Part 51
Wat? – Ik heb alleen maar te zeggen aan de jonge dames, die deze bladzijden lezen, dat, indien haar hetzelfde ongeval overkomt, dat nu sinds meer dan twaalf uren geleden Henry Foker getroffen had, menschen, om wie zij nog den vorigen dag geen zier gaven, haar belangstelling zullen inboezemen; evenals zij aan den anderen kant personen, van welke zij meenden dat zij veel hielden, vervelend en onaangenaam zullen gaan, vinden. Dan zal uwe liefste Eliza of Maria van onlangs, aan wie gij brieven zondt en haarlokken van eene el lang u, plotseling even onverschillig worden als uwe bekenden, bij wie niets zit; terwijl gij daarentegen zulk eene vurige belangstelling voor zijne familie zult opvatten! zulk eene genegenheid en begeerte zult koesteren, om bij zijne mama in een goed blaadje te staan! zooveel zult gaan houden van dien goeden ouden man, zijn vader! Wat zult gij eene moeite doen, indien Hij gewoon is in zeker huis te komen, om daar ook visites te mogen afleggen! Wanneer Hij eene gehuwde zuster heeft, zult gij gaarne heele ochtenden bij haar doorbrengen. Gij zult uwe dienstboden afbeulen, door haar twee of driemaal daags briefjes te zenden, waarbij de dringendste haast is. Gij zult in tranen uitbarsten, als uwe mama u verbiedt zoo dikwijls naar zijne familie te gaan. De eenige van dat gezin, dien gij niet lijden moogt, zal wellicht zijn jongere broeder zijn, die met de vacantie thuis is en die altijd in de kamer blijft als gij uwe pas gevonden boezemvriendin, zijn engel van eene jongere zuster, komt bezoeken. Iets van dezen aard zal u overkomen, jonge dames, of laten wij althans hopen, dat het u overkomen zal. Ja, gij moet de heete en koude vlagen van die genoeglijke koorts doorstaan. Als uwe moeders het maar bekennen wilden, zouden zij u zeggen, dat zij dat ook doorstaan hebben voordat gij geboren waart, en dat natuurlijk uw lieve papa – want wie had het anders kunnen zijn dan hij? – het voorwerp dier genegenheid was. En gelijk gij de ziekte ondergaat, zal het ook met uwe broeders op hunne manier en naar hun aard het geval zijn; zelfzuchtiger, levendiger en eigenzinniger dan gij, zullen zij hun lot te gemoet snellen, zoodra de voorbeschikte toovenares verschijnt. Of indien dit met u en met hen het geval niet is, dan sta de hemel u bij! Gelijk de speler van zijne dobbelsteenen zeide: liefhebben en winnen is het allerbeste, en dan volgt liefhebben en verliezen. Men sterft niet aan die ziekte; dat overkomt slechts weinigen. Het brave maar gewonde hart lijdt en overleeft het. Hij is geen man en zij is geen vrouw, die er in den strijd niet door overwonnen wordt en het daarna niet zelf weer overwint..... Indien wij dan nu vragen waarom de heer Henry Foker zoo’n haast maakte om Arthur Pendennis op te zoeken, hem plotseling op zoo hoogen prijs stelde en zooveel achting voor hem koesterde, dan kunnen wij gerust zeggen, dat dit daaruit voortsproot, dat Pen werkelijk veel waard was geworden in de oogen van mijnheer Foker, omdat Pen, indien hij niet de roos was, althans in de nabijheid van die geurige bloem der liefde had vertoefd. Was hij niet gewoon ten haren huize in Londen te komen? Woonde hij niet dicht bij haar op het land? Wist hij niet alles van de toovergodin? Wat zou Lady Anna Milton, de nicht en verloofde van mijnheer Foker, wel gezegd hebben, indien zij alles geweten had wat er in den boezem van dat luchtige heertje omging?
Helaas toen Foker in Lamb Court kwam en zijn rijtuig ter bewondering overliet aan de klerkjes, die onder den booggang slenterden welke naar Flag Court loopt, van waar men in Upper Temple Lane komt, bevond Warrington zich wel op de kamers, maar Pen was afwezig; hij was naar de drukkerij gegaan om proeven te corrigeeren. Warrington vroeg of Foker eene pijp wilde rooken, en of hij de schoonmaakster naar het Haantje zou zenden om eene kan bier, terwijl hij aangenaam verrast was door het schitterende toilet van dezen jeugdigen aristocraat, met zijne fijne geuren en blinkende laarzen. Maar Foker had hoegenaamd geen trek in tabak of bier; hij had zeer belangrijke zaken omhanden, zeide hij, en dus ijlde hij heen naar het bureau der Pall Mall Gazette, altijd in de hoop van Pen aan te treffen. Toen hij daar kwam, was Pen weer vertrokken. Foker had hem noodig, om met hem een bezoek bij Lady Clavering te gaan afleggen. Foker reed hopeloos weg en bracht een paar uren in de clubs zoek, en toen het visite-tijd werd, oordeelde hij, dat het niet anders dan fatsoenlijk en beleefd zou zijn, dat hij naar Grosvenor Place reed en een kaartje voor Lady Clavering afgaf. Hij had den moed niet, naar haar te vragen toen de deur geopend werd, en hij gaf dus slechts in stomme smart aan James twee kaartjes over, waarop Henry Foker gegraveerd stond. James nam ze aan en boog zijn gepoeierd hoofd. De geverniste deuren werden weer toegeslagen. Het geliefde voorwerp, ofschoon zoo nabij, was even ver van hem als ooit. Hij meende, dat hij de klanken van eene piano en van eene zingende sirene uit de zaal hoorde galmen en over het balkon met geraniums zweven. Hij zou gaarne gebleven zijn om te luisteren, maar dat mocht niet. „Rijd naar Tattersall,” zeide hij met eene door aandoening gesmoorde stem tegen den knecht, „en breng mijn paard hier,” voegde hij er bij, waarop de man snel wegreed.
Het geval wilde, dat de prachtige barouchet van Lady Clavering, die in een vorig hoofdstuk verre beneden verdiensten beschreven is, juist voor hare deur opreed, toen Foker het paard besteeg, dat hem wachtte. Hij beklom het vurige dier, slenterde rondom den ingang van het Groene Park en hield het rijtuig nauwkeurig in het gezicht, tot hij Lady Clavering zag instappen en te gelijk met haar – wie kon die engelachtige gedaante anders zijn dan de toovergodin, in een soort van hemelsch gewaad gehuld, met een paarschen hoed en eene lichtblauwe parasol, – wie anders dan jufvrouw Amory?
Het rijtuig voerde zijne schoone eigenaressen naar den mutsen- en kantwinkel van madame Rigodon, naar den tapisseriewinkel van jufvrouw Walsey, en wie weet naar hoeveel andere magazijnen van vrouwelijke handelsartikelen? Vervolgens reden de dames naar Hunter, om een glas ijs te gebruiken, want Lady Clavering was verzot op vertoon in hare gewoonten en uitspanningen, en hield er niet alleen van, in het opzichtigste rijtuig door Londen te rijden, maar ook zich daarin te laten zien; en derhalve at zij, met een witten hoed door eene gele veder gekroond, eene portie rozenkleurig ijs in den zonneschijn voor Hunter’s deur, totdat Foker op zijn paard en de rijknecht, die hem vergezelde, schier doodmoe waren geworden van het wachten.
Eindelijk echter sloeg zij den weg naar het Park in, en de vlugge Foker snelde voorwaarts. En om wat te doen? Om een knikje van herkenning van jufvrouw Amory en hare moeder te ontvangen; om beiden op den wandelrit zesmaal voorbij te rijden; om van den overkant van den vijver, waar de heeren te paard zich verzamelen als de muziek in de Kensington Gardens speelt, haar in het oog te houden en te belonken. Wat heeft men er aan, over een vijver heen naar eene dame met een paarschen hoed te kijken? Welk voordeel ter wereld kan men uit een hoofdknik trekken? Het is zonderling, dat de mannen met een dergelijk genoegen tevreden zijn, of, zoo niet tevreden, er toch zoo naar verlangen. Henry, wien het spreken anders zoo vlot afging, wisselde dien dag geen enkel woord met de godin van zijn hart. Zwijgend zag hij haar naar haar rijtuig terugkeeren en wegrijden, onder de eenigszins ironische groeten der jonge heeren in het park. De een zeide, dat de Indische weduwe de roepijen van haar vader snel onder de menschen wist te brengen; een ander beweerde, dat zij zich levend had moeten verbranden en het geld aan hare dochter nalaten. Eén vroeg er naar, wie Clavering was; en de oude Tom Eales, die iedereen kende en geen dag liet voorbijgaan zonder op zijn schimmel in het park te komen, was zoo goed hem in te lichten, dat Clavering een landgoed geërfd had, dat tot de volle waarde gehypothekeerd was, dat er verduiveld leelijke praatjes over hem geloopen hadden toen hij een jongmensch was, dat men van hem vertelde dat hij aandeel had in een speelhuis of zoogenaamde „hel,” en dat het zeker was, dat hij zich bij zijn regiment als een lafaard had doen kennen. „Hij speelt nog altijd,” besloot Eales, „en zit bijna elken avond in eene hel.”
„Dat geloof ik wel, sedert zijn huwelijk,” zeide een grappenmaker.
„Hij geeft drommels goede diners,” merkte Foker aan, die voor zijn gastheer van den vorigen dag partij trok.
„Dat wil ik wel gelooven, en ook dat hij Eales niet uitnoodigt,” hernam de snaak. „Zeg eens, Eales, dineert gij bij de Clavering’s – bij de begum?”
„Ik daar dineeren?” riep Eales uit, die bij Beëlzebub zou gedineerd hebben als er een goede kok was, en dan, na zijn vertrek, zijn gastheer zwarter zou gemaakt hebben dan het noodlot reeds gedaan had.
„Het had licht het geval kunnen zijn, ofschoon gij zooveel kwaad van hen spreekt,” zeide de grappenmaker weer. „Men zegt, dat het er zeer prettig is. Clavering gaat na het diner zitten dutten, de begum drinkt zich een roes aan kersenbrandewijn, en de jonge dame zingt liedjes voor de jonge heeren. Zij zingt mooi, niet waar, Foker?”
„Heerlijk,” zeide Foker. „Weet je, Poyntz, ze zingt als eene – hoe is het ook? – je weet wel wat ik meen – als eene meermin, weet je, maar zoo heet het niet.”
„Ik heb nooit eene meermin hooren zingen,” zeide mijnheer Poyntz, de grappenmaker. „Wie heeft ooit eene meermin gehoord? Eales, ge zijt oud genoeg, – hebt gij er ooit eene gehoord?”
„Houd mij niet voor den gek, Poyntz,” zeide Foker, die rood werd en bijna de tranen in de oogen kreeg; „ge weet wel wat ik bedoel; het zijn die – die – in Homerus. Ik heb nooit gezegd, dat ik geleerd was.”
„En nooit heeft iemand anders het van u gezegd, beste jongen,” antwoordde Poyntz, waarop Foker zijn paard de sporen gaf en met het hart vol aandoeningen, vol wenschen, vol teleurstellingen, Rotten Row afdraafde. Het speet hem erg, dat hij in zijn vroeger tijd zoo weinig werk van zijne boeken had gemaakt; anders had hij al die jonge heeren, die haar omringden, en die vreemde talen met haar spraken en verzen schreven en teekeningen in haar album maakten en en zoo meer – de loef kunnen afsteken. „Wat ben ik, bij haar vergeleken?” dacht de kleine Foker. „Zij is geheel ziel, dat is zij, en kan verzen schrijven en muziek componeeren, zoo gemakkelijk als ik een glas bier drinken. Bier? – ja, voor den duivel, dat is het eenige, waarvoor ik geschikt ben – voor bier drinken! Ik ben een arme, domme kleine rekel, goed voor niets dan voor Foker’s bier. Ik heb mijne jeugd verspild en mijn werk door mijne kameraden laten maken. En wat is nu het gevolg? O, Henry Foker, wat zijt ge een verwenschte kleine ezel geweest.”
Onderwijl hij die moedelooze alleenspraak hield, draafde hij uit Rotten Row het Park in en reed bijna eene groote oude familiekoets omver, die hij niet gezien had, en waaruit een helder stemmetje hem toeriep: „Henry! Henry!” Toen hij dus opkeek, zag hij zijne tante Lady Rosherville met twee harer dochters, van welke zij, die hem aangeroepen had, zijne verloofde, Lady Anna, was.
Met een bleek en verschrikt gelaat deinsde hij terug, want een denkbeeld, dat nog den ganschen dag niet bij hem opgekomen was, schoot hem door den geest. Daar zat zijne toekomst op de achterbank van het rijtuig.
„Wat deert u, Henry, dat gij zoo bleek ziet?” vroeg Lady Anna. „Gij zijt weer te veel uitgegaan en aan het rooken geweest, ondeugende jongen.”
„Hoe vaart ge, – tante? Hoe vaart ge, Anna?” vroeg Foker, geheel van streek, mompelde iets van weinig tijd te hebben (en inderdaad zag hij op de klok van het Park, dat hij het bestelde rijtuig bijna een uur had laten wachten) en wuifde de dames een vaarwel toe. Het mannetje en het paardje waren binnen een oogenblik uit het gezicht, en de groote koets rolde weer voort. Niemand daarin stelde veel belang in zijn komen of gaan; de gravin hield zich bezig met haar schoothondje, Lady Lucy vestigde hare oogen en gedachten op een bundel preeken, en Lady Anna de hare op een nieuwen roman, dien de zusters juist uit de leesbibliotheek ontvangen hadden.
EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
BRENGT DEN LEZER TE RICHMOND EN TE GREENWICH.
De arme Foker vond het diner, te Richmond de vervelendste uitspanning, waaraan ooit een sterveling zijne guinjes verkwistte. „Ik verwonder mij, hoe ik ooit iets met die menschen heb opgehad,” dacht hij. „Ik kan de rimpels onder Rougemont’s oogen zien, en het blanketsel ligt zoo dik op hare wangen als bij een clown in de pantomime! De platte taal van die Calverley stuit mij; ik heb een hekel aan overmoed in eene vrouw. En die oude Colchicum! die oude Col, die in zijn brougham, met zijne kroon er op, hier komt en tusschen mademoiselle Coralie en hare moeder aanzit! Het is al te erg! Een pair van Engeland en eene paardrijdster van Franconi! Het deugt niet! bij den hemel, het deugt niet! Ik ben niet trotsch; maar daarmee wil ik mij niet meer inlaten!”
„Een dubbeltje om uwe gedachten te mogen weten, Foky!” riep juffer Rougemont, de sigaar van tusschen hare met vermiljoen beschilderde lippen nemende, tegen den in gepeins verzonken jonkman, die aan het hoofd der tafel zat bij versmeltend ijs en aangesneden ananassen en leege en volle flesschen en sigaar-asch, op de vruchten gevallen, kortom bij de ruïnen van een dessert, dat niets bekoorlijks voor hem had.
„Zou Foker ooit denken?” riep mijnheer Poyntz op lijmerigen toon. „Foker, gij hoort, dat eene schoone kapitaliste aan dit eind van de tafel eene aanzienlijke som biedt voor de vruchten, die uw hooggeschat en scherpzinnig brein op het oogenblik voortbrengt, ouwe jongen!”
„Waar drommel spreekt die Poyntz nu over?” vroeg mevrouw Calverley aan hare buurvrouw. „Ik heb een hekel aan hem, met zijne lijmerige en spottende spraak.”
„Wat een mal kereltje is die kleine Fokère, mylord,” zeide mademoiselle Coralie in hare eigen taal en met de neusklanken van dat zonnige Gascogne, waar hare donkere wangen en schitterende zwarte oogen hun vuur verkregen hadden. „Wat een kluchtig ventje! Hij ziet er uit, alsof hij nog geen twintig jaar was.”
„Ik wenschte, dat ik zijn leeftijd nog had,” zeide de eerwaardige Colchicum met een zucht, en boog zijn purperen gelaat over een groot glas wijn.
„C’te jeunesse! Peuh! je m’en fiche,” zeide mevrouw Brack, Coralie’s mama, en nam eene groote prise uit Lord Colchicum’s fraaie gouden snuifdoos. „Je n’aime que les hommes faits, moi. Comme milor. Coralie! n’est-ce pas que tu n’aimes que les hommes faits, ma bichette?”
„Gij vleit mij, mevrouw Brack,” zeide mylord met een grijns.
„Taisez-vous, maman, vous n’êtes qu’une bête,” riep Coralie, terwijl zij hare sterke schouders ophaalde; waarop mylord hernam, dat zij voorzeker niet vleide, en te gelijk zijne snuifdoos in zijn zak stak, daar hij niet verlangde, dat mevrouw Brack hare min zindelijke vingers al te dikwijls in zijne „macuba” zou dompelen.
Wij behoeven geen breedvoerig verslag van het levendige gesprek te geven, dat gedurende het overige van het feest gevoerd werd, want het zou niet tot bijzondere stichting van den lezer kunnen bijdragen. We behoeven ook wel niet te verzekeren, dat niet al de dames van het corps de ballet op jufvrouw Calverley gelijken, evenmin als de pairs op hun doorluchtigen medebroeder, wijlen den betreurden burggraaf Colchicum. Maar wij herinneren er ons nog zeer goed, die aan het gezelschap der onstuimige jeugd de voorkeur gaven boven dat van mannen van hun eigen leeftijd en rang, en die met hunne kostbare ondervinding en voorbeeld de jongelui voorgingen; en eveneens hebben er zeer geachte mannen bestaan, die niet zoozeer tegen de soort der uitspanningen bedenking hadden, als wel tegen de ruchtbaarheid, die deze konden verkrijgen. Ik houd mij, bij voorbeeld, overtuigd, dat onze vriend majoor Pendennis, niets tegen zulk een partijtje zou gehad hebben, mits het en petite comité ware geweest en mannen als Lord Steyne en Lord Colchicum er aan hadden deelgenomen. „Laten de jongelui hun genoegen nemen,” zeide deze waardige leidsman meer dan eens tegen Pen. „Ik behoor niet tot de onhandelbare zedepreekers; ik ben voor den drommel een oud man van de wereld; en ik weet, dat jongelui jongelui zullen blijven, zoolang de wereld bestaat.” En er waren dan ook eenige jongelui, aan welke deze achtenswaardige wijsgeer ongeveer zeventig jaren vergunde, om uit te razen; maar dat waren lui van aanzien.
Mijnheer Foker bracht dien avond zijne schoone gasten met zijn rijtuig naar haar huis in Brompton; maar hij was gedurende het kleine tochtje van Richmond af aanhoudend in gepeins en somberheid verzonken; hij luisterde niet naar de vrienden, die achter hem, of op den bok naast hem zaten, en wierp er niet als naar gewoonte zijne eigen grappen tusschen. En toen de dames, die hij reed, hare woning bereikt hadden en haar ervaren koetsier vroegen, of hij niet wilde binnenkomen, om nog een slokje te gebruiken, bedankte hij op zulk een melancholischen toon, dat zij onderstelden dat hij een twist met „zijn ouwe” had gehad, of dat hem eenige andere tegenspoed had getroffen; hij vertelde echter aan deze menschen niet wat de reden van zijn verdriet was, maar verliet mesdames Rougemont en Calverley, zonder acht te slaan op het roepen van deze laatste, die, als Jezabel over haar balkon gebogen, hem verzocht spoedig weer zoo’n partij te geven.
Hij zond het rijtuig met een der knechts naar huis en ging met de handen in den zak en in diep gepeins te voet verder. Maan en sterren prijkten kalm aan het hemelgewelf en zagen op mijnheer Foker neder, gelijk hij van zijn kant sentimenteel naar hen opkeek. Hij ging het huis op Grosvenor Place voorbij en staarde naar de vensters, welke hij voor die van het geliefde voorwerp hield, en daarbij zuchtte en kreunde hij zoo akelig, dat het de aandacht van diender X. trok, die aan de bedienden van Sir Francis Clavering vertelde, – toen zij, na mevrouw uit de Fransche opera thuis gebracht te hebben, aan de naaste herberg een glas bier dronken, – dat er dien avond weer een vent rondom het huis gezworven had, een klein kereltje, die nog al fatterig gekleed was.
Van nu af begon mijnheer Foker, met eene sluwheid, een overleg en een moed, die alleen aan zekeren hartstocht eigen zijn, jufvrouw Amory in Londen op den voet te volgen en zich overal te vertoonen waar hij hoop had haar te ontmoeten. Wanneer Lady Clavering naar de opera ging, waar mylady eene loge had, kon men mijnheer Foker, die – gelijk wij gehoord hebben – in de kennis der Fransche taal niet uitmuntte in eene der stalles zien. Hij wist te vernemen waar zij genoodigd was (het is niet onmogelijk, dat zijn knecht Anatole met Sir Francis Clavering’s gentleman bekend was en op die wijze inzage kreeg van mylady’s zakboekje) en op vele dier partijen vertoonde zich ook mijnheer Foker, – tot verbazing van de wereld en inzonderheid van zijne moeder, die hij verzocht uitnoodigingen tot die partijen, waarvoor hij tot dusverre den grootsten afkeer aan den dag had gelegd, voor hem te vragen. Hij vertelde aan Lady Agnes, die er zeer verheugd over was en volstrekt geen achterdocht koesterde, dat hij naar die partijen wilde gaan, omdat hij wat van de wereld behoorde te zien; hij maakte haar diets, dat hij naar den schouwburg ging om zich in de taal te oefenen, daar men die niet beter kon leeren dan door een blijspel of vaudeville; en toen Lady Agnes, buiten zich zelve van verwondering, hem op een avond zag opstaan om te dansen en hem haar compliment maakte over zijne nette en vlugge passen, verzekerde haar de kleine schelm van een leugenaar, dat hij te Parijs het dansen had geleerd, terwijl Anatole integendeel wist, dat zijn jonge meester in stilte naar eene dansschool in Brewer Street ging en zich daar des morgens eenige uren oefende. De casino’s van den tegenwoordigen tijd waren nog niet uitgevonden of verkeerden althans in hunne kindsheid, en de heeren op Foker’s leeftijd hadden niet zooveel gelegenheid om de wetenschap van het dansen machtig te worden als de tegenwoordige jongelingschap.
De oude Pendennis verzuimde zelden den kerkgang. Hij achtte zich als gentleman verplicht de instelling van den openbaren eeredienst te ondersteunen en beschouwde het als plichtmatig, om zich des Zondags in de kerk te vertoonen. Op zekeren dag wilde het toeval, dat hij en Arthur samen ter kerk gingen; deze laatste, die thans hoog in de gunst stond, was ten ontbijt geweest bij zijn oom, van wiens woning zij nu door het Park naar eene kerk niet verre van Belgrave Square gingen. In St. James’ zou eene preek voor een liefdadig doel gehouden worden, zooals de majoor gezien had uit de aanplakbiljetten op de zuilen der kerk zijner wijk, en dit had hem waarschijnlijk bewogen – want hij was van nature zuinig – zijne kerk dien dag links te laten liggen. Maar bovendien had hij voor zich zelven en Pen nog iets anders op het oog. „Wij zullen door het Park heen naar de kerk gaan, neef, en ons dan bij de Clavering’s aanmelden en als vrienden om een tweede ontbijt vragen. Lady Clavering heeft gaarne, dat men haar een ontbijt vraagt, en is ongemeen vriendelijk en verbazend gastvrij.”
„Ik heb hen verleden week op het diner bij Lady Agnes Foker ontmoet, oom,” zeide Pen, „en de begum was inderdaad zeer vriendelijk. Dat was zij buiten ook, en dat is zij overal. Maar ik ben het met u eens ten opzichte van jufvrouw Amory, – of ik was het althans met u eens, oom, want de laatste maal toen wij over haar spraken waart gij veranderd.”
„En hoe denkt gij dan nu over haar?” vroeg de oude heer.
„Ik beschouw haar als de uitgeleerdste kleine coquette in Londen,” gaf Pen lachend ten antwoord. „Zij deed een geweldigen aanslag op Henry Foker, die naast haar zat en dien zij met hare gansche oplettendheid vereerde, hoewel ik het was, die haar naar tafel had geleid.”
„Kom! Henry Foker is, gelijk iedereen weet, met zijne nicht geëngageerd; geen slecht overleg van Lady Rosherville, want als de oude Foker sterft en hij is niet sterk; ik weet. Arthur, dat hij verleden jaar eene beroerte heeft gehad – dan zal de jonge Foker niet minder dan veertien duizend pond ’s jaars uit de brouwerij hebben, behalve nog Logwood en de landerijen in Norfolk. Ik ben niet trotsch, Pen; wel wil ik bekennen, dat ik veel opheb met iemand van geboorte; maar voor den drommel, ik heb evenveel op met eene brouwerij, die veertien duizend pond ’s jaars geeft; hè, Pen? Dat zijn de soort van lui, die ik hebben moet. En nu gij voet hebt gekregen in de voorname wereld, geef ik u den raad u aan menschen van dat soort te hechten, – menschen, die bij de welvaart van het land betrokken zijn.”
„Foker hecht zich aan mij, oom,” gaf Arthur ten antwoord. „Hij is in den laatsten tijd meer dan eens op onze kamers gekomen. Hij heeft mij te dineeren gevraagd. Wij zijn bijna even groote vrienden als wij in onzen jongen tijd waren, en van ’s morgens tot ’s avonds heeft hij den mond vol over Blanche Amory. Ik ben zeker, dat hij smoorlijk op haar verliefd is.”