Chapter 16 of 85 · 3996 words · ~20 min read

Part 16

„Ik wist, dat het niet gaan zou, jufvrouw Foth,” zeide hij en knikte met het kleine hoofdje. „Het kon niet gaan! Ik wilde er mij niet mede bemoeien, maar ik wist, dat er niets van komen zou. Hij is te jong en te groen voor u, veel te groen, en hij blijkt bovendien arm als job te zijn. Gij kunt hem voor geen prijs krijgen, – niet waar, mijnheer Bows?”

„En toch is het een aardige jongen,” zeide jufvrouw Fotheringay tamelijk treurig.

„Een arme bedelaar!” zeide Bows met de handen in zijne zakken en een zonderlingen blik op jufvrouw Fotheringay. Misschien dacht hij met verwondering na over de wijze, waarop de vrouwen met de mannen spelen, hun hoop geven en aan zich kluisteren en dan weer verstooten.

Doch mijnheer Bows maakte niet het minste bezwaar, om te erkennen, dat jufvrouw Fotheringay zeer goed handelde met mijnheer Arthur Pendennis te laten loopen en dat het huwelijk, zijns inziens, eene dwaasheid zou geweest zijn en jufvrouw Costigan bekende, dat zij er zelve zoo over gedacht had, maar dat zij geen twee duizend pond ’s jaars van de hand had kunnen wijzen. „Alles komt daarvan, dat papa allerlei dwaze praatjes gelooft,” sprak zij; „nu, ik beloof u, dat ik een andermaal voor mij zelve zal kiezen,” en hoogst waarschijnlijk kwam op dat oogenblik de zwaarlijvige beeltenis van luitenant Sir Derby Oaks haar voor den geest.

Na majoor Pendennis geprezen te hebben, dien jufvrouw Costigan van top tot teen voor een echt gentleman verklaarde, die naar lavendel rook en door een ringetje kon gehaald worden, terwijl hij, naar het oordeel van Bows, een goede kerel was, ofschoon wel een beetje te veel een oude fat, kwam mijnheer Foker plotseling op den inval om beiden uit te noodigen tot een diner nog dien zelfden avond op zijne kamer in den George, waar zij den majoor zouden ontmoeten. „Hij heeft beloofd hij mij te komen dineeren, en ik geloof, dat het – na de kleine onaangenaamheid van heden morgen, waarbij ik moet zeggen, dat de Generaal ongelijk had – niet anders dan beleefd zou zijn, begrijpt ge? Ik weet dat de majoor op u verliefd is, jufvrouw Foth: hij heeft het mij zelf gezegd.”

„Zoodat ze toch nog mevrouw Pendennis kan worden,” zeide Bows spottend. „Neen, ik dank u, mijnheer F., – ik heb reeds gegeten.”

„Ja, maar dat was om drie uur,” zeide jufvrouw Costigan, die een gezegenden eetlust bezat, „en zonder u kan ik niet gaan.”

„Wij zullen kreeftensalade en champagne hebben,” zeide het kleine monster, dat geen regel latijn kon construeeren en geen som kon maken, die hooger ging dan de regel van drieën. Nu zou jufvrouw Costigan om kreeftensalade en champagne – altijd in eer en deugd – een uur ver geloopen zijn, en zoo zat dan majoor Pendennis ten zeven uur inderdaad te dineeren in gezelschap van mijnheer Bows, een speelman van beroep, en jufvrouw Costigan, wier vader hem slechts weinige uren geleden voor den kop had willen schieten.

Om de kroon op het genoeglijk samenzijn te zetten, zond mijnheer Foker, die de plaatsen kende waar Costigan zich het liefst ophield, zijn knecht „Domkop” naar de club in de Ekster (waar de Generaal bezig was een roerend lied te zingen), om hem ook aan het maal te noodigen. Dat hij zijne dochter en Bows aan den disch gezeten vond, mocht waarlijk wel eene verrassing heeten. Majoor Pendennis lachte en stak hartelijk zijne hand uit, die de Generaal avec effusion, zooals de Franschen zeggen, greep. Eigenlijk was hij al aardig beschonken en had hij reeds bij zijne eigen liederen gehuild, eer hij zich bij het gezelschapje in den George voegde. Hij barstte gedurende den maaltijd meer dan eens in tranen los en noemde den majoor zijn dierbaarsten vriend. Domkop en Foker brachten hem thuis, terwijl de majoor op galante wijze den arm aan jufvrouw Costigan gaf. Hij werd met groote voorkomendheid ontvangen, toen hij den volgenden dag een bezoek kwam afleggen, bij welke gelegenheid de beide heeren elkander met beleefdheden overlaadden. Bij het afscheidnemen gaf de majoor zijn vurigen wensch te kennen om jufvrouw Costigan zoo mogelijk van dienst te zijn, terwijl hij hartelijk en dankbaar mijnheer Foker’s hand schudde en verklaarde, dat die heer hem den grootst mogelijken dienst had bewezen.

„Goed zoo!” antwoordde mijnheer Foker, waarop zij met een wederkeerig gevoel van achting van elkander scheidden.

Toen majoor Pendennis den volgenden dag op Fairoaks terugkwam, vertelde hij niet wat er den vorigen avond gebeurd was, evenmin als hij van het gezelschap gewaagde, waarin hij dien avond had doorgebracht. Maar hij noodigde mijnheer Smirke uit om te blijven eten; en iemand, die zijne manieren kende, zou ongetwijfeld, als hij er bij was geweest, opgemerkt hebben, dat er in zijne vroolijkheid en spraakzaamheid iets gedwongens was en dat hij zich ongemeen voorkomend en oplettend gedroeg als hij met zijn neef sprak. Hij wenschte Pen op de nadrukkelijkste wijze „eene aangename nachtrust,” toen de knaap zich naar bed begaf: en toen hij van mevrouw Pendennis afscheid nam, was het alsof hij iets zeggen wilde; maar hij bedacht nog tijdig, dat hij, indien hij iets zeide, hare nachtrust bederven kon, en dus vergunde hij haar in vrede te gaan slapen.

Den volgenden morgen was hij vroeger dan naar gewoonte in de ontbijtkamer, waar hij iedereen met bijzondere hartelijkheid verwelkomde. Doorgaans kwam de post tegen het einde van het ontbijt aan. Toen John, de oude bediende, binnentrad en de brieven en nieuwsbladen uit den brievenzak uitstortte, keek de majoor strak naar Pen, toen de knaap de zijne kreeg. Arthur bloosde en legde zijn brief neer. Hij kende de hand, die van den ouden Costigan, en wilde het geschrift niet in het bijzijn van de anderen lezen. Majoor Pendennis kende den brief ook: hij had hem den vorigen dag zelf te Chatteries op de post gedaan.

Hij zeide tegen de kleine Laura, dat zij moest heengaan, hetgeen het kind dadelijk deed, want zij had een onoverwinnelijken afkeer van hem; en zoodra de deur achter haar gesloten was, nam hij de hand van mevrouw Pendennis en wees haar met een veelbeteekenenden blik op den brief onder de courant, die Pen veinsde te lezen. „Gaat ge mee naar de zitkamer?” vroeg hij. „Ik moet u spreken.” En daarop volgde zij hem vol verwondering in de vestibule.

„Wat is er?” vroeg zij gejaagd

„De zaak is uit,” antwoordde majoor Pendennis. „Hij heeft daar een brief, die hem zijn afscheid geeft. Ik zelf heb het schrijven gedicteerd. Er zijn eenige regelen van de dame bij, om hem vaarwel te zeggen. Het is alles uit.”

Helena snelde naar de eetzaal terug, door haar broeder op den voet gevolgd. Pen had zich, zoodra zij weg waren, op zijn brief geworpen dien met stomme verbazing gelezen. Het schrijven behelsde wat de majoor gezegd had, namelijk, dat mijnheer Costigan gevoelig was voor de vriendelijkheid, waarmee Arthur zijne dochter had behandeld, doch dat hij thans eerst op de hoogte van de geldelijke omstandigheden van mijnheer Pendennis was gekomen; en deze waren van dien aard, dat van een huwelijk voor het oogenblik geen sprake kon zijn, terwijl het ook, uit aanmerking van het groote verschil tusschen beider leeftijd, voor het vervolg eene onmogelijkheid zou wezen. In dezen stand van zaken zeide mijnheer Costigan, hoewel met het diepste leedwezen en met een waar gevoel van hoogachting, Arthur vaarwel, waarbij hij hem een wenk gaf, dat hij, althans een tijdlang, zijne bezoeken zou staken.

Er lagen eenige regelen van jufvrouw Costigan in. Zij berustte in het besluit van haar papa, en herinnerde, dat zij verscheidene jaren meer dan Arthur telde, zoodat er aan geen engagement te denken was. Zij zou hem altijd erkentelijk blijven voor de welwillendheid, die hij haar bewezen had, en hoopte zijne vriendschap te mogen behouden. Doch voor het oogenblik, en tot het pijnlijke gevoel der scheiding zou uitgewischt zijn, wenschte zij, dat zij elkander niet meer ontmoeten zouden.

Pen las Costigan’s brief en de ingesloten letteren werktuiglijk door, bijna onbewust van wat hij onder de oogen had. Woest keek hij op en zag hoe zijne moeder en zijn oom hem met meewarige blikken aanstaarden. Uit Helena’s oogen voorzeker sprak de teederste moederlijke bezorgdheid.

„Wat – wat is dat?” vroeg Pen. „Dit is eene aardigheid. Het is haar schrift niet. Dit is het schrift van eene keukenmeid. Wie steekt aldus den draak met mij?”

„Dit briefje was in de enveloppe van haar vader gesloten” zeide de majoor. „De briefjes, die gij vroeger van haar ontvangen hebt, waren niet van hare hand – dit wel.”

„Hoe weet gij dat?” vroeg Pen barsch.

„Ik heb het haar zien schrijven,” antwoordde zijn oom. Op die woorden stoof de jongen op en zijne moeder trad vooruit en greep zijne hand, maar hij duwde haar terug.

„Hoe zijt gij bij haar gekomen? Hoe hebt gij u tusschen mij en haar gesteld? Waarmee heb ik dit aan u verdiend? Neen, het is niet waar, het is niet waar!” gilde Pen uit, met een woesten vloek. „Zij kan dit niet uit eigen beweging gedaan hebben! Zij kan het niet meenen! Zij heeft mij haar jawoord gegeven. Wie heeft haar leugens op de mouw gespeld, om haar met mij te doen breken?”

„Leugens zijn in onze familie niet gebruikelijk, Arthur,” gaf majoor Pendennis ten antwoord. „Ik heb de waarheid verteld, namelijk, dat hij geen geld bezat om haar te onderhouden; want haar dwaze vader had u als rijk afgeschilderd. En toen zij vernam hoe arm gij waart, zag zij dadelijk van u af, zonder dat ik haar behoefde te overreden. En zij had volkomen gelijk. Zij is tien jaar ouder dan gij. Zij is geheel ongeschikt om uwe vrouw te worden, en zij weet dat. Bekijk haar schrift eens, en vraag dan u zelven, of zulk eene vrouw de gezellin van uwe moeder kan zijn?”

„Ik wil van haar zelve vernemen of het waar is,” zeide Arthur, het papier ineenfrommelende.

„Wilt gij mij op mijn woord van eer niet gelooven? Hare brieven werden door eene vertrouwde vriendin geschreven, die beter schrijft dan zij – zie maar eens! Hier is een brief van die dame aan uw vriend mijnheer Foker. Gij hebt haar bij jufvrouw Costigan gezien, wie zij tot secretaris diende” – en bij die woorden, welke de majoor met een bijna onmerkbaren spot uitsprak, legde hij een briefje neder, dat Foker hem ter hand gesteld had.

„Dat is het niet,” zeide Pen, van schaamte en ergernis gloeiend. „Ik wil wel aannemen, mijnheer, dat het waar is wat gij zegt, maar ik wil het uit haar eigen mond hooren.”

„Arthur!” sprak zijne moeder op smeekenden toon.

„Ik wil haar zien,” hernam Arthur. „Ik zal haar nogmaals vragen, of zij mij trouwen wil. Dat zal ik. En niemand zal mij dat beletten.”

„Wat? eene vrouw, die genegenheid met twee ee’s en eene t schrijft? Onzin, vriendje. Wees man, en herinner u, dat uwe moeder eene dame is. Zij is nooit bestemd geweest om op gelijken voet met dien beschonken ouden oplichter of zijne dochter te verkeeren. Wees man en vergeet haar, gelijk zij u vergeet!”

„Wees man en strek uwe moeder tot steun, lieve Arthur,” zeide Helena, terwijl zij naar hem toe ging en hem omhelsde; en daar majoor Pendennis zag, dat beiden diep ontroerd waren, verliet hij het vertrek en sloot de deur achter zich, daar hij met recht oordeelde, dat het best zou zijn hen alleen te laten.

Hij had eene volkomen overwinning behaald. Hij had zelfs Pen’s brieven in zijn valies uit Chatteries meegebracht, en, toen Costigan ze teruggaf, dien heer verblijd met de teruggave van eene kleine schuldbekentenis, welke hem en mijnheer Garbetts van alle verdere bezorgdheid onthief en die de majoor van den heer Tatham gekocht had.

Pen snelde dien dag in eene woeste vlaag naar Chatteries, doch deed vergeefsche pogingen om jufvrouw Costigan te spreken, voor wie hij dus een brief, ingesloten in een schrijven aan haar vader, achterliet. Mijnheer Costigan zond den ingesloten brief terug, met verzoek, dat alle briefwisseling zou ophouden; en na nog een paar verdere pogingen van den knaap, verklaarde de Generaal, dat er een einde aan hunne kennismaking moest komen. Hij liep Pen op straat voorbij, alsof hij hem niet kende. Op zekeren dag toen Arthur en Foker de Kasteellaan op en neer wandelden, kwamen zij Emily aan den arm van haar vader tegen. Zij ging zonder een knikje van herkenning verder, en Foker voelde, dat de beklagenswaardige Pen aan zijn arm sidderde.

Zijn oom wenschte, dat hij eene reis zou doen en die streek voor eenigen tijd verlaten, en zijne moeder drong er ook op aan, want hij viel af en scheen zwaar te lijden. Maar hij weigerde en zeide ronduit, dat hij niet wilde heengaan. In dit geval was hij niet voornemens te gehoorzamen, en zijne moeder was te veel verteederd en zijn oom te verstandig om hem te dwingen. Telkens als jufvrouw Fotheringay speelde, reed hij naar Chatteries om haar te zien. Op zekeren avond waren er zoo weinig menschen in de zaal, dat de regisseur het geld liet teruggeven. Pen kwam thuis en ging ten acht uur met de koorts naar bed. „Als dat zoo doorgaat,” dacht de majoor in eene wanhopige stemming, „gaat zijne moeder het meisje nog halen.” En Pen van zijn kant dacht, dat hij zou gaan sterven. Wij zullen zijne gevoelens niet beschrijven, noch een vervelend dagboek van zijne wanhoop en zijn hartstocht meedeelen. Zijn er ook niet andere heeren, buiten Pen, in hunne liefde gedwarsboomd? Ja, waarlijk; doch zeer weinigen sterven aan die ziekte.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

WAARIN JUFVROUW FOTHERINGAY EEN NIEUW ENGAGEMENT SLUIT.

Kort na de hiervoren vermelde gebeurtenissen trad de regisseur Bingley in zijne beroemde rol van Rolla in Pizarro voor eene zoo buitengemeen dun bezette zaal op, dat men bijna tot de gevolgtrekking zou gekomen zijn, dat die rol op verre na zoo gunstig niet bij de bevolking van Chatteries aangeschreven stond als bij den acteur zelven. Er was schier niemand in den schouwburg. De arme Pen kon over bijna al de loges beschikken en zat daar eenzaam en met roode oogen over den rand te leunen en als wezenloos naar het tooneel te staren, toen Cora opkwam. Als zij niet op de planken was, zag hij niets. Spanjaarden en Peruanen, optochten en gevechten, priesters en zonnemaagden verschenen en verdwenen en redeneerden met elkander, zonder dat Arthur eenigszins acht op hen sloeg; hij zag alleen Cora, naar wie hij zuchtte. Later verklaarde hij, dat het hem verwonderde, dat hij geen pistool meegenomen en haar doodgeschoten had, zoo dol was hij van liefde, woede en wanhoop, en wie weet of hij, zonder zijne moeder thuis, met wie hij over zijn rampspoed sprak, maar wier stille deelneming en meewarigheid den eenvoudigen knaap, wiens hart half gebroken was, staande hield, niet tot een wanhopigen stap zou gekomen zijn en zijn leven ontijdig op het voorplein der gevangenis van Chatteries zou geëindigd hebben? Daar zat hij dan nu in zijne ellende naar haar te staren, maar zij sloeg even weinig acht op hem, als hij op de overige toeschouwers.

Jufvrouw Fotheringay zag er ongemeen lieftallig uit, in een wit gewaad en een luipaardsvel, met eene zon op hare borst en opzichtige prulbraceletten aan hare fraaie blanke armen. Heerlijk declameerde zij de weinige woorden van hare rol, en haar voorkomen beantwoordde er nog beter aan. Die oogen, die Pen bekoord hadden, rolden en blonken even schitterend als altijd; maar het was niet naar hem, dat zij zich dezen avond richtten. Hij wist niet op wien zij het gemunt hadden, en merkte het tweetal heeren in de loge naast de zijne niet op, waar de blikken van jufvrouw Fotheringay aanhoudend heengingen.

Evenmin was aan Pen de ongeloofelijke verandering in het oog vallen, die er, kort na de verschijning van die twee heeren in den schouwburg, op het tooneel had plaats gehad. Er was zoo weinig publiek in de zaal, dat het eerste bedrijf van het stuk zich lusteloos voortsleepte, en zelfs was er sprake van geweest om het geld terug te geven, evenals op dien ongelukkigen avond toen de arme Pen weggedreven werd. De acteurs bekommerden zich volstrekt niet om hunne rol, geeuwden onder hunne samenspraken en praatten in de pauzen hardop tegen elkander. Zelfs Bingley was zonder lust en mevrouw B., als Elvira, sprak zoo zacht, dat men haar bijna niet verstaan kon.

Vanwaar kwam het, dat mevrouw Bingley plotseling hare stem verhief en begon te bulken als de ossen van Bazan? vanwaar, dat Bingley, zijne lusteloosheid afschuddende, als een Kean over het tooneel vloog en gilde? Waarom gaven Garbetts en Rowkins en jufvrouw Rouncy zich zooveel moeite om hun talent of bevalligheid ten toon te spreiden, en waarom speelden, gesticuleerden, keken en declameerden zij zoo luid, met het oog op de twee heeren in loge Nº. 3?

De een was een stil mannetje in het zwart, met een grijs hoofd en een opgeruimd, slim gezicht. De ander was in alle opzichten een in het oog loopend en opmerkelijk persoon. Het was een rijzig en zwaarlijvig heer met een haviksneus en een overvloed van bruin krulhaar en bakkebaarden. Zijne jas was rijk met lussen en fluweel versierd. Hij droeg een fraai vest, schitterende ringen, eene juweelen speld, en een horlogeketting om den hals. Toen hij met de eene hand, in een witten glacéhandschoen gestoken, zijn gelen zakdoek uithaalde, verspreidde zich een heerlijke geur van muskus en bergamot door de zaal. Het was blijkbaar een heer van hoogen stand, en het kleine tooneelgezelschap van Chatteries speelde voornamelijk om hem te behagen. Het was, om kort te gaan, niemand anders dan mijnheer Dolphin, de groote Londensche tooneeldirecteur, vergezeld van zijn trouwen vriend en secretaris, mijnheer William Minns, zonder wien hij nooit op reis ging. Hij was nog geen tien minuten in den schouwburg, of zijne hooge tegenwoordigheid werd door Bingley en de overigen ontdekt, waarop allen om het mooist begonnen te spelen en zijne aandacht poogden te trekken. Zelfs jufvrouw Fotheringay’s koel hart, dat anders door niets van streek werd gebracht, begon misschien een weinig te kloppen, toen zij voor den beroemden Londenschen directeur optrad. Zij behoefde in hare rol niet veel anders te doen dan er bekoorlijk uit te zien en in eene schilderachtige houding te staan, terwijl zij haar kind omvatte; en deze taak volbracht zij op eene bewonderenswaardige wijze. Tevergeefs poogden de verschillende acteurs den bijval van den grooten tooneel-sultan te verwerven. Pizarro kon hem geen teeken van aanmoediging afpersen. Bingley bulkte en mevrouw Bingley gilde, maar de directeur nam slechts een snuifje uit zijne groote gouden doos. Eerst bij het laatste tooneel, als Rolla waggelend opkomt met het kind (Bingley is zoo sterk niet meer als vroeger, en zijn vierde zoontje, de jonge heer Talma Bingley, is een monsterachtig dik kind voor zijn leeftijd), als Rolla waggelend met het kind naar Cora komt, die met een gil toespringt en uitroept: „O God, hij is bebloed!” – eerst toen klapte de Londensche directeur in de handen en barstte in luide bravo’s uit.

Toen mijnheer Dolphin met zijne toejuiching klaar was, tikte hij zijn secretaris op den schouder en zeide: „Bij den hemel, Billy, wij zullen haar kunnen gebruiken!”

„Wie heeft haar dat kunstje geleerd?” vroeg Billy, een satiriek oud heertje; „ik herinner mij, haar in den Olympischen schouwburg gezien te hebben, en ik laat mij hangen als zij eene a voor eene b kende.”

Mijnheer Bows in het orkest was het, die haar dat „kunstje” geleerd had. Het gansche tooneelgezelschap hoorde de toejuiching en schaarde zich, toen de gordijn gevallen was, rondom jufvrouw Fotheringay om haar geluk te wenschen en haar te benijden.

Dat mijnheer Dolphin in den kleinen schouwburg van het afgelegene Chatteries verscheen, had de volgende oorzaak. In weerwil van al zijne inspanningen, in weerwil van de aanhoudende triomfkreten, van de uitgelezen sujetten, van de zegepralen van het echt oude Engelsche tooneel, welke zijne aanplakbiljetten verkondigden, verkeerde zijn schouwburg (dien wij, met uw welnemen, om niemands gevoeligheid noch belangen te kwetsen, het Museum Theater zullen noemen) in gansch geen bloeienden toestand, en de beroemde directeur stond aan den rand van den ondergang. De groote Hubbard had twintig avonden in deftige drama’s gespeeld en niemand had er voordeel van gehad dan hij zelf; de vermaarde mijnheer en mevrouw Cawdor waren in het treurspel van mijnheer Rawhead en met hun eigen geliefkoosd repertoire opgetreden en hadden geen publiek getrokken. De Duitsche Herr Garbage had met zijne leeuwen en tijgers een korten tijd opgang gemaakt, totdat een der dieren een stuk uit den schouder van den „Herr” gebeten had, waarop de lord-kamerheer er zich mee bemoeide en een einde aan deze soort van vertooningen maakte. En het groote lyrische drama, ofschoon met ongeëvenaarde pracht en bijval opgevoerd, met monsieur Poumons als eersten tenor en een ontzaglijk orkest, had op zijn zegetocht den armen Dolphin bijna verpletterd; zoodat zijn genie en zijn vermogen, hoe groot beiden ook waren geweest, uitgeput schenen. Hij sleepte zich met halve salarissen, kleine opera’s, onbeduidende oude blijspelen en zijn corps de ballet treurig door het overige van het seizoen voort, en iedereen verwachtte hem den eenen of anderen dag in de lijst der bankroetiers in de Gazette vermeld te zien.

Een heer, wiens naam in een vroeger verhaal [4] voorkomt, de ervaren kunstbeschermer en verlichte voorstander van de muziek en het drama, de hooggeboren heer markies van Steyne, behoorde onder de voorname vrienden van het Museum Theater en bezat daar eene groote tooneelloge. Ten gevolge zijner drukke werkzaamheden op staatkundig gebied kon zijn lordschap niet dikwijls en dan nog niet vroeg in den schouwburg komen. Doch bij wijlen kwam hij tijdig genoeg voor het ballet, en altijd werd hij met het grootste ontzag door den directeur bejegend, van wien hij zich soms verwaardigde een bezoek in zijne loge te ontvangen. Die loge had gemeenschap met het tooneel, en als er iets gebeurde, dat hem bijzonder behaagde, wanneer hij een nieuw gezichtje onder de koristen ontdekte, of als eene schoone danseres hare passen buitengemeen bevallig of vlug uitvoerde, werd mijnheer Wenham, mijnheer Wagg of een ander adjudant van den markies achter de coulissen gezonden, om de goedkeuring van den grooten man kenbaar te maken of de vragen te doen, waartoe zijn lordschaps nieuwsgierigheid, of belangstelling in de dramatische kunst, aanleiding gaf. De toeschouwers konden Lord Steyne niet zien, want hij zat zedig achter eene gordijn en keek alleen naar het tooneel, – maar dat hij aanwezig was, kon men zien aan de blikken, die het geheele corps de ballet en de voornaamste danseressen naar zijne loge wierpen. Zoo heb ik, bij voorbeeld, bij den palmendans in het ballet van „Cook op Otaheite,” waarin niet minder dan honderd twintig mooie wilde meisjes met palmtakken en voorschootjes van veeren rondom Floridor als kapitein Cook moeten dansen, vele dozijnen oogen naar die loge zien lonken, terwijl zij er vóór dansten, en dikwijls heb ik mij verbaasd over de tegenwoordigheid van geest van mademoiselle Sauterelle, of mademoiselle de Bondi, bijgenaamd la petite Caoutchouc, die, terwijl zij al volants in de lucht zweefden, altijd met hare mooie oogen naar de loge, waar de groote Steyne zat, bleven lonken. Nu en dan hoorde men eene krassende stem achter de gordijn: „Brava! brava!” roepen, of zag men een paar witte handschoenen daaruit te voorschijn komen, die een aanvang maakten met het applaudissement. Wanneer Bondi of Sauterelle weer op den grond kwamen, nijgden en glimlachten zij inzonderheid voor die handen, eer zij weer hijgend en verheugd naar hare plaatsen op het tooneel terugkeerden.

Op zekeren avond zat deze groote man dan met eenige uitverkoren vrienden in zijne loge in het Museum Theater, waar zij zooveel gedruis maakten en zoo luid lachten, dat het parterre zich begon te ergeren en vele verontwaardigde stemmen zoo gebiedend: „Stilte!” riepen, dat Wagg zich verwonderde, dat de politie die rumoermakers niet naar buiten bracht. Wenham vermaakte het gezelschap in de loge met uittreksels uit een brief, dien hij van majoor Pendennis ontvangen had, wiens uitstapje naar het platteland in het midden van het Londensche seizoen door zijne vrienden opgemerkt en natuurlijk betreurd was.