Part 72
„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”
„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”
„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”
„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”
„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”
„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”
„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”
Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:
„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”
„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”
Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:
„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”
Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.
„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”
Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.
„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”
Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:
„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”
Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:
„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”
„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.
„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”
Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.
Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.
HOOFDSTUK VI.
HOE DE LANDJONKER ER TOE GEKOMEN WAS OM ZIJNE DOCHTER TE ONTDEKKEN.
Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.
In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.
„Geachte Tante!
De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.
„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.
„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.
„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.
„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.
„Ik verblijf, geachte tante,
met den meesten eerbied, uwe verpligte en steeds dankbare nicht en meest onderdanige dienaresse,
Henriette Fitzpatrick.”
Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.
Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden:
„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”
Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.
Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:
„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”
„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”
„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”
„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijke kleêren aangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”
„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”
„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”
„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”
„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt. Je vous méprise de tout mon coeur! Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”
„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”
„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”
„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”
Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.
Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.
HOOFDSTUK VII.
WAARIN DE ARME TOM DOOR VERSCHEIDENE RAMPEN GETROFFEN WORDT.
De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:
„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”
„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.
„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”
Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:
„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”
„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”
„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour; „zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”
„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”
„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”
„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”
„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”
„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.
„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”
Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.
„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”
„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”
„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”
„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”
„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”
„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”
„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”
Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.
Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.