Chapter 23 of 84 · 3969 words · ~20 min read

Part 23

Het geheel eindigde met een vriendelijken glimlach van mejufvrouw Western, die zeide: „Broeder, ge zijt wezenlijk een echte Kroaat; maar even als dezen van eenig nut zijn in het leger der keizerin, zoo ook zijt gij niet heel en al van eenig goed verstoken. Ik zal dus nogmaals den vrede met u sluiten; pas maar op dat gij hem van uw kant niet schendt;—en daar gij zoo’n uitstekende diplomaat zijt, mag ik verwachten dat gij dat doen zult, even als de Franschen, tot het in uw eigen belang schijnt de rust te verstoren.”

HOOFDSTUK III.

BEVAT TWEE UITDAGINGEN DER RECENSENTEN.

Zoodra de landjonker alles met zijne zuster geschikt had, zoo als wij in het laatste hoofdstuk gezien hebben, werd hij zoo ongeduldig om de zaak aan den heer Allworthy mede te deelen, dat het zijner zuster de meeste moeite kostte om hem te beletten dien heer gedurende zijne ziekte op te zoeken.

De heer Allworthy had zijn woord al gegeven om bij den heer Western te komen dineren, ten tijde dat hij door zijne ziekte overvallen werd. Hij was dus naauwelijks bevrijd van de bewaking des geneesheers, toen hij er om dacht (wat altijd het geval bij hem was, zoowel met de geringste als met de gewigtigste zaken) om woord te houden.

In de tijdruimte tusschen het gesprek in het laatste hoofdstuk vermeld en dezen feestdag, was Sophia begonnen te vreezen, uit zekere wenken, welke hare tante zich liet ontvallen, dat deze scherpzinnige dame hare liefde tot Jones ontdekt had. Zij besloot dus nu, deze gelegenheid waar te nemen, om al dergelijke vermoedens ten eenenmale te smoren, en tot dat einde zoo streng mogelijk zich zelve te bewaken en te beheerschen. Ten eerste, trachtte zij een droevig kloppend hart te verbergen onder de meest mogelijke opgeruimdheid op haar gelaat, en de meeste vrolijkheid in hare houding. Ten tweede, rigtte zij hare woorden steeds tot den heer Blifil en vereerde den heelen dag den armen Jones niet met hare aandacht.

De landjonker was zoo verrukt over dit gedrag zijner dochter, dat bij ter naauwernood iets eten kon, en bijna den heelen tijd aan tafel doorbragt met de gelegenheden waar te nemen, om zijne tevredenheid door blikken en knipoogjes aan zijne zuster kenbaar te maken, die in het begin niet zoo zeer ingenomen was met hetgeen zij zag, als haar broeder dat was.

In één woord, Sophia overdreef hare rol zoodanig, dat hare tante eerst verlegen raakte en eenige gemaaktheid van den kant harer nicht veronderstelde; daar zij echter zelve eene zeer listige vrouw was, eindigde zij met dit ook aan list van den kant van Sophia toe te schrijven. Zij herinnerde zich de vele wenken, welke zij hare nicht over de verliefdheid had gegeven, en verbeeldde zich dat de jonge dame dezen weg ingeslagen had, om hare raadgevingen belagchelijk te maken door overdrevene beleefdheid;—een denkbeeld, waarin zij zeer versterkt werd door Sophia’s buitengewone opgewektheid. Wij kunnen hier niet nalaten op te merken, dat deze gissing waarschijnlijker zou zijn geweest, als Sophia een tiental jaren in de hoflucht doorgebragt had, waar de jonge dames wonderbaarlijk bedreven worden in het spelen en spotten met een hartstogt, die een zeer ernstig iets kan worden in bosschen en dalen op eenigen afstand van Londen.

Om de waarheid te zeggen, in het nagaan van de listen van anderen, scheelt het veel, of hunne onopregtheid,—als ik die uitdrukking bezigen mag,—opgewonden wordt met denzelfden sleutel als de onze, of niet; want zeer knappe menschen slaan den bal soms mis, door zich te verbeelden dat anderen wijzer, of met andere woorden, grooter schelmen zijn, dan wezenlijk het geval is. Daar deze opmerking tamelijk diepzinnig is, zal ik ze ophelderen door het volgende korte verhaal.

Drie boeren vervolgden een dief, uit Wiltshire, door de stad Brentford. Toen de eenvoudigste van hen eene herberg ontdekte, met het uithangbord: „In het Graafschap Wiltshire,” ried hij zijne vrienden aan daar binnen te gaan, want dat zij waarschijnlijk hun landsman daar zouden vinden. De tweede, die wijzer was, lachte om deze eenvoudigheid; maar de derde, die nog wijzer was, hernam: „Laat ons maar binnengaan; want hij zal zich welligt verbeeld hebben, dat wij niet vermoeden zullen, dat hij juist onder zijne landslieden schuilt.” Zij traden dus binnen, onderzochten het huis, en op die wijze kregen zij den dief niet, die op dien tijd hun slechts een klein eindje vooruit was, en die, zooals zij alle drie wisten, maar ook alle drie vergeten hadden, niet eens lezen kon!

De lezer zal me eene uitweiding ten goede houden, waarin zulk een onschatbaar geheim medegedeeld wordt,—daar iedere speler toestemmen zal, dat het hoogst noodzakelijk is het spel van zijne tegenpartij te kennen, als men hem behoorlijk tegenwerken zal. Het zal hem, bovendien, doen inzien, waarom (wat zoo vaak het geval is), de wijze zoo dikwerf door den dwaas gefopt wordt, en waarom vele eenvoudige en onschuldige menschen zoo menigmaal verkeerd begrepen en verkeerd voorgesteld worden;—maar hetgeen van het meeste belang is, het zal hem de wijze verklaren waarop Sophia hare zoo diplomatieke tante fopte.

Zoodra het eten afgeloopen was, nam de heer Western, die nu volkomen overtuigd was van de juistheid van hetgeen zijne zuster hem medegedeeld had, den heer Allworthy ter zijde, en stelde hem kortaf een huwelijk voor tusschen Sophia en den jongen Blifil.

De heer Allworthy was volstrekt niet de man om zich te laten opwinden door eenig onverwacht vooruitzigt op een of ander wereldsch voordeel. Zijn geest was inderdaad beheerscht door die wijsbegeerte welke den mensch en den christen betaamt. Hij veinsde volstrekt niet geheel verheven te zijn boven alle geluk en verdriet; maar liet zich evenmin door elken toevalligen rukwind medesleepen,—noch door een glimlach, noch door een somberen blik van het noodlot. Hij hoorde dus het voorstel van den heer Western aan zonder eenige zigtbare aandoening, of blijk van ontroering op zijne gelaatstrekken. Hij zeide, dat hij opregt naar die verbindtenis verlangde, en uitte daarop eenige zeer billijke lofspraken op de verdiensten van de jonge dame; bekende dat het voorstel, uit een wereldsch oogpunt, zeer voordeelig was, en na den heer Western bedankt te hebben voor de gunstige gevoelens welke hij omtrent zijn neef koesterde, besloot hij met te zeggen, dat als de jonge lieden van elkaar hielden, hij niets liever verlangde dan de zaak tot een gunstigen uitslag te brengen.

Western gevoelde zich eenigzins teleurgesteld door dit antwoord van den heer Allworthy, dat veel koeler luidde dan hij verwacht had. Hij behandelde de vraag of de jongelieden van elkaar hielden met de meeste minachting, en zeide:

„Dat ouders eigenlijk het best wisten welke huwelijken het meest voor hunne kinderen pasten; dat, wat hem zelven betrof, hij de meest onbeperkte gehoorzaamheid van zijne dochter eischte, en dat als er een jong mensch ter wereld bestond, die het hart had zulk een slaapkameraad te weigeren, hij zijn onderdanige dienaar was,—en dat het daarmede uit was!”

Allworthy trachtte zijne ontevredenheid tot bedaren te brengen door Sophia hoog te roemen, en verklaarde dat hij er niet aan twijfelde dat de heer Blifil zich zeer gestreeld zou voelen door het vooruitzigt dat hem geopend werd; maar dit bleef alles te vergeefs; hij kon geen ander antwoord van Western verkrijgen, dan: „Nou! Ik zeg geen woord meer;—ik hoop maar dat ik niets verkeerds gezegd heb,—en daarmede uit!” En deze woorden herhaalde hij ten minste honderdmaal dien avond eer zij scheidden.

Allworthy kende zijn buurman te goed om zich beleedigd te gevoelen door diens gedrag, en hoewel hij zoo afkeerig was van de strengheid, welke sommige ouders jegens hunne kinderen in acht nemen ten opzigte van een huwelijk, dat hij besloten had nooit de keuze van zijn neef te dwingen, was hij desniettemin zeer ingenomen met het vooruitzigt op deze vereeniging; want de heele landstreek weergalmde van Sophia’s lof, en hij zelf bewonderde evenzeer hare uiterlijke en innerlijke gaven. Ik geloof ook hierbij te mogen voegen, dat hoewel hij te verstandig was om te dweepen met haar groot vermogen, hij te redelijk was om het te minachten.

En hier, in weerwil van alle keffende recensenten ter wereld, moet en wil ik eene afwijking maken, aangaande de ware wijsheid, waarvan de heer Western wezenlijk een even volmaakt voorbeeld opleverde als van goedheid.

De ware wijsheid dan, niettegenstaande al hetgeen de arme dichter van Hogarth tegen de rijkdommen geschreven moge hebben, en in weerwil van al wat rijke, weldoorvoede theologanten gepreekt hebben tegen het genot, bestaat niet in de verachting van een van beide. Een man, in het bezit van een ruim vermogen, kan even wijs zijn als eenige bedelaar ter wereld, of hij kan zich verheugen in het bezit eener schoone vrouw, of van een hartelijken vriend, en toch niet minder wijs zijn dan eenige norsche roomsche kluizenaar, die al zijne maatschappelijke vermogens begraaft en zijn buik uithongert terwijl hij zich den rug geesselt.

Om de waarheid te zeggen: de wijsste man heeft de beste kans om alle wereldsche zegeningen in hooge mate te genieten; want, even als die matigheid, welke door de wijsheid voorgeschreven wordt, de zekerste gids is tot nuttigen rijkdom, zoo kan ook die wijsheid alleen ons in staat stellen om vele genoegens te smaken.

De wijze voldoet aan alle lusten en hartstogten, terwijl de dwaas alles opoffert om er in te zwelgen tot verzadiging toe.

Men zal welligt hiertegen aanvoeren, dat somtijds zeer wijze mannen zeer gierig zijn geweest. Ik antwoord, dat zij niet wijs waren in dit opzigt. Men zal ook welligt zeggen, dat de wijsste menschen in hunne jeugd onmatig zijn geweest in het najagen van genoegens. Ik antwoord, dat zij toen niet wijs waren.

De wijsheid, in één woord, wier lessen voorgesteld worden als zoo moeijelijk voor diegenen welke nooit hare school bezocht hebben, leert ons slechts een eenvoudigen regel,—die algemeen bekend en beoefend wordt in het dagelijksche leven,—wat uit te breiden, en die luidt, om voor niets meer te geven dan het waard is.

Wie nu dezen regel in het oog houdt op de groote markt van de wereld en dien steeds toepast op eerbewijzen, rijkdommen en genoegens, en op alle waren welke die markt oplevert, is, dat durf ik te beweren, een wijs man, en moet als zoodanig beschouwd worden in de wereldsche beteekenis van het woord; want hij sluit er de voordeeligste koopjes, daar hij in wezenlijkheid alles verkrijgt tegen eenige weinige moeite en al de goede dingen door mij vermeld, naar huis brengt, terwijl hij zijne gezondheid, onschuld, en goeden naam, de gewone prijs dien anderen betalen, ongeschonden voor zich bewaart.

Door deze matigheid leert hij ook twee andere lessen, welke zijn karakter volmaken. Ten eerste om nooit bedwelmd te zijn als hij een uitmuntend koopje gedaan heeft, ten anderen om nooit neerslagtig te zijn als er niets te koop is, of als de marktprijzen te duur zijn voor zijn doen.

Maar ik moet het onderwerp van mijn geschrijf niet vergeten, noch het geduld van den goedaardigen recensent al te zeer op de proef stellen. Ik maak dus hier een einde aan dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK IV.

BEVATTENDE VERSCHILLENDE WONDERLIJKE ZAKEN.

Zoodra de heer Allworthy te huis kwam, riep hij den heer Blifil tot zich en, na eenige inleiding, deelde hij hem het voorstel van den heer Western mede, en vertelde hem tevens hoe gewenscht hem zelven het huwelijk voorkwam.

Sophia’s bekoorlijkheden hadden hoegenaamd geen indruk op Blifil gemaakt;—niet dat zijn hart al door eene andere in beslag genomen was, of dat hij geheel ongevoelig was voor de schoonheid, of eenigen afkeer van de vrouwen had; maar zijne driften waren van nature zoo matig, dat hij in staat was gesteld door de wijsbegeerte, of door de studie, of door iets anders, om ze gansch meester te blijven, en wat dien hartstogt aangaat, waarvan wij gesproken hebben in het eerste hoofdstuk van dit boek, hij had er geen greintje van in zijn gestel.

Maar hoewel hij zoo vrij was van dien gemengden hartstogt, door ons daar behandeld, en waarvoor de schoonheid en de deugden van Sophia zulk een bekoorlijk onderwerp opleverden, was hij toch rijk begaafd met eenige andere driften, die zich groote voldoening verschaffen konden door het genot van het fortuin der jonge dame. Zoodanige hartstogten waren geldzucht en eerzucht, die zamen de heerschappij voerden in zijn gemoed. Hij had al meer dan eens het bezit van dit vermogen als iets zeer gewenscht beschouwd, en eenige onbestemde plannen dienaangaande gekoesterd; maar zijne eigene jeugd en die der jonge dame, en vooral de bedenking, dat de heer Western welligt weder trouwen zoude en kinderen krijgen, had hem van eenigen onvoorzigtigen en overhaasten stap teruggehouden.

Dit laatste en grootste bezwaar was nu, grootendeels, opgeheven, daar het voorstel van den heer Western zelven kwam. Dus, na zich zeer kort bedacht te hebben, gaf Blifil aan den heer Allworthy tot antwoord, dat het huwelijk eene zaak was, waaraan hij nog niet gedacht had, dat hij echter zoo dankbaar was voor al zijne liefderijke en ouderlijke zorg, dat hij zich in alles naar zijne wenschen zou voegen.

Allworthy was levendig van aard, en zijn ernst ontstond uit echte wijsheid en niet uit eenige aangeborene ongevoeligheid. Want hij was zeer vurig geweest in zijne jeugd en had eene schoone vrouw alleen uit liefde getrouwd. Hij was dus niet zeer tevreden met het koele antwoord van zijn neef, en kon niet nalaten luide Sophia te roemen en zich te verwonderen, dat het hart van een jong mensch wederstand kon bieden aan dergelijke bekoorlijkheden, als het niet reeds met eene vroegere liefde vervuld was.

Blifil verzekerde hem, dat er niets van dien aard bij hem bestond, en ging toen voort zoo uitvoerig en godsdienstig over de liefde en het huwelijk te spreken, dat hij een man, die veel minder vroom was dan zijn oom, tot stilzwijgen zou gebragt hebben. Eindelijk werd de goede man overtuigd, dat hij, wel verre van iets tegen Sophia te hebben, integendeel die achting voor haar koesterde, welke in een rein en deugdzaam hart de zekere grondslag der liefde is. Daar hij nu er niet aan twijfelde dat de minnaar binnen kort zich aangenaam zou weten te maken bij de uitverkorene, voorzag hij het meeste geluk voor alle partijen, als zulk een geschikt en gewenscht huwelijk eenmaal gesloten was.

Met toestemming van den heer Blifil dus, schreef hij den volgenden morgen aan den heer Western, en meldde hem dat zijn neef blijmoedig en met de meeste dankbaarheid het voorstel aangenomen had, en gaarne zijne opwachting bij de jonge dame zou maken, zoodra het haar behaagde hem te ontvangen.

Western was zeer ingenomen met dezen brief, en zond er onmiddellijk antwoord op, waarbij hij, zonder een enkel woord aan zijne dochter gezegd te hebben, dien zelfden namiddag voor het eerste tooneel der vrijaadje bestemde.

Zoodra hij den bode daarmede verzonden had, ging hij zijne zuster zoeken, die hij druk bezig vond met de courant te lezen en het nieuws aan dominé Supple uit te leggen. Hij moest bijna een kwartier luisteren naar deze verklaring, hoewel het den van natuur zoo driftigen man zeer zwaar viel zoo lang te wachten eer hij den mond open mogt doen. Eindelijk echter kreeg hij de gelegenheid om der dame te zeggen, dat hij haar iets van groot belang moest mededeelen, waarop zij hernam:

„Broeder, ik sta geheel tot uwe dienst. Alles in het noorden van Europa ziet er zoo goed uit, dat ik buitengewoon in mijn schik ben.”

De predikant verwijderde zich nu en Western maakte haar bekend met hetgeen er gebeurd was, haar verzoekende de zaak aan Sophia uit te leggen, wat zij gaarne, zonder eenig bezwaar, op zich nam;—hoewel haar broeder welligt iets te danken had aan den gunstigen toestand van het noorden van Europa, waardoor zij zoo verrukt was, dat zij geene aanmerkingen maakte op zijne handelwijze, die zeker eenigzins al te overhaast en driftig was geweest.

HOOFDSTUK V.

WAARIN VERHAALD WORDT WAT ER TUSSCHEN SOPHIA EN HARE TANTE VOORVIEL.

Sophia was op hare kamer, bezig met lezen, toen hare tante binnen trad. Zoodra zij mejufvrouw Western ontwaarde, sloeg zij het boek zoo overhaast digt, dat de goede dame niet nalaten kon haar te vragen, wat dat voor ’n boek was, dat zij niet scheen te durven laten zien?

„Wezenlijk, tante,” hernam Sophia, „het is geen boek dat ik vrees, of dat ik me schaam gelezen te hebben. Het is het werk eener jonge dame uit de groote wereld, wier gezond verstand, dunkt me, haar geslacht eer aandoet, en wier goed hart der menschelijke natuur tot sieraad strekt.”

Mejufvrouw Western nam het boek daarop ter hand, maar wierp het dadelijk weder neder, met de woorden:

„Ja, de schrijfster is iemand van zeer goede familie; maar zij gaat niet veel om met menschen, die men kent. Ik heb het boek nooit gelezen; want de meest bevoegde beoordeelaren zeggen, dat er niet heel veel in is.”

„Ik durf mijne eigene meening niet te handhaven tegen zulke regters, tante,” zei Sophia; „maar het schijnt me zeer natuurlijk geschreven te zijn, en op vele plaatsen is het zoo aandoenlijk en rein, dat het me al menige traan gekost heeft.”

„Zoo! Houdt ge dus van weenen?” vroeg de tante.

„Ik houd van eene zachte aandoening,” hernam de nicht; „ik heb altijd gaarne eene traan voor zoo iets over.”

„Maar,” zei de tante, „laat me zien wat ge juist laast toen ik binnen kwam; er was zeker iets zeer teeders en liefdevols daarin! Ge bloost, mijne lieve Sophia! O, kind! Ge moest boeken lezen, die u een weinig huichelarij leerden, met de kunst van uwe gedachten wat beter geheim te houden.”

„Ik hoop, tante, dat ik geene gedachten heb, die ik me schamen moest te bekennen,” hernam Sophia.

„U schamen! Neen,” riep hare tante, „ik geloof ook niet dat er iets in uw hart is waarvoor ge u schamen moest, en toch bloosdet ge, kind, toen ik straks van liefde sprak.—Lieve Sophia, wees overtuigd dat ge geen enkele gedachte koestert, die mij niet even goed bekend is, kind, als al onze voornemens aan de Franschen, lang eer wij ze ten uitvoer brengen! Denkt ge, kind, omdat ge in staat waart uw vader te foppen, dat ge mij foppen kondt? Verbeeldt ge u dat ik de reden niet begreep van al die overdrevene, gemaakte vriendelijkheid jegens den heer Blifil gisteren? Ik heb al te veel van de wereld gezien, om mij zoo te laten misleiden! Neen, neen! Bloos maar niet weêr! Ik zeg u, dat het eene genegenheid is, waarover ge u volstrekt niet behoeft te schamen.—Het is eene genegenheid die ik zelve goedkeur, en ik heb reeds uwen vader er toe gebragt ze goed te keuren. Inderdaad echter, heb ik alleen uwe wenschen in aanmerking genomen; want die zou ik altijd willen ingewilligd zien waar dat mogelijk is, al offerde men ook grootere vooruitzigten daaraan op. Kom, kom! Ik heb tijdingen, welke u van ganscher harte verblijden zullen! Schenk mij uw vertrouwen, en ik neem het op mij om al uwe wenschen te doen verwezenlijken.”

„Wel, tante,” stamelde Sophia, die verlegener werd dan ooit te voren in haar geheel leven; „ik weet waarlijk niet wat ik zeggen moet.—Maar, hoe, tante, hebt ge eenig vermoeden opgevat,—”

„Kom!” hernam mejufvrouw Western, „geen veinzen meer! Bedenk maar dat gij tot iemand spreekt van uw eigen geslacht, tot uwe tante, en, zoo als gij overtuigd zijt, naar ik hoop, tot eene vriendin. Bedenk maar, dat gij slechts bekent, wat ik reeds weet, en dat ik gisteren zeer goed die listige geveinsdheid doorzag, die gij aan den dag legdet, en die iedereen gefopt zou hebben die de wereld niet volmaakt kende. Eindelijk, vergeet niet dat ik uwe neiging in alle opzigten goedkeur.”

„O tante,” zuchtte Sophia, „ge overvalt me zoo—’t komt zoo onverwacht! ’t Is waar, tante, ik ben niet blind,—en zeker, als het verkeerd is, alle menschelijke volmaaktheden in één persoon vereenigd te zien—maar is het mogelijk, tante, dat gij en mijn vader er ook zoo over denkt als ik?”

„Ik heb u al gezegd, kind,” hernam de tante, „dat wij alles goedkeuren, en uw vader heeft al bepaald, dat gij heden namiddag uw beminde ontvangen zult.”

„Mijn vader! Heden namiddag!” riep Sophia, verbleekende.

„Ja, kind, heden namiddag,” antwoordde hare tante; „gij kent de onstuimigheid van mijn broeder. Ik maakte hem bekend met de neiging, welke ik eerst in u ontdekt had dien avond, toen ge in het bosch in zwijm vielt. Ik zag wat het was, dat u flaauw deed vallen. Ik zag het dien avond aan tafel, en den volgenden morgen aan het ontbijt:—ge weet, kind, dat ik de wereld ken! Nu, zoodra ik uw vader daarmede bekend maakte wilde, hij het aan Allworthy voorstellen. Hij deed dat gisteren; Allworthy gaf zijne toestemming,—wat heel natuurlijk is,—met de meeste vreugde, en ik herhaal het, heden moet ge uw best beentje vooruit zetten!”

„Heden namiddag al!” riep Sophia. „Lieve tante! Ik zal het besterven!”

„O wat dat betreft, kindlief,” hernam hare tante, „daarover maak ik me niet ongerust;—want, ik beken het gaarne, hij is een allerliefste jongen!”

„Ik moet ook bekennen,” zei Sophia, „dat ik niemand ken, die hem evenaart. Zoo moedig en toch zoo zacht; zoo geestig en toch zoo goedig; zoo menschlievend, beleefd, echt fatsoenlijk en innemend van uiterlijk! Wat komt het er op aan dat zijne afkomst zoo ongelukkig is, als hij zulke gaven bezit!”

„Zijne afkomst ongelukkig! Wat bedoelt gij toch?” riep de tante. „De afkomst van mijnheer Blifil zoo ongelukkig?”

Sophia verbleekte zoodra zij dien naam hoorde, en herhaalde hem flaauw waarop, hare tante uitriep:

„Mijnheer Blifil! Ja, mijnheer Blifil! Of, over wien hebben wij dan gepraat?”

„Genadige hemel!” riep Sophia, op het punt van in zwijm te vallen, „ik dacht dat gij mijnheer Jones bedoeldet; ik weet zeker dat ik niemand ken, die verdient—”

„Ik verklaar,” riep hare tante, „dat ik het nu ben die verschrik! Is de heer Jones en niet de heer Blifil, uw uitverkorene?”

„De heer Blifil!” herhaalde Sophia; „dat kan u toch geen ernst zijn? Zoo ja, dan ben ik het ongelukkigste meisje ter wereld!”

Mejufvrouw Western zweeg nu eenige oogenblikken, terwijl hare oogen van drift schitterden. Eindelijk, al de kracht harer stem bijeenzamelende, bulderde zij de volgende afgebrokene woorden uit:

„En is het mogelijk! Zoudt ge uwe familie willen onteeren door u met een bastaard te verbinden? Zou het bloed der Westerns zich aan zulke besmetting moeten onderwerpen? Als ge geen verstand genoeg bezit, om zulke monsterachtige driften te beteugelen, moest onze familietrots u beletten om in het minst toe te geven aan eene neiging die zoo verachtelijk is; en vooral moest ge de onbeschaamdheid niet hebben, mij zoo iets zonder omwegen te bekennen!”

„Tante,” hernam Sophia, „hetgeen ik gezegd heb, hebt ge me afgeperst. Ik herinner me niet dat ik ooit te voren, tegen wien ook, van den heer Jones met eenige vooringenomenheid gesproken heb, en ik zou dat ook nu niet gedaan heb als ik niet overtuigd was geweest, dat hij door u goedgekeurd werd. Hoe ik ook over dien armen, ongelukkigen jongeling gedacht heb, dat had ik met mij in het graf willen nemen.—In het graf, waar ik alleen voortaan rust zal vinden!”

Hier zeeg zij op een stoel neder, overweldigd door een vloed van tranen, en in de aandoenlijke stilte van haar onuitsprekelijk lijden, leverde zij een gezigt op, dat den hardvochtigste had moeten vermurwen.

Haar overgroot leed wekte echter volstrekt geen mededoogen bij hare tante op. Integendeel, ontvlamde deze nu in blakende drift.

„Ja,” riep zij, met eene geweldige stem, „en ik zou u liever naar het graf geleiden, dan zien dat gij u en uwe familie onteerdet door een dergelijk huwelijk! O Hemel! Hoe had ik kunnen denken dat ik het beleven zou eene nicht mij hare liefde tot zulk een mensch te hooren bekennen! Gij zijt de eerste,—ja, gij mejufvrouw Western, zijt de eerste van uw naam, die ooit zulk eene verachtelijke gedachte koesterde. En dat in eene familie zoo beroemd wegens het gedrag harer vrouwen!”