Part 60
Na Pen’s vertrek stond de arme Henry Foker van de sofa op. Hij nam uit zijn vest – het vest met die prachtige knoopen en die schitterende borduursels, het werk van zijne mama – een wit rozeknopje, haalde uit zijne toiletdoos – ook een moederlijk geschenk – eene schaar, knipte er zorgvuldig den stengel van het bloempje mee af en zette het in een glas water tegenover zijn bed, waar hij eene schuilplaats zocht tegen de zorg en de bittere herinneringen.
Waarschijnlijk had jufvrouw Blanche Amory meer dan ééne roos in haar bouquet, en waarom zou dat lieve jonge schepseltje niet iets van haar overvloed uitdeelen, en zooveel dansers, als maar mogelijk was, gelukkig maken?
ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
MONSEIGNEUR S’AMUSE.
De inspanning van den vorigen avond op Gaunt House zou bijna te veel zijn geweest voor majoor Pendennis; en zoodra hij zijn oud en afgetobd lichaam zonder gevaar kon verplaatsen, begaf hij zich kermend naar Buxton, waar hij bij de geneeskrachtige bronnen leniging zijner smarten zocht. Het parlement ging uiteen. Sir Francis Clavering verliet met zijn gezin de stad, en de aangelegenheden, welke wij pas aan den lezer hebben meegedeeld, waren in de weinige dagen of weken, welke tusschen het tegenwoordige en het vorige hoofdstuk waren verloopen, niets gevorderd. Londen was echter in den tusschentijd eenzaam geworden en verlaten.
Het Londensche seizoen was nu geëindigd. Pen’s buren, de advocaten, woonden de zittingen der hoven van assises bij; en zijne meer voorname vrienden hadden passen naar het vasteland genomen, of zich om redenen van gezondheid of vermaak naar de Schotsche heidevelden begeven. Men zag ternauwernood iemand aan de groote vensters der clubs of op het verlaten plaveisel van Pall Mall. De roodrokken waren van de poort van het paleis verdwenen; de winkeliers van St. James zochten in het buitenland hun vermaak; de kleermakers hadden hunne knevels laten groeien en waren den Rijn opgegaan; de schoenmakers bevonden zich te Ems of te Baden en bloosden wanneer zij op die plaatsen van uitspanning hunne klanten ontmoetten, of zetten aan de speeltafels op, naast hunne schuldenaars; de dominé’s van St. James preekten voor eene halve gemeente, waaronder niet één zondaar van aanzien te vinden was; het muziekkorps in de Kensington Gardens had zijne koperen instrumenten en zijne zilveren trompetten weggeborgen; slechts een twee of drietal oude vigilanten en rijtuigen kropen traag langs de oevers der Serpentine voort, en Clarence Bulbul, die wegens zijne zeer drukke bezigheden als commies bij het departement van financiën in de stad moest blijven, vergeleek de eenzaamheid van Rotten Row, als hij daar zijn middagritje te paard deed, bij de verlatenheid der Arabische woestijn en zich zelven bij een Bedoeïn, die door deze stoffige wildernis zijn weg moest zoeken. Warrington pakte eene hoeveelheid cavendish tabak in zijn valies, en ging, volgens gewoonte, de vacantie ten huize van zijn broeder in Norfolk doorbrengen. Pen moest een tijdlang alleen op zijne kamers blijven, want deze man van de wereld kon niet altijd, als hij het verkoos, de stad verlaten, en werd nu teruggehouden door de zaken van zijn blad, de Pall Mall Gazette, waarbij hij de rol van redacteur en gevolmachtigde vervulde gedurende de tijdelijke afwezigheid van den chef, kapitein Shandon, die met de zijnen de heilzame baden te Boulogne sur Mer gebruikte.
Ofschoon wij gezien hebben, dat mijnheer Pen zich reeds sinds jaren voor een man had verklaard, geheel en al blasé en het leven moede, was hij in waarheid een buitengemeen gezond jongmensch, met een nog altijd stevigen eetlust, dien hij ten minste éénmaal daags met het grootste genot en behagen bevredigde, en met eene blijvende zucht naar gezelligen omgang, die het bewijs leverde, dat hij alles behalve een menschenhater was. Als hij geen goed diner kon krijgen, zette hij zich volkomen tevreden aan eene slechte tafel neer; kon hij het gezelschap van geestige, voorname of schoone dames niet genieten, dan vergenoegde hij zich met alle gezelschap, dat hem voor de hand kwam, en hij was volkomen tevreden in de gelagkamer van een koffiehuis, of aan boord van eene stoomboot naar Greenwich, of met een uitstapje naar Hampstead met mijnheer Finucane, zijn collega aan de Pall Mall Gazette, of met een bezoek in de zomertheaters aan den overkant der rivier, of in den „koninklijken” Vauxhall, waar hij op vriendschappelijken voet stond met den grooten Simpson en den eersten comischen zanger, of de schoone kunstrijdster de hand drukte. En terwijl hij de grappen van den eerstgenoemde, of de bevalligheden der laatste wist te waardeeren met een zweem van satire, die niet van sympathie ontbloot was, had hij ook een vriendelijken blik voor de toeschouwers veil, voor de dartele jeugd, die naar vermaak streefde en het hier genoot, voor de eerzame ouders met hunne opgetogen kinderen, die het bij de vertooningen uitschaterden van lachen en in de handen klapten, voor de arme verworpelingen, wier lach minder onschuldig ofschoon luider was en die met hare schande en hare jeugd hier kwamen, om ten minste tot aan den dageraad te dansen en vroolijk te zijn, en haar brood te winnen en hare zorgen te smoren. Op deze sympathie met alle standen van menschen beroemde Pen zich dikwijls; hij verheugde zich die te bezitten en zeide, dat hij ze tot zijn einde toe hoopte te behouden. Gelijk een ander met geestdrift voor de kunst, de muziek of de natuurwetenschappen bezield is, zeide Pen, dat de menschkunde zijne geliefkoosde studie was, en dus lette hij altijd met belangstelling op de ontelbare schakeeringen en schoone zijden der menschheid. Met een genoegen, dat nooit verflauwde, bestudeerde hij al haar exemplaren, waar hij ook kwam, het mocht het coquetteeren van eene gerimpelde douairière in de balzaal zijn, of het blozen van eene voorname jonge schoone, die daar voor het eerst verscheen; het mocht een lummel van een soldaat van de garde wezen, die aan een dienstmeisje in het Park zijn hof maakte, of het onschuldig kindje, dat kruimpjes aan de eendjes toewierp, terwijl de kindermeid naar den krijgsman luisterde. Een man, wiens hart tamelijk rein is, kan zich dan ook met een genot, dat nooit vermindert, aan die studie overgeven, die misschien te meer behaagt, niet alleen omdat zij van stillen aard is en door een trek van weemoed gekenmerkt wordt, maar ook omdat zoo iemand naar aanleg en geest zich eenzaam en, hoewel niet verlaten, toch aan zich zelven overgelaten gevoelt.
Ja, Pen placht op zijn onstuimige wijze tegen Warrington te snoeven en te zeggen: „Ik was in mijne jeugd zoo hevig verliefd, dat ik geloof dat dit vuur voor altijd is uitgebrand, en indien ik ooit trouw, zal het een mariage de raison zijn met een beschaafd, zachtzinnig, mooi meisje, dat wat geld en meer van dien aard heeft, wat op de reis door het leven de kussens van ons rijtuig gevuld kan houden. Wat het romaneske betreft, dat is geheel uit; ik heb het opgebruikt en ben oud voor mijn tijd – daarop draag ik roem.”
„Gekkenpraat,” bromde de ander; „nog pas onlangs hebt gij gedacht, dat gij kaal werdt, en daarop gezwetst gelijk ge op alles bluft! Maar gij zijt dadelijk begonnen met graisse d’ours te gebruiken, zoodra de kapper het u voorschreef, en sinds dien tijd zijt gij geparfumeerd als een barbier.”
„Gij zijt een Diogenes,” hernam Pen, „en zoudt wel willen, dat iedereen in eene ton woonde, gelijk gij zelf. Viooltjes rieken beter dan oude tabakslucht, grijnzende oude cyniker.” Maar Pen bloosde terwijl hij dit aan zijn min romanesken vriend ten antwoord gaf, en droeg in waarheid vrij wat meer zorg voor zijn persoon dan zulk een wijsgeer wellicht had moeten doen. Waarlijk, in aanmerking genomen, dat mijnheer Pen niet meer om de wereld gaf, deed hij niet weinig moeite om zich aangenaam bij haar te maken, en voor zulk een vermoeiden pelgrim als hij was, droeg hij al heel nauwe en blinkend verlakte laarzen.
Het was dus in dit stille getijde des jaars, dat mijnheer Pen op zekeren helderen Augustus-avond, nadat hij op het bureau van zijn blad een prachtig hoofdartikel voltooid had – een artikel zooals kapitein Shandon het had kunnen schrijven, indien hij er toe opgewekt ware geweest en lust tot werken had gehad, hetgeen hij echter nooit deed dan wanneer hij er toe gedwongen was – dat mijnheer Pen, zeggen wij, na zijn artikel geschreven en het met genoegen op het vochtige proefblad, dat op het bureau lag, overgelezen te hebben, op het denkbeeld kwam de rivier over te steken en zich aan de vuurwerken en de andere vermakelijkheden van den Vauxhall te vergasten. Hij verwaardigde zich dus het vrijbiljet, dat aan den „redacteur der Pall Mall Gazette met één vriend” toegang tot die plaats van uitspanning verleende, op zak te steken, en betaalde in ’s rijks-munt eene voldoende som, om de Waterloobrug te mogen overgaan. De wandeling van daar naar den tuin was zeer aangenaam; de sterren stonden aan den hemel te fonkelen en zagen op de „koninklijke” uitspanningsplaats neer, van waar de vuurpijlen nog niet waren opgestegen om de sterren de loef af te steken.
Alvorens den toovertuin binnen te treden, waar iederen avond twintig duizend lichten branden, hebben de meesten onzer den donkeren en somberen gang en de poortjes moeten doorgaan, die den luister van den Vauxhall voor het oog der oningewijden verbergen. In de muren van dien gang bevinden zich twee sterk verlichte holten, waarin men twee heeren voor lessenaars gezeten ziet, die uw geld in ontvangst nemen wanneer gij er als particulier komt, of uw vrijbiljet, als gij van zulk een pas tot den tuin voorzien zijt. Pen wilde zijn biljet aan eene dier openingen vertoonen, doch daar stonden reeds een heer en twee dames, die hem vóór waren geweest, te onderhandelen.
De heer, wiens hoed erg op één oor stond en die een korten en kalen mantel op een uiterst kranige wijze droeg, riep op een toon, die Pen dadelijk herkende:
„Voor den drommel, mijnheer, indien gij mijn eer in twijfel trekt, zult gij mij het genoegen doen uit uw bureau te komen, en –”
„Heere, kapitein!” riep de oudste dame uit.
„Leg niet te malen,” antwoordde de man in het bureau.
„En het mijnheer Hodgen, die in den tuin is, zelf te vragen of hij deze dames wil binnenbrengen. Wees niet bang, jufvrouw-lief; ik zal geen twist met dien heer maken, ten minste niet in de tegenwoordigheid van dames. Wilt gij, mijnheer, zoo goed zijn aan mijnheer Hodgen (ik ben met een vrijbiljet van hem gekomen en hij is een boezemvriend van mij, en ik weet dat hij hier van avond de Lijkendief zal zingen) – aan mijnheer Hodgen het compliment van kapitein Costigan te doen en hem verzoeken even naar buiten te komen om deze dames binnen te leiden – wat mij zelven betreft, mijnheer, ik heb den Vauxhall gezien en ik bedank voor alle voorspraak ten mijnen behoeve; maar van deze dames is ééne er nooit geweest, en me dunkt, gij moest van de ongelukkige omstandigheid, dat ik het biljet verloren heb, geen misbruik maken om haar te berooven van haar genoegen.”
„Dat helpt allemaal niet, kapitein. Ik kan uwe boodschap niet gaan doen,” zeide de man, die de biljetten moest aannemen, waarop de kapitein een vloek uitstiet en de oudste dame zeide: „Wat is dat verdrietig!”
De jongste zag den kapitein aan en zeide: „Het komt er niet op aan, kapitein Costigan; ik heb volstrekt geen lust om er in te gaan. Kom maar mee, mama!” Maar ofschoon zij volstrekt geen lust had om er in te gaan, werd zij door haar gevoel overweldigd, zoodat zij in tranen losbarstte.
„Arm kind!” zeide de kapitein. „Kunt gij dat aanzien, mijnheer, zonder dit onschuldige schepseltje binnen te laten?”
„Het gaat mij niet aan,” riep de kaartjesman norsch uit zijn helder verlicht hokje. Maar op dit oogenblik kwam Arthur er bij en zeide, toen hij Costigan herkende: „Kent gij mij niet, kapitein? Ik ben Pendennis!” Te gelijk nam hij den hoed af en maakte eene buiging voor de beide vrouwen. „Beste jongen! beste vriend!” riep de kapitein uit, terwijl hij Pendennis de hand der vriendschap toestak, en hem snel uitlegde wat hij een ergerlijk „contretong” noemde. Hij had een vrijbiljet voor twee personen van mijnheer Hodgen ontvangen, die zich in den tuin bevond en daar de Lijkendief, de Dood van Generaal Wolfe, de Bloedvlag en andere geliefkoosde liederen zou zingen, die hij reeds in de Achterkeuken en op de concerten van den adel voorgedragen had. Daar het biljet voor twee personen was, had de kapitein begrepen, dat er wel drie op konden doorgaan, en zich dus met zijne beide vriendinnen naar den tuin begeven. Maar onderweg had hij zijn biljet verloren; hij kon het althans niet vinden, en de dames zouden dus weer naar huis moeten gaan, tot groot verdriet van ééne van beiden, gelijk Pen wel zag.
Arthur was voor iedereen welwillend gezind en had gevoel voor het ongeluk van allerlei soorten van menschen; hoe zou hij dus zijne sympathie in een geval als het onderhavige hebben kunnen onthouden? Hij had dat onschuldige gezichtje gezien toen het den kapitein aankeek, den smeekenden blik van het meisje, de zenuwachtige trekking van haar mond, en eindelijk hare tranen. Al ware het zijne laatste guinje geweest, hij zou die neergelegd hebben, om het arme schepseltje genoegen te doen. Zoodra zij een vreemde gewaar werd, wendde zij hare droeve en smeekende oogen af en begon die met haar zakdoek af te wisschen. Arthur zag er zeer innemend en vertrouwen inboezemend uit, toen hij daar met zijn hoed in de hand, blozend buigend en voorkomend, van top tot teen een gentleman, voor die vrouwen stond. „Wie zijn zij?” vroeg hij bij zich zelven. Naar hij meende, had hij de oudste van beiden reeds vroeger gezien.
„Als ik u van dienst kan zijn, beschik dan vrij over mij, kapitein Costigan,” zeide de jonkman; „is er eenige moeielijkheid om deze dames in den tuin te brengen? Kan ik u met mijne beurs dienen? Ik – ik heb zelf een toegangsbiljet voor twee personen – wilt gij mij dus veroorloven, jufvrouw – ?”
De prins van Fairoaks was op het eerste oogenblik voornemens geweest voor het gansche gezelschap te betalen en zijn vrijbiljet weg te moffelen, gelijk de arme Costigan het zijne gedaan had. Maar eene soort van ingeving en het voorkomen der beide vrouwen deed hem gevoelen, dat zij meer op haar gemak zouden zijn als hij niet den schijn van een grand seigneur aannam, en dus reikte hij zijne beurs aan Costigan over en haalde lachend met de eene hand zijn biljet uit, terwijl hij de andere aan de oudste der beide dames bood, – of dames waren het eigenlijk niet – zij droegen hoeden en shawls en kraagjes en linten, en de jongste liet een lief klein voetje en laarsje onder haar eenvoudig grijs japonnetje zien, maar zijne hoogheid van Fairoaks was wellevend jegens iedereen, die eene japon droeg, van welke stof die ook was en hoe geringer de draagster was, des te deftiger en wellevender was dan juist zijne hoogheid.
„Fanny, neem mijnheers arm,” zeide de oudste van beiden; „als gij dan zoo vriendelijk wilt zijn: – ik heb u dikwijls onze poort zien binnenkomen, mijnheer, om naar kapitein Strong op No. 4 te gaan.”
Fanny maakte eene kleine nijging en legde hare hand op Arthur’s arm. Dat handje was slechts met een armoedig handschoentje overdekt, maar het was lief en klein. Zij was geen kind meer, maar nog ternauwernood eene vrouw: hare tranen waren nu opgedroogd, hare wang was met jeugdige blosjes overtogen, en haar oogen glinsterden van genoegen en erkentelijkheid, toen zij naar Arthur’s vriendelijk gelaat opzag.
Op eene beschermende wijze legde Arthur zijn andere hand op het handje, dat op zijn arm rustte. „Fanny is een heel lief naampje,” zeide hij, „en dus kent gij mij wezenlijk?”
„Wij zijn de portiers van Shepherd’s Inn, mijnheer,” antwoordde Fanny met eene nijging: „en ik ben nooit in den Vauxhall geweest, mijnheer, en pa wou niet dat ik ging – en – en – O – O – Heere! hoe heerlijk!” En onder het spreken van die woorden deinsde zij terug, verstomd van verbazing en genot, toen zij den tuin daar voor haar zag schitteren in den gloed van honderd millioen lampen, met een luister, waarvan het mooiste tooververhaal, de heerlijkste pantomime, die zij ooit in den schouwburg gezien had, geen denkbeeld gaf. Pen vermaakte zich met hare verrassing en drukte het kleine handje, dat zich zoo vertrouwelijk aan hem vastklemde, aan zijne zijde. „Wat zou ik niet geven, om ook een weinigje van dat genoegen te smaken,” zeide de geblaseerde jonkman.
„Daar is uwe beurs, Pendennis, mijn beste jongen,” liet de stem van den kapitein zich achter hem hooren. „Wilt gij het geld natellen? het is geheel in orde. – Niet? vertrouwt gij den ouden Jack Costigan? (gij ziet hoe hij mij vertrouwt, jufvrouw.) Gij zijt mijn redder geweest, Pen (ik heb hem van kind af gekend jufvrouw Bolton; het is de eigenaar van het kasteel Fairoaks, waar ik menige flesch wijn gedronken heb met de eersten adel uit de graafschap.) Mijnheer Pendennis, ge zijt mijn redder geweest en ik zeg er u dank voor: mijne dochter zal er u voor bedanken: – uw onderdanige dienaar, mijnheer Simpson.”
Pen was bewonderenswaardig in zijne wellevendheid jegens de dames: maar wat was zijne deftigheid in vergelijking met kapitein Costigan’s buigingen rechts en links en met de wijze, waarop hij „bravo!” riep tegen de zangers!
Een man als Costigan, gesproten uit eene lange reeks van Hibernische koningen, opperhoofden en andere aanzienlijken en sheriffs van het graafschap, bezat natuurlijk te veel voornaamheid en zelfbewustheid om met eene jufvrouw, die van tijd tot tijd zijne kamer veegde en zijne côteletten braadde, gearmd te gaan: op den tocht van Shepherd’s Inn naar den Vauxhall had kapitein Costigan naast de dames gewandeld, haar op beschermende en voorkomende wijze de gebouwen getoond, die haar aandacht verdienden, en, als naar gewoonte, uitgeweid over de steden en landen die hij bezocht had en de groote lui waarmee hij de eer had gehad kennis te maken. En het was evenmin te verwachten – gelijk jufvrouw Bolton het dan ook niet verwachtte – dat de kapitein, wanneer zij zich in den „koninklijken” tuin bevonden, die door twintig duizend extralampions zoo helder als de dag verlicht was, zijne deftigheid zou temperen en den arm zou geven aan eene dame, die weinig beter was dan eene huisbewaarster of werkvrouw.
Maar Pen, van zijn kant, behoefde zich door dergelijke bedenkingen niet te laten weerhouden. Fanny Bolton maakte zijn bed niet op en zijne kamers niet schoon, en hij wilde zijne lieve kleine gezellin niet gaarne laten varen. Fanny kreeg een sterker blos en hare heldere oogen schitterden van nog meer genoegen, toen zij bescherming vond aan den arm van zulk een voornaam heer als Pen. Zij keek naar de vele andere dames in den tuin en naar de dozijnen andere heeren, onder wier hoede deze op en neer wandelen, en zij vond, dat haar heer er knapper en deftiger uitzag dan iemand der anderen. Natuurlijk waren daar najagers des vermaaks van allerlei rang: losbandige studenten in de chirurgie, winderige klerken van koopmans- en andere kantoren, eenige dandy’s uit de regimenten der garde, en andere heeren van gelijken stempel. De oude Lord Colchicum was er ook en begeleidde mademoiselle Caracoline, die in den circus gereden had, hare Fransche moedertaal zeer luid sprak en buitengewoon krachtige, eigenaardige uitdrukkingen gebruikte, terwijl zij, op den arm van mylord leunende, rondwandelde. Colchicum volgde dus zijne mademoiselle Caracoline, evenals de kleine Tom Tufthunt Lord Colchicum volgde en daarmede ook zeer ingenomen was. Als Don Juan den muur beklimt, ontbreekt het nooit aan een Leporello om de ladder vast te houden. Tom Tufthunt gevoelde zich zeer gelukkig wanneer hij den bejaarden burggraaf een vriendschapsdienst bewijzen en aan het souper het gevogelte voorsnijden en de salade bereiden mocht. Toen Pen met zijn dame het gezelschap van den burggraaf tegenkwam, sloeg de pair slechts in het voorbijgaan een blik van herkenning op Arthur, terwijl mylord zijn oog van Pen’s gelaat onder den hoed van diens gezellin liet gaan. Maar Tom Tufthunt knikte Arthur vriendelijk toe met de woorden: „Hoe gaat het, ouwejongen?” waarbij hij hem, die aan deze geschiedenis den naam gegeven heeft, veelbeteekenend aankeek.
„Dat is die knappe rijdster uit den circus van Astley; daar heb ik haar gezien,” zeide Fanny, terwijl zij mademoiselle Caracoline nakeek; „en wie is die oude man? dat is de heer toch niet, die in den circus stond?”
„Dat is mylord de burggraaf Colchicum, jufvrouw Fanny,” antwoordde Pen op beschermenden toon. Hij bedoelde geen kwaad; het streelde hem, dat hij dit jonge meisje onder zijne hoede had; het mishaagde hem niet, dat zij er zoo aardig uitzag, dat zij zoo aan zijn arm hing en dat die oude Don Juan haar daar had gezien.
Fanny was eene zeer liefelijke verschijning; zij bezat donkere, schitterende oogen, en tanden als paarltjes, en haar mondje was bijna even rood als dat van mademoiselle Caracoline wanneer het vermiljoen er pas opgelegd was. En welk een verschil bestond er tusschen de stem der eene en die der andere, tusschen het lachen van het meisje en dat der vrouw! Werkelijk was Fanny pas zeer onlangs, toen zij eens onder het afstoffen in het kleine spiegeltje boven den schoorsteenmantel van Bows-Costigan gekeken had, tot het vermoeden gekomen, dat zij eene schoonheid was. Nog slechts een jaar geleden was zij een lomp en linksch meisje, dat door haar vader bespot werd; op school bij jufvrouw Minifer in Newcastle Street bij het Strand (wier jongere zuster de hoofdrollen vervulde bij de tooneelvoorstellingen, die ter gelegenheid van de zittingen van het hof van assises te Norwich in 182– gegeven werden en zij zelve had niet zonder lof twee seizoenen achtereen in de koninklijke Engelsche Opera en in den koninklijken schouwburg van Sadler’s Wells gespeeld, toen zij door een valluik viel en haar been brak) – op die school namen de meisjes geen notitie van Fanny en beschouwden zij haar als een suf schepseltje, zoolang zij het onderricht van jufvrouw Minifer genoot; en in de donkere portiersloge van Shepherd’s Inn lette men er niet op en zag men het ternauwernood, dat deze kleine bloem tot eene schoonheid ontlook.
Dit jonge meisje hing dus aan mijnheer Pen’s arm en wandelde met hem den tuin door. Hoe leeg Londen ook heette te zijn, drentelden er toch nog altijd twee millioen menschen rond, en daaronder een twee- of drietal der kennissen van mijnheer Arthur Pendennis.
Hiertoe behoorde de weledelgeboren heer Henry Foker, die stil, eenzaam en bleek en met de handen in zijn zak voorbijging en Arthur met een weemoedig hoofdknikje groette. De jonge Henry trachtte zijn gemoed tot rust te brengen door van de eene plaats naar de andere te zwerven en zich van de eene uitspanning in de andere te storten; maar hij dacht altijd aan Blanche terwijl hij de donkere lanen doorwandelde, en evenzeer dacht hij aan haar wanneer hij de figuren beschouwde, die men met de lampions samengesteld had. Hij raadpleegde de waarzegster over haar, en werd boos toen die heidin hem vertelde, dat hij verliefd was op eene donkere dame, die hem gelukkig zou maken. Onder het concert verscheen geen enkele glimlach op Foker’s vriendelijke lippen, ofschoon mijnheer Momus zijne kluchtigste comische liedjes zong en de verwonderlijkste raadsels opgaf. Om de waarheid te zeggen, hoorde hij Momus in het geheel niet.
Pen en Fanny Bolton stonden zeer dicht in zijne nabijheid naar hetzelfde concert te luisteren, en de laatste maakte een aanmerking over Foker’s droevig gezicht, waarover Pen lachen moest.
Fanny vroeg waarom dat mannetje, dat er zoo ouwelijk uitzag, zoo wanhopig keek. „Ik geloof, dat hij een blauwtje geloopen heeft!” antwoordde Pen „Is dat niet voldoende om iemand wanhopig te doen kijken, Fanny?” En daarbij zag hij op haar neder met eene houding van hooghartige bescherming, gelijk Egmont op Clara, in het drama van Goethe, of Leicester op Amy, in den roman van Scott.