Chapter 21 of 84 · 3960 words · ~20 min read

Part 21

Het was een aangename avond tegen het einde van Junij, en onze held wandelde in een heerlijk boschaadje, waar de zachte koelte die onder de bladeren ritselde, met het liefelijke kabbelen van een murmelend beekje en de welluidende toonen der nachtegalen, zich in een verrukkelijke harmonie vereenigden. Te midden van dit tooneel, zoo heerlijk voor de liefde geschikt, geraakte hij over zijne Sophia in gepeins. Terwijl zijne weelderige verbeelding hem al hare bekoorlijkheden voorstelde, en het schoone meisje afschilderde in allerlei verrukkelijke toestanden, smolt zijn hart in teederheid weg en zich eindelijk op den grond werpende naast de zacht kabbelende beek, barstte hij in de volgende verzuchtingen uit:

„O Sophia, als de hemel u in mijne armen voerde, hoe rijk gezegend zou ik zijn! Vervloekt zij het noodlot, dat ons van elkander scheidt! Als ik u bezat, in lompen gehuld, is er geen mensch op aarde dien ik om iets benijden zou! Hoe verachtelijk zou de schitterendste Circassische schoonheid in mijne oogen zijn, al ware zij opgeschikt met al de edelgesteenten van geheel Indië! Maar waarom spreek ik van eene andere vrouw? Als ik dacht, dat ik eene andere dan u met teederheid kon aanzien, dan zou ik me de oogen uit het hoofd rukken! Neen, mijne Sophia, als het wreede noodlot ons scheidt, dan zal ik u alleen steeds blijven aanbidden! Met de meest kuische getrouwheid zal ik steeds uw beeld voor oogen hebben! Al mogt ik u nooit de mijne noemen, gij alleen zult al mijne gedachten, al mijne liefde, mijne geheele ziel bezitten! O, mijn arm hart is zoo aan u toegewijd, dat de grootste schoonheden van anderen mij niet zouden bekoren,—en geen kluizenaar zou koeler kunnen blijven in hare armen! Sophia, Sophia alleen zal de mijne zijn! O die verrukkelijke naam! Ik zal hem op alle boomen insnijden!”

Met deze woorden sprong hij op en ontwaarde,—niet zijne Sophia,—neen,—noch eenige Circassische schoone, prachtig en sierlijk uitgedost voor de vorstelijke harem,—neen;—maar, zonder japon, in een grofhemd, dat ook niet al te schoon was, en geurig was van zekere uitdampingen, de gevolgen van den zwaren arbeid, naderde hem Molly Seagrim, met de mestvork in de hand. Onze held hield in de zijne het zakmes, hetwelk hij te voorschijn gehaald had, met het doel om Sophia’s naam in den boombast in te snijden, en het meisje, hem met een glimlach naderende, riep uit:

„Wel, mijnheer! Ik hoop toch niet dat ge van plan zijt mij te vermoorden!”

„Waarom zou ik dat doen, denkt ge?” vroeg Jones.

„Och,” hernam zij, „na de wreede wijze waarop ge me behandeldet de laatste keer dat ik u zag, zou het haast al te vriendelijk zijn, als ge me maar dood maaktet!”

Hierop volgde een gesprek, dat ik me geregtigd acht, daar het niet noodzakelijk is het te vermelden, hier over te slaan. Genoeg, als ik zeg, dat het ruim een kwartier duurde, waarop zij zich in het digtste gedeelte van het plantsoen terugtrokken.

Sommige lezers zullen dit welligt onnatuurlijk vinden. Hoe dat ook zij, het feit blijft waar, en is misschien best te verklaren door de bedenking, dat Jones waarschijnlijk ééne vrouw voor beter hield dan geene, en even waarschijnlijk is het ook, dat Molly twee mannen voor beter hield dan één.

Behalve de reeds aangevoerde verklaring echter van het gedrag van Jones, zal de lezer wel zoo goed zijn zich te herinneren, ten zijnen gunste, dat hij op dit oogenblik niet geheel en al in het bezit was van die verbazende kracht van het verstand, welke ernstige en wijze mannen zoo best in staat stelt, om hunne woelige driften te overmeesteren en van al deze verbodene vermaken af te zien. De wijn had echter Jones nu geheel en al van deze magt beroofd. Hij was inderdaad in een toestand, waarin de rede, als zij goedgevonden had tusschenbeide te komen, al ware dat alleen geweest om raad te geven, hetzelfde antwoord had kunnen ontvangen, hetwelk zekere Cleostratus vele jaren geleden aan zekeren dwaas gaf, die hem vroeg of hij zich niet schaamde dronken te zijn? „En schaamt gij u niet,” hernam Cleostratus, „om een dronken mensch te vermanen?”

Om de waarheid te zeggen, hoewel voor eene regtbank de dronkenschap geene verontschuldiging kan opleveren,—moet zij dat toch doen voor het geweten, en om die reden, stemt Aristoteles toe, (terwijl hij de wet van Pittacus toejuicht, volgens welke dronken menschen dubbel zwaar bestraft worden voor hunne wanbedrijven), dat die wet eerder op de politiek, dan op de regtvaardigheid gegrond is. Als er echter eenige overtreding bestaat, die de dronkenschap verschoont, dan is het eene dergelijke als die, waaraan de heer Jones zich nu schuldig maakte, en op dit punt kon ik eene zee van geleerdheid uitstorten, als ik me verbeeldde, dat ze òf den lezer vermaken, òf hem iets leeren kon, dat hij nu niet reeds weet. Om zijnentwil, zal ik dus mijne geleerdheid voor me houden en tot mijne geschiedenis terugkeeren.

Het is reeds dikwijls opgemerkt, dat het noodlot slechts zelden de dingen ten halve doet. Inderdaad, er is geen einde aan zijne kuren, als het lust heeft iemand te begunstigen of te plagen. Pas had zich dus onze held met zijne Dido terug getrokken, of

„Speluncam Blifil, dux et divinus eandem Deveniunt—”

dat is: de geestelijke en die jonge heer, die eene bedaarde wandeling deden, bereikten het hek dat naar het plantsoen leidde, en de laatste kreeg de minnenden in het oog juist als zij uit het gezigt verdwenen.

Blifil herkende Jones dadelijk, hoewel hij meer dan honderd pas verwijderd was, en hij was overtuigd dat hij eene vrouw bij zich had, ofschoon hij niet onderscheiden kon wie het was. Hij scheen te schrikken, en liet zich een zeer plegtigen uitroep ontvallen.

Thwackum drukte eenige verbazing uit over deze plotselinge aandoening, en vroeg wat daartoe aanleiding gegeven had.

Hierop gaf Blifil tot antwoord, „dat hij een kerel met een meisje gezien had, die te zamen in de struiken wegscholen, zonder twijfel met de eene of andere schandelijke bedoeling.”

Wat den naam van Jones betrof, hij vond goed dien te verzwijgen;—om welke reden moet de verstandige lezer zelf beslissen; want wij verkiezen nooit de beweegredenen der menschen tot hunne handelingen aan te voeren, als de mogelijkheid eener vergissing bestaat.

De geestelijke, die niet slechts voor zich zelven zeer kuisch was, maar ook onverbiddelijk streng tegen allen die in den tegenovergestelden zin zondigden, vatte vuur bij deze woorden.

Hij verzocht den heer Blifil hem dadelijk naar de plek te brengen, en terwijl zij naderden, gaf hij lucht aan zijn toorn, met klagten vermengd, tevens eenige zijdelingsche verwijtingen aan den heer Allworthy doende, die de slechtheid in de omstreken zelf aanmoedigde, door zoo vele weldaden aan een bastaard te verspillen, en door die billijke en heilzame strengheid der wet te temperen, welke eene zeer zware straf oplegt aan alle meisjes die zich slecht gedragen.

De weg, welken onze jagers volgen moesten om het wild op te sporen, was zoodanig met doornen bezet, dat hunne vorderingen zeer belemmerd werden, en deze gingen bovendien met zooveel geritsel gepaard, dat Jones voldoende van hunne nadering gewaarschuwd werd eer zij hem overvallen konden;—ja, zelfs de heer Thwackum was zoodanig buiten staat om zijne verontwaardiging te verbergen, terwijl hij zulke luide bedreigingen liet hooren bij elken stap, dien hij nam, dat dit alleen genoeg zou geweest zijn om Jones te doen beseffen, dat men hem, volgens de jagerstaal, op het spoor was.

HOOFDSTUK XI.

WAARIN, IN EEN LANGEN VOLZIN, NAAR DEN SMAAK VAN DEN HEER POPE, EEN BEELD DE BESCHRIJVING VOORAF GAAT VAN EEN DER BLOEDIGSTE GEVECHTEN, DIE GELEVERD KUNNEN WORDEN ZONDER HET GEBRUIK VAN BLANKE WAPENEN.

Even als in den bronst-tijd,—een ruw woord, waarmede het volk de zachte liefkozingen aanduidt van het herten-geslacht onderling,—in het bosch van Hampshire,—wanneer het trotsch gekroonde hert met het liefdespel vervuld, een koppel honden ontwaart, of eenig ander vijandig dier, dat zich zoo digt bij den tempel van Venus Ferina waagt, dat de schoone hinde iets gevoelt van den angst, of de speelziekte, de beschaamdheid of de grilligheid, waarmede de natuur alle vrouwelijke wezens begaafd heeft, of haar tenminste geleerd heeft te veinzen, opdat, door de onkieschheid van het mannelijke geslacht, de Samische geheimen niet bespied worden door de blikken der oningewijden;—want bij de viering van deze plegtigheden, roept de priesteresse uit met die van Virgilius, (die waarschijnlijk druk bezig was met deze mysteriën):

„—Procul, o procul este, profani, Proclamat vates, totoque absistite luco!”

„Wijkt ver van hier, oningewijden,” Roept de Sybill’; „Blijft ver van ’t woud!”

Indien, zeg ik, terwijl deze plegtigheden gevierd worden tusschen het hert en zijne beminde,—plegtigheden, die gemeen zijn aan genus omne animantium,—het een of ander vijandig dier te veel nadert, vliegt het hert op den eersten wenk door de verschrikte hinde gegeven, woedend en ontzagwekkend naar den rand van het bosch; daar blijft hij zijne beminde bewaken, stampvoetende en met dreigende horens, trotsch den vijand tot den strijd uitdagende.

Aldus, en nog schrikbarender, sprong onze held te voorschijn zoodra de vijand naderde,—zelf eenige schreden vooruit vliegende om de sidderende hinde te verbergen en zoo mogelijk hare vlugt te verzekeren.

Thwackum echter, na eenige bliksemstralen uit de vurige oogen geschoten te hebben, begon te donderen:

„Foei! O foei, mijnheer Jones! Is het mogelijk dat gij het zijt?”

„Ge ziet wel,” hernam Jones, „dat het mogelijk is dat ik het ben.”

„En wie,” vroeg Thwackum, „is de onbeschaamde feeks, die bij u was?”

„Als ik eene onbeschaamde feeks bij me had,” hernam Jones, „is het ook mogelijk dat ik u niet zeggen zal, wie het was.”

„Ik gelast u mij dat dadelijk te zeggen,” riep Thwackum, „en verzoek u, jong mensch, niet te vergeten, dat hoewel uw leeftijd een einde moge gemaakt hebben aan mijn onderwijs, die mij toch niet geheel en al van het gezag van den leermeester beroofd heeft. De betrekking tusschen leeraar en leerling kan evenmin vernietigd worden als andere betrekkingen, die van hemelschen oorsprong zijn. Ik zeg u dus dat ge me nu evenzeer gehoorzamen moet, als toen ik u de eerste grondbeginselen van alles leerde.”

„Ik wil wel gelooven, dat ge u dat verbeeldt,” zei Jones, „maar mij kunt ge daarvan niet overtuigen zonder als van ouds de roede te gebruiken.”

„Dan moet ik u bepaaldelijk zeggen,” riep Thwackum, „dat ik me vast voorgenomen heb, om die slechte vrouw te ontdekken.”

„En ik moet u bepaaldelijk zeggen,” hernam Jones, „dat dat nu niet gebeuren zal!”

Thwackum wilde toen vooruit dringen, en Jones hield hem bij de armen terug, terwijl de heer Blifil hem trachtte te bevrijden, verklarende, „dat hij er niet hij kon blijven staan en zijn ouden meester zoo zien beleedigen!”

Jones, die nu beide op den hals had, begreep dat het zaak was om zich zoo spoedig mogelijk van één zijner vijanden te ontdoen. Hij keerde zich dus eerst tegen den zwakste en den geestelijke loslatende, rigtte hij een slag tegen de ribben van den jongen Blifil, die zeer raak zijnde, hem onmiddellijk ter aarde velde.

Thwackum was er zoo op gesteld om de ontdekking te doen, dat zoodra hij zich in vrijheid gevoelde, hij vooruit stapte door de struiken, zonder te bedenken wat inmiddels zijn vriend overkomen kon; maar hij was slechts zeer weinige schreden verder gekomen, toen Jones, Blifil verslagen hebbende, hem inhaalde, en hem bij de rokpanden terugtrok.

De geestelijke was echter in zijne jeugd een kampvechter geweest, en had, zoowel op school als later aan de akademie, veel roem ingeoogst met het gebruik zijner vuisten. Hij had nu, wel is waar, sedert vele jaren de beoefening der edele kunst verwaarloosd; maar zijn moed was even sterk als zijn geloof, en zijn ligchaam ook niet minder krachtig. Hij was bovendien, zoo als de lezer welligt opgemerkt zal hebben, eenigzins driftig van aard. Zoodra hij dus omkeek, en zijn vriend ter aarde geveld zag, terwijl hij zich zelven zoo ruw aangetast zag door iemand, die in al hunne vroegere twisten steeds lijdelijk was gebleven,—eene omstandigheid waardoor zijn tegenwoordig gedrag slechts verzwaard werd,—was zijn geduld uitgeput; hij keerde zich tot verdediging om, en al zijne krachten verzamelende, viel hij Jones nu van voren aan, met evenveel hevigheid als hij hem ooit vroeger in den rug aangevallen had.

Onze held verzette zich tegen dezen aanval van den vijand met de meeste onversaagdheid, en zijne borstkas weergalmde van den slag dien hij ontving. Hij gaf echter dadelijk den slag terug, insgelijks op de borst van den geestelijke mikkende; maar deze weerde de vuist van Jones behendig af, zoodat ze alleen zijn buik raakte, die gevuld zijnde met twee pond ossenvleesch en eene dergelijke hoeveelheid podding, geene holte bevatte, van waar eenig geluid komen kon. Vele geduchte slagen, die het veel prettiger is te zien dan het gemakkelijk valt ze te beschrijven of te lezen, werden van weerskanten toegebragt;—eindelijk, na een zwaren val, waarbij Jones met de knieën op Thwackum’s borst teregt kwam, verzwakte deze zoo zeer, dat de overwinning niet meer twijfelachtig scheen, zoo Blifil, die inmiddels weder bijgekomen was, het gevecht niet hernieuwd had, en door Jones aan te vallen, den geestelijke tijd gegeven had om weder tot bezinning te komen en adem te scheppen.

Thans echter vielen beiden onzen held aan, wiens slagen niet meer die kracht bezaten, waarmede zij in het begin uitgedeeld werden, zoodanig was hij in den strijd tegen Thwackum verzwakt; want hoewel de paedagoog liefst een solo speelde op het menschelijke ligchaam, en in den laatsten tijd zich alleen op die wijze geoefend had, bezat hij nog kennis genoeg uit vroegere dagen om geene verachtelijke rol in een duo te spelen.

De overwinning, volgens hetgeen meestal heden ten dage geschiedt, was op het punt van naar de zijde der meerderen in aantal over te hellen, toen plotseling een vierde paar vuisten zich tegen den geestelijke rigtte, terwijl de eigenaar er van uitriep: „Schaamt ge u niet, ellendelingen, met u beide één man aan te vallen?”

De strijd, die nu eerlijk was, woedde eenige minuten lang met de meeste hevigheid, totdat Blifil ten tweeden male door Jones neergeveld zijnde, de geestelijke zich verwaardigde de genade in te roepen van zijn nieuwen vijand, die nu bleek niemand anders te zijn dan de heer Western zelf, die, in de hitte van het gevecht door geen der strijders herkend was.

Het was namelijk toevallig geschied, dat de goede landjonker, op zijne namiddagwandeling met eenige vrienden, de plek voorbij kwam, waar het bloedige gevecht geleverd werd, en daar hij er uit opmaakte, toen hij drie mannen aan het kloppen zag, dat er twee tegen één bezig moesten zijn, haastte hij zich zijn gezelschap te verlaten en met meer dapperheid dan wijsheid, partij voor den zwakste te kiezen. Door deze edelmoedige handelwijze voorkwam hij zeer waarschijnlijk dat Jones het slagtoffer van Thwackum’s wrok werd; want behalve dat hij het niet best tegen twee kon uithouden op den duur, was Jones nog niet in staat om veel gebruik te maken van zijn pas genezen arm. Deze versterking maakte echter een einde aan den slag en Jones deelde de overwinning met zijn bondgenoot.

HOOFDSTUK XII.

WAARIN EEN VEEL AANDOENLIJKER TOONEEL GEZIEN WORDT, DAN HET VERGIETEN VAN AL HET BLOED IN HET LIGCHAAM VAN THWACKUM, OF BLIFIL, OF TWINTIG DERGELIJKE MENSCHEN, KAN OPLEVEREN.

Het overige van het gezelschap van den heer Western naderde op het oogenblik, dat de strijd geeindigd was. Het bestond uit den goeden dominé, dien wij reeds aan de tafel van den heer Western ontmoet hebben, uit mejufvrouw Western, Sophia’s tante, en eindelijk uit de schoone Sophia zelve.

Het bloedige slagveld leverde het volgende tooneel op:—Op de eene plek, doodsbleek en bijna ademloos, lag de verslagene Blifil. In zijne nabijheid, stond de overwinnende Jones, met bloed bedekt, gedeeltelijk zijn eigen, gedeeltelijk vroeger het eigendom van den eerwaarden heer Thwackum. Iets verder stond genoemde Thwackum, even als koning Porus, zich onwillig aan den overwinnaar onderwerpende. De laatste gestalte, die men ontwaarde, was die van Western den Groote, op eene roemrijke wijze den overwonnen vijand sparende.

Blifil, die weinige teekens van leven gaf, was in het begin het hoofdvoorwerp van iedereens belangstelling, en vooral van die van mejufvrouw Western, die een reukfleschje met vlugzout uit den zak gehaald hebbende, het hem onder den neus wilde houden, toen de oplettendheid van het geheele gezelschap plotseling van den armen Blifil afgetrokken werd, wiens geest, indien die eenig voornemen van dien aard gekoesterd had, nu de gelegenheid zou hebben gehad, om ongemerkt naar andere gewesten te vlugten.

Want zij ontdekten nu een schooner en treuriger voorwerp, dat levenloos voor hen uitgestrekt lag. Dit was niemand anders dan de bekoorlijke Sophia zelve, die door het gezigt van het bloed, of uit angst voor haar vader, of om eenige andere reden, in zwijm gevallen was, eer iemand haar ter hulp kon komen.

Mejufvrouw Western was de eerste die haar zag en het uitgilde. Onmiddelijk hoorde men een paar uit het gezelschap uitroepen: „dat de jonge jufvrouw Western dood gevallen was!” Vlugzout, water, allerlei middelen werden tegelijk gevraagd, door iedereen op hetzelfde oogenblik.

De lezer zal zich welligt herinneren, dat toen wij van dit boschje spraken, wij een murmelend beekje vermeldden, welk beekje niet enkel vloeide om te murmelen, zoo als dergelijke liefelijke beekjes doen in gewone romans. Neen! het noodlot had eene grootere eer voor dit beekje bewaard, dan ooit verkregen werd door eenig beekje dat de vlakten van Arkadië besproeit.

Jones was bezig met Blifil de slapen te wrijven, want hij begon te vreezen dat hij hem een slag te veel gegeven had, toen de woorden, „jufvrouw Western is dood!” zijn oor bereikten.

Hij sprong op, liet Blifil aan zijn lot over, en vloog naar Sophia, en terwijl al de anderen heen en weer en elkaar tegen het lijf liepen en water zochten op de drooge paden, greep hij haar in de armen op, en liep met haar over het land naar voormeld beekje, waar hij zelf in het watersprong, en het hem gelukte haar het gezigt, het hoofd en den hals ruimschoots te besprenkelen.

Gelukkig voor Sophia, dat dezelfde verwarring, welke hare vrienden belette om haar te helpen, hen ook belette om Jones te hinderen. Hij was al half weg met haar naar het water eer zij begrepen wat hij doen wilde, en had haar werkelijk tot bezinning gebragt eer zij den rand van de beek bereikten. Want zij strekte de armen uit, opende de oogen en riep, „o Hemel!” juist op het oogenblik dat haar vader, hare tante en de predikant naderden.

Jones, die tot dusver den schoonen last in de armen gehouden had, liet haar nu los, niet zonder haar eerst eventjes aan zijn hart te drukken, wat zij zeker opgemerkt zou hebben, als zij volkomen bijgekomen ware geweest. Daar zij echter geen ongenoegen liet blijken over de vrijheid welke hij genomen had, moeten wij natuurlijk veronderstellen dat zij op dat oogenblik nog half bewusteloos was.

Het tragische van dit tooneel verkeerde nu op eens in vreugde. En hierbij speelde onze held zeker de hoofdrol; want daar hij waarschijnlijk eene meer hemelsche vreugde smaakte in het denkbeeld van Sophia te hebben kunnen redden, dan zij zelve gevoelde toen zij zich gered wist, zoo waren ook de gelukwenschen waarmede men haar begroette, volstrekt niet geëvenredigd aan die, waarmede men Jones overlaadde,—vooral van den kant van den heer Western zelven, die na zijne dochter een paar maal omhelsd te hebben, Jones pakte en in de armen drukte. Hij noemde hem den redder van Sophia en verklaarde dat er niets was, behalve haar zelve, of zijn vermogen, dat hij hem niet geven wilde; maar bij nader inzien, zonderde hij toch ook zijne jagthonden uit, zijn paard Chevalier, en zijne lievelingsmerrie, Miss Slouch.

Daar alle vrees over Sophia nu geweken was, werd Jones het eenige voorwerp van Western’s oplettendheid.

„Hoor, mijn jongen,” zeide hij, „trek uw rok uit en wasch uw gezigt eens af; ge ziet er wonderlijk uit, dat is zeker. Kom, kom! wasch u eens af, en ga dan mede naar huis, en we zullen zien wat schoone kleeren voor u te vinden!”

Jones stemde dadelijk daarin toe, trok den rok uit, ging weer naar het water, en wiesch zich het hoofd en de borst die ook ontbloot en even bebloed was als zijn gezigt. Maar hoewel het water het bloed afspoelde, kon het de blonde en blaauwe plekken, welke Thwackum op zijn gezigt en zijne borst achtergelaten had, niet uitwisschen, en deze door Sophia ontwaard zijnde, ontlokten haar een zucht en een onbeschrijfelijk teederen blik.

Dezen blik ving Jones op, en hij had meer uitwerking op hem dan al de slagen, welke hij reeds ontvangen had. Het was echter eene uitwerking van geheel anderen aard; want ze was zoo zacht en streelend, dat als al de slagen diepe steken geweest waren, hij er een tijdlang niets meer van gevoeld zou hebben.

Het gezelschap keerde nu terug, en bereikte weldra de plek, waar het Thwackum inmiddels gelukt was Blifil weder op zijne beenen te zetten.

Hier kunnen wij den vromen wensch niet verzwijgen, dat alle twisten alleen door deze wapenen mogten kunnen beslecht worden,—door de wapenen, waarmede de natuur, wetende wat goed voor ons is, ons voorzien heeft, terwijl wij tevens wenschen dat het ijzer gebruikt werd om in geene andere ingewanden dan die der aarde te wroeten. Dan zou de oorlog, dat tijdverdrijf der koningen, bijna onschuldig zijn, en er zouden veldslagen tusschen groote legers kunnen geleverd worden die sommige schoone dames zelve, op haar verzoek, met de vorsten, als toeschouwers konden bijwonen. Dan zou op het eene oogenblik het slagveld bedekt kunnen zijn met lijken, en het volgende oogenblik konden de dooden, of de meeste van hen, even als de troepen op het tooneel, opstaan en naar het geluid van de trom, of de viool, naar verkiezing, aftrekken.

Ik zou, zoo het maar mogelijk ware, alles willen vermijden wat dit onderwerp belagchelijk kan maken, opdat geene ernstige mannen en groote staatslieden, er foei! over roepen;—maar, wezenlijk: zou men niet even goed een slag kunnen beslissen volgens het aantal gekneusde schedels, bloedende neuzen en blaauwe oogen, als volgens het getal verminkte en vermoorde menschen? Zou men niet op dezelfde wijze, om het bezit van steden kunnen kampen? Dit zou welligt voor de Fransche belangen geen voordeelig plan zijn, daar zij zoodoende het voordeel zouden verliezen hetwelk zij op andere volkeren bezitten door hunne bekwamere ingenieurs; maar de dapperheid en edelmoedigheid van dat volk in aanmerking genomen, ben ik overtuigd, dat zij nooit weigeren zouden zich op ééne lijn te plaatsen met hunne tegenstanders, en, gelijk men zegt, man tegen man te vechten. Zulke hervormingen zijn echter eerder te wenschen dan te verwachten; ik zal me dus met dezen korten wenk vergenoegen, en tot mijn verhaal terugkeeren.

Western begon nu onderzoek te doen naar de aanleiding tot den twist, waarop Blifil noch Jones eenig antwoord gaf; maar Thwackum hernam knorrig:

„Ik geloof wel dat de aanleiding niet ver verwijderd is, en als ge het plantsoen doorzoekt, zult ge haar wel vinden.”

„Haar?” riep Western. „Hoe! Hebt ge om een meisje gevochten?”

„Vraag het dien mijnheer daar, in de hemdsmouwen maar,” zei Thwackum; „hij kan u het best inlichten.”

„Ja, zoo!” riep Western, „dan is er zeker eene meid in het spel! O Tom! Tom! Ge zijt me er een! Maar komt, heeren, laat alles nu vergeten en vergeven zijn, en sluit den vrede bij mij te huis onder een glas wijn.”

„Met uw verlof, mijnheer!” hernam Thwackum; „het is zoo’n kleinigheid niet voor iemand van mijn stand om op die wijze beleedigd en geslagen te zijn door een jongen, alleen omdat ik mijn pligt wilde doen en trachten eene gemeene slet te ontdekken om haar volgens de wet te doen straffen. Maar eigenlijk hebben de heer Allworthy en gij zelf de meeste schuld; want als gij de wetten wildet handhaven, naar behooren, zou het land weldra van zulk ongedierte gezuiverd zijn.”