Part 36
En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst, waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van iets te betichten.
Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden, zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen zoo zeer verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft, dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.
Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had, was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon. Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg een oogenblik en zeide daarop:
„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet verbergen. Zij heet Sophia Western.”
„Proh deum atque hominum fidem! Heeft mijnheer Western al eene volwassene dochter?”
„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden vergeten.”
„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar: Tempus edax rerum!”
Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig, zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander boek zou willen hebben.”
„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, de Colloquia van Erasmus;—Ovidius, de Tristibus;—de Gradus ad Parnassum en in het Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn. Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe; het zesde deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken van Thomas Brown.”
„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo goed mij een van die deelen te leenen.”
De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne kamer terug.
HOOFDSTUK VI.
WAARIN DE BEGAAFDHEDEN VAN DEN HEER BENJAMIN ZIGTBAAR WORDEN;—ALSMEDE WIE DEZE BUITENGEWONE MENSCH EIGENLIJK WAS.
’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had; „maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt, geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”
De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen, die verwittigd van het vak, tot welks beoefening hij nu geroepen werd, zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die, waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem ter naauwernood herkend zou hebben.
„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren avond?”
„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak te benadeelen. Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u zeggen wat ik van uw geval denk.”
Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer; evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen, maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.
„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.
„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.
„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”
Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.
„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden, mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge uwen lachlust opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”
„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de barbier-chirurgijn—” begon Jones.
„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem! Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon vertegenwoordigen kan!”
„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het, dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”
„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw u dat het nog al lang is.”
Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op dat oogenblik.
„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”
Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn ergste vijand zijt geweest!”
Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.
„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.
„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer te grond gerigt te worden?”
„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde altijd dat ik diens zoon was.”
„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker u, dat gij mijn zoon niet zijt.”
„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend zijn?”
„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd, door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb. Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen, tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”
„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”
„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen; want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja, ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”
Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op den droom van de melkwitte merrie.
„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw gezelschap laat gaan, of niet.”
Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:
„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.
Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt, en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est Teucro duce et auspice Teucro.””
Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele aanbod omtrent het geld.
Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was te groot, om zonder paard vervoerd te worden.
„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—, achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”
Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles gereed te maken voor den naderenden togt.
HOOFDSTUK VII.
BEVATTENDE BETERE REDENEN DAN TOT DUSVER GEBLEKEN ZIJN VOOR HET GEDRAG VAN PARTRIDGE;—EENE VERONTSCHULDIGING VOOR DE ZWAKHEID VAN JONES, EN NOG ENKELE ANEKDOTEN OMTRENT DE WAARDIN.
Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan eene andere beweegreden toe te schrijven.
Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer naar huis terug te keeren, dan twijfelde hij niet dat hij weder in genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte dan de arme Partridge.
Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is, zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.
Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard ook, in te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.
’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.
„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien heer, naar ik zie.”
„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”
„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben. Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”
„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”
„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen zien!”
„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.
„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”
„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”
„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet, om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten had.”
Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde; want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij kon, de kamer uit.
Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit verhaal vermeld te worden.
’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker. Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.
De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde neêrkomt.
Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de groote luî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk zelven tot de groote wereld behoorden.
HOOFDSTUK VIII.
JONES KOMT TE GLOUCESTER AAN EN NEEMT ZIJN INTREK IN „DE KLOK;” WELKE SOORT VAN LOGEMENT DAT WAS, EN HET KARAKTER VAN EEN BEUNHAAS, DIEN HIJ DAAR ONTMOET.
De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig meldingswaardig avontuur te beleven.