Chapter 82 of 84 · 3978 words · ~20 min read

Part 82

Daar wij in dit hoofdstuk reeds tweemaal het woord „receptie” genoemd hebben,—een woord, dat naar wij hopen onverstaanbaar zal wezen voor het late nageslacht in de beteekenis, waarin wij het gebezigd hebben, zullen wij, hoeveel haast wij ook anders hebben, ons een oogenblik ophouden, om de feestelijkheid te beschrijven, welke hier bedoeld is,—en dat doen wij te eerder, daar wij heel kort kunnen zijn.

Eene „receptie” dan, is eene vergadering van goedgekleede menschen, van beiderlei kunne, van welke de meesten aan de speeltafel gaan zitten, en de anderen niets doen, terwijl de vrouw des huizes de rol van herbergierster op zich neemt,—en even als deze zich verhoovaardigt over het aantal harer gasten, hoewel het niet altijd gebeurt, dat zij, even als de herbergierster, er iets aan verdient.

Geen wonder dus, dat, daar zoovele opgeruimdheid vereischt wordt om deze droevige tooneelen te verlevendigen, dat wij menschen van hoogen stand zoo dikwerf hooren klagen over gebrek aan levenslust,—eene ziekte, die zich overigens bepaalt tot de groote wereld.

Wij kunnen ons dan verbeelden hoe ondragelijk deze ijdele kring voor Sophia moet geweest zijn, op dit oogenblik,—hoe moeijelijk het haar viel, om den schijn van vrolijkheid aan te nemen, terwijl hare ziel vervuld was met de diepste smart en elke gedachte eene kwelling voor haar opleverde.

De nacht echter schonk haar de eenzaamheid harer slaapkamer, en wij zullen haar daar laten, om ten minste hare droefgeestigheid tot bedaren te brengen, hoewel zij, naar wij vreezen, buiten staat zal zijn om eenige rust te vinden, en zullen thans onze geschiedenis voortzetten, welke nu,—te oordeelen naar een zeker voorgevoel,—op het punt staat om eene zeer gewigtige gebeurtenis op te leveren.

HOOFDSTUK VII.

EEN AANDOENLIJK TOONEEL TUSSCHEN DEN HEER ALLWORTHY EN JUFVROUW MILLER.

Jufvrouw Miller had een lang gesprek met den heer Allworthy, toen hij, na tafel, naar huis kwam, waarin zij hem vertelde hoe de heer Jones, ongelukkig al het geld verloren had, hetwelk zijn weldoener bij hunne scheiding hem gegeven had, en hem verhaalde van den nood waarin hij, ten gevolge van dat verlies, verkeerd had;—wat zij zelve vernomen had van den getrouwen babbelaar Partridge. Daarop legde zij uit welke verpligtingen zij aan Jones had, zonder evenwel alles te zeggen van hare dochter; want hoewel zij het meeste vertrouwen stelde in den heer Allworthy, en er geene hoop bestond om de zaak geheim te houden, die reeds aan meer dan een half dozijn menschen bekend was, kon zij toch niet over zich verkrijgen om die omstandigheden, welke de arme Nancy tot schande strekken moesten, te vermelden;—maar onderdrukte dat gedeelte van hare getuigenis even voorzigtig, alsof zij voor den regter geroepen ware geweest en het meisje wegens kindermoord te regt stond.

Allworthy antwoordde haar, dat er slechts weinige menschen waren, zoo geheel bedorven, dat zij hoegenaamd tot niets goeds in staat zijn. „Ik kan echter niet ontkennen,” zeide hij, „dat gij eenige verpligtingen aan dien vent hebt, hoe slecht hij ook zij, en ik zal u dus alles wat er voorgevallen is, vergeven; maar sta er toch op, dat gij hem nooit weder in mijn bijzijn noemt; want ik verzeker u, dat ik slechts na de duidelijkste en meest overtuigende bewijzen, heb kunnen besluiten tot de maatregelen, waartoe ik me verpligt zag ten zijnen opzigte.”

„Nu, mijnheer,” hernam zij, „daaraan mag ik volstrekt niet twijfelen; maar, met der tijd, zal alles in het ware daglicht verschijnen, en dan zult gij overtuigd worden, dat deze arme jongen meer goeds van u verdient dan andere menschen, die ik me wel wachten zal te noemen.”

„Jufvrouw,” riep Allworthy, eenigzins driftig; „ik wil geene betichtingen hooren van mijn neef, en als gij ooit weder een enkel woord van dien aard zegt, zal ik oogenblikkelijk uw huis verlaten. Hij is een beste, brave jongen, en ik herhaal nog eens, dat hij eigenlijk zijne vriendschap tot dien vent tot zwakheid toe overdreven heeft, door te lang de zwartste misdaden, die hij bedreven had, geheim te houden. Ik ben het meeste kwaad om de ondankbaarheid van dien ellendeling ten opzigte van dezen goeden jongen; want, jufvrouw, ik heb zeer gegronde redenen om te veronderstellen dat hij een plan beraamd had om mijn neef in mijne gunst te verdringen en om hem door mij te doen onterven.”

„Ik weet zeker, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, niet zonder benaauwdheid;—want hoe zoet en bekoorlijk ook de glimlach van den heer Allworthy was, had zijn vertoornde blik steeds iets zeer ontzagwekkends,—„dat ik nooit een woord zal zeggen tegen iemand met wien gij ingenomen zijt. Ik ben overtuigd, mijnheer, dat zoo iets mij zeer misstaan zou, vooral als het een uwer naaste bloedverwanten is; maar, mijnheer, gij moogt werkelijk niet op mij boos worden omdat ik partij trek voor dien ongelukkige!—Zóó mag ik hem nu zeker noemen; hoewel gij stellig eens boos op mij zoudt geweest zijn, als ik het gewaagd had om zijn naam zonder den meesten eerbied uit te spreken! Hoe dikwerf heb ik u niet hem uw zoon hooren noemen? Hoe dikwerf hebt gij niet met vaderlijke liefde van hem gesproken? Neen, mijnheer! Ik kan al de liefderijke uitdrukkingen, het vele goede niet vergeten dat gij mij verteld hebt van zijne schoonheid, zijn aanleg, zijne deugden, zijne goedaardigheid en zijne edelmoedigheid! Neen, mijnheer, dat kan ik niet vergeten; want ik weet nu dat alles waar was! Ik heb er bewijzen van gehad in mijn eigen huisgezin. Hij is de redder mijner familie geweest. Gij moet mij mijne tranen vergeven, mijnheer,—werkelijk, dat moet gij doen, als ik bedenk welk een wreeden ommekeer in zijn lot deze arme jongen, aan wien ik zoo veel te danken heb, ondervonden heeft;—vooral als ik daarbij het verlies van uwe liefde in aanmerking neem, welke hij, naar ik zeker weet, op hooger prijs stelde dan zijn eigen leven. Ja, ik moet, en zal hem beklagen! Al hadt gij een dolk in de hand, om mij het hart te doorboren, ik zou nog de ellende beklagen van den ongelukkige, dien gij bemind hebt, en dien ik steeds beminnen zal!”

Allworthy was zeer aangedaan door deze woorden, maar naar het scheen volstrekt niet vertoornd, want, na eene korte stilte, reikte hij jufvrouw Miller de hand en zeide, zeer liefderijk: „Kom, jufvrouw, laten wij thans over uwe dochter spreken. Ik kan het u niet kwalijk nemen, dat gij u zoo ingenomen toont met een huwelijk, dat zoo voordeelig belooft te zijn; maar gij weet wel, dat dit laatste grootendeels afhangt van eene verzoening met haren schoonvader. Ik ken den ouden heer Nightingale zeer goed, en heb vroeger zaken met hem gehad; ik zal hem dus een bezoek brengen en trachten u in deze zaak bij te staan. Ik geloof wel dat het een heel wereldsch mensch is; maar daar het zijn eenigen zoon geldt, en aan de zaak thans niet meer te veranderen valt, zal hij welligt op den duur geneigd zijn naar rede te luisteren. Ik beloof u mijn best voor u te doen.”

De arme vrouw dankte Allworthy herhaaldelijk voor dit vriendelijk en edelmoedig aanbod, maar kon niet nalaten op nieuw de gelegenheid waar te nemen, om van hare dankbaarheid tot Jones gewag te maken.

„Aan hem,” zeide zij, „is het toe te schrijven, dat ik nu in het geval ben om gebruik van uwe goedheid te kunnen maken.”

Allworthy legde haar vriendelijk het stilzwijgen verder op; maar hij was een te goed mensch om zich werkelijk beleedigd te gevoelen door de uitwerking van zulk een edel grondbeginsel als dat waarmede jufvrouw Miller thans bezield was;—en wezenlijk, als hetgeen hem pas van Jones verteld was door Blifil zijn toorn niet weder opgewekt had, is het niet onmogelijk, dat hij eenigzins gunstiger voor hem gestemd zou zijn geworden na het vernemen van eene handeling, welke de boosheid zelve aan geene slechte beweegreden had kunnen toeschrijven.

De heer Allworthy en jufvrouw Miller waren reeds meer dan een uur bij elkaar geweest, toen hun gesprek afgebroken werd door de komst van Blifil met iemand anders,—namelijk, met den zeer gewigtigen mijnheer Dowling, den zaakwaarnemer, die een groote gunsteling was geworden van den heer Blifil en dien de heer Allworthy, op verzoek van zijn neef, tot zijn rentmeester benoemd had, terwijl hij hem tevens aan den heer Western aanbeval, van wien de zaakwaarnemer de belofte ontving van ook door hem tot hetzelfde ambt benoemd te worden zoodra de gelegenheid zich daartoe voordeed. Inmiddels was hij bezig met eenige zaken te Londen,—welke betrekking hadden tot een hypotheek,—voor den landjonker in orde te brengen.

Dit was de voornaamste aanleiding tot mijnheer Dowlings aanwezigheid in Londen, terwijl hij de gelegenheid waarnam om zich met wat geld voor den heer Allworthy te belasten, en hem zijn rapport te doen over andere zaken,—waarin wij den oom, den neef en den zaakwaarnemer verdiept zullen laten, daar ze veel te vervelend van aard waren om in deze geschiedenis vermeld te worden,—terwijl wij ons met iets anders bezig houden.

HOOFDSTUK VIII.

BEVATTENDE ALLERLEI ZAKEN.

Eer wij tot den heer Jones terugkeeren, moeten wij nog een blik op Sophia werpen.

Hoewel die jonge dame hare tante in den besten luim gebragt had door de verzoenende maatregelen, waarvan wij reeds gesproken hebben, had zij haar toch niet kunnen overhalen om het minst in haren ijver te verflaauwen voor het huwelijk met Lord Fellamar. Deze ijver werd dan ook aangeblazen door Lady Bellaston, die mejufvrouw Western den vorigen avond verzekerd had, dat zij door het gedrag van Sophia en door hare houding tegenover Milord, overtuigd was, dat eenig uitstel hoogst gevaarlijk zou zijn, en dat de eenige wijze om te slagen, zou zijn om het huwelijk zoo overhaast door te zetten, dat de jonge dame geen tijd kreeg om zich te bedenken, en zich hare toestemming liet afpersen eer zij eigenlijk wist wat zij deed. Op deze wijze, hield zij vol, worden de meeste huwelijken onder menschen van hoogen stand gesloten;—een feit dat hoogst waarschijnlijk ontegenzeggelijk is, en waaraan, denkelijk, de onderlinge liefde toe te schrijven is, welke later onder zoo vele gelukkige paren heerscht.

Een wenk van dezen aard werd door dezelfde dame aan Lord Fellamar gegeven en beiden waren zóó met den raad ingenomen, dat, op verzoek van Milord, de volgende dag vastgesteld werd door mejufvrouw Western, voor de eerste ontmoeting van het jonge paar onder vier oogen. Dit werd aan Sophia door hare tante medegedeeld, die er zoo stellig en vast op aandrong, dat Sophia, na te vergeefs alles in het midden te hebben gebragt, wat zij bij mogelijkheid bedenken kon, eindelijk genoodzaakt was, het hoogste bewijs van beleefdheid te geven, dat men van eene jonge dame vergen kan, en er in toe te stemmen dat zij Milord zou ontvangen.

Daar gesprekken van dezen aard weinig onderhoudends opleveren, zal men het ons ten goede houden, indien wij het geheele onderhoud niet herhalen, gedurende hetwelk Milord op de meest hartstogtelijke wijze zijne opregte en vurige liefde betuigde, tot dat Sophia, die tot dus ver gezwegen en gebloosd had, eindelijk moed vatte, en met eene zachte, bevende stem zeide:

„Milord, gij moet zelf u bewust zijn of uwe vorige houding overeenkomstig is geweest met uwe tegenwoordige verzekeringen.”

„Is er dan geene wijze,” hernam hij, „waarop ik vergiffenis kan krijgen voor mijn waanzin? Ik vrees maar, dat mijne handelingen u bewezen moeten hebben, dat de hevigheid mijner liefde mij van het verstand beroofd had.”

„Het hangt inderdaad alleen van u af, Milord,” zeide zij, „om mij een bewijs eener toegenegenheid te geven, hetwelk ik op hoogen prijs zou stellen, en waarvoor ik u werkelijk dankbaar zou wezen.”

„Noem het slechts!” riep Milord, met vuur.

„Milord,” hernam zij, de oogen nederslaande op haren waaijer, „ik weet dat het u bekend moet wezen hoe ongelukkig ik gemaakt word door deze uwe geveinsde liefde—”

„Kunt gij de wreedheid hebben,” riep hij, „om ze geveinsd te noemen?”

„Ja, Milord,” luidde haar antwoord; „alle liefdesbetuigingen tegenover menschen, die wij vervolgen, zijn beleedigende voorwendselen. Uw aanzoek wordt voor mij nu eene wreede vervolging;—ja,—gij maakt een onedelmoedig gebruik van mijn ongelukkigen toestand!”

„Beminde, aanbiddenswaardige!” riep hij, „beschuldig mij niet van eene onedelmoedige vervolging, terwijl ik geene andere gedachte koester dan om tot uw belang, uwe eer bij te dragen,—terwijl ik alleen met het voornemen bezield ben, om mijzelven, mijn stand, mijn vermogen, mijn alles aan uwe voeten neder te leggen!”

„Milord,” hernam zij, „het is juist door uw stand en vermogen dat gij een voordeel bezit, waarover ik me beklaag. Dat zijn bekoorlijkheden, welke mijne bloedverwanten verleid hebben;—ik ben er geheel onverschillig voor. Als gij, Milord, mij werkelijk dankbaar wilt maken, is er slechts één middel—”

„Vergeef me, schoonste,” viel hij haar in de rede, „daar kan geen middel bestaan om uwe dankbaarheid te verdienen! Al wat ik voor u zou kunnen doen, komt u van regtswege toe en zal mij zoo gelukkig maken, dat er geene sprake kan wezen van dankbaarheid.”

„Maar werkelijk, Milord,” hernam zij, „staat het aan u om mijne dankbaarheid, mijne welwillendheid, en mijne meest vriendschappelijke wenschen in alle opzigten waarin ik zulks vermag, te verwerven;—ja, en dat kunt gij gemakkelijk doen;—want, het zal een edel hart niet veel kosten om aan mijn verzoek te voldoen. Laat mij u smeeken dan eene vervolging te staken, waarin gij nooit slagen kunt. Om uwentwil, evenzeer als om den mijne, smeek ik deze gunst van u af; want gij zijt zeker te edelmoedig om er behagen in te scheppen een ongelukkig wezen te kwellen. Wat kunt gij, Milord, u anders voorstellen dan kwellingen ook voor u zelven door eene volharding, welke op mijn woord, ja, bij mijne zaligheid!—bij mij niets bewerken zal, aan welke ellende gij mij ook daardoor moogt blootstellen!”

Milord slaakte thans een zwaren zucht en zeide: „Is dit daaraan toe te schrijven, mejufvrouw, dat ik het ongelukkige voorwerp ben van uwen afkeer en uwe verachting,—of,—vergeef mij de veronderstelling,—is er iemand anders—?”

Hier aarzelde hij, en Sophia hernam, met eenige drift: „Milord, ik ben u geene verantwoording schuldig voor mijn gedrag. Ik ben u zeer dankbaar voor uw eervoel aanzoek; ik beken dat het mijne verdiensten en verwachtingen verre overtreft; maar ik hoop, Milord, dat gij er niet op staan zult, dat ik u eenige redenen geef, als ik zeg, dat ik het van de hand moet wijzen.”

Lord Fellamar gaf een heele boel hierop tot antwoord, dat niet zeer verstaanbaar was, en hetwelk welligt niet al te zeer onvereenkomstig de regels van de taalkunde en van het gezond verstand was; maar hij eindigde zijne hoogdravende redevoering met te zeggen: „Dat als zij reeds aan den een of anderen fatsoenlijken man verloofd was, hoe ongelukkig hij zich ook gevoelde, hij zich uit eergevoel genoodzaakt zou zien om zich verder terug te trekken.”

Welligt legde Milord te veel klem op het woord „fatsoenlijk man,” anders weten wij de verontwaardiging niet te verklaren, waarmede Sophia thans bezield was, die in haar antwoord zeer vertoornd scheen over de eene of andere beleediging, welke hij haar toegevoegd had.

Terwijl zij nog met meer verheffing van stem dan gewoonlijk sprak, trad mejufvrouw Western in de kamer, met gloeijende wangen en vlammende oogen.

„Ik moet mij schamen, Milord,” riep zij, „over de wijze waarop gij hier ontvangen wordt! Ik verzeker u, Milord, dat wij allen zeer gevoelig zijn voor de eer, welke gij ons aandoet, en ik moet u, mejufvrouw, verklaren, dat de geheele familie eene gansch andere houding van u eischt!”

Hier kwam Milord ten behoeve der jonge dame tusschenbeide, maar te vergeefs;—de tante hield vol tot Sophia den zakdoek te voorschijn haalde, zich op een stoel wierp en een vloed van tranen stortte..

Het overige van het gesprek tusschen mejufvrouw Western en Milord, tot deze laatste zich verwijderde, bestond uit bittere klagten van zijn kant en uit de krachtigste betuigingen van de hare, dat hare nicht toegeven moest, en dat ook doen zoude.

„Inderdaad, Milord,” zeide zij, „het meisje heeft eene allerdwaasste opvoeding gehad, die noch met haar vermogen, noch met hare afkomst overeenkomstig was. Het spijt mij te moeten bekennen, dat haar vader schuld aan alles heeft. Het meisje is behebt met eene domme, plattelandsche bedeesdheid. Het is anders niets, Milord, daar geef ik u mijn woord op. Ik ben ook overtuigd dat het haar eigenlijk niet aan verstand hapert, en dat zij spoedig naar rede zal luisteren.”

Dit laatste zeide zij in de afwezigheid van Sophia, die reeds de kamer verlaten had, met meer uiterlijke vertooning van drift, dan zij ooit bij eenige vroegere gelegenheid aan den dag had gelegd, en thans nam ook Milord afscheid van mejufvrouw Western, met vele dankbetuigingen en vurige verklaringen van eene liefde, die onoverwinnelijk was, en waarbij hij stellig voornemens was te volharden,—waartoe Sophia’s tante hem ten sterkste aanmoedigde.

Eer wij nu verder vermelden wat er tusschen mejufvrouw Western en Sophia voorviel, is het noodig iets te zeggen van eene zeer ongelukkige omstandigheid, welke tot de drift en plotselinge verschijning van mejufvrouw Western had aanleiding gegeven.

De lezer moet dan vernemen, dat de meid, die thans Sophia bediende, door Lady Bellaston aanbevolen was, bij wie zij een tijdlang als tweede kamenier gediend had. Het was een zeer vlug meisje, dat ook de stipste bevelen ontvangen had, om hare jonge meesteresse zeer streng te bewaken. Het spijt ons te moeten bekennen dat deze bevelen haar gegeven werden door jufvrouw Honour, in wier gunst Lady Bellaston thans zoo hoog geklommen was dat de hevige liefde, welke de kamenier vroeger Sophia toegedragen had, nu geheel uitgewischt was door de groote gehechtheid, welke zij thans koesterde tot hare nieuwe gebiedster.

Zoodra echter jufvrouw Miller weg was gegaan, en Betsy (gelijk zij heette) bij hare meesteresse terugkeerde, vond zij haar geheel en al verdiept in de lektuur van een langen brief, en de blijkbare aandoening, welke zij liet zien bij die gelegenheid, had wel bij het meisje eenige verdenking kunnen opwekken,—welke echter nog een beteren grondslag had,—daar zij alles gehoord had wat tusschen Sophia en jufvrouw Miller voorgevallen was.

Door Betsy werd dan mejufvrouw Western met alles bekend gemaakt, die na vele loftuitingen en eene ruime belooning voor hare getrouwheid, het bevel ontving om als die vrouw ooit wederkwam, haar dadelijk bij mejufvrouw Western zelve te brengen.

Ongelukkig verscheen nu jufvrouw Miller juist terwijl Sophia met Milord in gesprek was. Volgens het haar gegeven bevel, bragt Betsy haar dadelijk bij de tante, die al van zoo veel onderrigt zijnde, dat den vorigen dag gebeurd was, gemakkelijk de arme vrouw er toe bragt om te gelooven dat Sophia alles medegedeeld had;—waardoor het mejufvrouw Western ook gelukte om alles van haar te vernemen, wat den brief en Jones zelven betrof.

Het arme schepsel was dan ook de eenvoudigheid zelve. Zij was een van die menschen, welke geneigd zijn alles te gelooven wat men hun vertelt;—die van nature niet voorzien zijn van de offensieve of defensieve wapens van het bedrog, en die dus voorbestemd schijnen om door iedereen gefopt te worden, die zich de moeite verkiest te geven om het te beproeven. Mejufvrouw Western alles uit jufvrouw Miller gehaald hebbende, wat deze wist, hetwelk inderdaad niet heel veel was, maar toch genoeg om de tante een heele boel te doen gissen, ontsloeg haar met de verzekering dat Sophia haar niet zien wilde, dat zij geen antwoord op den brief wilde geven, en ook geen tweeden ontvangen, en liet haar niet vertrekken zonder eene strenge les over de verdiensten van een ambt, dat zij voor niets beters hield dan dat van eene koppelaarster.—Dit een en ander dan had de tante reeds eenigzins ontstemd, toen zij in de kamer trad, belendende aan die waarop de adellijke vrijer ontvangen werd, en waar zij Sophia met zoo veel vuur het aanzoek van Milord van de hand hoorde wijzen. Hierop brak de toorn, welken zij zoo lang verkropt had, in volle vlam uit, en zij viel hare nicht op eene woedende wijze aan, zooals wij reeds beschreven hebben, tegelijk met hetgeen verder voorviel, tot Milord vertrokken was.

Zoodra Lord Fellamar zich verwijderd had, keerde mejufvrouw Western tot Sophia terug, die zij met veel bitsheid het misbruik verweet van het in haar gestelde vertrouwen,—tegelijk met hare oneerlijkheid, dat zij briefwisseling onderhield met een man, van wien zij den vorigen dag zich bij eede had willen verbinden nooit iets meer te zullen aannemen.

Sophia verklaarde dat zij hoegenaamd geene briefwisseling met hem onderhield.

„Hoe! Wat! Durft gij, gij mejufvrouw Western, loochenen, dat gij gisteren een brief van hem ontvingt?” gilde hare tante.

„Een brief!” riep Sophia, eenigzins verbaasd.

„Het is niet zeer beleefd, mejufvrouw, om mijne woorden te herhalen,” hernam de tante; „maar ja, een brief, zeg ik! En ik sta er op dat gij mij dien laat lezen!”

„Ik zou het beneden mij achten om eene onwaarheid te vertellen, tante,” hernam Sophia. „Ik heb gisteren wèl een brief ontvangen, maar zonder mijn toedoen,—ja zelfs, tegen mijn zin, mag ik wel zeggen.”

„Zoo, mejufvrouw!” riep hare tante; „gij moest u schamen te bekennen dat gij zoo’n brief ontvangen hadt;—maar waar is die brief? Want zien zal ik hem!”

Op dit stellig bevel aarzelde Sophia een tijdlang eenig antwoord te geven; eindelijk echter verontschuldigde zij zich met te verklaren dat zij hem niet op zak had, wat stipt waar was,—waarop haar tante’s geduld uitgeput scheen, en deze haar kortaf vroeg, of zij Lord Fellamar wilde trouwen, ja of neen?—Wat Sophia ten stelligste weigerde.

Mejufvrouw Western hernam hierop met een vloek, of met iets dat er digtbij kwam, dat zij haar den volgenden morgen weder aan haar vader zou overleveren.

Sophia begon nu op de volgende wijze met hare tante te redeneren.

„Wel, tante, welke noodzakelijkheid bestaat er toch dat ik ooit huwen zou? Bedenk maar hoe zwaar gij dat zelve, in uw eigen geval vondt, en hoe veel liefderijker uwe ouders waren, die u vrij lieten! Wat heb ik gedaan om die vrijheid te verbeuren? Ik zal nooit in het huwelijk treden zonder mijns vaders toestemming,—of zonder de uwe te vragen. En als ik die tegen uw zin verlang, zal het vroeg genoeg wezen om mij tot een ander huwelijk te dwingen.”

„Mijn hemel! Hoe zou ik dit kunnen aanhooren van een meisje, dat met een brief van een moordenaar op zak loopt?” riep mejufvrouw Western.

„Ik heb dien brief niet bij mij, dat houd ik vol,” hernam Sophia, „en als het schrijven van een moordenaar komt, zal hij spoedig buiten staat zijn om u eenige verdere zorg te baren!”

„Hoe, mejufvrouw Western!” hernam de tante, „hebt gij de onbeschaamdheid om zoo van hem te spreken,—om mij, in het aangezigt, uwe liefde tot zulk een schurk te bekennen?”

„Gij legt toch mijne woorden op eene zeer vreemde wijze uit, tante!” riep Sophia.

„Wat mij betreft, mejufvrouw Western,” hernam de andere, „ik verkies niet langer mij zoo door u te laten behandelen;—gij hebt dat van uw vader geleerd;—hij heeft u geleerd mij tot eene leugenaarster te maken! Hij heeft u geheel bedorven, door zijn verkeerd stelsel van opvoeding, en zoo de hemel wil, zal hij er de schoone vruchten van plukken; want, nog eens! morgen zal ik u bij hem terug brengen, dat verzeker ik u! Ik zal mijne strijdkrachten uit het veld terugtrekken, en voortaan, even als de wijze koning van Pruisen, de strengste onzijdigheid in acht nemen. Gij verbeeldt u beide te wijs te zijn om u naar mijn raad te schikken; dus houd u gereed; want morgen zult gij hier de deur uit!”

Sophia deed haar best om haar te vermurwen; maar hare tante bleef doof voor al wat zij zeggen kon,—en in dezen toestand moeten wij thans die dame verlaten, daar er geene hoop schijnt te bestaan om haar van zin te doen veranderen.

HOOFDSTUK IX.

HETGEEN DEN HEER JONES IN DE GEVANGENIS OVERKWAM.

De heer Jones bragt meer dan vier en twintig uren zeer droevig in de eenzaamheid door,—alleen getroost door het gezelschap van Partridge,—tot mijnheer Nightingale eindelijk terugkeerde. Men verbeelde zich echter niet, dat deze waardige jonge man zijn vriend verlaten of vergeten had, want, inderdaad, het grootste gedeelte van dien tijd, had hij ten zijnen behoeve besteed.