Part 45
Het hoogbegaafde wezen sprak gedurende het diner niet veel, maar Pen merkte op, dat zij met den grootsten smaak at en nooit voor den wijn bedankte, dien de knecht haar aanbood. Nadat jufvrouw Bunion onzen vriend Pen, die eene voorname houding aannam en uiterst prachtig gekleed en versierd was met zijne mooiste kettingen, hemdknoopjes en linnengoed, een oogenblik had bekeken, beschouwde zij hem – en niet zonder reden – als een kwast, zoodat zij het beter achtte zich met haar eten te bemoeien, dan eenige notitie van hem te nemen. In later tijd vertelde zij hem dit, met hare gewone openhartigheid, zelve. „Ik hield u voor een dier fatjes uit de groote wereld,” bekende zij aan Pen. „Gij keekt zoo deftig als een kleine lijkbidder; en daar ik aan dien akeligen vent aan den anderen kant een vreeselijken hekel had, begreep ik, dat het beste was maar door te eten en te zwijgen.”
„En dat hebt gij allebei uitmuntend gedaan, beste jufvrouw Bunion,” gaf Pen lachend ten antwoord.
„Dat is ook zoo, maar eene volgende maal zal ik heel veel met u spreken; want gij zijt niet zoo deftig of dom, of ingebeeld als gij er uitziet.”
„Nu, jufvrouw Bunion, ik snak naar die „volgende maal,”” zeide Pen met lachende galanterie. Maar wij moeten nu tot den dag van heden en het diner in Paternoster Row terugkeeren.
De maaltijd was van den uitgezochtsten aard: „in den bloemrijken Gothischen stijl, zou ik het noemen,” fluisterde Wagg met zachte stem tegen Pen, die naast den humorist zat. De mannen met krakende laarzen en garen handschoenen waren talrijk en deftig, en voerden afgebroken gesprekken achter den rug der gasten, terwijl zij met de gerechten heen en weer liepen. Doolan, die er een iets wilde vragen, riep: „Jan!” en bloosde bij de gedachte hoe erg hij zich vergist had. Het knechtje van mevrouw Bungay was verloren onder al die statige en zwartgerokte knechts.
„Let eens op dien vreeselijk dikken kerel,” zeide Wagg. „Dat is een lijkbidder uit Amen Corner, die begrafenissen en diners waarneemt. Hij zorgt voor warm en koud vleesch, begrijpt ge? Hij speelt hier voor keldermeester, en ik verzeker u, waarde heer Pendennis, zooals gij in uw leven ook zult ondervinden, dat, wanneer men bij een Londensch diner een nagemaakten keldermeester ziet, men ook nagemaakten wijn te drinken krijgt. Wat een bocht van sherry! – Zeg eens, Bungay, vriend, waar hebt gij deze heerlijke sherry vandaan gekregen?
„Het doet mij pleizier, dat ze u bevalt, mijnheer Wagg. Mag ik een glas met u drinken?” zeide de uitgever, „ik heb een partijtje uit den kelder van alderman Benning gekregen, en ik kan u verzekeren, dat ik er een goeden prijs voor betaald heb. Mijnheer Pendennis, doet gij mede? Op uwe gezondheid, heeren!”
„Die ouwe guit! denkt hij ons beet te hebben? Zijne sherry komt rechtstreeks uit de herberg,” zeide Wagg. „Zij is zoo buitengewoon koppig, dat men twee man noodig heeft om een paar glazen daarvan weg te dragen! Ik wou, Pendennis, dat ik hier eene flesch van den wijn van den ouden Steyne had; ik heb er met uw oom menige geledigd. Hij zendt dien wijn naar de menschen, waar hij gaat dineeren. Ik herinner mij nog, dat bij den armen Rawdon Crawley, den broeder van Sir Pitt Crawley – gouverneur van het Coventry-eiland Steynes’ chef altijd ’s morgens kwam en de keldermeester hem volgde met de champagne van Gaunt House, die reeds in het ijs stond.”
„Wat is dat lekker!” zeide Popjoy goedaardig. „Gij moet een cordon bleu in uwe keuken hebben.”
„Ja zeker,” antwoordde mevrouw Bungay, die hoogst waarschijnlijk in het denkbeeld verkeerde, dat hij van een braadspit sprak.
„Ik meen een Franschen kok,” zeide de wellevende gast.
„O ja, mylord,” hernam de gastvrouw van haar kant.
„Zegt uw artiste, dat hij een Franschman is, mevrouw?” riep Wagg.
„Dat weet ik niet!” antwoordde de vrouw van den uitgever.
„Als hij het zegt, dan is hij een farceur,” galmde mijnheer Wagg uit; maar niemand vatte de aardigheid, hetgeen den grappenmaker eenigszins in verlegenheid bracht. „Het diner is van Griggs op het plein der St.-Paulskerk; dat van Bacon ook,” fluisterde hij Pen toe. „Bungay schrijft, dat hij een daalder per couvert méér geeft, – en dat doet Bacon ook. Zij zouden elkanders ijs vergiftigen, als zij er bij konden komen. En wat de gemaakte schotels betreft, die zijn niets anders dan vergif. Deze – hm – ha – deze brimborion à la Sévigné is uitmuntend, mevrouw,” zeide hij, zich van een gerecht bedienende, dat de lijkbidder hem aanbood.
„Het doet mij genoegen dat het u smaakt,” antwoordde mevrouw Bungay rood wordende, daar zij niet wist of het gerecht zoo heette als Wagg het noemde, maar een duister vermoeden had, dat die heer den draak met haar stak. Bij gevolg begon zij mijnheer Wagg met vrouwelijke hartstochtelijkheid te haten, en zij zou hem van het kommando over Bungay’s tijdschrift ontzet hebben, indien zijn naam niet zoo beroemd ware geweest onder de boekhandelaars en zijne reputatie niet zoo groot in den lande.
Door de verschikking der gasten was Warrington aan de rechterhand van mevrouw Shandon gekomen, die in een eenvoudig zwart zijden kleedje, met verkleurde sieraden naast den welgedanen uitgever zat. De weemoedige glimlach der dame bewoog zijn niet licht te verteederen hart tot medelijden. Niemand trok zich harer aan en zij zat naar haar man heen te zien, die zelfs eenige verlegenheid scheen te gevoelen tegenover sommige leden van het gezelschap. Wenham en Wagg kenden hem en zijne omstandigheden. Hij had met dezen laatste gewerkt en stond verre boven hem in geest, genie en kunde; maar Wagg schitterde als eene ster in de wereld en de arme Shandon was daar onbekend. Hij kon, onder het luidruchtig geschreeuw van dien minder beschaafden maar meer voorspoedigen man, niet aan het woord komen en dronk dus in stilte zijn wijn – zooveel wijn als men hem geven wilde; want hij stond onder toezicht. Bungay had den lijkbidder gelast, het glas van den kapitein niet te dikwijls te vullen en niet te vol te schenken. Het was eene treurige voorzorg, en des te treuriger omdat ze noodzakelijk was. Ook mevrouw Shandon wierp over de tafel heen onrustige blikken op hem, om zich te vergewissen, dat hij de palen niet te buiten ging.
Daar Wagg door het mislukken zijner eerste aardigheid uit het veld geslagen was, want hij was onbeschaamd en toch nog spoedig van zijn stuk gebracht, beperkte hij zijne conversatie gedurende het overige van het diner meerendeels tot Pen en sprak natuurlijk hoofdzakelijk over hunne buren. „Dit is een van Bungay’s groote revues,” zeide hij. „Wij allen hier zijn Bungavianen. Hebt ge Popjoy’s roman gelezen? Het was een oud verhaal, dat de arme Buzzard jaren geleden in een tijdschrift had geschreven, en dat geheel vergeten was, totdat Trotter (die dáár met dat groote halsboord is Trotter) het opvischte en op de gedachte kwam, dat het op de jongste schaking toepasselijk kon gemaakt worden. Bob schreef dus eenige hoofdstukken, die daarop betrekking hadden, Popjoy vergunde hem het gebruik van zijn naam en voegde er misschien hier en daar eene bladzijde bij, – en zoo verscheen de Verdwijning, of de Vlucht der hertogin. Het aardigste is, Popjoy naar zijn werk te vragen, want hij weet er geen woord van, – Zeg eens, Popjoy, wat is dat een heerlijk tooneel in het derde deel, waar de vermomde kardinaal, nadat de bisschop van Londen hem bekeerd heeft, de dochter der hertogin ten huwelijk vraagt.”
„Ik ben blij, dat gij het mooi vindt,” antwoordde Popjoy; „ik beschouw het ook als een mijner beste bladzijden.”
„Er staat geen woord van in het heele boek,” fluisterde Wagg Pen toe. „Ik heb het zelf uitgevonden. Nu, het zou geen slecht onderwerp voor een roman op kerkelijk gebied zijn.”
„Ik herinner mij, dat de arme Byron, Hobhouse, Trelawny en ik bij kardinaal Mezzocaldo te Rome dineerden,” begon kapitein Sumph, „en wij kregen Orvieto wijn aan tafel, waarvan Byron veel hield. Ik herinner mij nog hoe de kardinaal zich beklaagde, dat hij ongetrouwd was. Twee dagen later vertrokken wij naar Civita Vecchia, waar het jacht van Byron lag, – en, waarlijk, de kardinaal stierf binnen drie weken, en Byron was er zeer bedroefd over, want hij hield veel van hem.”
„Waarachtig! eene verduiveld boeiende geschiedenis,” zeide Wagg.
„Gij moest eenige van die verhalen in het licht geven, kapitein Sumph,” zeide Shandon, „wezenlijk, dat moest gij doen! Zulk een bundel zou onzen vriend Bungay rijk maken.”
„Waarom verzoekt gij Sumph niet, ze in uw nieuw blad – de – Hoe heet het ook? – te plaatsen, Shandon?” galmde Wagg uit.
„Waarom vraagt gij hem niet, ze af te staan voor uw oud magazijn, het Wissewasje?” riep Shandon terug.
„Komt er een nieuw blad uit?” vroeg Wenham, die het heel goed wist, maar zich over de betrekking, waarin hij tot de drukpers stond, schaamde.
„Gaat Bungay een blad uitgeven?” riep Popjoy uit, die integendeel trotsch was op zijn letterkundigen naam en zijne bekendheid met letterkundigen. „Gij moet er mij ook bij gebruiken. Mevrouw Bungay, doe een goed woordje voor mij, dat hij mij gebruike! Wat moet het wezen: proza of verzen? Novellen, gedichten, reisbeschrijvingen, hoofdartikelen, wat ge maar wilt. Als Bungay maar betaalt, dan ben ik tot zijne orders, – dat ben ik, lieve mevrouw Bungay, wezenlijk.”
„Het zal Keukenpraatjes heeten,” bromde Wagg, „en de kleine Popjoy wordt belast met de rubriek Allerlei voor de jeugd.”
„Het zal de Pall Mall Gazette heeten, mijnheer, en het zal ons veel genoegen doen, als gij tot de medewerkers wilt behooren,” zeide Shandon.
„Pall Mall Gazette! Waarom Pall Mall Gazette?” vroeg Wagg.
„Omdat de redacteur te Dublin is geboren en de onderredacteur te Cork, omdat de eigenaar in Paternoster Row woont en het blad in Catherine Street, in het Strand, gedrukt zal worden. Vindt ge die redenen niet voldoende, Wagg?” zeide Shandon, die boos begon te worden. „Elke zaak moet een naam hebben. Mijn hond Ponto heeft ook een naam. Gij hebt ook een naam, en eene faam, die gij in meerdere of mindere mate verdient. Waarom maakt gij aanmerking op den naam van ons blad?”
„Elke andere naam zou evengoed zijn,” hernam Wagg.
„In ieder geval verzoek ik u, in gedachte te houden, dat het blad niet Hoe heet het ook genaamd is, mijnheer Wagg,” zeide Shandon. „Gij kent zijn naam zeer goed en – den mijnen ook.”
„En uw adres evenzeer,” zeide Wagg, maar op gedempten toon, en de goedhartige Ier was bijna oogenblikkelijk na de ontboezeming zijner drift weer kalm en noodigde Wagg met vriendelijke stem uit, een glas wijn met hem te drinken.
Toen de dames de tafel verlaten hadden, werd het gesprek nog luidruchtiger, en een oogenblik later stelde Wenham in eene beleefde rede voor, dat men op het welslagen van het nieuwe blad zou drinken, waarbij hij met hoogen lof over den geest en de geleerdheid van den redacteur, kapitein Shandon, uitweidde. Hij had tot stelregel zich nooit een dagbladschrijver tot vijand te maken, en in den loop van den avond deed hij de ronde en vereerde hij elk letterkundige met een opzettelijk voor hem bestemd compliment; den een verklaarde hij, dat zijn laatste artikel een diepen indruk op den minister van buitenlandsche zaken had gemaakt, en den ander vertelde hij, hoe opgetogen zijn boezemvriend, de hertog van Dit en Dat, was geweest over het talent, dat uit de laatste nommers van het tijdschrift sprak.
De partij liep af, en in weerwil van al de genomen voorzorgen stond de arme Shandon onvast op zijne beenen, en keerde hij naar zijne nieuwe woning terug met zijne trouwe gade aan zijne zijde, terwijl de koetsier om hem lachte. Wenham had een eigen rijtuig, waarmee hij Popjoy thuis bracht; en toen de „schuchtere” jufvrouw Bunion zag, dat mijnheer Wagg, die dicht in hare nabijheid woonde, zich gereedmaakte om te vertrekken, vroeg zij hem eene plaats in zijn rijtuig, tot groote spijt van dien heer.
Pen en Warrington wandelden in den maneschijn naar huis. „En zeg mij nu eens,” zeide Warrington, „nu gij de letterkundigen van nabij gezien hebt, of ik ongelijk had toen ik zeide, dat deze stad duizenden menschen bevat, die geen boeken schrijven en echter even knap en geestig zijn als de personen, die het wèl doen?”
Pen moest bekennen, dat de letterkundige personages, waarmee hij kennis had gemaakt, in den loop van den avond niet veel hadden gezegd, dat het onthouden waard was. Eigenlijk was er gedurende de geheele partij geen woord over letterkunde gesproken; en, onder de roos, willen wij aan die oningewijden, die gaarne de levenswijze der letterkundigen en die heeren zelven zouden willen kennen, wel toevertrouwen, dat er geen lieden bestaan, die zoo weinig over boeken spreken, of ze misschien lezen, als juist de letterkundigen.
ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE PALL MALL GAZETTE.
Het nieuwe blad maakte aanvankelijk veel opgang. Algemeen geloofde men, dat het door eene invloedrijke staatkundige partij ondersteund werd, en onder de medewerkers noemde men aanzienlijke namen. Bestond er grond voor die geruchten? Wij mogen ons niet uitlaten of zij juist of onjuist waren, maar wel mededeelen, dat een artikel over de buitenlandsche politiek, hetwelk men algemeen toeschreef aan een lord, wiens betrekkingen tot het departement van buitenlandsche zaken zeer goed bekend waren, eigenlijk gesteld was door kapitein Shandon in de gelagkamer der herberg the Bear and Staff in de nabijheid van Whitehall Stairs, waar de drukkersjongen hem op het spoor was gekomen, en waar een zijner letterkundige handlangers, zekere mijnheer Bludyer, tijdelijk zijn verblijf hield; en dat eene reeks artikelen over de financiën, die ieder afkomstig achtte van een groot staatsman in het Lagerhuis, in waarheid uit de pen van den heer George Warrington, van den Upper Temple, gevloeid waren.
Het is echter zeer mogelijk, dat er eenige betrekkingen tusschen de Pall Mall Gazette en deze invloedrijke partij bestaan hebben. Men zag Percy Popjoy (wiens vader, Lord Falconet, tot die partij behoorde) niet zelden de trap naar Warrington’s kamer opklimmen; en er kwamen eenige berichten in het blad voor, die de aandacht trokken en alleen uit zeer bijzondere bronnen afkomstig konden zijn. Er verschenen ook verscheidene gedichten, schraal van gedachte, doch gezwollen en opgeblazen van toon en met de letters P. P. onderteekend, in de Pall Mall Gazette voor, en het valt niet te ontkennen, dat Popjoy’s roman op het overdrevenste in het nieuwe blad geprezen werd.
Aan het staatkundige gedeelte van het blad nam mijnheer Pen geen deel, maar bij de rubriek Letterkunde behoorde hij tot de ijverigste medewerkers. Het bureau der Pall Mall Gazette was, gelijk wij vernomen hebben, in Catherine Street, in het Strand, en dikwijls liep Pen met zijne manuscripten op zak en met groote drukte en genoegen daarheen – een genoegen zooals men bij den aanvang zijner letterkundige loopbaan smaakt, als het nog iets nieuws is, zich gedrukt te zien en men zich nog vleit met de gedachte, dat men door zijn schrijven eenig opzien in de wereld baart.
Hier was het, dat de heer Jack Finucane, als onderredacteur, met behulp van schaar en stijfsel, het blad „opmaakte”, eene zorg, die aan hem opgedragen was. Hij liet een arendsoog over al de dagbladberichtjes gaan, die met de voorname wereld, welke zijne rubriek was, in eenig verband stonden. Hij liet geen sterfgeval of geen diner onder de aristocratie voorbijgaan, zonder ze in de kolommen van zijn blad te vermelden; en uit de meest onbeteekenende provinciale blaadjes en de verst verschijnende Schotsche en Iersche couranten vischte hij verbazende berichten en nieuwtjes betrekkelijk de hoogere kringen der maatschappij op. Het was een verheven, ja een treffend gezicht voor een wijsgeer, den weledelen heer Jack Finucane, met een bord eten uit de restauratie en een glas porter uit de herberg, hetgeen zijn middagmaal uitmaakte, de feesten der grooten te zien beschrijven alsof hij mede aangezeten had, en hem in eene gelapte broek en morsige hemdsmouwen de schitterendste partijen der voorname wereld met opgeruimden zin te zien schetsen en rangschikken. De tegenstrijdigheid tusschen Finucane’s werk en zijne manieren en kleeding kwam zijn nieuwen vriend Pen zeer kluchtig voor. Sedert Jack het dorp verlaten had, waar hij geboren was en vermoedelijk geene zeer hooge positie had bekleed, had hij zelden ander gezelschap gezien dan dat der gelagkamers waar hij verkeerde, terwijl men daarentegen uit hetgeen hij schreef zou afgeleid hebben, dat hij met ambassadeurs dineerde en dat het groote venster der club van White de plaats was, waar hij zich gewoonlijk ophield. Wel is waar vergiste hij zich wel eens in zijne beschrijvingen; maar het was de Ballinafad Sentinel, waarvan hij de particuliere correspondent was, die daarvan te lijden had, en niet de Pall Mall Gazette, want Jack mocht daarin niet veel schrijven, omdat zijne Londensche patroons van oordeel waren, dat hij de schaar en den stijfselpot beter hanteerde dan de pen.
Pen gaf zich veel moeite om zijne recensiën zoo goed mogelijk te maken, en daar hij vrij veel algemeene lectuur in zijne jeugdige jaren verzameld had, en eene levendige verbeelding en eene zekere soort van humor bezat, bevielen zijne artikelen aan de bestuurders van het blad en aan het publiek, zoodat hij het fiere bewustzijn had, dat hij het geld verdiende, dat hij ontving. Wij kunnen ons overtuigd houden, dat de Pall Mall Gazette geregeld op Fairoaks ontvangen en daar door de beide dames met verrukking gelezen werd. Ook op Clavering Park, waar wij weten dat eene jonge dame, die grooten smaak had in de letterkunde, woonde, was men er op geabonneerd; en de oude doctor Portman zelf, aan wien de weduwe de nommers zond, nadat zij haar zoons artikelen van buiten had geleerd, gaf zijne goedkeuring over de voortbrengselen van Pen te kennen en zeide, dat de jongen geest, smaak en verbeeldingskracht bezat en, zoo niet als een geleerde, althans als een gentleman schreef.
En wat stond onze vriend majoor Pendennis verbaasd en verrukt, toen hij in een zijner clubs, de Regent, Wenham, Lord Falconet en eenige andere heeren van naam en rang, die daar bijeen waren, hoorde spreken over de Pall Mall Gazette en over een artikel in dat blad, waarin bitter de draak werd gestoken met een boek, dat de vrouw van een lid der oppositie onlangs uitgegeven had. Het was eene Reis door Spanje en Italië door de gravin van Muffborough, waarin men niet wist wat het wonderbaarlijkste was, het Fransch of het Engelsch, welke beide talen de lady even slecht schreef, zoodat de recensent met blijkbaar leedvermaak hare „bokken” bij de horens had gegrepen. Die recensent was niemand anders dan Pen; met de grootste dartelheid en uitgelatenheid sprong en danste hij rondom zijn slachtoffer; en dit alles met verwonderlijk goed voorgewenden ernst en wellevendheid. Er was geen woord in het gansche artikel, dat onbeleefd was of een gentleman niet zou betaamd hebben, en echter werd het ongelukkige voorwerp der kritiek ontleed en gedurende de operatie uitgelachen. Op Wenham’s galachtig gelaat verscheen een trek van boosaardig genoegen, terwijl hij die kritiek las. Lady Muffborough had hem het gansche afgeloopen jaar niet ééns op hare partijen genoodigd. Lord Falconet grinnikte en lachte hardop, want hij en Lord Muffborough waren sedert hunne intrede in het leven mededingers geweest. Deze heeren nu maakten hun compliment aan majoor Pendennis, die tot dusverre ternauwernood acht had geslagen op sommige wenken in de brieven van Fairoaks, betrekkelijk „het aanhoudende en zware letterkundige werk van mijn lieven Arthur, die, naar ik vrees, de gezondheid van den armen jongen ondermijnen zal,” en het geheel beneden zijne waardigheid als majoor en gentleman had gerekend, eenige notitie van mijnheer Pen en zijne courantwerkzaamheden te nemen.
Maar toen het orakel Wenham het stuk van den jonkman prees; toen Lord Falconet, die door Percy Popjoy was ingelicht, aan den jongen Pen genie toekende; toen de groote Lord Steyne zelf, wien de majoor het artikel toonde, er bij lachte en schaterde, en zwoer dat het „best” was en dat die Muffborough er van zou krimpen als een walvisch onder den harpoen, toen begon de majoor, door plichtgevoel gedreven, zijn neef zeer te bewonderen, en riep hij uit: „Te drommel, er zit toch wat in den jongen schavuit en hij zal het nog wel tot iets brengen; dat heb ik altijd gezegd!” en met eene hand, die van genoegen beefde, schreef hij aan de weduwe te Fairoaks al wat die groote lui tot lof van Pen gezegd hadden; en tevens richtte hij eene uitnoodiging aan den „jongen schavuit” om eene côtelet bij zijn ouden oom te komen eten, en voegde er bij, dat hij in last had hem op een diner op Gaunt House mede te brengen, daar Lord Steyne met iedereen ingenomen was, die hem door dwaasheid, geestigheid, botheid, zonderlingheid, gemaaktheid, opgeruimdheid of eenige andere eigenaardigheid vermaken kon. Pen wierp dien brief over de tafel aan Warrington toe, en was wel wat te leur gesteld, dat de ander er niet opgetogen van stond.
Jonge recensenten bezitten een ongeloofelijken moed. Zij klimmen op den rechterstoel en vellen, bijna zonder aarzelen, een oordeel over de ingewikkeldste of diepzinnigste werken. Als men in die dagen Macaulay’s Geschiedenis, of Herschel’s Sterrekunde aan Pen had voorgelegd, zou hij de deelen doorbladerd, onder het genot eener sigaar zijn oordeel gevestigd en daarop zijne hooge goedkeuring over die beide schrijvers te kennen gegeven hebben, alsof hij van nature hun meerdere en hun toegevende meester en patroon ware geweest. Met behulp van de Biographie universelle of van het Britsch Museum maakte hij een beknopt overzicht van een of ander tijdperk der geschiedenis, en haalde namen, datums en feiten op zulk eene meesterlijke en ongedwongen wijze aan, dat hij zijne mama op Fairoaks, die zich verwonderde waar haar zoon zoo verbazend veel kon gelezen hebben, verstomd deed staan; wat hem zelven ook overkwam, als hij zijne artikelen na verloop van twee of drie maanden herlas en het onderwerp, dat hij toen behandelde, en de boeken, die hij raadpleegde, vergeten had. Mijnheer Pen erkent, dat hij in dat tijdperk zijns levens niet geaarzeld zou hebben, binnen vier en twintig uren over de grootste geleerden een gevoelen te uiten, of een oordeel over de Encyclopaedie te vellen. Gelukkig was Warrington dáár, om hem uit te lachen en door aanhoudende en heilzame spotternijen zijne aanmatiging te temperen; anders zou hij wellicht onuitstaanbaar verwaand zijn geworden, want Shandon was met de voortvarendheid en luchtigheid van zijn jongen adjudant zeer ingenomen, en Pen’s vlugge en geestige stijl beviel hem werkelijk beter dan dergelijke betoogen van den ouderen medewerker.
Maar ofschoon men Pen wegens zijne onbescheidenheid en eene zekere voorbarigheid in zijn oordeel te recht moest misprijzen, was hij een volkomen eerlijk recensent en zelfs veel te onschuldig voor de bedoelingen van Bungay, die meer dan eens bitter gromde over Pen’s onpartijdigheid. Zelfs geraakte Pen daarover op zekeren dag in woordenwisseling met zijn patroon den kaptein. „Wat hebt gij daar in ’s hemels naam gedaan, mijnheer Pendennis,” riep Shandon uit; „daar hebt gij een van Bacon’s boeken geprezen! Bungay kwam heden morgen woedend bij mij, toen hij eene gunstige beoordeeling van een der werken van die gehate firma aan den overkant in het blad vond.”
Pen zette van verbazing groote oogen op. „Wilt gij daarmee zeggen, dat wij geen boek moeten prijzen, dat bij Bacon uitgegeven is?” vroeg hij; „of dat wij, al zijn de boeken goed, ze slecht moeten noemen?”
„Beste jonge vriend – denkt gij, dat een welgezind uitgever een kritisch blad opricht om zijn mededinger te bevoordeelen?” vroeg Shandon.
„Natuurlijk om zich zelven te bevoordeelen, maar tevens om de waarheid te spreken,” antwoordde Pen: „ruat coelum, om de waarheid te spreken!”
„En mijn prospectus dan?” vervolgde Shandon met een spottenden lach; „zoudt gij, wat daarin gezegd is, voor evangelie houden?”