Chapter 48 of 84 · 3924 words · ~20 min read

Part 48

De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.

De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis, daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te loopen.

De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig schelen.

Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.

Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloog onmiddellijk de trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden bij een gejaagden haas. Gelijk dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij, bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over het algemeen, ingehaald en vernield.

Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad, schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd door tal van dienaren op de hielen gevolgd.

Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt, dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het volgende hoofdstuk vinden.

HOOFDSTUK VII.

WAARIN DE AVONTUREN IN DE HERBERG TE UPTON TEN EINDE GEBRAGT WORDEN.

In de eerste plaats dan, was de pas aangekomene niemand anders dan de heer Western zelf, die hierheen was gekomen om zijne dochter op te sporen;—en als hij het geluk had gehad slechts een paar uren vroeger aan te kloppen, zou hij niet slechts haar gevonden hebben, maar zijne nicht op den koop toe;—want in die betrekking stond mevrouw Fitzpatrick tot hem, die door haar man, vijf jaren geleden, uit de hoede van die wijze dame, mejufvrouw Western, geschaakt was.

Mevrouw Fitzpatrick was nu ongeveer op hetzelfde oogenblik als Sophia uit het logement vertrokken; want gewekt zijnde door de stem van haar echtgenoot, had zij de waardin naar boven laten komen, en na van haar vernomen te hebben wat er gaande was, had zij de goede vrouw tegen een buitensporigen hoogen prijs omgekocht om haar paarden te verschaffen, ten einde van daar te ontsnappen. Zoodanig was de magt van het geld in dit huisgezin;—en hoewel de meesteresse de meid weggejaagd zou hebben als eene oneerlijke feeks, indien zij alles geweten had wat den lezer bekend is, was zij zelve niet beter dan de arme Suze tegen de omkooping bestand.

De heer Western en zijn neef kenden elkaar niet, en de eerste zou den tweede verloochend hebben, als hij hem gekend had; want daar het een geheim en dus een onnatuurlijk huwelijk was geweest (volgens het oordeel van den heer Western), had hij, zoodra het gesloten was, het arme vrouwtje geheel verloochend als een monster,—hoewel zij pas achttien jaren oud was op dien tijd, en had sedert nooit willen dulden dat men haar in zijn bijzijn noemde.

De keuken werd nu een tooneel van algemeene verwarring: Western vroeg naar zijne dochter en Fitzpatrick even driftig naar zijne vrouw, toen Jones in de kamer trad, tot zijn ongeluk, met Sophia’s mof nog in de hand.

Zoodra Western Jones ontwaarde, liet hij het geroep van den jager hooren, die het wild ontdekt. Dan liep hij op hem toe en pakte Jones, met de woorden: „Daar hebben we al den vos;—ik wed dat het wijfje niet ver af is!”

Gedurende eenige minuten werd er door vele menschen allerlei door elkaar geschreeuwd, dat even moeijelijk te beschrijven als onaangenaam te lezen zou zijn.

Nadat het Jones eindelijk gelukt was den heer Western af te schudden, terwijl sommige der aanwezigen tusschen beide traden, begon onze held zijne onschuld te betuigen omtrent eenige kennis van waar de dame zich bevond, toen dominé Supple naderde en zeide:

„Het is dwaas alles dus te blijven ontkennen; want de bewijzen van uwe schuld draagt gij in de hand. Ik ben gereed om zelf te verklaren en met eede te bevestigen, dat de mof, welke gij in de hand houdt, aan mejufvrouw Sophia toebehoort; want ik heb zelf gezien dat zij die in de laatste dagen dikwerf gebruikte.”

„De mof mijner dochter!” riep de landjonker, woedend. „Heeft hij mijn dochters mof? Let daarop! Hij heeft de goederen bij zich! Ik zal hem dadelijk vóór den vrederegter brengen! Waar is mijne dochter, schelm?”

„Mijnheer,” zeide Jones „ik smeek u, wees bedaard! Ik beken dat deze mof aan de jonge dame toebehoort; maar, op mijn woord van eer, verklaar ik, dat ik haar zelve niet gezien heb.”

Bij deze woorden verloor Western alle geduld en werd in zijne woede geheel onverstaanbaar.

Van eenige der dienstboden had Fitzpatrick vernomen wie de heer Western was. De goede Ier verbeeldde zich dus nu de gelegenheid gevonden te hebben om zijn oom een dienst te bewijzen, waardoor hij, mogelijk, zijne gunst herwinnen kon; hij naderde Jones daarom en zeide: „Wezenlijk, mijnheer, gij moest u schamen in mijn bijzijn te ontkennen dat gij de dochter van dien heer gezien hebt, daar gij weet dat ik u met haar te bed gevonden heb!”

Zich daarop tot Western wendende, bood hij aan hem dadelijk naar de kamer te brengen, waar zich zijne dochter bevond,—en daar zijn aanbod aangenomen werd, gingen hij, de landjonker, de dominé en eenige anderen dadelijk naar boven,—naar de kamer van mevrouw Waters, waar zij met even veel geweld binnen drongen, als de heer Fitzpatrick pas van te voren gedaan had.

De arme dame sprong op, evenzeer ontsteld als verbaasd, en zag naast haar bed eene gestalte, welke men zich best verbeelden kon pas uit het gekkenhuis ontsnapt te zijn: want zoodanig woest en wild waren de blikken van den heer Western, die zoodra hij de dame ontwaarde, terugdeinsde, genoegzaam toonende door zijne houding,—eer hij een woord sprak,—dat deze niet de persoon was, die hij zocht.

De vrouwen stellen zoo veel meer prijs op haren goeden naam dan op hare persoon, dat hoewel de laatste in grooter gevaar scheen te verkeeren dan de eerste keer, nu dat de eerste veilig was, de dame niet meer zoo hard schreeuwde als te voren. Evenwel, zoodra zij zich weder alleen bevond, gaf zij elke gedachte aan verdere rust op en, daar zij genoegzame reden had om met haar tegenwoordig verblijf ontevreden te zijn, kleedde zij zich zoo spoedig mogelijk aan.

De heer Western ging nu voort met het heele huis te doorzoeken; maar evenzeer te vergeefs als toen hij de arme mevrouw Waters verontrust had. Daarop keerde hij geheel verslagen in de keuken terug, waar hij Jones onder bewaking zijner dienstboden vond.

Het geweldige rumoer had alle menschen in huis gewekt, hoewel het nog naauwelijks dag was. Onder dezen was er een deftig heer, die toevallig een der vrederegters van het graafschap Worcester was. Zoodra de heer Western dit vernomen had, wilde hij zijne aanklagt bij hem indienen. Maar de regter weigerde zijn ambt dáár uit te oefenen, zeggende dat hij geen griffier bij zich had, en ook geen wetboek, en dat hij onmogelijk alle wettelijke bepalingen omtrent het stelen van dochters en dergelijk goed in zijn hoofd ronddragen kon.

Hierop bood hem de heer Fitzpatrick zijn bijstand aan, terwijl hij de aanwezigen verzekerde dat hij zelf als regtsgeleerde groot gebragt was. En werkelijk, had hij drie jaren gediend als schrijver bij een procureur in het noorden van Ierland, toen hij eene fatsoenlijkere loopbaan koos, zijn meester verliet, naar Engeland trok en dat beroep uitoefende hetwelk geen leertijd eischt, namelijk dat van particulier, waarin hij, zoo als met een enkel woord al gezegd is, volmaakt geslaagd was.

De heer Fitzpatrick verklaarde nu dat de wet omtrent het stelen van dochters bij de tegenwoordige zaak niet toepasselijk was; maar dat het ontvreemden van eene mof zonder twijfel een diefstal was, en dat het als een stellig bewijs van schuld gold als men de gestolene goederen bij iemand vond.

De magistraat, door zulk een geleerden raadsman op deze wijze aangemoedigd, en op hevigen aandrang van den landjonker, werd eindelijk overgehaald om den regterstoel te beklimmen, vanwaar hij, na de mof bekeken te hebben, welke Jones nog in de hand hield, en die de predikant onder eede verklaarde het wettige eigendom van den heer Western te zijn, den heer Fitzpatrick gelastte een bevel tot arrestatie tegen Jones uit te vaardigen, dat hij zich gereed verklaarde te onderteekenen.

Jones verzocht nu zelf gehoord te worden, wat hem met moeite toegestaan werd. Hij riep nu den heer Partridge tot getuige, dat hij de mof gevonden had; maar wat van nog meer belang was, Suze verklaarde dat Sophia zelve haar de mof gegeven had, met bevel om ze op de kamer te leggen, waar ze door den heer Jones gevonden werd.

Of eene aangeborene liefde tot het regt, of de buitengewone schoonheid van Jones Suze tot deze ontdekking gebragt had, dat laat ik daar; maar hare getuigenis was van die waarde, dat de magistraat zich achterover werpende op zijn stoel, verklaarde dat de zaak nu even duidelijk ten voordeele van den aangeklaagde was uitgemaakt als ze vroeger ten zijnen nadeele scheen, waarmede de predikant volmaakt overeenstemde, er bijvoegende: „De hemel verhoede dat ik er deel aan zou hebben om een onschuldige in de gevangenis te werpen!”

Hierop stond de magistraat op, sprak den aangeklaagde vrij en sloot de zitting.

De heer Western verwenschte nu alle aanwezigen met de meeste hartelijkheid, en dadelijk zijne paarden bestellende, trok hij verder op om zijne dochter te zoeken, zonder in het minst acht te slaan op zijn neef Fitzpatrick, of eenig antwoord te geven, toen deze hem aan hunne verwantschap herinnerde, niettegenstaande al hetgeen hij aan dezen heer verpligt was. Bovendien, in de hevigheid zijner drift, vergat hij, gelukkig, de mof van Jones af te eischen;—gelukkig, zeg ik, omdat deze zich liever op de plek zou hebben laten doodslaan, dan er afstand van te doen.

Jones, met zijn vriend Partridge, vertrok ook dadelijk, zoodra zijne rekening betaald was, om zijne beminde Sophia op te sporen, die hij nu besloten had tot het einde toe te volgen. Hij kon er zelfs niet meer toe komen om afscheid van mevrouw Waters te nemen, wier herinnering hij zelfs verafschuwde, daar zij, hoewel onschuldig, de oorzaak was geweest waarom hij eene gelukkige ontmoeting met Sophia gemist had, aan wie hij thans eeuwige trouw zwoer.

Wat mevrouw Waters aangaat, deze maakte gebruik van den wagen die naar Bath reed, waarheen zij vertrok in gezelschap van de twee Iersche heeren, terwijl de waardin de goedheid had haar van kleeren te voorzien, waarvoor zij zich tevreden stelde slechts de dubbele waarde te ontvangen, tot belooning harer vriendelijkheid. Onderweg verzoende mevrouw Waters zich volmaakt met den heer Fitzpatrick, die een zeer knap uiterlijk had, en deed haar best om hem de afwezigheid zijner vrouw in alle opzigten te vergoeden.

Aldus eindigden de vele vreemde avonturen, die de heer Jones beleefde in het logement te Upton, waar de menschen nog heden ten dage spreken van de schoonheid en beminnelijkheid van Sophia, die zij „den engel uit Somersetshire” noemen.

HOOFDSTUK VIII.

WAARIN DE GESCHIEDENIS TERUG GAAT.

Eer wij verder met onze geschiedenis voortgaan, zal het wel noodig zijn een weinig terug te zien, ten einde de wonderbaarlijke verschijning van Sophia en haar vader in het logement te Upton te verklaren.

De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat wij in het negende hoofdstuk van het zevende boek onzer geschiedenis, Sophia, na een langen strijd tusschen pligt en liefde, verlieten, toen zij eindelijk het pleit besliste, wat, naar ik meen, gewoonlijk het geval is, ten voordeele van de laatste.

Deze strijd begon, zoo als wij daar aantoonden, na een bezoek van haar vader, toen hij haar had willen dwingen om hare toestemming te geven tot een huwelijk met Blifil, welke hij als gegeven beschouwde zoodra zij bekende, dat zij „eenig stellig bevel van haar vader kon noch mogt tegengaan.”

Van dit bezoek keerde de landjonker dien avond tot zijne flesch terug, bovenmatig verheugd over zijn voorspoed bij zijne dochter, en daar hij van gezelligen aard was, en gaarne deelneming vond bij zijne vreugde, gaf hij bevel dat in de keuken het bier ook ruim vloeijen zoude, zoodat reeds vóór elf uur dien avond, er geen enkel nuchter mensch in huis was dan mejufvrouw Western en de bekoorlijke Sophia zelve.

Des morgens vroeg werd er een bode gezonden om den heer Blifil te halen; want ofschoon de landjonker zich verbeeldde, dat die jonge heer veel minder wist van den afkeer welken zijne dochter voor hem gevoelde, dan werkelijk het geval was, was hij zeer ongeduldig om hem mede te deelen, dat hij werkelijk het jawoord gekregen had,—in het minst niet twijfelende, dat het door de aanstaande bruid zelve mondeling bekrachtigd zou worden. Ten opzigte van de voltrekking van het huwelijk, was die reeds den vorigen avond door de heeren vastgesteld, op den morgen van den tweeden daarop volgenden dag.

Het ontbijt werd nu in de huiskamer gereed gezet, waarbij de heer Blifil ook tegenwoordig was, tegelijk met den landjonker en zijne zuster, toen bevolen werd om Sophia te roepen.

O Shakespeare had ik uwe pen! O, Hogarth, had ik uw penseel! dan zou ik het beeld teekenen van den armen dienaar, die met bleek gelaat, starende oogen, klapperende tanden, bevende tong en knikkende knieën de kamer binnentrad en verklaarde dat mejufvrouw Sophia niet te vinden was!

„Niet te vinden!” brulde de landjonker, van zijn stoel opspringende. „Wat bl....! Wel verd....! Hoe! Waarom! Waar!—niet te vinden! Waar niet?”

„Goede Hemel! Broeder!” hernam mejufvrouw Western, met echt diplomatieke koelbloedigheid. „Waarom maakt ge u altijd zoo driftig om niets? Ik verbeeld me dat het niets anders is dan dat nicht in den tuin is gaan wandelen! Ik verklaar, ge zijt zoo onredelijk geworden, dat het onmogelijk wordt met u huis te houden!”

„Wel, wel!” hernam de landjonker, even plotseling bedarende als hij driftig was geworden, „als het niets anders is, dan doet het er niet veel toe; maar, op mijn woord, ik werd bang, toen die kerel vertelde dat zij niet te vinden was.”

Daarop gaf hij bevel met de schel door den tuin te loopen en ging weêr heel kalm zitten.

Men kon in de meeste gevallen (en vooral in dit geval) geene grootere tegenstellingen vinden dan van dien broeder en die zuster. Even als de broeder nooit iets op een afstand voorzag, maar slim genoeg was om alles te zien zoodra het gebeurd was, zoo voorzag de zuster alles op een grooten afstand, maar was niet zoo helderziend omtrent hetgeen onder hare oogen voorviel. En, inderdaad, hunne beider gaven sloegen tot uitersten over; want even als de zuster dikwerf dat voorzag wat nooit gebeuren zou, zoo ontdekte ook de broeder dikwijls meer dan wezenlijk waar was.

Dit was echter nu niet het geval. Men bragt hetzelfde rapport uit den tuin als vroeger uit het slaapvertrek; namelijk, dat mejufvrouw Sophia nergens te vinden was.

De heer Western ging nu zelf er op uit, en begon den naam van Sophia even hard uit te brullen, en met eene even heesche stem als oudtijds Herkules dien van Hylas, en even als de dichter ons vertelt dat de geheele kust weergalmde van den naam van den schoonen jongeling, zoo weerklonk het geheele huis, de tuin en al de naburige velden van Sophia’s naam, en van de diepe stemmen der mannen en de schelle geluiden der vrouwen, terwijl de echo zoo veel behagen scheen te scheppen in het herhalen van den beminden naam, dat, als er werkelijk zulk een wezen bestaat, ik gelooven moet, dat Ovidius een verkeerd geslacht daaraan toegekend heeft.

Een tijdlang heerschte er de grootste verwarring, tot dat de heer Western na al de kracht zijner longen geheel te hebben uitgeput, naar de huiskamer terugkeerde, waar hij mejufvrouw Western en den heer Blifil vond, en zich, geheel ter neder geslagen, op een stoel wierp.

Hierop begon mejufvrouw Western de volgende troostrede: „Broeder, het spijt me wezenlijk dat zoo iets gebeurd is, en dat mijne nicht zich op eene wijze gedragen heeft, die hare geheele familie schande aandoet;—geen mensch dan gij zelf heeft er de schuld van. Gij weet wel dat zij altijd lijnregt in strijd met mijne raadgevingen opgevoed is;—en thans ondervindt ge daarvan de gevolgen! Heb ik u niet duizend maal gezegd dat ge mijne nicht niet altijd haren zin geven moest? Maar ge weet, dat ik nooit iets bij u vermogt, en toen ik me zooveel moeite gegeven had om hare stijfhoofdigheid te breken, en uwe dwalingen weer goed te maken, weet ge wel, dat zij uit mijne handen genomen werd;—zoodat ik niets meer te verantwoorden heb! Had men mij geheel en al de zorg harer opvoeding toevertrouwd, dan was u nooit zoo’n ongeluk als dit overkomen;—dus moet ge u troosten met de gedachte dat het uw eigen werk is,—en inderdaad, wat kon men anders wachten na zoo vele toegevendheid?”

„Wat drommel, zuster!” riep hij; „ge zult me nog dol maken! Heb ik haar iets toegegeven? Heb ik haar haren zin gegeven? Gisteren avond dreigde ik haar, als zij me niet gehoorzaamde, om haar levenslang, op water en brood op hare kamer gevangen te houden! Ge zoudt het geduld van een Job uitputten!”

„Heeft men ooit iets dergelijks gehoord!” hernam zij. „Broeder! Als ik niet honderd maal zooveel geduld had als Job, zoudt ge me alle betamelijkheid en welvoegelijkheid doen vergeten! Waarom moest gij er tusschen komen! Had ik u niet gebeden en gesmeekt om de heele zaak aan mij over te laten? Gij hebt alle manoeuvres van den heelen veldtogt door één valschen stap verijdeld. Zou iemand ter wereld, die zijn gezond verstand bezit, zijne dochter door bedreigingen van dien aard getergd hebben? Hoe dikwerf heb ik u al niet verteld, dat de Engelsche vrouwen zich niet als Ciracassische [10] slavinnen laten behandelen? De geheele wereld zal ons beschermen. Door zachtheid alleen kan men ons winnen; wij laten ons niet dwingen en door geweld overmeesteren en door stokslagen regeren. Dank zij den Hemel, de Salische wet heerscht hier niet! Gij, broeder, hebt zoo iets ruws over u, dat geene andere vrouw behalve ik, dat ooit verdragen zou. Het verwondert me niet, dat de angst en de schrik mijne nicht er toe bragten dien maatregel te nemen, en, om de ronde waarheid te spreken, ik geloof wel dat zij dat voor de geheele wereld zal kunnen verantwoorden. Ik herhaal het, broeder, het moet u tot troost strekken, als gij bedenkt dat gij zelf de schuld van alles draagt. Hoe dikwerf heb ik u niet aangeraden—”

Hier sprong Western woest van zijn stoel op en liep met eene reeks van verschrikkelijke vloeken de kamer uit.

Zoodra hij weg was, liet zijne zuster zich (zoo mogelijk), met nog meer bitsheid over hem uit, dan in zijn bijzijn, en beriep zich, ter bekrachtiging van al wat zij zeide, op den heer Blifil, die, met de meeste beleefdheid, alles toestemde wat zij beweerd had, maar de gebreken van den heer Western verontschuldigde, „daar men bedenken moest,” zeide hij, „dat ze hun ontstaan te danken hadden aan de overdrevene liefde van een vader, welke men toch slechts als eene beminnelijke zwakheid beschouwen kon.”

„Die echter des te minder te verontschuldigen is,” hernam de dame; „want wie anders benadeelt hij daardoor dan zijn eigen kind?”

Hieromtrent was Blifil het volmaakt met haar eens.

Mejufvrouw Western begon nu hare verlegenheid aan den dag te leggen omtrent den heer Blifil zelven, en de behandeling welke hij ondervonden had van eene familie, die hij zoo veel eer had willen aandoen. Ten dezen opzigte, laakte zij met de meeste gestrengheid de dwaasheid harer nicht, maar eindigde met haren broeder de schuld van alles te geven, die, gelijk zij zeide, onvergeeflijk gehandeld had, met alles zoo ver te laten komen, zonder vast overtuigd te zijn van zijner dochters toestemming. „Maar,” verklaarde zij, „hij is altijd driftig en koppig van aard geweest, en ik kan het me zelve naauwelijks vergeven, dat ik zoo veel goeden raad aan hem verspild heb.”

Na nog veel meer van dezen aard besproken te hebben, dat, als het hier uitvoerig herhaald werd, den lezer waarschijnlijk slechts weinig bevallen zou, vertrok de heer Blifil en keerde naar huis terug, niet best tevreden met zijne teleurstelling, welke evenwel de wijsbegeerte, die hij van Square opgedaan had, en de godsdienst, die hij van Thwackum verkregen had,—met nog iets anders op den koop toe,—hem met meer gelatenheid deden dragen, dan men in dergelijke gevallen bij minnaren van meer driftigen aard vindt.

HOOFDSTUK IX.

SOPHIA’S VLUGT.

Het wordt nu tijd dat wij naar Sophia rondkijken, en als de lezer half zooveel van haar houdt als ik, zal het hem verheugen haar ontsnapt te zien aan de klaauwen van haren doldriftigen vader en van haren minder driftigen minnaar.

Twaalf maal sloeg de ijzeren klep tegen het luidklinkende metaal, de spoken oproepende, om de nachtelijke ronde te doen,—eenvoudiger gezegd: het was middernacht, en het geheele huisgezin, zoo als wij verteld hebben, lag in drank of slaap gedompeld,—met uitzondering alleen van mejufvrouw Western, die verdiept was in een staatkundig vlugschrift, en van onze heldin, die nu zachtjes de trap afsloop, en een der huisdeuren ontgrendeld en ontsloten hebbende, er uit ging en zich spoedde naar de bepaalde plaats.