Part 20
„Me dunkt wel, dat mijnheer eenig onderscheid had kunnen maken tusschen mij en de overige dienstboden! Hij zal mij wel genoeg nagelaten hebben, om in den rouw over hem te gaan; maar als dat alles is, dan, waarlijk, mag de drommel over hem den rouw dragen! Mijnheer mogt wel bedenken dat ik geene bedelaarster ben!—Dat heet nu de dienstboden aanmoedigen om eerlijk te blijven! Ja! al heb ik ook hier en daar iets voor mij zelve genomen, er zijn er anderen, die tienmaal meer gesnoept hebben dan ik! En nu zullen wij allen bij elkaar in één legaat begrepen worden! Als dit zóó is, dan mag voor mijn part, het legaat, met hem die het schonk, zamen naar de maan gaan! Maar ik zal toch niet weigeren het aan te nemen, omdat juist zoo iets sommige menschen pleizier zou doen! Neen! Ik zal de mooiste japon koopen, die ik vinden kan, en daarin op het graf van den ouden vrek dansen! Dat is nu de belooning, omdat ik zoo dikwerf partij voor hem getrokken heb, als de heele wereld het schande noemde dat hij zijn bastaard op die manier opvoedde! Maar nu gaat hij daarheen, waar hij alles zal moeten boeten! Het zou hem beter gestaan hebben om berouw te toonen op zijn sterfbed over zijne zonden, dan om zich er op te beroemen, en zooveel geld uit zijne eigene familie weg te geven aan een onwettig kind! In zijn bed gevonden, o ja! Een mooi verhaal! Ja, ja! Die iets verbergen, weten best waar het weder te vinden is! De Hemel zij hem genadig! Hij zal wel meer onwettige kinderen te verantwoorden hebben, als men maar achter de waarheid kon komen! Maar één troost is het, dat ze daar, waar hij nu heen gaat, alle bekend zijn! „De dienstboden zullen zien dat ik hen niet vergeten heb!” Dat waren zijne woorden. Ik zal ze niet vergeten al word ik honderd jaar oud! Ja, ja! ik zal er aan denken, dat hij mij met de dienstboden zamen gerekend heeft! Men zou gedacht hebben, dat hij mijn naam even goed had kunnen onthouden als dien van mijnheer Square; maar die heet een „mijnheer,” waarachtig, hoewel hij geen hemd op het lijf had toen hij voor het eerst hier kwam! ’t Zijn me „mijnheeren,”—zulk volk! Ik weet niet hoe vele jaren hij al hier in huis is, en ik geloof niet dat een der dienstboden ooit een duit van hem gezien heeft! De drommel hale zulke „mijnheeren”, voor mijn part!”
Zij prevelde nog veel meer van dezen aard, maar dit staaltje zal wel voldoende zijn voor den lezer.
Thwackum en Square waren ook niet veel beter tevreden met hunne legaten. Hoewel zij hunne verontwaardiging niet zoo luide lucht gaven, kunnen wij evenwel uit het misnoegen, dat op hunne gelaatstrekken zigtbaar was en uit het volgende gesprek opmaken, dat er geene groote mate van tevredenheid in hunne ziel huisvestte.
Ongeveer een uur nadat zij de ziekekamer verlaten hadden, ontmoette Square Thwackum in de zaal en sprak hem aldus aan:
„Nu, mijnheer, hebt ge iets van onzen vriend vernomen sedert wij hem verlieten?”
„Als ge van mijnheer Allworthy spreekt,” hernam Thwackum, „moest ge hem, dunkt me, liever uw vriend noemen; want ik verbeeld me dat hij van u dien titel wel verdiend heeft.”
„Niet meer dan van u,” merkte Square op; „want zijne mildheid, als het zoo heeten moet, heeft ons beide gelijkelijk bedacht.”
„Ik zou er geen woord van gerept hebben,” riep Thwackum; „maar nu gij er over begint, moet ik u zeggen, dat ik op dit punt van u verschil. Er is een groot onderscheid tusschen vrijwillige gunstbewijzen en belooningen. Het nut dat ik in dit huisgezin gesticht heb, en de zorg welke ik voor die beide jongens gedragen heb, zijn diensten waarvoor sommige menschen eene ruimere vergelding zouden verwacht hebben. Ge moet u echter daarom niet voorstellen dat ik ontevreden ben. Want Paulus heeft mij geleerd tevreden te zijn met het weinige dat mij beschoren is. Al ware het minder geweest, ik zou toch mijn pligt gedaan hebben. Maar hoewel de Heilige Schrift het mij tot een gewetenszaak maakt om te berusten, ben ik daardoor niet gedwongen om de oogen te sluiten voor mijne eigene verdiensten, of mag ik er niet gevoelig over zijn als men mij beleedigt door eene onbillijke vergelijking.”
„Nu gij mij tergt,” hernam Square, „wil ik wel zeggen, dat ik de benadeelde ben, want ik had nooit gedacht dat mijnheer Allworthy mijne vriendschap zoo luttel telde, dat hij mij op gelijke lijn zou plaatsen met iemand, die loon trekt. Maar ik weet waaraan dit toe te schrijven is:—het komt van die kleingeestige grondbeginselen, welke gij u zoo lang beijverd hebt hem in te boezemen,—met ter zijde stelling van al wat groot en edel is. De schoonheid en de heerlijkheid der vriendschap zijn te schitterend voor zwakke oogen, en kunnen ook alleen waargenomen worden door middel van de onfeilbare regels van het regt, welke gij zoo dikwerf hebt trachten belagchelijk te maken, dat gij het verstand van uw vriend beneveld hebt.”
„Ik hoop,” riep Thwackum, in woede ontstoken; „ik hoop, om den wille zijner ziel, dat uwe verdoemelijke leer zijn geloof niet ondermijnd heeft! Daaraan schrijf ik nu zijn gedrag toe, dat zoo weinig betamelijk is voor een waar christen! Wie anders dan een godsloochenaar zou er aan kunnen denken deze wereld te verlaten zonder daarmede afgerekend te hebben? Zonder zijne zonden te belijden en die absolutie te ontvangen, welke, zoo als hij wel wist, hem door één mensch in dit huis geschonken kon worden? Hij zal het gemis van dit onontbeerlijk genademiddel betreuren als het te laat is! Als hij in dat oord toeft, waar niets dan jammerklagten en tandengeknars is, dan zal hij leeren inzien hoe krachtig die heidensche godin, de Deugd, die door u en alle andere deïsten dezer eeuw aangebeden wordt, hem ondersteunt! Hij zal den priester roepen, die er niet te vinden is, en zal het gemis van die absolutie betreuren, die alleen in staat is den zondaar te redden.”
„Als ze van zooveel belang is,” riep Square, „waarom biedt gij ze hem dan zelf niet aan?”
„Ze heeft geene kracht,” riep Thwackum, „als men door de goddelijke genade er niet toe komt zelf daarnaar te verlangen. Maar waarom praat ik over deze dingen met een ongeloovigen heiden? Gij zijt het, die hem de les geleerd hebt, waarvoor men u in deze wereld goed beloond heeft, zoo als, zonder twijfel, ook uw leerling hier namaals beloond zal worden.”
„Ik weet niet wat ge bedoelt met „beloond,”” hernam Square, „maar als ge zinspeelt op dat rampzalige gedachtenisje aan onze vriendschap, dat hij goedgevonden heeft mij na te laten,—dan moet ik u zeggen, dat ik dat veracht, en dat niets dan de ongelukkige toestand mijner geldmiddelen mij zou hebben kunnen bewegen het van hem aan te nemen.”
Op dit oogenblik kwam de geneesheer juist binnen, en begon met de twistenden te vragen naar den toestand van den zieke.
„Het gaat slecht!” hernam Thwackum.
„Precies wat ik me voorstelde,” zei de dokter. „Maar welke verschijnselen hebben zich voorgedaan sedert ik u verliet?”
„Niets gunstigs, naar ik vrees,” gaf Thwackum tot antwoord. „Na hetgeen gebeurd is toen wij bij hem waren, geloof ik dat er weinig hoop meer voor hem bestaat.”
De geneesheer begreep welligt den zielzorger niet, en eer zij tot eene verklaring gekomen waren, kwam de heer Blifil bij hen, met een zeer bedroefd gelaat en meldde hun treurige tijdingen,—want zijne moeder was te Salisbury overleden. Op de terugreis was zij door jicht in het hoofd en in de maag overvallen, die haar binnen weinige uren ten grave gesleept had.
„Helaas!” riep de dokter. „Men kan natuurlijk voor niets instaan; maar ik had wel gewild, dat ik er bij was geweest om haar te behandelen! De jicht is eene kwaal, die zeer moeijelijk te genezen is; maar ik ben toch altijd zeer voorspoedig daarmede geweest!”
Thwackum en Square betuigden beide hunne deelneming in het verlies, dat nu den heer Blifil getroffen had, en de eene ried hem aan het als man, de andere het als christen te dragen. De jongeling hernam, dat hij zeer goed wist dat wij allen sterfelijk zijn, en dat hij zijn best zou doen den slag op de meest betamelijke wijze te dragen. Hij kon echter niet nalaten zijn bijzonder wreed lot te beklagen, dat hem verraste met de tijding van zulk eene groote ramp op het oogenblik dat hij den zwaarsten slag wachtende was, welken het wreede noodlot hem toebrengen kon. Hij zeide, dat hij nu in de gelegenheid zou zijn die heerlijke grondbeginselen op de proef te stellen,—welke hij geleerd had van de heeren Thwackum en Square, en dat hij het hun te danken zou hebben als hij zulke rampen overleefde.
Men beraadslaagde er nu over, of men den heer Allworthy den dood zijner zuster melden zou of niet, waartegen de dokter zich zeer stellig verzette, en hierin geloof ik dat de geheele fakulteit het met hem eens zou zijn; maar mijnheer Blifil zeide dat hij van zijn oom zulke stellige en herhaalde bevelen gekregen had om nooit eenig geheim voor hem te hebben, uit vrees van hem eenige ongerustheid te bezorgen, dat hij, wat ook de gevolgen wezen mogten, aan geene ongehoorzaamheid kon denken. Hij betuigde, wat hem betrof, dat hij, den godsdienstigen en wijsgeerigen aard van zijn oom in aanmerking genomen, de vrees van den dokter niet deelen kon. Hij had dus vast besloten hem alles mede te deelen, want, als zijn oom herstelde (zoo als hij van ganscher harte bad), dan zou hij het hem nooit vergeven dat hij een geheim van dien aard verzwegen had.
De geneesheer was genoodzaakt zich aan dit besluit te onderwerpen, hetwelk ten hoogste geprezen werd door de beide andere geleerde heeren. Dus gingen de heeren Blifil en de dokter zamen naar de ziekenkamer, waar de geneesheer eerst binnen trad en het bed naderde, om den zieke den pols te voelen. Zoodra hij dit gedaan had, verklaarde hij dat er groote beterschap was gekomen; dat zijn laatste geneesmiddel wonderbaarlijk gewerkt en de koortsen gebroken had, zoodat er voor het oogenblik, zeide hij, even weinig vrees bestond als er kort geleden weinig hoop bestaan had.
Om de waarheid echter te zeggen, was de toestand van den heer Allworthy nooit zoo erg geweest als de voorzigtige dokter voorgesteld had; maar, even als een wijze veldheer nooit een vijand veracht, hoe gering diens krachten ook zijn, zoo zal ook een wijze geneesheer nooit eene ziekte minachten, hoe gering ze ook zij. Even als de eerste dezelfde strenge krijgstucht in acht neemt, dezelfde wachten uitzet, dezelfde spionnen gebruikt, al is de vijand nog zoo zwak, zoo ook bewaart de laatste denzelfden ernst in zijne houding, en schudt hij het hoofd op dezelfde veel beteekenende wijze, hoe nietig de kwaal ook zij.
En beide, onder andere geldige redenen voor hun gedrag, mogen ook dezen degelijken grond aanvoeren, dat door deze middelen hun des te grootere eer toekomt als zij de overwinning behalen, en des te minder schande hun te beurt valt, als zij het ongeluk hebben van het onderspit te delven.
De heer Allworthy had naauwelijks den tijd gehad de oogen op te slaan en den Hemel te danken voor dit vooruitzigt op herstel, toen de heer Blifil, met de meeste neerslagtigheid in zijne houding, naderde, en den zakdoek voor de oogen houdende, om een traan af te vegen, of, gelijk Ovidius bij eene andere gelegenheid zegt;
„Si nullus erit, tamen excute nullum,”
dat is „zoo er geen was, dan toch dien afwezigen weg te vegen,” aan zijn oom mededeelde hetgeen de lezer pas vernomen heeft.
Allworthy ontving dit berigt met leedwezen, met geduld en onderwerping. Hij liet eenige tranen van droefheid vallen, bedaarde eindelijk en zeide: „Des Heeren wil geschiede!” Hij vroeg nu naar den bode; maar Blifil vertelde hem, dat het onmogelijk geweest was hem één oogenblik te doen wachten, want, naar zijne groote haast te oordeelen, scheen hij zaken van gewigt onder handen te hebben; zoo dat hij klaagde dat hij gejaagd en geplaagd en boven zijne krachten. ingespannen werd, en dikwijls herhaalde dat als hij zich op vier plaatsen tegelijk bevinden kon, hij toch niet klaar zou komen.
Allworthy beval nu aan Blifil voor de begrafenis te zorgen. Hij wenschte, zeide hij, dat zijne zuster in zijne eigene kerk zou bijgezet worden; maar wat de bijzonderheden betrof, die liet hij aan hem over, alleen den persoon vermeldende, aan wier zorgen hij alles opgedragen wilde hebben.
HOOFDSTUK IX.
HETWELK, ONDER ANDEREN, STREKKEN KAN TOT EEN COMMENTAAR OP HET GEZEGDE VAN AESCHINES, „DAT DE DRONKENSCHAP DEN GEEST VAN DEN MENSCH TOONT, EVEN ALS EEN SPIEGEL ZIJN LIGCHAAM WEERKAATST.”
De lezer zal verwonderd zijn, dat hij in het laatste hoofdstuk niets van den heer Jones vernomen heeft. Inderdaad, zijn gedrag verschilde zoo zeer van dat der anderen, dat wij niet verkozen zijn naam bij de hunnen te vermelden.
Toen de waardige Allworthy gedaan had met spreken, was Jones de laatste die het vertrek verliet. Vandaar ging hij naar zijne eigene kamer, om zijn leed in afzondering lucht te geven. Maar zijne ontroering liet hem slechts korten tijd met rust; hij sloop dus zachtjes naar de deur van de ziekenkamer, waar hij een tijdlang luisterde zonder iets in de kamer te hooren, behalve een hard gesnork, dat zijne vrees hem voor gekerm deed houden. Dit verschrikte hem zoodanig, dat hij zich niet onthouden kon van in de kamer te treden, waar hij den waardigen man in een zoeten, verkwikkelijken slaap vond, terwijl de vrouw, die bij hem waken moest, aan het voeteneinde van het bed op boven beschrevene wijze zat te snorken. Jones gebruikte het eenige afdoende middel om aan deze bastoonen, die den heer Allworthy, naar hij vreesde, verontrusten zouden, een einde te maken;—en daarop zelf plaats nemende in de kamer, bleef hij er geheel bewegingloos, tot Blifil en de dokter zamen binnen kwamen en den zieke wekten, opdat de geneesheer hem den pols zou kunnen voelen, en de andere hem het nieuws mededeelen, hetwelk, indien Jones het geweten had, bezwaarlijk op dat oogenblik het oor van den heer Allworthy bereikt zou hebben.
Toen hij het dus hoorde mededeelen, kon hij, in het begin, ter naauwer nood zijn toorn verkroppen over Blifil’s onvoorzigtigheid, vooral daar de geneesheer het hoofd schudde, en verklaarde dat het tegen zijn zin was, dat zoo iets aan den zieke medegedeeld werd. Daar echter zijne verontwaardiging zijne rede niet zoodanig overmeesterde, dat ze hem voor de uitwerking verblindde, welke eenige hevige woorden van zijn kant tegen Blifil gerigt, op den zieke konden hebben, smoorde hij voor het oogenblik zijne woede, en hij gevoelde zich later zoo gelukkig, toen hij zag dat het nieuws geen kwaad gedaan had, dat hij zijn toorn in zijn eigen hart liet uitsterven, zonder er iets van aan Blifil te openbaren.
De geneesheer bleef dien dag eten bij den heer Allworthy, en na tafel den zieke bezocht hebbende, keerde hij naar het overige gezelschap terug en vertelde, dat hij nu de voldoening kon hebben te verzekeren, dat de zieke buiten alle gevaar verkeerde; dat de koorts gebroken was, en dat hij niet twijfelde of hij zou de ziekte met behulp van quinine geheel en al meester worden.
Dit berigt verheugde Jones zoodanig, en bragt zulke geweldige vlagen van verrukking bij hem te weeg, dat men zonder overdrijving zeggen kan, dat hij dronken van vreugde was. Deze dronkenschap verhoogt zeer de uitwerking van den wijn, en daar hij bij deze gelegenheid de flesch ook niet spaarde,—(want hij ledigde herhaalde volle bekers op het welzijn van den geneesheer en van vele anderen ook)—werd hij spoedig wezenlijk dronken.
Jones was van aard opgewonden, en nu geprikkeld en opgewekt door den wijn, werd hij buitensporig luidruchtig. Hij kuste den dokter en omhelsde hem op de meest hartstogtelijke wijze, terwijl hij zwoer, dat, na den heer Allworthy, hij hem boven alle menschen ter wereld beminde.
„Dokter,” voegde hij er bij, „ge verdient, dat men een standbeeld voor u oprigte, op kosten van het algemeen, omdat ge een man gered hebt, die niet slechts de lieveling is van alle goede menschen, die hem kennen, maar een zegen voor de maatschappij, de roem van zijn vaderland, en eene eer voor de menschelijke natuur. Verdraaid! Ik houd nog meer van hem dan van mijne eigene ziel!”
„Daar moest ge u over schamen!” riep Thwackum; „hoewel ik bekennen moet, dat ge reden genoeg hebt om van hem te houden, daar hij zoo goed voor u gezorgd heeft. Misschien zou het ook voor zeker iemand beter zijn, als hij niet leefde, om eens zijne gift te moeten intrekken.”
Jones keek Thwackum met de meeste minachting uit de hoogte aan, en hernam:
„En gelooft gij, lage ziel, dat eenige bedenking van dien aard bij mij invloed kan hebben? Neen! laat de aarde gapen om haar eigen slijk te verzwelgen (als ik millioenen bezat zou ik dat zeggen), eerder dan mij mijn heerlijken vriend te rooven.
„Quis desiderio sit pudor aut modus Tam cari capitis?”
„Welke bescheidenheid of maat kunnen wij stellen aan onze begeerte [3] naar zulk een vriend.”
De geneesheer mengde zich nu in den strijd en voorkwam de dreigende uitbarsting van toorn tusschen Jones en Thwackum, waarop eerstgenoemde zich geheel aan de vreugde wijdde, een stuk of wat minneliedjes zong, en zich aan allerlei buitensporige vlagen overgaf, die onbegrensde vreugde wel eens veroorzaakt; maar verre van eenige neiging tot twisten te toonen, was hij, zoo mogelijk, tienmaal beter gestemd dan als hij nuchter was.
Om de waarheid te zeggen, bestaat er geene grootere dwaling dan de algemeen heerschende meening, dat menschen, die knorrig en twistziek zijn in hunne dronkenschap, zeer waardige menschen zijn in een nuchteren toestand; want de drank verandert, in de werkelijkheid, de natuur niet, en schept ook geene hartstogten in de menschen, welke zij niet vroeger bezaten. De drank berooft ons slechts van de hoede der rede, en dwingt ons bij gevolg, om die verschijnselen te openbaren, welke vele menschen, als zij nuchter zijn, zeer kunstig weten te verbergen. Onze driften worden daardoor verhoogd en aangevuurd (vooral, de heerschende drift), zoodat de kwade luim, de verliefdheid, de edelmoedigheid, de goedheid, de gierigheid, en alle andere menschelijke aandoeningen, in de dronkenschap uitkomen en in het oog vallen.
Evenwel, daar geen volk zoo vele dronkenmanstwisten oplevert als het Engelsche, vooral onder de lagere klassen,—want drinken en vechten is inderdaad bij die menschen bijna synoniem,—zou het me spijten als men daaruit opmaken wilde dat de Engelschen de kwaadaardigste menschen ter wereld zijn. Misschien dat daaronder slechts de zucht naar roem schuilt, zoodat het billijker schijnt tot het besluit te komen, dat ons volk meer van die zucht en meer dapperheid bezit, dan eenige andere Plebejers. En dit te meer, daar er zelden iets onedels, oneerlijks of kwaadaardigs bij deze gelegenheden opgemerkt wordt. Ja, het is zelfs de gewoonte der strijders, zelfs gedurende den twist, onderling blijken te geven van de meeste welwillendheid, en even als hunne dronkene vreugde gewoonlijk met een gevecht eindigt, zoo eindigen ook de meeste hunner gevechten met de vriendschap.
Maar, om tot ons verhaal terug te keeren. Hoewel Jones geen blijk had gegeven van iemand te willen beleedigen, gevoelde zich de heer Blifil zeer gekrenkt door een gedrag, zoo ten eene male in strijd met de bedaardheid en voorzigtigheid van zijn eigen karakter. Hij verduurde het ook met des te meer ongeduld, daar het hem op dit oogenblik zeer onbetamelijk scheen.
„Nu,” zeide hij, „dat het geheele huisgezin treuren moest over het verlies zijner eigene dierbare moeder, hoewel het den Hemel behaagd had hun eenig vooruitzigt te geven op het behoud van den heer Allworthy, zou het hun meer betamen, door een dankgebed hunne vreugde te uiten, dan door luidruchtige dronkenschap, die meer geschikt was den goddelijken toorn op te wekken, dan dien af te keeren.”
Thwackum, die meer dan Jones gedronken had, maar zonder er iets van te voelen, bekrachtigde de vrome woorden van Blifil; maar Square, om redenen, welke de lezer gemakkelijk gissen zal, zweeg stil.
De wijn had Jones zoodanig beneveld, dat hij het verlies van mevrouw Blifil vergeten had, tot het nu weder vermeld werd. Daar er ook niemand ter wereld was, die gereeder kon zijn om zijne eigene dwalingen te bekennen en af te keuren, bood hij Blifil de hand, en smeekte hem om vergiffenis, verklarende, „dat zijne buitengewoon groote vreugde over het herstel van den heer Allworthy alle andere gedachten uit zijn hoofd verdreven had.”
Blifil weigerde met verachting hem de hand te geven, en hernam met veel verontwaardiging, „dat het niet te verwonderen was, dat iets dat tragisch was, geen indruk op een blinde maakte, dat, wat hem betrof, hij het ongeluk had van zijne ouders te kennen, en dus natuurlijk door hun verlies getroffen moest zijn.”
Jones die, niettegenstaande zijne goedaardigheid, eenigzins driftig van aard was, sprong woedend van zijn stoel op, en Blifil bij den kraag vattende, riep hij hem toe:
„Hoe! Gij vervloekte schelm! Wilt ge me beleedigen over het ongeluk mijner geboorte?”
Deze woorden gingen met zulk eene ruwe behandeling gepaard, dat Blifil’s vredelievendheid weldra bezweek en er eene worsteling volgde, welke kwaad had kunnen afloopen, als Thwackum en de geneesheer niet tusschenbeide gekomen waren; want de wijsgeerige Square was boven alle aandoeningen verheven en bleef zeer kalm zijne pijp rooken, zooals hij gewoonlijk deed bij gelegenheid van dergelijke twisten, tenzij hij vreesde dat men hem de pijp in den mond stuk zou slaan.
Daar de strijdenden nu belet werden hun wrok op elkaar te koelen, behielpen zij zich met de gewone toevlugt van teleurgestelde woede, en gaven hun toorn lucht in bedreigingen en uitdagingen. In deze soort van tweestrijd scheen de overwinning, welke in het werkdadig gevecht naar de zijde van Jones overhelde, nu geheel en al zijn vijand te begunstigen.
Eindelijk echter werd er door tusschenkomst der onzijdige partijen een wapenstilstand gesloten, en het gezelschap nam weder plaats aan tafel, waar Jones overgehaald zijnde om zich weder te verontschuldigen, en Blifil om dat aan te nemen, de vrede weder hersteld werd, en alles in het vorige statu quo verkeerde.
Maar hoewel de twist schijnbaar voor goed bijgelegd was, keerde de goede luim, die gestoord was geworden, volstrekt niet terug. Alle opgeruimdheid was nu gebannen, en het gesprek dat volgde, bestond alleen uit het aanhalen van ernstige daadzaken en uit even ernstige opmerkingen dienaangaande;—eene soort van gesprek, welke, hoe waardig en leerzaam ook, weinig onderhoudend is. Daar wij echter alleen wagen het laatste aan den lezer aantebieden, zullen wij al hetgeen gezegd werd overslaan, tot de overigen van het gezelschap zich langzamerhand verwijderden, en Square en de dokter alleen bleven, als wanneer het gesprek eenigzins verlevendigd werd door eenige opmerkingen aangaande hetgeen gezegd was door de beide jonge heeren, welke de dokter beiden schelmen noemde, wat door den wijsgeer met een diepzinnig hoofdschudden goedgekeurd werd.
HOOFDSTUK X.
DE WAARHEID BEWIJZENDE VAN VELE OPMERKINGEN VAN OVIDIUS EN VAN ANDERE DEFTIGE SCHRIJVERS, DIE BOVEN ALLE BEDENKING BEWEZEN HEBBEN, DAT DE WIJN DIKWERF DE VOORBODE DER ONTUCHT IS.
Jones verliet het gezelschap, waarin wij hem gezien hebben, en begaf zich naar buiten, waar hij voornemens was zich door eene wandeling af te koelen, eer hij den heer Allworthy weer bezocht.
En dáár, terwijl hij zich opnieuw overgaf aan die gedachten aan zijne beminde Sophia, welke een tijdlang verjaagd waren geweest door de gevaarlijke ziekte van zijn vriend en weldoener, gebeurde er iets, dat wij met droefheid vermelden en dat men, zonder twijfel, ook met verdriet vernemen zal;—maar de waarheidsliefde van den geschiedschrijver, waaraan wij zoo gehecht zijn, dwingt ons toch het aan de nakomelingschap mede te deelen.