Part 1
HENRY FIELDING.
TOM JONES, OF DE LOTGEVALLEN VAN EEN VONDELING.
UIT HET ENGELSCH VERTAALD DOOR DR. M. P. LINDO.
Eerste Deel.
HAARLEM, A. C. KRUSEMAN. 1862.
TOM JONES, DE GESCHIEDENIS VAN EEN VONDELING.
BOEK I.
Bevat zooveel van de geboorte van den vondeling als in het begin van deze geschiedenis noodzakelijk of betamelijk is aan den lezer mede te deelen.
HOOFDSTUK I.
INLEIDING, OF MENU VAN HET FEEST.
Een schrijver mag zich volstrekt niet beschouwen als iemand, die een huisselijk feest geeft of zijne vrienden kosteloos onthaalt, maar veel eer als iemand, die open tafel houdt, waaraan iedereen, die zijn geld betaalt, het regt heeft aan te zitten. In het eerste geval, gelijk men weet, discht de gastheer op welken kost hij wil; en al zijn de schotels zeer middelmatig of zelfs volstrekt niet naar den zin der gasten, mogen zij er geene aanmerkingen op maken; ja zelfs eischt de beleefdheid, dat zij, schijnbaar, alles wat hun voorgezet wordt, goedkeuren en roemen. Het tegenovergestelde van dit alles heeft plaats bij den waard. Menschen die hetgeen zij gebruiken, betalen, staan er op dat het naar hun smaak zal zijn, hoe fijn of grillig die ook zij, en indien alles niet naar hun zin is, handhaven zij hun regt om vrijelijk hun middagmaal te vervloeken en te verwenschen.
Ten einde dus zijne klanten door geene dergelijke teleurstelling in het harnas te jagen, is de eerlijke, welmeenende waard gewoon eene lijst der spijzen op te hangen, welke alle menschen bij hunne intrede in de eetzaal lezen kunnen, waardoor zij, op de hoogte gebragt van hetgeen zij te wachten hebben, kunnen blijven, en gebruiken wat hun voorgezet wordt, of weggaan en eene andere tafel zoeken, welke meer naar hun smaak is.
Daar wij niet te trotsch zijn om te leeren van wien ook, die in staat is ons een verstandigen raad of een goed voorbeeld te geven, hebben wij ons verwaardigd den wenk te volgen van dezen eerlijken waard, en zullen niet slechts eene algemeene opgave doen van het geheele feest, maar ook uitvoerige spijskaarten aan den lezer voorleggen bij elk servies, dat in dit en de volgende boekdeelen hem voorgezet zal worden.
De voorraad waaruit wij hier putten zullen, is niets anders dan de menschelijke natuur. Ik vrees ook niet dat de verstandige lezer, hoe weelderig ook van aard, schrikken of knorren zal, of zich beleedigd gevoelen, omdat ik slechts één voorwerp genoemd heb. De schildpad, zoo als de Alderman van Bristol uit vele ondervinding van lekker eten weet, bevat, behalve het heerlijke vleesch en het groene vet, ook velerlei andere lekkere deelen, en de geleerde lezer zal evenmin vergeten dat de menschelijke natuur, hoewel hier onder één naam begrepen, zulk eene verbazende afwisseling oplevert, dat een kok eerder al de vleeschspijzen en groenten in de wereld zou kunnen doorloopen hebben, dan een schrijver in staat zou zijn zulk een uitgebreid onderwerp als het mijne uit te putten.
Men mag misschien van diegenen die zeer fijn van smaak zijn, het bezwaar verwachten, dat deze schotel te dagelijks en te algemeen is; want, levert juist niet dit onderwerp de hoofdbestanddeelen op voor alle romans, novellen, tooneelstukken en gedichten, waarmede de boekwinkels opgepropt zijn? Velerlei heerlijke geregten zouden door den lekkerbek verworpen worden, indien het in zijn oog genoegzaam was om ze gemeen en verachtelijk te vinden, dat iets van denzelfden naam in de ellendigste winkels te krijgen is! Inderdaad, echter, is het even moeijelijk de onvervalschte natuur in de boeken te vinden, als echte hammen uit Bayonne, óf echte Saucisse de Bologne in de winkels.
Maar, om het beeld vol te houden, alles hangt hier af van de kookkunst van den schrijver; want gelijk Pope opmerkt:
„Het geestige is natuur, bevallig opgesmukt, Wat vaak gedacht, maar nooit zoo goed werd uitgedrukt.”
Hetzelfde dier dat de eer geniet van voor een gedeelte bij een hertog op tafel te komen, wordt welligt, wat een ander deel van zijn ligchaam betreft, diep vernederd, daar sommige zijner ledematen, als het ware aan den galg gehangen worden van het gemeenste stalletje in de geheele stad. Waarin bestaat dan het onderscheid tusschen het voedsel van den edelman en dat van den kruijer, als beide van denzelfden os, of van het zelfde kalf eten, tenzij in de toebereiding, het koken, het opsieren en het opdisschen? Vandaar dat het ééne den flaauwsten eetlust aanzet, of prikkelt terwijl, het andere den scherpsten en felsten eetlust verzwakt en vernietigt.
Op dezelfde wijze bestaat de uitnemendheid van een geestelijk onthaal minder in de stof, dan in de behendigheid van den schrijver om ze netjes op te disschen. Zal dan de lezer niet verrukt zijn te ondervinden, dat wij in dit werk ons streng gehouden hebben aan een der eerste grondbeginselen van den besten kok, welken deze eeuw, of welligt zelfs die van Heliogabalus, voortgebragt heeft? Deze groote man, zooals ieder liefhebber van een fijnen schotel weet, begint met zijne hongerige gasten eerst de eenvoudigste spijzen voor te zetten, trapsgewijs opklimmende, naarmate hun eetlust schijnt te verminderen, tot de uitgezochtste saucen en lekkernijen. Op dezelfde wijze, zullen wij, in het begin, den geweldigen eetlust van den lezer zoeken te stillen met de menschelijke natuur, in de eenvoudige en onopgesierde gedaante, waarin die op het land gevonden wordt, en later zullen wij er ragouts en hachées van maken, gekruid met de meest pikante Fransche en Italiaansche gemaaktheid en ondeugden, welke het hof en de stad opleveren. Hierdoor twijfelen wij niet, dat de lezer begeerig gemaakt zal worden om tot in het oneindige door te lezen,—even als men van bovengemelden grooten kok vertelt, dat hij sommige menschen tot in het oneindige heeft doen eten.
Na dit vooraf gezegd te hebben, zullen wij diegenen, welke met ons menu tevreden zijn, niet langer van tafel ophouden en dadelijk er toe overgaan hen op het eerste geregt van ons gastmaal te onthalen.
HOOFDSTUK II.
EENE KORTE BESCHRIJVING VAN DEN HEER ALLWORTHY, EN EEN UITVOERIGER BERIGT OMTRENT MEJUFVROUW BRIGITTA ALLWORTHY, ZIJNE ZUSTER.
In dat gedeelte van de westelijke streken van dit rijk, dat gewoonlijk Somersetshire genoemd wordt, leefde onlangs (welligt leeft hij er nog) een heer, Allworthy geheeten, en die wel een gunsteling van de natuur en van het lot mogt genoemd worden, want beide schenen met elkaar gewedijverd te hebben om hem te zegenen en te verrijken. In dezen wedstrijd zal het welligt sommigen toeschijnen, dat de natuur de overwinning behaalde, daar zij hem vele gaven schonk, terwijl Fortuna hem slechts ééne geven kon; maar met deze gift was zij zoo mild te werk gegaan, dat anderen welligt oordeelen zullen, dat deze ééne gave meer dan opwoog tegen al de verschillende zegeningen, welke hij van Moeder Natuur genoot.
Van deze had hij namelijk ontvangen een bevallig uiterlijk, een gezond gestel, een degelijk verstand en een welwillend hart; door gene werd beschikt dat hem als erfdeel te beurt zou vallen een der grootste bezittingen in het graafschap.
Deze heer had in zijne jeugd eene zeer waardige en schoone vrouw gehuwd, van wie hij zeer veel gehouden had, en die hem drie kinderen geschonken had, welke echter alle in hunne teedere kindschheid stierven.
Hij had ook het ongeluk ondervonden van deze beminde vrouw zelve te moeten begraven, ongeveer vijf jaren vóór den tijd, waarop het mij behaagt dit verhaal te beginnen. Hoe groot echter dit verlies was, droeg hij het met verstand en moed, ofschoon ik bekennen moet, dat hij soms eenigzins wonderlijk er over praatte,—verklarende, dat hij zich nog als gehuwd beschouwde, terwijl zijne vrouw slechts wat vóór hem eene reis ondernomen had, waarop hij haar vroeger of later onfeilbaar zou volgen, en dat hij er niet in het minst aan twijfelde, dat hij haar dáár ontmoeten zou, waar zij nooit meer van elkaar zouden scheiden. Wegens deze gevoelens werd door sommige zijner buren zijn gezond verstand, door anderen zijne godsdienst, en weder door anderen zijne opregtheid in twijfel getrokken.
Hij leefde nu meestal in afzondering, buiten, met eene zuster, die hij teeder beminde. Deze dame was nu iets boven de dertig, een leeftijd, waarop (volgens het oordeel der kwaadaardigen), het volstrekt niet ongepast is den titel van oude vrijster aantenemen. Zij behoorde tot dat slag van vrouwen, die men eerder roemt om hare goede hoedanigheden, dan om hare schoonheid, en die gewoonlijk door haar eigen geslacht geheeten worden, „een heel best mensch,”—„een beter mensch, mevrouw, ken ik niet!” Inderdaad, zij was er zoo ver van af, het gemis van schoonheid te betreuren, dat zij dat voorregt (als het er een is!) nooit zonder minachting vermelden kon, terwijl zij dikwerf den Hemel dankte, dat zij niet zoo schoon was als mejufvrouw zus of zoo, die door hare schoonheid op een dwaalweg gebragt was, dien zij welligt anders vermeden zou hebben. Mejufvrouw Brigitta Allworthy (zoo heette deze dame), begreep zeer goed, dat een bekoorlijk uiterlijk bij eene vrouw niets meer is dan een strik voor zich zelve en anderen, en was toch zoo voorzigtig in haar gedrag, dat zij even waakzaam bleef alsof zij al de strikken te vreezen had, die ooit voor haar gansche geslacht gelegd werden. Inderdaad heb ik opgemerkt (hoe vreemd dit ook luide voor den lezer), dat deze soort van voorzigtigheid, even als de landstorm, het liefst de wacht betrekt waar het minste gevaar te duchten is. Dikwijls verlaat zij op eene schandelijke en lafhartige wijze die toonbeelden van vrouwen, om welke alle mannen zuchten, steunen en sterven, en voor wie zij alle mogelijke netten spreiden, terwijl zij getrouw die meer verhevene vrouwen op de hielen volgt, voor wie het sterkere geslacht het meeste ontzag en den diepsten eerbied koestert, en die men (waarschijnlijk wanhopende aan een goeden uitslag), het nooit waagt te vervolgen.
Lezer! Ik acht het geraden, eer wij zamen verder gaan, u te vertellen, dat ik in den loop van dit geheele verhaal, voornemens ben afwijkingen te maken, bij elke gelegenheid die ik vinden kan,—en die ik beter beoordeelen kan dan welke erbarmelijke criticus ook ter wereld. En nu verzoek ik ook al deze critici, zich met hunne eigene zaken te bemoeijen, en zich niet op te houden met zaken of met werken die hen volstrekt niet aangaan;—want zoolang zij in gebreke blijven de autoriteit te noemen waardoor, zij tot regters aangesteld zijn, zal ik weigeren, mij aan hunne uitspraak te onderwerpen.
HOOFDSTUK III.
OVER EENE VREEMDE GEBEURTENIS, WELKE DE HEER ALLWORTHY EENS BIJ ZIJNE TE HUISKOMST BELEEFDE. DE BETAMELIJKE HOUDING VAN JUFVROUW DEBORAH WILKINS, EN EENIGE ZEER GEPASTE AANMERKINGEN OVER ONECHTE KINDEREN.
Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam, dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde, en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.
Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk, en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.
De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaan hoe belangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van waar hij in den loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer. Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.
Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te sterven.
Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was, en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.
Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt, het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden van den leeftijd van jufvrouw Deborah.
Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van eene min te voorzien.
„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd. Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”
„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij niets ergers daarmede begonnen heeft.”
„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind was;—maar het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken, die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven, dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want veel beters is er van hen niet te wachten.”
Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.
Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting, welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.
Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan den lezer te doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.
HOOFDSTUK IV.
DE LEZER LOOPT GEVAAR VAN DEN NEK TE BREKEN OVER EENE BESCHRIJVING;—HOE HIJ DAARAAN ONTSNAPT, EN DE GROOTE VRIENDELIJKHEID VAN MEJUFVROUW BRIGITTA ALLWORTHY.
De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.
Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief, terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt te hebben op het dal daar beneden.
In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm van dezen stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het gezigt.
Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.
Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland, bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.
Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven hebben, aan zijne blikken vertoonde.
De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.
Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt, even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen, zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me vergezellen wilt.
Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had, waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene japon was, of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in stellen.
Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt, dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet herhalen zullen.
Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.