Chapter 40 of 84 · 3967 words · ~20 min read

Part 40

„Nu, mijnheer,” ging de vreemdeling voort, „of het geld een kwaad is, of alleen eene oorzaak van het kwaad,—ik had er volslagen gebrek aan, en terzelfder tijd ook aan vrienden, en naar ik me verbeeldde ook aan kennissen;—maar toen ik op zekeren avond, zeer hongerig en ellendig door den Binnen-Tempel ging, hoorde ik eene stem, die mij op de meest gemeenzame wijze bij mijn doopnaam riep, en mij omkeerende herkende, ik dadelijk den persoon, die mij aldus toesprak, als een oud mede-student, die sedert een jaar de akademie verlaten had,—lang eer mij eenig ongeluk overkomen was. Deze heer, die Watson heette, drukte me hartelijk de hand, uitte de meeste vreugde over onze ontmoeting en stelde onmiddellijk voor, dat wij zamen eene flesch drinken zouden. Ik weigerde dit eerst, voorgevende dat ik zaken af te doen had; daar hij er echter op bleef aandringen, overwon eindelijk de honger mijn hoogmoed, en ik bekende hem ronduit dat ik geen duit op zak had,—evenwel niet zonder eene onwaarheid te bedenken, om mij te verontschuldigen, daar ik zeide dat ik dien morgen van kleeding verwisseld en vergeten had het geld uit mijn broekzak te nemen. De heer Watson zeide: „Kom Jaap, ik dacht dat gij en ik elkaar te goed kenden, om van zoo iets te spreken.” Hij nam me toen onder den arm en sleepte mij mede; maar behoefde weinig geweld te gebruiken, daar mijne eigene neigingen me veel sterker trokken dan hij had kunnen doen.

„Wij gingen nu naar de herberg „De Kloosterbroeders,” waar, gelijk u bekend is, altijd de grootste drukte heerscht. De heer Watson wendde zich onmiddellijk tot den bottelier, zonder aan den kok te denken; want hij verbeeldde zich natuurlijk dat ik al lang geleden gegeten had. Daar dit echter het geval niet was, bedacht ik eene nieuwe onwaarheid, en vertelde mijn makker, dat ik om zaken van belang naar het andere einde van de stad was geweest, en slechts in de haast onderweg eene cotelette gegeten had, en dus weer honger had en hem verzocht een beef-steak bij de flesch te bestellen.”

„Zekere soort van menschen dienden wel altijd een sterk geheugen te hebben,” zei Partridge. „Hadt ge dan geld genoeg op zak gehad om de cotelette te betalen?”

„Uwe opmerking is zeer juist,” hernam de vreemde; „en ik geloof dat zulke vergissingen onafscheidelijk zijn van de gewoonte van onwaarheid te vertellen.—Maar, om voort te gaan: ik begon me nu zeer gelukkig te gevoelen. Het vleesch en de wijn wonden me spoedig op, en ik smaakte groot genot in den omgang met mijn oude kennis, te meer, daar ik in den waan verkeerde dat hij niets wist van hetgeen er aan de akademie voorgevallen was sedert zijn vertrek.

„Maar hij liet me niet lang in dezen aangenamen waan; want met de eene hand een vol glas opnemende, terwijl hij mij met de andere vatte, riep hij uit: „Nu oude, jongen, dit is om u geluk te wenschen dat gij zoo eervol vrijgesproken werdt in die zaak, waarin gij als beklaagde moest optreden!”

„Ik stond als versteend bij deze woorden, en zoodra Watson dit opmerkte, ging hij voort: „Wel, vriendje, ge behoeft u niet te schamen; men heeft u vrijgesproken en geen mensch durft nu zeggen dat gij schuldig zijt; maar ik bid u, vertel mij, als vriend, hebt ge hem werkelijk niet bestolen? Ik hoop dat ge ’t gedaan hebt; want, mag ik verd.... zijn, als het niet eene verdienstelijke daad was, om zulk een ellendigen, kruipenden schelm af te zetten, en in plaats van twee honderd, wilde ik, dat ge twee duizend guinjes genomen hadt. Kom, kom, oude jongen,—wees niet bang om mij alles te bekennen;—ge staat nu niet voor een van die pruiken! Verd—! als ik u niet eerbiedig daarom; want, zoo waar ik hoop zalig te worden, zou ik volstrekt niet schromen het ook te doen.”

„Deze betuiging deed mijne schaamte eenigzins verminderen, en daar de wijn mijn hart ook geopend had, bekende ik zeer gul den diefstal, maar verzekerde hem dat hij verkeerd ingelicht was omtrent de som, die naauwelijks meer dan een vijfde gedeelte bedroeg van hetgeen hij zich verbeeldde.

„Dat spijt me hartelijk,” zeide hij, „en ik wensch u meer voorspoed de volgende keer. Maar, als gij mijn raad volgen wilt, zult gij u aan geen gevaar meer van dien aard bloot stellen. Zie hier,” ging hij voort,—eenige dobbelsteenen uit den zak halende,—„hier is het ware! Dit zijn de kleine doktoren, die de ziekte van de beurs genezen. Volg maar mijn raad, en ik zal u de kunst leeren om een vogel te plukken zonder gevaar te loopen van zelf aan een dorren boom te blijven hangen.”

„Dorren boom?” vroeg Partridge. „Wel, mijnheer, wat is dat?”

„Dat is dieventaal,” zei de vreemde, „en beteekent „de galg;” want de spelers, die weinig van de dieven verschillen in hunne zedeleer, hebben ook veel overeenkomst met hen in de taal.

„Wij hadden nu ieder eene flesch geledigd, toen mijnheer Watson zeide, dat men al aan de groene tafel bezig was, en dat hij er bij moest wezen, mij terzelfder tijd ten ernstigste aanradende om met hem te gaan en mijn geluk te beproeven. Ik hernam dat hij wel wist dat ik dat nu niet doen kon, daar ik hem verteld had, dat ik niets op zak had. En, om de waarheid te zeggen, na zijne krachtige vriendschapsbetuigingen, twijfelde ik niet dat hij mij eene kleine som zou willen leenen met dat doel; maar hij hernam: „Dat doet er niet toe, vriendje, ge kunt gerust eene weddingschap doen! Maar pas op met wien ge het aanlegt! Ik zal u een wenk geven met wien gij moet beginnen:—wat noodzakelijk zou kunnen wezen, daar gij een vreemde zijt in de stad en een ouden speler van een groen niet weet te onderscheiden.”

„Men bragt nu de rekening en Watson betaalde zijn aandeel en wilde gaan. Ik herinnerde hem weder met een blos dat ik geen geld had, en hij hernam: „Dat doet er niet toe; laat ze het maar opschrijven, of poets hem maar, onbevreesd zonder, er notitie van te nemen.—Of wacht eens—ik weet er iets beters op,” zeide hij. „Ik ga eerst naar beneden, en gij neemt dan het geld hier van tafel op en gaat naar de koffijkamer en laat de heele boel daar opschrijven, en ik zal u wachten aan den hoek van de straat.”

„Ik drukte eenigen tegenzin in dit plan uit, en gaf te kennen dat ik verwacht had dat hij alles zou betalen; maar hij verklaarde geen stuiver meer op zak te hebben.

„Hij ging toen naar beneden en ik liet me overhalen om het geld op te nemen en hem te volgen, wat ik zoo schielijk deed, dat ik hem den knecht hoorde zeggen, dat het geld voor de rekening op tafel lag. De knecht ging mij voorbij op de trap, naar boven; maar ik haastte me zoo zeer op straat te komen dat ik niets van zijne teleurstelling vernam en ook niets in de koffijkamer zeide.

„Wij gingen nu regtstreeks naar het speelhuis, waar de heer Watson, tot mijne groote verwondering, eene zware som gelds te voorschijn haalde en die vóór zich nederlegde; wat vele anderen ook deden, zonder twijfel hunne eigene geldhoopen beschouwende als zoo vele lokvinken, om die hunner buren tot zich te trekken.

„Het zou vervelend wezen om hier al de grillen te beschrijven van Fortuna, of liever van de dobbelsteenen die hier hun tempel hadden. Hoopen gouds verdwenen in weinige oogenblikken aan één kant der tafel en verrezen even spoedig aan den anderen. De rijke werd in één oogenblik arm en de arme werd in even korten tijd rijk, zoodat het scheen dat even als een wijsgeer nergens zijne leerlingen beter omtrent het verachtelijke der rijkdommen had kunnen inlichten, hij zeker ook nergens de onzekerheid van hun duur zoo duidelijk had kunnen aanwijzen.

„Wat mij betreft, na mijn kleinen inzet eerst aanzienlijk vermeerderd te hebben, zag ik hem eindelijk geheel verdwijnen. Na vele kanswisselingen stond ook de heer Watson eenigzins driftig van de tafel op, verklaarde dat hij ruim honderd pond verloren had en dat hij niet langer spelen wilde. Hij rigtte zich toen weder tot mij en verzocht me weder naar dezelfde herberg met hem te gaan; maar ik weigerde dit ten stelligste, zeggende dat ik me niet meer aan hetzelfde gevaar wilde blootstellen, vooral daar ook hij al zijn geld verloren had en in denzelfden toestand verkeerde als ik. „Bah,” zeide hij, „ik heb een paar guinjes van een vriend ter leen gevraagd en een er van staat tot uw dienst.” Hij drukte me er dadelijk een in de hand, en ik weerstond niet meer.

„Het hinderde me eerst naar hetzelfde huis te gaan, hetwelk wij op zulk eene schuinsche wijze verlaten hadden, maar toen de knecht ons met de meeste beleefdheid zeide, „dat hij geloofde dat wij vergeten hadden onze rekening te betalen,” was ik weder gerust gesteld, en gaf hem dadelijk de guinje, met last om de rekening er af te houden en nam de schuld welke hij onverdiend op mij geworpen had, op mijne schouders.

„De heer Watson bestelde nu het fijnste souper dat hij bedenken kon, en hoewel hij vroeger met eenvoudigen tafelwijn tevreden was geweest, was nu niets dan de duurste Bourgogne goed genoeg voor hem.

„Ons gezelschap werd spoedig vermeerderd door de komst van verscheidene heeren van de speeltafel, van welke de meesten, naar ik later begreep, niet daar kwamen om iets te drinken, maar om zaken; want de echte spelers hielden zich ziek en weigerden iets te gebruiken, terwijl zij twee jonge lieden tot drinken aanmoedigden, die later uitgeplunderd zouden worden,—wat ook op eene onbarmhartige wijze geschiedde. Ik had het geluk om deel aan den buit te hebben, hoewel ik nog geen deel aan het geheim had.

„Een opmerkelijk verschijnsel deed zich voor bij dit spel in de kroeg; namelijk, dat het geld langzamerhand geheel verdween, zoodat, hoewel de tafel eerst half bedekt was met goud, eer het spel uit was (wat niet het geval was vóór den middag van den volgenden dag,—een zondag), er naauwelijks één goudstuk op tafel te zien was, en dit was te vreemder daar alle aanwezigen, behalve ik, verklaarden dat zij geld verloren hadden, en—waar het geld heen was tenzij, de Satan zelf het opgepakt had, is moeijelijk te zeggen.”

„Dat zal hij ook zeker gedaan hebben,” zei Partridge, „want de booze geesten kunnen alles wegslepen, zonder gezien te worden, al zijn er nog zoo vele menschen in de kamer, en het zou mij niet verwonderd hebben als hij de heele troep slecht volk gehaald had, dat onder kerktijd zat te spelen. En, als ik verkoos, zou ik u eene echte spookgeschiedenis kunnen vertellen van den duivel, die een man uit het bed haalde van een ander man’s vrouw, en door het sleutelgat met hem wegvloog. Ik heb het huis gezien waar het gebeurd is, en in de laatste dertig jaren heeft geen mensch er in willen wonen.”

Hoewel Jones wat knorrig was over de onbescheidenheid van Partridge, moest hij toch om zijne eenvoudigheid glimlagchen. Dit deed de vreemde ook en hervatte toen zijn verhaal, zooals men in het volgende hoofdstuk zien zal.

HOOFDSTUK XIII.

VERVOLG VAN HET VOORGAANDE VERHAAL.

„Mijn oud mede-student had me in nieuwe tooneelen ingewijd. Ik werd bekend met de geheele broederschap van valsche spelers, en met hunne geheimen. Dat is, met die grove streken die geschikt zijn om de stompen en onervarenen te foppen; want er zijn sommige fijne zetten die slechts aan weinigen van de bende bekend zijn, welke aan het hoofd van hun beroep staan;—eene eer, welke buiten mijn bereik bleef; want de drank, waaraan ik uiterst verslaafd was, en mijne aangeborene drift beletten mij om eenige groote bedrevenheid te bereiken in eene kunst, welke evenveel koelbloedigheid eischt als het strengste wijsgeerige stelsel.

„De heer Watson, met wien ik nu op den meest gemeenzamen voet leefde, ging ook gebukt onder het eerstgenoemd gebrek, waaraan ik leed; dus in plaats van rijk te worden door zijn beroep, zooals het geval was met sommige anderen, was hij beurtelings arm en rijk, en werd dikwerf genoodzaakt onder een glas wijn, aan zijne koelbloedigere vrienden den roof af te staan, welken hij aan de openbare speeltafel van zijne slagtoffers verkregen had.

„Evenwel gelukte het ons, schoon op eene onzekere wijze, om den kost te verdienen en gedurende twee jaren zette ik dit beroep voort, in welken tijd ik alle mogelijke lotwisselingen beleefde;—soms zwelgde ik in overvloed; op andere oogenblikken had ik tegen bijna onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Heden wentelde ik me letterlijk in allerlei weelde; den volgenden dag moest ik me met den grofsten en eenvoudigsten kost tevreden stellen. Mijne fraaije kleêren droeg ik dikwijls ’s avonds, en den morgen daarop waren zij verpand.

„Op zekeren dag, toen ik zonder een duit op zak van de speeltafel terugkeerde, zag ik een grooten oploop op straat. Daar ik niets te duchten had van zakkenrollers, waagde ik me in het gewoel, waar ik vernam dat iemand zwaar mishandeld en bestolen was geworden door eene bende schelmen. De gekwetste was met bloed bedekt en naauwelijks in staat om op de beenen te blijven. Daar mijne toenmalige leefwijze en omgang me niet van alle menschelijkheid beroofd hadden, hoewel me zeer weinig eerlijkheid of schaamte overbleef, bood ik den ongelukkige onmiddellijk mijne hulp aan, welke met dank aangenomen werd, en zich onder mijn geleide stellende, smeekte hij mij hem naar eene herberg te brengen, waar hij een heelmeester kon laten halen, daar hij, gelijk hij zeide, zich flaauw gevoelde van het bloedverlies. Hij scheen inderdaad zeer gelukkig van iemand te vinden, die een fatsoenlijk uiterlijk had; want, wat al de overigen betreft die tegenwoordig waren, zij zagen er zóó uit, dat het niet voorzigtig zou geweest zijn om eenig vertrouwen in hen te stellen.

„Ik nam den armen man onder den arm, en bragt hem naar de herberg, waar wij bijeen kwamen, daar die toevallig het digtst in de buurt was. Een heelmeester, die gelukkig in huis was, kwam er dadelijk bij, en verbond zijne wonden, die, tot mijn groot genoegen, bleken volstrekt niet doodelijk te zijn.

„De heelmeester, die zijn werk zeer vlug en behendig verrigt had, begon nu met te vragen, in welk gedeelte van de stad de patient woonde? En deze hernam: „dat hij pas dien morgen in de stad gekomen was; dat zijn paard stond in een logement in Piccadilly, en dat hij geene andere woning had, en zeer weinige, of geene kennissen in de stad.”

„De heelmeester, wiens naam mij ontschoten is, schoon ik me herinner dat die met een R begon, had zeer veel naam, en was heelmeester des Konings. Hij bezat bovendien vele goede hoedanigheden, en was een zeer mild, goedaardig mensch, die zich steeds bereid betoonde om zijne medemenschen alle mogelijke hulp te verleenen. Hij bood den zieke aan om hem in zijn eigen rijtuig naar zijn logement te laten brengen, en fluisterde hem tevens in het oor, „dat als hij geld noodig had, hij hem daarmede voorzien kon.”

„De arme man was echter buiten staat om hem voor dit edelmoedige aanbod te danken; want na de oogen een tijdlang op mij gevestigd te hebben, wierp hij zich achterover in zijn stoel, en riep: „Mijn zoon! O mijn zoon!” en viel toen in zwijm.

„Velen der aanwezigen schreven dit toe aan het bloedverlies; maar ik, die op hetzelfde oogenblik mij de trekken van mijn vader begon te herinneren, gevoelde me nu bevestigd in mijn vermoeden en overtuigd dat hij zelf het was, dien ik nu ontmoet had. Ik liep dadelijk op hem toe, hief hem in de armen op en kuste vurig zijne koude lippen. Hier moet ik een sluijer laten vallen over een tooneel, dat ik niet beschrijven kan; want, ofschoon ik niet van mij zelven raakte, zooals mijn vader een tijdlang bleef, waren mijne zinnen zoodanig verward door schrik en verbazing, dat ik niet weet wat er gedurende eenige minuten voorviel,—tot mijn vader weder uit de onmagt bijgekomen was en ik me in zijne armen bevond, onder teedere omhelzingen van weerskanten, terwijl ons beiden de tranen langs de wangen biggelden.

„De meesten der aanwezigen schenen zeer getroffen door dit tooneel, terwijl wij, als de hoofdpersonen, zeer verlangende waren om ons zoo spoedig mogelijk aan aller oogen te onttrekken. Mijn vader maakte dus gebruik van het vriendelijke aanbod van den heelmeester en ik vergezelde hem naar zijn logement.

„Zoodra wij ons alleen bevonden, verweet hij mij vriendelijk dat ik hem in zoo langen tijd niet geschreven had,—zonder een enkel woord te spreken van de misdaad, welke de aanleiding tot mijn stilzwijgen was geweest. Daarop maakte hij mij bekend met den dood mijner moeder, en stond er op dat ik met hem naar huis zou terugkeeren, er bijvoegende, „dat hij al veel ongerustheid om mijnentwil had uitgestaan, dat hij niet wist of hij het meest gevreesd, of gewenscht had te vernemen dat ik overleden was, daar hij zoo veel angst uitgestaan had omtrent dingen, die erger waren dan de dood. Eindelijk vertelde hij mij, dat een heer uit zijne buurt, die pas een zoon uit Londen gered had, hem bekend had gemaakt met mijn verblijf en dat de eenige aanleiding tot zijne reis was, om mij van deze leefwijze terug te brengen.” Hij dankte den Hemel dat het hem gelukt was mij te ontdekken door een ongeluk, dat voor hem noodlottig had kunnen wezen, en het deed hem genoegen te denken dat hij zijn behoud gedeeltelijk toeschrijven moest aan mijne menschlievendheid, waarmede hij verklaarde nog meer ingenomen te zijn, dan het geval zou geweest zijn, als ik, wetende, dat mijn vader in den nood was, alleen uit pligtbesef gehandeld had.

„De bedorvenheid was niet zoo diep in mijn hart doorgedrongen, dat ze me ongevoelig maakte voor zijne groote liefde, hoe weinig ook door mij verdiend. Ik beloofde dadelijk aan zijne wenschen te gehoorzamen en met hem naar huis te gaan, zoodra hij in staat zou zijn de reis te ondernemen, wat binnen zeer weinige dagen het geval was, dank zij de zorgen van den uitmuntenden heelmeester, die hem behandelde.

„Den dag vóór mijn vaders vertrek (tot welk oogenblik ik hem naauwelijks uit de oogen liet), ging ik afscheid nemen van eenige mijner meest gemeenzame kennissen, vooral van mijnheer Watson, die me afried van me te gaan begraven, gelijk hij het noemde, alleen om toetegeven aan de dwaze wenschen van een goeden ouden suffert.

„Zijne woorden bleven echter zonder uitwerking, en nog eens zag ik mijne geboorteplaats weder. Mijn vader smeekte me nu ernstig aan het huwelijk te denken; maar daarvan was ik ten zeerste afkeerig. Van de liefde had ik reeds geproefd en misschien zijn u de buitensporigheden van dien teedersten en hevigsten der hartstogten bekend?”

Hier zweeg de oude heer een oogenblik en keek Jones ernstig aan, die binnen eene minuut doodsbleek en vuurrood werd; waarop de grijsaard, zonder eenige aanmerking daarop te maken, hervatte:

„Daar ik nu van al de behoeften van het leven voorzien was, legde ik me weder op de studie toe, en met veel grooteren ijver dan ooit te voren. De boeken welke mij nu steeds bezig hielden, waren alleen dezulken, oud of nieuw, die over de echte wijsbegeerte handelen,—iets dat door velen beschouwd wordt als een geschikt voorwerp van hoon en bespotting. Ik herlas nu de werken van Aristoteles en Plato, met de overige onwaardeerbare schatten, welke het oude Griekenland aan de menschheid nagelaten heeft.

„Hoewel nu deze schrijvers mij geene kunst leerden, waardoor de menschen zich voorspiegelen mogen rijkdommen, of wereldsche magt te verwerven, leerden zij me echter zelfs de duurste voorwerpen verachten, die men door beide kan verkrijgen. Zij verheffen den geest en verharden en versterken hem tegen de grillige streken van het noodlot. Zij leeren niet slechts de wijsheid; maar bevestigen den mensch in de beoefening er van, en bewijzen duidelijk, dat die onze gids moet wezen, als wij ooit hopen mogen het hoogste aardsche geluk te bereiken, of ons met eenig goed gevolg te verdedigen tegen de ellende, welke den mensch overal omringt en dreigt.

„Hierbij voegde ik eene andere studie, bij welke vergeleken alle wijsbegeerte door de wijsste heidenen geleerd, weinig meer is dan een droom, en inderdaad even ijdel, als ooit door den dwaasten grappenmaker beweerd is. Dit is de goddelijke wijsheid, welke alleen in de Heilige Schrift gevonden wordt, die ons de kennis en de verzekering van dingen mededeelt, welke onze aandacht veel waardiger zijn dan al wat deze wereld aanbieden kan;—van dingen, welke de Hemel zelf zich verwaardigd heeft aan ons te openbaren, en tot welker kennis de menschelijke geest, zonder hulp, nooit had kunnen opklimmen. Ik begon nu te begrijpen dat al de tijd, welken ik aan de beste heidensche schrijvers verspild had, bijna zoo goed als verloren was geweest; want hoe aangenaam en genoegelijk hunne lessen ook zijn, en hoe voldoende ook voor de juiste regeling van ons gedrag ten opzigte dezer wereld, toch,—vergeleken bij de heerlijkheid in de Heilige Schrift geopenbaard,—schijnen ze ons beuzelachtig en even onbeduidend als de regels, volgens welke de kinderen hunne beuzelachtige spelen en tijdverdrijven bestieren. ’t Is waar, dat de wijsbegeerte ons wijzer maakt,—maar het christendom maakt ons beter. De wijsbegeerte verheft en versterkt den geest; het christendom verzacht hem en maakt hem beminnelijk. De eerste maakt ons tot het voorwerp der menschelijke bewondering; de laatste tot dat der goddelijke liefde. Gene verzekert onze tijdelijke,—deze onze eeuwige zaligheid.—Maar ik vrees u door mijne uitweiding te vervelen?”

„Wel, volstrekt niet,” zei Partridge; „de hemel verhoede, dat het schoone ons ooit vervelen zou!”

„Ik had,” hervatte de onbekende, „ongeveer vier jaren, voor mij zelven op de gelukkigste wijze doorgebragt, geheel aan mijne overpeinzingen overgelaten en volstrekt, wat het aardsche betreft, zonder zorgen, toen ik den besten der vaders verloor,—een vader dien ik zoo teeder beminde, dat mijne droefheid bij zijn verlies alle beschrijving te boven ging. Ik wierp nu mijne boeken ter zijde en gaf me eene geheele maand over aan droefgeestigheid en wanhoop. De tijd, echter, de beste trooster der menschheid, bragt me eindelijk verligting.”

„Ja, ja! tempus edax rerum!” zei Partridge.

„Daarop,” vervolgde de vreemdeling, „keerde ik weder tot mijne studiën terug, wat mij, mag ik zeggen, volkomen genas; want de wijsbegeerte en de godsdienst mogen de oefeningen van den geest genoemd worden, en als die in de war is, zijn ze even heilzaam als beweging is voor het zieke ligchaam. En werkelijk, ze hebben ongeveer dezelfde uitwerking als de beweging; want ze versterken en verheffen den geest, tot dat de mensch naar de schoone woorden van Horatius, wordt:

„Fortis et in seipso totus teres atque rotundus, Externi ne quid valeat per laeve morari: In quem manca ruit semper Fortuna.”

Hier glimlachte Jones, om het een of ander denkbeeld dat zich aan hem opdrong; maar de onbekende zag er denkelijk niets van en ging voort:

„Mijne omstandigheden waren zeer veranderd door den dood van mijn besten vader; want mijn broeder, die nu heer in huis was geworden, verschilde zoo zeer van mij in zijne neigingen, en onze leefwijze was zoo uiteenloopend geweest, dat wij niet deugden in elkaars gezelschap; maar hetgeen ons zamenzijn nog onaangenamer maakte, was de weinige harmonie tusschen de weinigen die mij bezochten en den talrijken stoet jagers, die bijna altijd mijn broeder uit het veld naar tafel volgde; want zulke menschen, de luidruchtigheid en den onzin daargelaten, waarmede zij bedaarde menschen vervolgen, trachten steeds hen met beleedigingen en minachting uit te tarten. Dat gebeurde zoo dikwerf, dat ik noch mijne vrienden ooit aan tafel met hen zitten konden zonder bespot te worden wegens onze onwetendheid in de jagerstaal. Want menschen, die wezenlijk geleerd zijn en eene bijna algemeene kennis bezitten, hebben steeds medelijden met de onwetendheid van anderen; maar lieden die slechts in de eene of andere geringe, verachtelijke kunst uitmunten, bespotten diegenen die daarin onbedreven zijn.