon te lachen, want hij zag welke gedachten de eenvoudige vrouw bezielden. Zijn gulle lach beurde de weduwe op. „O gij ondeugd,” zeide hij, terwijl hij zijne moeder kuste. „Slim schepseltje! Mag dan niemand vrij loopen van uwe aanslagen? en wilt gij uw eenigen zoon tot uw slachtoffer maken?” Helena begon ook te lachen, te blozen en te stamelen en was zichtbaar ontroerd.

Na dus nog eenige veelbeteekenende wenken en afgebroken woorden met Arthur gewisseld te hebben, verliet Helena haar zoon, waarop onze jonge held uit zijn bed verrees, en tot het opsieren van zijn mooien persoon en het scheren van zijne bewonderenswaardige kin overging. Een half uur later kwam hij uit zijne kamer te voorschijn en trad den tuin in, om Laura op te zoeken. Onder het maken van zijn toilet was hij aan tamelijk sombere overdenkingen ten prooi geweest. „Ik ga mij voor mijn leven binden, om mijne moeder genoegen te doen,” dacht hij; „Laura is een uitmuntend meisje en – heeft mij met haar geld geholpen. Ik gaf er wel wat voor, dat ik het nooit ontvangen had, en ik wenschte wel, dat ik dezen plicht niet juist op dit oogenblik moest vervullen. Maar daar allebei die vrouwen haar hart op dit huwelijk gezet hebben, zal ik haar zin wel moeten doen. Dus er maar op los! Men zou slechter kunnen varen dan twee van de beste schepseltjes ter wereld gelukkig te maken.” Toen het er dus begon op aan te komen, was Pen zeer ernstig gestemd en volstrekt niet opgetogen, want hij hield zich overtuigd, dat hij een groot offer ging brengen.

Jufvrouw Laura was gewoon zich bij hare werkzaamheden in den tuin in een soort van uniform te kleeden, die, hoe eenvoudig ook, haar, naar veler oordeel, gansch niet kwaad stond. Zij droeg dan een grooten strooien hoed met breede linten, die waarschijnlijk tot niets nut waren; doch de hoed beschermde het lieve gezichtje zijner eigenares behoorlijk tegen de zon. Over haar gewone kleedje droeg zij een hoog voorschoot, dat door een netten gordel rondom haar fijn middeltje werd vastgehouden, en hare handen waren tegen de doornen van hare geliefkoosde rozestruiken beschermd door een paar dikke handschoenen, wat aan de jonge dame een krijgshaftig voorkomen gaf.

Het scheen of zij denzelfden glimlach op haar gelaat had, waarmee zij Pen den vorigen avond had uitgelachen, en de herinnering aan zijn rampspoed kwetste dien jongen heer weer. Doch ofschoon Laura hem het pad zoo somber en zorgelijk zag opkomen, begroette zij hem met het bekoorlijkste en innemendste lachje en ging hem te gemoet, terwijl zij hem een harer handschoenen reikte, opdat hij dien zou kunnen drukken indien hij het goedvond, – en mijnheer Pen verwaardigde zich daartoe inderdaad. Zijn gelaat verloor echter door dat gunstbetoon zijne tragische uitdrukking niet en hij bleef haar somber en plechtstatig aanzien.

„Excuseer mijn handschoen,” zeide Laura lachend, terwijl zij er Pen’s hand vriendelijk mee drukte. „Wij zijn toch niet meer boos, niet waar, Pen?”

„Waarom lacht gij mij uit?” sprak Pen. „Dat deedt gij gisterenavond ook, en daardoor hebt gij mij een mal figuur laten maken bij die menschen uit Baymouth.”

„Beste Arthur, ik bedoelde niets kwaads,” gaf het meisje ten antwoord. „Gij en jufvrouw Roundle zaagt er zoo kluchtig uit, toen gij – toen gij dat kleine ongeluk hadt, dat ik er wezenlijk niet om schreien kon. Beste Pen, gij hebt u toch bij dien val niet bezeerd, en bovendien was jufvrouw Roundle het meest te beklagen.”

„Ik wou, dat jufvrouw Roundle in de maan zat,” bulderde Pen.

„Daar zag zij ook net naar uit,” zeide Laura schalks. „Gij waart in een oogenblik op de been; maar dat arme meisje, zooals zij daar in haar rood krippen kleedje op den grond zat en met dat verslagen gezicht rondkeek, zal ik nooit vergeten.” En daarom begon Laura het gezicht, dat Jufvrouw Roundle in haar ongeluk trok, na te bootsen, maar zij hield zich dadelijk in, want zij kreeg er berouw over en zeide: „Nu, wij mogen haar niet uitlachen; maar u zouden wij wel moeten uitlachen, Pen, indien gij om zulk eene kleinigheid boos waart.”

„Gij althans behoordet mij niet uit te lachen,” zeide Pen met zekere bitterheid; „gij het minst van allen.”

„En waarom? Zijt gij zulk een groot man?” vroeg Laura.

„O neen, Laura, maar ik ben zulk een arm man,” gaf Pen ten antwoord. „Hebt gij mij niet reeds genoeg getergd?”

„En waarmee dan, beste Pen?” riep Laura uit. „ik dacht waarlijk niet, dat gij u over zulk eene kleinigheid boos zoudt maken. Ik meende, dat zulk een knap mensch als gij eene onschuldige grap van zijne zuster zou kunnen verdragen,” voegde zij er bij, terwijl zij hem nogmaals de hand toestak. „Lieve Arthur, heb ik u beleedigd, dan vraag ik u verschooning.”

„Uwe vriendelijkheid vernedert mij nog meer dan uwe spotternij, Laura,” hernam Pen. „Gij zijt altijd mijne meerdere.”

„Hoe! Meer dan de groote Arthur Pendennis? Hoe zou dat mogelijk zijn?” riep jufvrouw Laura, in wier karakter zoowel een klein beetje ondeugendheid als eene groote mate van beminnelijkheid vereenigd was. „Gij wilt toch niet zeggen, dat er ééne vrouw is, die op gelijke lijn met u staat?”

„Die weldaden bewijst moet niet plagen,” zeide Pen. „Ik kan niet verdragen, dat mijne weldoenster mij uitlacht, Laura: dat maakt de verplichting te drukkend voor mij. Gij veracht mij, omdat ik uw geld aangenomen heb, en ik verdien verachting; maar het is hard, dat mij die slag door u wordt toegebracht.”

„Geld! Verplichting! Foei, Pen, dat is laag!” zeide Laura met een gloeienden blos. „Heeft moeder niet recht op al wat wij bezitten? Ben ik haar niet al het geluk verschuldigd, dat ik op de wereld geniet, Arthur? Wat komt het op eenige ellendige guinjes aan, als wij haar liefderijk hart tot kalmte kunnen brengen, wanneer wij haar ten uwen aanzien kunnen geruststellen? Ik zou voor haar in het veld gaan werken, of mij als meid verhuren, – ik zou voor haar sterven! Gij weet, dat ik dat doen zou.” zeide jufvrouw Laura zeer opgewonden, „en durft gij dan dat ellendige geld eene verplichting noemen? Dat is wreedaardig, Pen; het is beneden u, het zoo op te nemen. Wie zou met mij mogen deelen wat voor mij overtollig is, zoo niet mijn broeder? Of, wat zeg ik! Het kwam mij niet eens toe: het was alles van mama, die er mee doen kon wat zij goedvond, gelijk haar alles behoort wat ik bezit, tot zelfs mijn leven,” zeide Laura; en bij die woorden zag het opgewonden meisje naar de vensters van de kamer der weduwe en zegende in haar hart de vriendin, die zich daar bevond.

Ongezien gluurde Helena uit dat venster, waar Laura’s oogen en hart onder het spreken heentrokken, en beschouwde hare beide kinderen met de meeste belangstelling en aandoening, hopende en wenschende, dat de begeerte haars levens nu vervuld zou worden. Wie weet hoeveel verzoekingen Arthur Pendennis bespaard zouden zijn, of welke geheel andere beproevingen hij ondergaan zou hebben, indien Laura nu gesproken had zooals Helena hoopte! Wellicht zou hij zijn leven lang op Fairoaks gebleven en als een landjonker gestorven zijn. Doch zou hij daarmede gered zijn geweest? De verzoeking is een volgzaam bediende, die niets tegen eene betrekking ten platten lande heeft; zij neemt, gelijk wij weten, zoowel in kluizenaarswoningen als in steden haar intrek, en vergezelt den hermiet, die haar tracht te ontvluchten, tot in de afgelegenste en ontoegankelijkste woestijn.

„Behoort uw leven aan mijne moeder?” zeide Pen, terwijl hij begon te beven en op eene zeer zenuwachtige wijze te spreken. „Weet gij, Laura, wat het groote doel van haar leven is?” en bij die woorden vatte hij nogmaals hare hand.

„Wat, Arthur?” vroeg zij, terwijl zij hare hand liet zakken, en nu eens naar hem, dan weer naar het venster zag, waarop zij de oogen neersloeg, om Pen’s blik te ontwijken. Ook zij beefde, want zij gevoelde, dat de crisis, waarop zij zich reeds lang heimelijk had voorbereid, gekomen was.

„Onze moeder koestert één wensch boven alle andere in de wereld, Laura,” sprak Pen, „en ik geloof, dat gij het weet. Ik moet u bekennen, dat zij er mij over gesproken heeft; en indien gij hem wilt vervullen, zusje-lief, ben ik bereid. Ik ben wel is waar nog zeer jong; maar ik heb reeds zooveel smart en teleurstellingen ondervonden, dat ik mij oud en afgetobd gevoel. Ik heb ternauwernood een hart meer om het u aan te bieden. Bijna eer ik den strijd des levens begonnen ben, gevoel ik mij uitgeput. Mijne loopbaan is bedorven; ik ben beschermd door degenen, die ik rechtens had moeten beschermen. Ik beken, lieve Laura, dat uw grootmoed en uwe edelmoedigheid mij beschaamd doen staan, ofschoon zij mij met dankbaarheid vervullen. Toen ik van onze moeder hoorde wat gij voor mij hadt verricht en dat gij het waart, die mij de wapenen in de hand hadt gegeven om den strijd nogmaals op te vatten, toen smachtte ik om mij aan uwe voeten te werpen en te zeggen: „Laura, wilt gij meegaan en dien strijd gezamenlijk met mij voeren? Uwe deelneming zal mij, zoolang die strijd duurt, opbeuren. Ik zal dan een der teerhartigste en edelmoedigste wezens onder de zon hebben, om mij te steunen en te vergezellen. Zult gij ja zeggen, Laura, om onze moeder gelukkig te maken?”

„Gelooft gij, dat mama gelukkig zou zijn, indien gij het niet waart, Arthur?” vroeg Laura op zachten en droeven toon.

„En waarom zou ik dat niet zijn met zulk een lief schepseltje als gij zijt aan mijne zijde?” riep Pen met vuur uit. „Ik kan u mijne eerste liefde niet schenken. Ik ben een ongelukkig mensch. Maar ik verzeker u, dat ik u hartelijk en oprecht zou liefhebben. Ik heb menige zinsbegoocheling en eerzuchtige gedachte verloren: doch ik ben nog niet geheel zonder hoop. Talenten weet ik, dat ik bezit, hoe jammerlijk ik ze ook misbruikt heb; zij kunnen mij nog van dienst wezen, en zouden dat zijn, indien ik eene drijfveer bezat. Laat mij heengaan met de gedachte, dat ik mijn woord verpand heb om tot u terug te keeren. Laat mij heengaan om te werken, met de gedachte, dat gij mijn geluk met mij zult deelen, als ik het herwin. Gij hebt mij zooveel gegeven, Laura; wilt gij van mij niets aannemen?”

„Wat hebt gij te geven, Arthur?” vroeg Laura met een droevigen ernst in hare stem, die Pen onthutst deed staan, daar hij inzag, dat hij zich versproken had. Inderdaad was zijne liefdesverklaring ook niet zoodanig als hij twee dagen vroeger zou hebben afgelegd, toen hij, vervuld met hoop en erkentelijkheid, naar Laura, zijne redster, gesneld was, om haar dank te zeggen voor zijne terugverkregen vrijheid. Had hij toen mogen spreken, hij zou geheel anders gesproken en zij van haar kant misschien geheel anders geluisterd hebben. Het zou toen een dankbaar hart geweest zijn, dat haar om het hare vroeg, geen afgetobd hart, dat haar werd aangeboden om het te nemen of niet. Laura gevoelde zich beleedigd door de bewoordingen, in welke Pen haar zijne hand had aangeboden. Hij had letterlijk gezegd, dat hij geene liefde koesterde, en desniettemin wilde hij zich niet laten afwijzen. „Ik bied mij aan u aan, om moeder genoegen te doen,” had hij gezegd; „neem mij maar, daar zij verlangt, dat ik dit offer zal brengen.” De fierheid van het meisje kwam in opstand tegen het denkbeeld, een echtgenoot onder zulke voorwaarden te kiezen; zij was niet voornemens zich in zijne armen te werpen, omdat Pen goedvond haar een wenk te geven, en uit haar toon, toen zij Arthur beantwoordde, sprak dus haar besluit om vrij te blijven.

„Neen, Arthur,” zeide zij, „ons huwelijk zou mama niet zoo gelukkig maken, als zij verwacht; want het zou u niet zeer lang bevredigen. Ook ik heb geweten wat zij begeerde, want zij is te openhartig om iets te verbergen, dat haar op het hart ligt; en er was misschien eens een tijd, dat ik dacht – maar dat is nu voorbij – dat ik u – dat het had kunnen gebeuren, zooals zij wenschte.”

„Gij hebt iemand anders gezien,” zeide Pen, die zich aan haar toon ergerde en wien de voorvallen der laatste dagen te binnen schoten.

„Die toespeling hadt gij kunnen laten,” hernam Laura en hief het hoofd op. „Een hart, dat op zijn drie en twintigste jaar reeds de liefde versleten heeft, zooals gij zegt, dat het uwe heeft gedaan, had ook de jaloerschheid behooren te overleven. Ik zal mij niet verwaardigen om te verklaren, of ik iemand anders heb gezien of aangemoedigd. Ik zal de beschuldiging erkennen noch tegenspreken, en verzoek u, er niet op terug te komen.”

„Ik vraag vergiffenis, Laura, indien ik u beleedigd heb. Maar als ik jaloersch ben, ligt daar het bewijs niet in, dat ik nog een hart bezit?”

„Niet voor mij, Arthur. Misschien gelooft gij, dat gij mij thans liefhebt; maar dat is slechts voor een oogenblik en omdat gij nu te leur gesteld zijt. Als er geen hinderpaal bestond, zoudt gij geen zucht gevoelen om dien te overwinnen. Neen, Arthur, gij draagt mij geen liefde toe. Gij zoudt mij in drie maanden moede zijn, zooals de meeste dingen; en mama zou, als zij zag, dat ik u tegenstond, rampzaliger zijn dan zij wezen zal, indien ik weiger de uwe te worden. Laten wij, gelijk tot dusverre, broeder en zuster voer elkander zijn, Arthur, – maar meer niet! Gij zult deze kleine teleurstelling wel te boven komen.”

„Ik zal het beproeven,” zeide Arthur met veel verontwaardiging.

„Hebt gij het niet reeds vroeger beproefd?” hernam Laura, met zekere drift; want zij was reeds sinds lang op Arthur boos, en had nu waarschijnlijk besloten haar hart lucht te geven. „En wanneer gij eene vrouw nog eens uwe hand aanbiedt, Arthur, zeg dan niet, zooals gij tegen mij deedt: „Ik heb geen hart, ik draag u geene liefde toe; maar ik ben bereid u te trouwen, omdat mijne moeder dit huwelijk wenscht.” Wij eischen meer dan iets dergelijks in ruil voor onze liefde – dat geloof ik ten minste. Ik heb er tot nog toe geen ondervinding van; ik heb de – de ervaring niet gehad, die gij bij mij ondersteldet, toen gij zoo even te kennen gaaft, dat ik iemand anders gezien had. Hebt gij ook aan uwe eerste beminde verteld, Arthur, dat gij geen hart bezat? of aan uwe tweede, dat gij haar niet liefhadt, maar dat zij u krijgen kon, indien het haar behaagde?”

„Wat – wat bedoelt gij?” vroeg Arthur blozende en nog altijd heel boos.

„Ik bedoel Blanche Amory, Arthur Pendennis,” antwoordde Laura met fierheid. „Het is nog pas twee maanden geleden, dat gij hebt zitten zuchten aan hare voeten – dat gij gedichten op haar hebt gemaakt en die aan den oever der rivier in holle boomen hebt verborgen. Ik wist alles. Ik hield u in het oog – dat wil zeggen, zij heeft ze mij laten zien. Geen van u beiden meende het wellicht ernstig; maar het is althans nog te vroeg voor u, Arthur, om eene nieuwe verbintenis aan te knoopen. Laat den tijd van uw – van uw weduwnaarschap eerst voorbijgaan en denk niet aan trouwen eer gij uit den rouw zijt.” Bij deze woorden schoten hare oogen, waarlangs zij hare hand streek, vol tranen. „Ik ben boos en gegriefd, en heb echter geene reden daartoe, zoodat ik u nu op mijne beurt vergiffenis vraag, Arthur-lief. Het stond u vrij, Blanche lief te hebben. Zij was duizendmaal mooier en knapper dan ik – dan eenig meisje in den omtrek; en gij kondt niet weten, dat zij geen hart bezat, zoodat gij ook weer het recht hadt om haar te verlaten. Ik mag u niet verwijten, dat gij het oog op Blanche Amory liet vallen en dat zij u bedroog. Vergeef mij, Pen;” en andermaal reikte zij hem de vriendelijke hand toe.

„Wij waren beiden jaloersch,” sprak Pen. „Laten wij elkander vergiffenis schenken, lieve Laura;” en bij die woorden greep hij hare hand en trachtte hij haar tot zich te trekken. Hij dacht, dat zij week werd, en nam reeds de houding van een overwinnaar aan.

Maar zij trok zich terug; hare tranen verdwenen en zij sloeg een zoo droefgeestigen en strengen blik op hem, dat de jonkman er op zijne beurt voor terugdeinsde. „Vergis u niet in mijne woorden, Arthur,” zeide zij; „het kan niet zijn. Gij weet niet wat gij eischt, en wees niet al te boos op mij als ik zeg, dat gij het, geloof ik, niet verdient. Wat biedt gij eene vrouw in ruil voor hare liefde, eer en gehoorzaamheid aan? Indien ik ooit die woorden uitspreek, Pen, hoop ik ze in vollen ernst uit te spreken en, met Gods hulp, mijne belofte te houden. Maar gij – welke band houdt u? Aan vele dingen, die wij, arme vrouwen, als heilig beschouwen, hecht gij niet. Ik zou niet gaarne onderzoeken of vragen hoever uw ongeloof gaat. Gij wilt in het huwelijk treden om uwe moeder genoegen te doen, en gij bekent, dat gij geen hart hebt. O, Arthur, wat is het dan, dat gij mij aanbiedt? Welk eene overijlde verbintenis zoudt gij lichtvaardig aangaan? Eene maand geleden zoudt gij u aan eene andere weggeschonken hebben. Ik bid u, speel niet zoo roekeloos met uw eigen hart en dat van anderen. Ga heen en werk; ga heen en verbeter u, Arthur, want ik ken uwe gebreken en durf er thans over spreken; ga en word beroemd, gelijk gij zegt, dat gij kunt; en inmiddels zal ik voor mijn broeder bidden en thuis voor onze lieve moeder zorgen.”

„Is dat uw laatste woord, Laura?” riep Arthur uit.

„Ja,” antwoordde Laura en boog het hoofd, en na hem nogmaals de hand te hebben gegeven, ging zij heen. Hij zag haar onder het klimop van het priëeltje doorgaan en in huis verdwijnen. Op hetzelfde oogenblik viel de gordijn van het venster op de kamer zijner moeder neer, maar hij merkte dit niet op, noch vermoedde zij, dat Helena getuige van het voorgevallene was geweest.

Was hij verheugd of verslagen over den afloop? Hij had haar gevraagd, en een heimelijke triomf vervulde zijn hart bij de gedachte, dat hij nog vrij was. Zij had hem afgewezen; maar had zij hem niet lief? Die kleine trek van jaloerschheid deed hem gelooven, dat haar hart hem nog altijd toebehoorde, wat hare lippen ook zeggen mochten.

En thans zouden wij wellicht een ander tooneel behooren te beschrijven, dat op Fairoaks tusschen de weduwe en Laura voorviel, toen deze laatste aan Helena verklaren moest, dat zij de hand van Arthur Pendennis had geweigerd. Misschien was dit de zwaarste van alle beproevingen, die Laura in deze zaak te verduren had en die haar het meeste leed veroorzaakte. Doch daar wij eene brave vrouw niet gaarne onrechtvaardig zien, zullen wij geen woord van den twist reppen, die nu tusschen Helena en hare pleegdochter volgde, noch van de bittere tranen, die het arme meisje dientengevolge storten moest. Het was het eenige geschil, dat ooit tusschen haar en de weduwe was gerezen, en daarom was het des te pijnlijker. Pen verliet het huis terwijl die oneenigheid nog voortduurde, – en Helena, die bijna alles door de vingers kon zien, kon eene rechtmatige daad van Laura’s zijde niet vergeven.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

BABYLON.

De lezer hebbe nu de goedheid de bosschen en stranden van het westen van Engeland, de praatjes van Clavering en het eentonige leven van het onbeduidende en kleine Fairoaks te verlaten, om zich in gezelschap van Arthur Pendennis met de diligence Alacrity naar Londen te verplaatsen, waarheen hij zich begeeft om het nu eens voorgoed tegen de wereld op te nemen en fortuin te maken. Terwijl het rijtuig in den nacht van het ouderlijk huis wegrolt, wikt en weegt de jonkman menig plan voor zijn verder leven en gedrag, waarbij hij zich voorstelt meer voorzichtigheid in acht te nemen dan vroeger en wellicht geluk en roem te verwerven. Hij weet, dat hij meer talent bezit dan menigeen, die hem tot nu toe op den levensweg is vooruitgesneld; zijne eerste schipbreuk heeft hem met wroeging vervuld en tot nadenken gebracht; maar zijn moed, of laten wij liever zeggen, de goede gedachte, die hij van zich zelven had, is niet vernietigd. Honderderlei schoone droombeelden en hoopvolle verwachtingen houden hem wakker. Wat hebben zijne tegenspoeden en een jaar nadenkens en zelf beproeving hem veel ouder gemaakt, sinds hij twaalf maanden geleden dezen zelfden weg bereisde op zijn tocht van en naar Oxbridge! In de stilte van den nacht keeren zijne gedachten met onuitsprekelijke hartelijkheid en teederheid naar zijne liefhebbende moeder terug, die bij het afscheid hem haar zegen gaf en hem, in weerwil van al zijne vroegere misstappen en dwaasheden, nog altijd vertrouwt en liefheeft. Terwijl hij naar de sterren opziet, bidt hij, dat Gods zegen op haar nederdale. O hemel, schenk hem kracht om te werken, te dulden, braaf te blijven, de verzoeking te ontwijken, en het minnende hart, dat hem zoo onverdeeld lief heeft, waardig te blijven! Zeer waarschijnlijk is zij op dat oogenblik ook wakker, en zendt zij reiner gebeden voor het welzijn van haar zoon tot denzelfden Vader op. De liefde dier vrouw is een talisman, waaraan hij zich vastklemt en waardoor hij de veilige haven hoopt te bereiken. En Laura’s liefde? Ook hare genegenheid zou hij gaarne met zich genomen hebben, maar zij heeft hem die geweigerd, omdat hij die niet waardig is. Hij geeft dit met schaamte en wroeging toe; hij erkent, dat haar karakter veel beter en edeler is dan het zijne – hij bekent het, en is toch blij, dat hij vrij is. „Ik ben niet goed genoeg voor zulk een schepseltje,” moet hij bij zich zelven bekennen. Hij deinst voor hare vlekkelooze schoonheid terug, als voor iets, dat hem schrik inboezemt. Hij gevoelt, dat hij eene levensgezellin als deze niet verdient, gelijk menig losbol, die in vroegere dagen vroom en schuldeloos was, uit de kerk wegblijft, die hij voormaals placht te bezoeken en die hij nu schuwt, niet omdat hij haar vijandig is, maar omdat hij gevoelt, dat hij geen recht heeft zich op die heilige plaats te bevinden.