Chapter 70 of 85 · 3813 words · ~19 min read

Part 70

De kleine solo, die de majoor op het blaasinstrument uitvoerde, werd gestoord door het binnentreden van jufvrouw Bell. Zij was op bezoek geweest bij haar oude vriendin Lady Rockminster, die gedurende de zomermaanden eene villa in de buurt bewoonde. Toen mylady van Arthur’s ziekte en van de komst zijner moeder te Richmond hoorde, had zij aan deze laatste een bezoek gebracht en, ofschoon zij den eersten niet lijden mocht, toch een schat van druiven, patrijzen en andere lekkernijen voor hem gezonden. De oude dame hield onbeschrijfelijk veel van Laura en snakte naar het oogenblik, dat het meisje weer bij haar zou komen logeeren; doch Laura kon hare moeder in de tegenwoordige omstandigheden niet verlaten, daar Helena’s eigen gezondheid, door haar waken voor die van Arthur, zwaar geleden had en dokter Goodenough dus evenzeer voor haar als voor zijn jongeren patiënt recepten had moeten schrijven.

Toen de jonge dame binnenkwam, schrikte de oude Pendennis op, want hij was licht van slaap. Hij hield eene zeer galante toespraak tegen haar; – in den laatsten tijd vloeide hij van galanterie voor haar over. Waar had zij die rozen geplukt, die op hare wangen bloeiden? Wat was hij gelukkig, dat zijne droombeelden door zulk eene verrukkelijke werkelijkheid vervangen werden! Laura bezat veel humor en oprechtheid, en deze beide eigenschappen waren oorzaak, dat zij den ouden heer een gevoel toedroeg, hetwelk zeer van nabij aan minachting grensde. Zij had er genoegen in, hem met zijne wereldsche inzichten voor den dag te laten komen, en dezen trouwen bezoeker van clubs en gezelschapszalen zijne bazelende vertellingen over de groote lui en zijne beschouwingen over de moraliteit te laten mededeelen

Ditmaal had zij echter geen lust om satiriek te zijn. Zij was, zeide zij, met Lady Rockminster uit rijden geweest in het Park en had wild voor Pen en bloemen voor mama meegebracht. Zij zag den toestand van mevrouw Pendennis, die zij zoo even bezocht had, zeer ernstig in. Helena was zeer afgemat en Laura hield het er voor, dat zij zwaar, heel zwaar ziek was. Hare groote oogen toonden de duidelijke sporen van hare meewarigheid met den toestand harer vriendin. Laura was zeer ongerust over haar; zou die goede, die lieve dokter Goodenough haar niet kunnen genezen?

De majoor antwoordde langzaam, dat Arthur’s ziekte en nog andere zorgen Helena zeer zeker geschokt hadden. Een gloeiende blos op het gelaat van het meisje bewees, dat zij de toespeling van den ouden man zeer goed gevat had, maar zij zag hem flink in de oogen en gaf geen antwoord. „Dat had hij mij kunnen besparen,” dacht zij. „Wat bedoelt hij, met mij aan dat schandelijk geval te herinneren?”

Het is zeer mogelijk, dat hij er een doel mee had; de oude diplomaat sprak zelden zonder bedoeling. Dokter Goodenough had hem over den gezondheidstoestand van beider lieve vriendin onderhouden, zeide hij, en verklaarde, dat zij rust en verandering van lucht noodig had, – ja, verandering van lucht. Zekere pijnlijke gebeurtenissen, die plaats hadden gevonden, moest men vergeten en niet meer ophalen, en hij vroeg jufvrouw Bell verschooning, dat hij er tegen haar op gezinspeeld had; hij zou het nooit meer doen, – en zij ook niet, daarvan hield hij zich overtuigd. Men moest alles in het werk stellen, om hunne vriendin tot kalmte te brengen en haar een riem onder het hart te steken, en daarom stelde hij voor, dat zij van het najaar gebruik zouden maken om zich naar eene badplaats in de nabijheid van den Rijn te begeven, waar Helena haar afgematten geest weer zou kunnen verstalen en Arthur moest trachten een nieuw mensch te worden. Laura zou hare moeder toch niet alleen laten gaan?

Natuurlijk niet. Laura was om Helena bezorgd, alleen om Helena, – dat wil zeggen, om harentwil ook voor Arthur. Zij zou met Helena naar het buitenland, of waar dan ook gaan.

En toen Helena de zaak een uur lang in hare kamer overdacht had, was zij in dien tusschentijd zoo begeerig geworden naar het tochtje, als een schooljongen, die een reisverhaal gelezen heeft en nu naar zee wil. Waar zouden zij naar toe gaan? Hoe verder hoe beter; naar eene plaats zoo ver afgelegen, dat men hen zelfs met de verbeelding niet zou kunnen volgen, – zoo heerlijk, dat Pen er niet vandaan zou willen: – overal waar hij maar gelukkig zou zijn. Met bevende vingeren opende zij haar lessenaartje, nam er haar bankiersboekje uit en telde het bedrag harer bescheidene spaarpenningen op. Was er meer noodig, dan had zij haar diamanten kruis nog. Zij zou weer van Laura leenen. „Laten wij gaan, laten wij gaan,” dacht zij; „zoodra hij tegen de reis kan, moeten wij vertrekken. Kom, lieve dokter Goodenough, kom spoedig, en geef ons verlof, Engeland te verlaten.”

Dien zelfden dag kwam de goede dokter aanrijden, om bij hen te dineeren. „Als gij u zoo opwindt,” zeide hij, „en uw hart zoo klopt, en gij u zoo angstig gelieft te maken over een jongen heer, die zoo snel mogelijk beter wordt, zult gij ook naar bed moeten en zal jufvrouw Laura u moeten oppassen; en daarna zal zij ook ziek worden, en ik zou den dokter wel eens willen zien, die u allen omniet zou willen komen helpen. Mijne vrouw is reeds jaloersch op u, en zegt, volkomen naar waarheid, dat ik op mijne dames-patiënten verlief. Wees dus zoo goed het land hoe eerder zoo liever te ruimen, opdat ik in mijn eigen huis een beetje vrede moge hebben.”

Toen men aan Arthur een buitenlandsch reisje voorsloeg, omhelsde die heer dat plan met de grootste gretigheid en geestdrift. Hij had wel dadelijk op weg willen gaan. Van dat oogenblik af liet hij zijne snorren groeien, waarschijnlijk om zijn mond de plooi te geven, voor een onberispelijke uitspraak van Fransch en Duitsch benoodigd; en het was hem een nagel aan zijne doodkist, dat zijne knevels, toen zij kwamen, bepaald rood van kleur waren. Hij had een najaarsverblijf op Fairoaks verwacht, en het vooruitzicht daar twee of drie maanden door te brengen lachte den jonkman wellicht niet toe. „Er is daar geen mensch met wien men spreken kan,” zeide hij tegen Warrington. „Ik kan de preeken van den ouden Portman en zijne vervelende gesprekken na het diner niet uitstaan. Ik ken al de verhalen van den ouden Glanders over den oorlog op het Spaansche schiereiland. De Clavering’s zijn de eenige christenmenschen in den omtrek, en die gaan, zooals oom zegt, niet vóór Kerstmis naar buiten; bovendien wensch ik van hier weg te komen. Terwijl gij op reis waart, overkwam mij eene verzoeking, waaraan ik ontsnapt ben, en ik ben er innig dankbaar voor; ik houd het er zelfs voor, dat mijne ziekte juist bijtijds gekomen is, om er een eind aan te maken.” En daarop vertelde hij aan zijn vriend wat er in den Vauxhall voorgevallen was en hetgeen de lezer reeds weet.

Warrington zette op het vernemen van dit verhaal een zeer ernstig gezicht. Het zedelijk kwaad daargelaten, was hij in het belang van Arthur zeer verblijd, dat deze aan een gevaar ontsnapt was, hetwelk hem voor zijn gansch leven rampzalig had kunnen maken, „en dat zeer zeker,” zeide Warrington, „het meisje ongelukkig gemaakt en ten verderve gebracht zou hebben. En wat zou het een verdriet voor uwe moeder en – en voor degenen, die gij liefhebt, geweest zijn!” voegde Pen’s vriend er bij, zonder te vermoeden welk hartzeer en smart deze goede menschen er reeds aan hadden te wijten gehad.

„Geen woord daarover tegen mijne moeder!” riep Pen zeer ontsteld uit. „Zij zou het niet te boven komen. Ik geloof, dat een esclandre van dien aard haar het leven zou kosten. En weet ge,” liet hij er met een veelbeteekenenden blik op volgen, alsof hij, gelijk een jonge schelm, zijn gansch leven betrokken was geweest in hetgeen men affaires de coeur noemt: „het beste middel, wanneer men door een gevaar van dien aard bedreigd wordt, is het niet onder de oogen te zien, maar het den rug toe te keeren en de vlucht te nemen.”

„En waart gij erg verliefd?” vroeg Warrington.

„Hm!” zeide Don Juan. „Zij liet de h’s weg, maar het was toch een lief, aardig meisje.”

O Clarissa’s in dit leven! O arme, onkundige en ijdele, dwaze meisjes! als gij maar eens wist op welke wijze de Lovelace’s over u spreken: indien gij hooren kondt wat Jan in de koffiekamer eener club naar Tom aan het ander eind der zaal toeroept, indien gij zien kondt hoe Klaas uw arme briefjes uit zijn sigarenkoker haalt en ze over de officierstafel heen aan Jan, Piet en Klaas ter lezing toereikt, dan zoudt gij niet zoo gereed zijn om te schrijven, of zoo bereid om te luisteren! Er bestaat eene soort van misdaad, die haar volkomen beslag niet heeft, indien de bevoorrechte schelm er later niet op snoeft; en houdt maar altijd in gedachten, dat de man, die begint met uw eer te verraden, vrij stellig uw geheim ook verklappen zal.

„De strijd is zwaar en men valt licht,” merkte Warrington op somberen toon aan. „En wanneer een gevaar van dezen aard iemand boven het hoofd hangt, Pendennis, dan is er, gelijk gij zegt, niets beters dan zich om te keeren en het hazenpad te kiezen.”

Na deze weinige woorden over een onderwerp, waaromtrent Pen zich eene maand vroeger met vrij wat meer welsprekendheid zou hebben uitgelaten, kwam het gesprek weer op de buitenlandsche reis, en drong Arthur ten sterkste er op aan, dat zijn vriend van de partij zou wezen. Warrington was een lid van de familie, hij was noodig voor Pen’s genezing, en Arthur zeide, dat hij zonder Warrington niet half zooveel genoegen zou hebben.

Maar George zeide neen, en verklaarde, dat hij niet kon meegaan. Hij moest thuis blijven, om Pen te vervangen, waarop de ander aanmerkte, dat dit onnoodig was, daar Shandon zich nu weer te Londen bevond en Arthur aanspraak had op eenige vacantie.

„Dring niet langer er op aan,” zeide Warrington, „want ik kan niet gaan. Ik heb bijzondere zaken, die mij hier houden, en ik ben ook het best thuis. Ik heb geen geld om te reizen – nu weet ge het in eens; want reizen kost geld, weet ge!”

Deze kleine hinderpaal was in Pen’s schatting van zeer noodlottigen aard. Hij sprak er over met zijne moeder, die er groote spijt van had, want mijnheer Warrington was zoo bijzonder voorkomend geweest. Maar zij erkende, dat hij zelf het best moest weten wat hem schikte; en zonder twijfel verweet zij zich haar zelfzuchtig verlangen, om haar zoon mede te voeren en hem geheel voor haar zelve te hebben.

„Wat hoor ik daar van Pen, waarde mijnheer Warrington?” vroeg de majoor op zekeren dag toen zij onder vier ooge waren en hij Warrington’s weigering vernomen had. „Gaat gij niet met ons? Dat kunnen wij niet toelaten, want Pen kan buiten uw gezelschap niet beter worden. Ik verzeker u, dat ik hem niet kan oppasssen. Hij moet iemand hebben, die sterker en vroolijker is en hem beter kan opvroolijken dan een rheumatisch oud man, zooals ik. Als ik gezien heb waar gijlieden u vestigt, ga ik waarschijnlijk naar Karlsbad. Het reizen kost tegenwoordig niets – of ten minste zoo weinig! En – en – zeg eens, Warrington, herinner u, dat ik een zeer oud vriend van uw vader ben geweest, en indien gij niet met uw broeder op zulk een voet staat dat gij – dat gij een voorschot op uwe toelage als jonger zoon kunt nemen, vergun mij dan uw bankier te zijn, want Pen staat immers bij u in de schuld voor de drie weken dat gij met zulk onvergelijkelijk talent en genie verricht hebt wat hij mij meedeelt dat eigenlijk zijne taak was?”

In weerwil echter van dit vriendelijk aanbod en deze ongehoorde edelmoedigheid van den majoor, bleef George Warrington weigeren en verklaarde hij thuis te willen blijven; hij deed dit echter met eene haperende stem en op een aarzelenden toon, die bewees, dat hij gaarne had willen gaan, ofschoon zijn mond neen zeide.

Maar de volhardende majoor liet zijne vriendschappelijke bedoelingen niet op die wijze verijdelen. Toen Helena dien avond de theetafel voor een oogenblik verlaten had om naar Pen te gaan zien, die zich te bed had begeven, hervatte de oude Pendennis den aanval en plaagde Warrington over zijne weigering om hen te vergezellen. „Is dat niet ongalant, jufvrouw Bell?” vroeg hij, het woord tot die jonge dame richtende. „Is dat niet onvriendelijk? Wij zouden het genoeglijkste gezelschapje van de wereld uitgemaakt hebben, als dit akelig zelfzuchtig wezen het niet in duigen wierp!”

Jufvrouw Bell’s lange wimpers richtten zich nederwaarts over haar theekopje en Warrington bloosde sterk, maar sprak geen woord. Jufvrouw Bell sprak evenmin, maar toen hij bloosde, bloosde zij ook.

„Vraag gij hem om mee te gaan, kindlief,” zeide de minzame oude heer; „naar u zal hij misschien luisteren –”

„Waarom zou mijnheer Warrington naar mij luisteren?” vroeg de jonge dame schijnbaar aan haar theelepeltje en niet aan den majoor.

„Vraag het hem maar eens; dat hebt gij nog niet gedaan,” zeide Pen’s onschuldige oom.

„Ik zou wezenlijk zeer blij zijn, als mijnheer Warrington wilde meegaan,” zeide Laura tegen haar theelepeltje.

„Is dat zoo, – inderdaad?” vroeg George.

Op die vraag zag zij op en antwoordde: „Ja,” Hunne oogen ontmoetten elkander. „Ik zal heengaan waar gij wilt, of doen wat gij verkiest,” zeide George op gedempten toon, alsof het uitspreken van die woorden hem pijn veroorzaakte.

De oude Pendennis was verrukt; de hartelijke oude heer klapte in de handen en riep: „Bravo! bravo! Dat is afgesproken! Geeft er elkander de hand op, jongelui.” Met een helderen blik vol teederheid strekte Laura hare hand naar Warrington uit. Terwijl hij die hand greep, was er eene zonderlinge ontroering op zijn gelaat zichtbaar. Hij scheen op het punt van iets te zeggen, toen Helena uit Pen’s belendende kamer binnentrad en hen aanzag, terwijl de kaars, die zij in de hand hield, haar bleek en onthutst gelaat verlichtte.

Laura werd rooder dan ooit en trok hare hand terug.

„Wat gebeurt hier?” vroeg Helena.

„Wij hebben een koop gesloten, schatje-lief,” zeide de majoor op zijn vleiendsten toon. „Wij hebben mijnheer Warrington juist de belofte afgenomen, dat hij met ons op reis zal gaan.”

„Zoo!” zeide Helena.

ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

WAARIN FANNY EEN NIEUWEN DOKTER AANNEEMT.

Zou Helena gevreesd hebben, dat Pen’s ongelukkige genegenheid voor de kleine Fanny bij den terugkeer van zijne gezondheid ook weer ontwaken zou? Ofschoon zij na haar onderhoud met den majoor geen woord meer over dat meisje sprak en oogenschijnlijk niet bewust was dat er eene Fanny op de wereld bestond, hield zij nauwkeurig het oog op alle gangen van den jongen heer Arthur; onder voorwendsel, dat hij nog zoo zwak was, verloor zij hem bijna geen oogenblik uit het gezicht; en inzonderheid stelde zij er prijs op, dat hij zich, althans voor het oogenblik, met geen briefwisseling vermoeien zou. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Pen zijne brieven met zekere ontroering aanzag, – niet onwaarschijnlijk, dat hij elken dag, als hij ze aan de ontbijttafel ontving, en gevoelde, dat zijne moeder het oog op hem hield (ofschoon de aandacht der goede ziel op haar kopje of haar boek gevestigd scheen), een klein schrift verwachtte te zien, dat hij zou gekend hebben, ofschoon hij het nooit onder de oogen had gehad. Zijn hart klopte dus, als hij de aan hem gerichte brieven opnam. Deed het hem genoegen of verdriet, dat zijne verwachting dag op dag werd te leur gesteld, en nam het hem een pak van het hart, dat er geen brief van Fanny kwam? Hoewel het in zulke gevallen, zoodra Clarissa Lovelace begint te vervelen (of omgekeerd), voor beide partijen het beste is de betrekking maar dadelijk af te breken, zoodat elk van beiden, na de mislukte poging tot eene verbintenis, zijn eigen weg kan gaan en de levensreis in eenzaamheid voortzetten, zoo kwetst toch die plotselinge bankbreuk onze eigenliefde, ons medelijden, of ons gevoel van betamelijkheid. Alvorens wij aan de wereld bekend maken, dat onze firma van Lovelace en Co. niet meer aan hare verplichtingen kan voldoen, trachten wij in schikkingen te treden; hebben er treurige bijeenkomsten van de deelgenooten plaats; wij stellen het sluiten van de luiken en de droevige aankondiging van het faillissement zoo lang mogelijk uit. Dat oogenblik moet eenmaal komen; maar wij verpanden onze juweelen, om de zaken nog een poosje gaande te houden. Alles bijeengenomen, geloof ik, dat het Pen speet dat hij geene verwijten van Fanny ontving. Hoe? kon zij zóó van hem scheiden, zonder nog een enkele maal om te zien? kon zij zinken, zonder ééns haar handje uit te steken en te roepen: „Hulp, hulp, Arthur!” Nu, nu, – niet allen, die deze reis ondernemen, gaan te gronde. Enkelen verdrinken, als het schip zinkt; maar de meesten krijgen enkel een koud bad en scharrelen naar den oever; en de lezer zal uit de kennis, die hij van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis van den Upper Temple heeft, kunnen afleiden, of die heer tot de personen behoorde, die kans hadden te verzinken of zich te redden.

Ofschoon Pen nog te zwak was om eene halve mijl ver alleen te wandelen, en, om den wille van zijne kostbare gezondheid niet alleen mocht uitrijden zonder een oppasster aan zijne zijde, kon Helena echter niet ook mijnheer Warrington bewaken, evenmin als zij de bevoegheid bezat om dien heer te beletten naar Londen te gaan, wanneer zijne zaken hem daarheen riepen. Indien hij heengegaan en weggebleven ware, zou de weduwe misschien haar eigen redenen gehad hebben om zich daarover te verblijden; maar zij onderdrukte die zelfzuchtige begeerte, zoodra zij ze ontdekte of waarnam; en daar zij zich Warrington’s groote liefde en dienstvaardigheid en bestendige vriendschap voor haar zoon herinnerde, behandelde zij hem, met hare gewone droeve vriendelijkheid en onderworpen berusting, bijna als een lid van de familie. Desniettemin raadde zij op zekeren morgen, toen hij voor zijne zaken de stad in moest, dat hij op een welbekenden tocht uitging en voor Pen inlichtingen omtrent Fanny moest inwinnen.

Werkelijk had Pen met zijn vriend gesproken en hem verteld welke avonturen hij met Fanny had gehad (die de lezer reeds kent) en welke gevoelens hij haar toedroeg. Hij was zeer dankbaar, dat hij aan het dreigende gevaar had mogen ontkomen, waarop Warrington van ganscher harte amen zeide; dat hij zich over zijn gedrag te haren opzichte niet veel te verwijten had, doch dat hij, indien zij scheidden, haar Gods besten zegen toewenschte en hoopte, dat zij hem in vriendschap zou blijven gedenken. Zoo ernstig en aangenaam liet hij zich over deze zaken tegen Warrington uit, dat George, die zich ook ten sterkste voor de scheiding verklaard had, begon te vreezen, dat zijn vriend niet zoo goed van dien hartstocht genezen was als hij zich verbeeldde, en dat het gansche gevaar en de geheele verzoeking weer doorstaan zou moeten worden, indien beiden opnieuw met elkander in aanraking kwamen. En dan met welk gevolg? „De strijd is zwaar en men valt licht,” had Warrington gezegd, „en wij arme menschen kunnen niet beter doen dan het gevaar ontvluchten. Ik zou niet wezen wat ik nu ben, als ik zelf gehandeld had op die wijze.”

„En wat hebt gij dan gedaan, George?” vroeg Pen nieuwsgierig. „Ik weet, dat er iets voorgevallen is. Vertel het mij nu eens, Warrington.”

„Er is iets voorgevallen, dat niet verholpen kan worden en dat reeds vroeg in mijn leven al mijne vooruitzichten verwoest heeft,” gaf Warrington ten antwoord. „Ik heb gezegd, Pen, dat ik het u eenmaal zou vertellen; en dat zal ik doen, maar niet op dit oogenblik. Neem thans de moraal zonder de fabel ter harte, Pen; en als gij iemand wilt zien, die voor zijn gansche leven schipbreuk geleden heeft, omdat hij als knaap op één onzalige klip heeft gestooten – hier staat hij voor u, Arthur; wees dus gewaarschuwd!”

Wij hebben medegedeeld, dat mijnheer Huxter, toen hij aan zijne vrienden te Clavering schreef, gewag maakte van eene voorname club te Londen waarvan, hij lid was en waar hij dikwijls een aanzienlijk Iersch officier ontmoette, die hem, met andere nieuwtjes, de berichten omtrent Pendennis had verschaft, welke de jonge chirurgijn naar Clavering had overgemaakt. Die club was niets anders dan de Achterkeuken, waar de discipel van Galenus den Generaal placht te ontmoeten, wiens eigenaardig Iersch accent, voorkomen, karakter en gesprekken de jonge heeren, die de Achterkeuken des avonds tot hunne plaats van uitspanning en verversching kozen, grootelijks vermaakten. Huxter, die van natuur veel aanleg had om iedereen en alles na te bootsen, – onverschillig of het een geliefkoosd treurspeler of komiek was, of een haan op een mesthoop, een kurketrekker, die in eene kurk geschroefd werd, of eene kurk, die uit de flesch kwam, of een Iersch officier van deftigen huize, die zich maar al te zeer als een voorwerp ter nabootsing bloot gaf en onophoudelijk den mond roerde en op zijn armzalige wijze aan het zwetsen sloeg, zoodra hij iets te drinken, een toehoorder en de gelegenheid daartoe vond, – Huxter dan bestudeerde onzen vriend den Generaal met groote belangstelling en maakte den goeden man menigen avond aan den gang. De waardige oude heer beet altijd aan een lokaas, dat uit een brandewijngrogje bestond, en zoodra deze drank zijn invloed op hem uitoefende, was niemand gelukkiger dan hij wanneer hij over de triomfen van zijne dochter en van hem zelven in de liefde, den oorlog, het drinken en in voornaam gezelschap mocht opsnijden. Aldus kreeg Huxter gelegenheid om Costigan in verschillende toestanden voor zijne vrienden na te bootsen: Costigan, die in het Phenix-Park duelleerde, – Costigan, die een onderhoud met den hertog van York had, – Costigan aan de tafel van zijn schoonzoon, in gezelschap van den hoogsten adel, – Costigan in beschonken toestand, schreiende en zich beklagende over de ondankbaarheid zijner dochter, die haar grijzen vader vóór zijn tijd in het graf hielp. Aldus lokte onze vriend naar de Achterkeuken een aantal jongelui, die den drank van den kastelein gebruikten, terwijl zij zich met de eigenaardigheden van den Generaal vermaakten, zoodat de kastelein vele zwakheden van dezen laatste door de vingers zag, uit aanmerking van de klandizie, die hij hem aanbracht. Zeker was dit geen hoog standpunt in de maatschappij, geen positie, die wij een oud man, indien wij hem eerbied toedragen, zouden wenschen te zien innemen; maar de oude potsenmaker had niet het minste vermoeden, dat het geen aanzienlijke plaats was, die hij bekleedde, en in zijn met whisky doortrokken bloed was geen droppel wangunst, in zijn verward brein geen gevoel van bitterheid jegens wien ook. Hij zou zelfs zijn kind, zijne hardvochtige Emily, aan zijn hart gedrukt en haar onder een stroom van tranen vergiffenis geschonken hebben, en wat kan men meer tot lof van iemands christelijke liefde zeggen, dan dat hij werkelijk bereid is, dengenen, die hem alle mogelijke vriendschap bewezen hebben en jegens wie hij ongelijk heeft, vergiffenis te schenken?