Chapter 10 of 85 · 3971 words · ~20 min read

Part 10

Dien zelfden avond, lang na het middernachtsuur, zag de slapelooze Helena, terwijl zij op hare teenen voorbij de kamer van haar zoon sloop, een lichtstraal door de reet der deur in den donkeren gang vallen en hoorde zij Pen in zijn bed woelen en draaien en verzen mompelen. Zij bleef eene poos voor de deur staan en bezorgd naar hem luisteren. Menigen nacht in vroeger tijd had de goede ziel aldus op wacht gestaan, wanneer hij als kind in koortsen lag of als knaap ziek was. Zij draaide daarop het slot zeer zacht om en trad zoo onhoorbaar binnen, dat Pen haar eenige oogenblikken lang niet ontwaarde, want zijn gezicht was van haar afgewend. Zijn lessenaar was bestrooid met papieren en op zijn bed lagen er nog meer. Hij beet op een potlood en bedacht rijmen en verbeeldde zich allerlei dwaze en hartstochtelijke dingen. Hij was Hamlet, die in Ophelia’s graf sprong; hij was de vreemdeling, die mevrouw Haller in zijne armen nam, de schoone mevrouw Haller met de gitzwarte lokken over hare schouders golvende. Wanhoop en Byron, Thomas Moore en de Liefde der Engelen, Waller en Herrick, Béranger en al de minneliederen, die hij ooit gelezen had, woelden en kookten in het brein van dezen jongen heer, en hij verkeerde juist in de hevigste vlaag van opgewondenheid, toen zijne moeder hem kwam bezoeken.

„Arthur,” riep zij met hare zachte zilveren stem, waarbij hij opsprong en zich omkeerde, eenige papieren greep en die onder zijn hoofdkussen wegstopte.

„Waarom gaat gij niet slapen, beste jongen?” vroeg zij met een zoet en teeder lachje, terwijl zij zich op zijn bed nederzette en eene zijner gloeiende handen in de hare nam.

Pen zag haar een oogenblik met verwilderde blikken aan, „Ik kon niet slapen,” gaf hij ten antwoord; „ik – ik was – ik was aan het schrijven.” En daarop, zijne armen om haar hals slaande, riep hij uit: „O moeder! ik heb haar zoo lief, zoo lief!” Hoe kon zulk eene teedere ziel als mevrouw Pendennis was, iets anders doen dan hem sussen en beklagen? De lieve vrouw deed haar best daartoe, en dacht met verwondering en teederheid, dat het, als het ware, pas gisteren was, dat hij als kind in dat bed lag en zij op zon- en feestdagen bij hem placht te komen bidden vóór zijn ontwaken.

Het waren zonder twijfel zeer treffende verzen, ofschoon jufvrouw Fotheringay ze niet begreep; doch de oude Cos zeide met een knipoogje en veelbeteekenenden vinger tegen zijn neus: „Berg ze maar bij de andere verzen weg, Milly, mijn schatje. Poldoody’s gedichten zijn niets daarbij.” En Milly sloot dus de manuscripten weg.

Toen nu de majoor gekleed en vertoonbaar was, vervoegde hij zich bij mevrouw Pendennis en ontdekte binnen tien minuten, dat de arme weduwe niet alleen bedroefd was over het huwelijk, dat Pen in den zin had, maar nog bedroefder bij de gedachte, dat de knaap er zelf niet over op zijn gemak was en met zijn oom eene heftige woordenwisseling over die zaak zou hebben. Zij bezwoer majoor Pendennis, om Arthur toch zacht te behandelen. „Hij draagt het hart zeer hoog en kan geene onvriendelijke woorden verdragen,” gaf zij te verstaan. „Doctor Portman heeft hem onlangs vrij ruw toegesproken – en ik moet bekennen onrechtvaardig – want mijn lieve jongen is zoo nauwlettend op zijne eer als zijne moeder wenschen kan – maar toch schrikte ik van Pen’s antwoord, zoo verontwaardigd was hij. Bedenk, dat hij thans een man is, en wees heel – heel voorzichtig,” besloot de weduwe en legde hare fraaie, tengere hand op den arm van den majoor.

Hij nam die hand, drukte er galant een kus op en zag met verwondering en met eene minachting, die hij te beleefd was om te toonen, in haar ontsteld gelaat. „Bon Dieu!” dacht de oude diplomaat, „de knaap heeft haar reeds bepraat, en zij zou hem eene vrouw bezorgen gelijk zij hem aan een stuk speelgoed zou helpen, als de jonge heer er om schreide. Waarom hebben wij geen lettres de cachet en geene Bastille voor jongelui van geboorte!” De majoor verkeerde in zulk goed gezelschap, dat men hem lichtelijk vergeven zal, dat hij de begrippen van een edelman had. Hij kuste de schuchtere hand der weduwe, drukte die in zijne beide handen en legde ze weder op tafel met eene der zijne er overheen, terwijl hij glimlachte en haar in de oogen keek.

„Beken maar,” sprak hij, „dat gij overlegt hoe gij het met uw geweten overeen kunt brengen, om den jongen zijn zin te geven.”

Op die woorden bloosde en ontroerde zij, zooals vrouwen dat gewoon zijn. „Ik geloof, dat hij zeer ongelukkig is – en ik ben bang –”

„Om hem tegen te gaan of hem zijn zin te geven?” vroeg de ander, en liet er inwendig met groote zelfvoldoening op volgen: „Ik mag – zijn, als hij het doen zal!”

„Het is treurig er aan te denken, dat hij zulk eene dwaze, onaangename en noodlottige minnarij heeft aangeknoopt,” zeide de weduwe, „die niet anders dan nadeelig kan afloopen, wat er ook het einde van zij.”

„Maar het einde zal geen huwelijk zijn, zusjelief,” zeide de majoor vastberaden. „Een Pendennis, het hoofd van zijn huis, zal geen reizende kunstenmaakster uit eene kermistent trouwen. Neen, neen, wij zullen ons niet met de kermisklanten verzwageren, mevrouw.”

„Wanneer de verbintenis plotseling afgebroken wordt,” kwam de weduwe er tusschen, „weet ik niet wat de gevolgen zullen zijn. Ik ken Arthur’s driftigen aard, de innigheid, waarmee hij lief heeft, zijne diepe droefheid wanneer hij te leur wordt gesteld, en ik beef voor deze teleurstelling, – als het er toe komen moet. Wezenlijk, het moet hem niet plotseling treffen.”

„Mevrouw-lief,” hernam de majoor met een gezicht, dat de diepste meewarigheid moest uitdrukken, „ik twijfel er niet aan, of Arthur zal verschrikkelijk veel te doorstaan hebben eer hij dezen kleinen tegenspoed te boven komt. Maar gelooft gij, dat hij de eenige is, die een dergelijk ongeluk heeft ondervonden?”

„Neen, waarlijk niet,” antwoordde Helena met neergeslagen oogen want zij dacht aan hare eigen geschiedenis; zij was op dat oogenblik weer zeventien jaar en zoo rampzalig mogelijk.

„Ik zelf,” fluisterde haar schoonbroeder, „heb in mijn jongen tijd zulk eene teleurstelling ondergaan. Eene jonge dame met vijftien duizend pond, nicht van een graaf, allerliefst schepseltje; – met een derde van haar geld zou ik in een ommezien promotie gemaakt hebben en op mijn dertigste jaar luitenant-kolonel geweest zijn; maar het mocht niet wezen. Ik was maar een arme luitenant; hare ouders kwamen er tusschen, en ik vertrok naar Indië, waar ik de eer had secretaris bij Lord Buckley te worden toen hij opperbevelhebber was – zonder haar. Hoe ging het? wij zonden elkaar onze brieven terug en onze haarlokken” (bij die woorden streek de majoor met de vingers door zijne pruik), „wij leden er onder – maar wij kwamen het weer te boven. Zij is nu de vrouw van een baronet en heeft dertien volwassen kinderen; zij is wel is waar veranderd, maar hare dochters herinneren mij er aan hoe zij er uitzag, en de derde daarvan wordt in de volgende week ten hove voorgesteld.”

Helena gaf geen antwoord. Nog altijd dacht zij aan den ouden tijd. Ik geloof, dat, al wierd men honderd jaar oud, er sommige voorvallen uit onze jeugd zijn, welker herinnering ons altijd in het verledene zou terugvoeren, en dat Helena aan één daarvan dacht.

„Denk maar eens aan mijn eigen broeder, lief kind,” vervolgde de majoor op galante wijze; „hij ondervond zelf, dat weet gij, eene kleine teleurstelling toen hij zich pas als – als geneeskundige nederzette. Er deed zich eene goede partij op. Jufvrouw Balls, ik herinner mij den naam nog zeer goed, was de dochter van een apoth – een geneeskundige met eene zeer groote praktijk, en mijn broeder was in zijn aanzoek bijna geslaagd. Maar er rezen bezwaren; er volgde eene afwijzing en – ik moet bekennen, dat hij geen reden had om de teleurstelling, die hem deze hand verschafte, te betreuren,” eindigde de majoor, terwijl hij nogmaals met wellevendheid Helena’s vingers drukte.

„Die huwelijken tusschen menschen van zoo verschillenden stand en leeftijd zijn akelige dingen,” zeide Helena. „Ik heb gezien hoeveel ellende zij teweegbrengen. Laura’s vader, mijn neef, die – die met mij werd groot gebracht,” voegde zij er op zachten toon bij, „was er een voorbeeld van.”

„Hoogst onverstandig!” viel de majoor in. „Ik weet voor een man niets pijnlijker dan eene vrouw te trouwen, die boven hem staat in jaren, of beneden hem in rang. Verbeeld u eens eene vrouw van lagen stand te huwen en uw huis vol te zien loopen met hare verwenschte schooierige familie! Verbeeld u eens, dat uwe vrouw eene moeder heeft, die de h’s weglaat, of Miet zegt in plaats van Maria! Hoe kunt gij haar in fatsoenlijk gezelschap brengen? Lieve mevrouw Pendennis, ik zal geen namen noemen, maar ik heb mannen in de beste kringen te Londen de pijnlijkste folteringen zien ondergaan, ik heb gezien, dat men hen ontweek en dat zij ten eenemale verloren gingen, enkel omdat hunne vrouwen van zoo gemeene afkomst waren. Wat denkt gij, dat Lady Snapperton verleden jaar op haar déjeuner dansant na het gemaskerd bal deed? Zij duwde Lord Brouncker toe, dat hij zijne dochters kon meebrengen, of ze zenden mocht onder behoorlijk geleide, maar dat zij Lady Brouncker niet ontvangen wilde, die de dochter van een drogist, of iets dergelijks was. Goede hemel, wat zou de onbeduidende smart van eene dadelijke scheiding beteekend hebben, in vergelijking met de aanhoudende foltering van eene mésalliance en omgang met gemeene lui?”

„Zeker niet veel,” antwoordde Helena, half geneigd om te lachen, maar die aanvechting onderdrukkende, omdat zij zich herinnerde hoe verbazend veel ontzag haar overleden echtgenoot altijd voor majoor Pendennis en zijne geschiedenissen uit de groote wereld aan den dag had gelegd.

„Verder is dit verwenschte vrouwmensch tien jaar ouder dan die onnoozele jonge schavuit van een Arthur. Wat gebeurt er in zulke gevallen, mevrouw-lief? Ik schroom niet u te zeggen, nu wij alleen zijn, dat ellende, hopelooze ellende daarvan in de hoogste standen der maatschappij het gevolg is. Let eens op als Lord Clodworthy eene kamer binnentreedt met zijne vrouw – wel, goede hemel, men zou haar voor zijne moeder aanzien! Wat is er gebeurd tusschen Lord en Lady Willowbank, van wie het algemeen bekend is, dat zij uit liefde gehuwd zijn? Hij heeft haar reeds tweemaal afgesneden, nadat zij zich uit jaloerschheid op mademoiselle de Sainte Cunegonde, de danseres, opgehangen had, en let eens op mijne woorden, goede hemel, dat er een dag zal komen, dat hij de oude vrouw niet afsnijdt! Neen, mevrouwlief, gij verkeert niet in de wereld, maar ik wel; gij zijt een weinigje romanesk en sentimenteel (dat weet gij ook wel – vrouwen met zulke mooie groote oogen zijn het altijd); laat die zaak maar aan mijne ondervinding over. Die vrouw trouwen! Een knaap van achttien met eene actrice van dertig – bah! bah! – hij zou evengoed kunnen rondzien in de keuken en de meid trouwen!”

„Ik weet hoe ongelukkig overhaaste engagementen zijn,” zuchtte Helena. Daar zij in den loop van het medegedeelde gesprek niet minder dan driemaal hierop gezinspeeld heeft; daar zij zoo doordrongen schijnt van het nadeelige van lange engagementen en ongelijke huwelijken, en daar hetgeen wij gaan mededeelen datgeen zal ophelderen, waarnaar misschien sommigen nieuwsgierig zijn, namelijk wie de kleine Laura is, die reeds meer dan eens voor ons verscheen, zoo zat het niet ongepast zijn dit in een nieuw hoofdstuk te behandelen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

WAARIN PEN AAN DE DEUR MOET WACHTEN, TOTDAT DE LEZER ONDERRICHT IS WIE DE KLEINE LAURA WAS.

Er was dan eens een jong heer aan de hoogeschool te Cambridge, die de groote vacantie kwam doorbrengen in het dorp, waar Helena Thistlewood met hare moeder, de weduwe van den voor Kopenhagen gesneuvelden luitenant; woonde. Deze heer, de eerwaarde Francis Bell, had mevrouw Thistlewood tot tante en was dus een volle neef van Helena, zoodat het zeer natuurlijk was, dat hij zijn intrek bij zijne tante nam, die op een zeer bescheiden voet leefde, en daar bracht hij de groote vacantie door, terwijl hij les bleef geven aan drie of vier studenten, die hem naar het dorp vergezeld hadden. Mijnheer Bell was „fellow” van een der collegiën en ging aan de academie voor een zeer geleerd man en bekwaam onderwijzer door.

De beide vrouwen begrepen, dat de eerwaarde heer geëngageerd was en slechts op eene predikantsplaats, die zijn Collegie hem verschaffen zou, wachtte om zijn woord gestand te doen. Zijne verloofde was de dochter van een ander predikant, die in vroegere jaren Bell’s onderwijzer was geweest. Toen Bell nog onder het dak van mijnheer Coacher vertoefde en een knaap van slechts zeventien of achttien jaar was, had hij zich in jeugdig vuur aan de voeten van jufvrouw Martha Coacher geworpen, die hij in den tuin erwten hielp plukken. Voor haar en de erwten op de knieën liggende, had hij zich tot eeuwige liefde verbonden.

Mevrouw Coacher was vele jaren ouder dan de jonge heer, en reeds had menige teleurstelling op het gebied der liefde haar hart verscheurd. Niet minder dan drie leerlingen van haar vader hadden met hare jeugdige genegenheid den draak gestoken. De dorpsapotheker had haar op eene schandelijke wijze bedrogen. De dragonder-officier, met wien zij zoo ontelbaar veel keeren gedanst had gedurende den zaligen tijd, dien zij met hare jichtige grootmama te Bath had doorgebracht, had op zekeren dag vlug de teugels van zijn paard aangehaald en was heen gegaloppeerd om nooit terug te komen. Kan het verwondering baren, dat het hart van Martha Coacher, door zoovele pijlen van ondankbaarheid gewond, smachtte om ergens rust te vinden? Zeer vriendelijk en goedaardig luisterde zij naar de voorstellen van den linkschen, galanten, eerlijken knaap, en toen hij uitgesproken had, riep zij: „Heere! Bell, gij zijt nog veel te jong om aan zoo iets te denken,” maar gaf hem toch te kennen, dat zij het van haar kant ook in haar maagdelijken boezem zou overwegen. Zij kon mijnheer Bell niet naar hare mama verwijzen, want mijnheer Coacher was weduwnaar en kon, daar hij altijd in zijne boeken verdiept zat, natuurlijk de zorg voor zulk een broos en zonderling voorwerp als een dameshart niet op zich nemen, zoodat Martha zelve maar daarop letten moest.

Eene lok van haar haar, met een blauw lintje samengebonden, maakte aan den overgelukkigen Bell den uitslag van de inwendige overlegging der Vestaalsche maagd kenbaar. Reeds driemaal te voren had zij eene van hare kastanjebruine lokken afgeknipt en weggegeven. De bezitters van die panden waren trouweloos geworden, maar het haar was weer aangegroeid; en Martha had wel reden, toen zij dit minnepand aan den onnoozelen jongen overhandigde, er bij te voegen, dat de mannen bedriegers waren.

Nommer 6 maakte echter eene uitzondering op de vorige engagementen: Francis Bell was de trouwste der minnaars. Toen het tijd voor hem werd om naar de academie te gaan en het dus noodig was mijnheer Coacher met de beraamde schikkingen bekend te maken, riep de predikant uit: „Mijn hemel! ik had niet het minste vermoeden van zoo iets,” hetgeen ook zeer waarschijnlijk was, want hij was er driemaal te voren juist op dezelfde wijze ingeloopen; en zoo ging Francis naar de academie met het voornemen om lauweren te behalen, ten einde die aan de voeten zijner geliefde Martha neer te leggen.

De prijs, dien hij in het vooruitzicht had, spoorde hem tot ongeloofelijken ijver aan. Na elken studietermijn kwam er bericht van de eerbewijzen, die hem ten deel gevallen waren. Hij zond de boeken, die hij als prijzen voor zijne opstellen gekregen had, aan den ouden Coacher, en den zilveren beker, dien hij behaalde bij den wedstrijd in de welsprekendheid, aan Martha. Op den behoorlijken tijd nam hij eene der eerste plaatsen onder de verdienstelijkste candidaten in en was hij „fellow” van zijn collegie; en bij al die omstandigheden onderhield hij eene drukke en teedere briefwisseling met mejufvrouw Coacher, aan wier invloed hij, misschien niet zonder reden, de zegepralen toeschreef, die hij behaald had.

Op het tijdstip echter toen de eerwaarde heer Bell, meester in de vrije kunsten en „fellow” en onderwijzer van zijn collegie, zes en twintig jaar oud was, wilde het geval, dat jufvrouw Coacher vier en dertig jaar telde, en hare bekoorlijkheden, manieren en humeur hadden ook geene verbetering ondergaan sedert dien zonnigen dag in den lentetijd des levens, toen hij haar in den tuin erwten had zien plukken. Toen hij zijne graden behaald had, verflauwde hij in zijne studiën, en misschien was zijn oordeel en smaak ook iets veranderd. De zonneschijn van het erwtenbed had Martha verlaten, en de arme Bell vond zich verloofd – en dat verbond in duizend brieven met zijne hand bekrachtigd – aan eene ruwe, twistzieke, onbekoorlijke, ongemanierde vrouw van middelbaren leeftijd.

Het was ten gevolge van een der vele twisten (waarin Martha’s welsprekendheid uitblonk, – waarom zij zich dan ook dikwijls dat genoegen vergunde), dat Francis weigerde zijne leerlingen naar Bearlender’s Green mee te nemen, waar mijnheer Coacher zijne pastorie had en Bell gewoon was den zomer door te brengen. Hij kwam op den inval zijne vacantie te gaan slijten in het dorp bij zijne tante, die hij in verscheidene jaren niet gezien had, – eigenlijk niet sedert Helena als een klein meisje op zijne knie placht te zitten. Hij kwam dus over en nam zijn intrek bij haar. Helena was nu tot eene schoone jonkvrouw opgewassen. Neef en nicht waren bijna vier maanden, van Juni tot October, in elkanders gezelschap. Zij wandelden in de zomeravonden, ontmoetten elkander op den vroegen morgen en lazen uit hetzelfde boek, als de oude dame des avonds bij het kaarslicht zat te dutten. Wat de kleine Helena wist, had Frans haar geleerd. Zij zong voor hem. Zij schonk hem haar argeloos hart. Zijne gansche geschiedenis was haar bekend. Hij had er immers geen geheim van gemaakt, maar het afbeeldsel der vrouw, met welke hij verloofd was, laten zien, en tevens – met een blos – hare hardvochtige, scherpe, wreede brieven? De tijd snelde voort, elken dag waren zij gelukkiger en gevoelden zij zich nauwer tot elkander getrokken, elke dag deed meer vriendelijkheid, vertrouwelijkheid, medelijden ontstaan. Eindelijk kwam er een morgen in October, toen Francis naar de academie moest terugkeeren, en het arme meisje gevoelde, dat haar teeder hart hem vergezelde.

Ook Frans ontwaakte uit den heerlijken droom, om de afschuwelijke werkelijkheid zijner eigen smart weer te gevoelen. Hij trok en rukte aan de keten, die hem bond. De wensch om die te breken en weer vrij te zijn bracht hem bijna tot waanzin. Zou hij alles bekennen, zijne spaarpenningen overlaten aan de vrouw, met wie hij verloofd was, en haar verzoeken hem te ontslaan? Er was nog tijd en hij schoof het dus op de lange baan. Misschien zou hij nog in jaren geene predikantsplaats bekomen. Neef en nicht bleven droevige maar hartelijke brieven wisselen, terwijl de verloofde, in eene stuursche, jaloersche en misnoegde stemming, zich bitter, en met reden, over de verandering in den toon van haar Francis beklaagde.

Eindelijk kwamen de zaken tot eene crisis en werd de nieuwe verbintenis ontdekt. Francis bekende het, deed geene moeite om het te verbloemen, bestrafte Martha over haar slecht humeur en haar heerschzuchtigen zin en verweet haar, wat nog het ergst van alles was, hare onbeschaafdheid en hare jaren.

Haar antwoord luidde, dat zij zijne brieven, indien hij zijn woord niet hield, bij elke rechtbank in het rijk zou aanbrengen – brieven, waarin hij haar tienduizendmaal trouw gezworen had; en dat zij, na hem als een meineedige en verrader ten toon gesteld te hebben, zich zelve van het leven zou berooven.

Frans had nog één onderhoud met Helena, die intusschen hare moeder verloren had en nu gezelschapsdame bij de oude Lady Pontypool was, – een onderhoud, waarin besloten werd, dat hij zijn plicht moest doen: met andere woorden, dat hij woord moest houden, dat hij eene schuld moest betalen, die hem door een woekeraar afgedwongen werd, dat twee brave menschen rampzalig moesten gemaakt worden. Dit beschouwden die twee als hun plicht, en daarop scheidden zij.

De predikantsplaats viel hem maar al te spoedig ten deel, maar desniettemin was Frans Bell reeds grijs en afgeleefd toen hij in zijn ambt bevestigd werd. Helena schreef hem bij zijn huwelijk een brief, beginnende: „Lieve neef,” en eindigende: „Altijd de uwe.” De andere brieven en de lok van zijn haar – met uitzondering van een heel klein vlokje – zond zij hem terug. Dat vlokje lag in haar lessenaar, toen zij met den majoor zat te spreken.

Bell bracht drie af vier jaar op zijne standplaats door, toen het predikantsambt op Coventry-eiland openviel, waarom hij onder de hand aanzoek deed. Hij werd inderdaad benoemd, en toen hij zijne aanstelling aan zijne vrouw meedeelde, had zij er veel tegen, gelijk tegen alles. Op bitteren toon verklaarde hij, dat hij haar ook liefst niet meenam, en nu ging zij mee. Bell vertrok ten tijde van gouverneur Crawley en stond met dien heer in zijne latere jaren op zeer vertrouwelijken voet. Het was op Coventry-eiland, jaren na zijn huwelijk en vijf jaar nadat hij de geboorte van Helena’s zoon vernomen had, dat zijne eigen dochter geboren werd.

Zij was geen dochter van de eerste mevrouw Bell, die aan de inheemsche koortsen van het eiland overleden was, zeer kort nadat Helena Pendennis en haar echtgenoot (dien Helena met al het voorgevallene bekend gemaakt had) de geboorte van hun kind aan Bell gemeld hadden. „Ik was te oud, niet waar?” zeide mevrouw Bell de eerste. „Ik was te oud, en kon in hare schaduw niet staan, niet waar? Maar ik trouwde u toch, mijnheer Bell, en belette u, haar te trouwen!” en daarop stierf zij. Bell huwde vervolgens eene dame uit de kolonie, die hij van harte liefhad. Maar het was niet voorbeschikt, dat hij gelukkig in zijne liefde zou zijn, en toen deze vrouw in het kraambed stierf, bezweek Bell er ook onder, en zond het kleine meisje naar Helena Pendennis en haar man, met de bede op zijne stervende lippen, dat zij zich haar zouden aantrekken.

Het schaapje kwam in rouwkleederen, in gezelschap van hare min, eene soldatenvrouw, van Bristol op Fairoaks, – dus niet heel ver, – en weende bitter bij het scheiden van hare voedster. Maar onder Helena’s moederlijke zorgen hield het verdriet van het kind spoedig op.

Zij droeg aan haar hals een medaillon met haar, dat Helena, o hoeveel jaren geleden! den armen Francis geschonken had, die nu reeds dood was en begraven. Dit kind was al wat er van hem overbleef, en Helena verzorgde, gelijk men van zulk eene teedere ziel verwachten mocht, met volle liefde de kleine, die hij haar opgedragen had. Het meisje heette, volgens den brief van den stervenden man, Helena Laura, maar John Pendennis was, ofschoon hij het toevertrouwde pand aanvaardde, altijd eenigszins jaloersch op de wees, en gelastte met een somber gelaat, dat zij bij den naam van hare eigen moeder genoemd moest worden, en niet bij den eersten der beide namen, die haar vader haar gegeven had. Zij was tot het laatste toe bevreesd voor mijnheer Pendennis; en eerst toen haar echtgenoot ten grave gedaald was, durfde Helena ongedwongen toegeven aan de teedere liefde, die zij het meisje toedroeg.

Op zoodanige wijze werd Laura Bell de dochter van mevrouw Pendennis. Noch haar man, noch diens broeder de majoor, zagen gunstig op het kind neer. Den eersten herinnerde zij aan omstandigheden in het leven zijner vrouw, die hij zich moest getroosten, maar die hij veel liever had willen vergeten; en met welke oogen kon de majoor haar aanzien? Zij was niet verwant aan zijn eigen geslacht, noch aan eenigen edelman in het gansche rijk, terwijl zij voor haar gansche fortuin niet meer dan een paar duizend pond bezat.

En nu mag mijnheer Pen binnenkomen, die al dezen tijd heeft staan wachten.