Part 55
Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en uitsluitend de mijne zullen beschouwen.
Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.
Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de vrijheid nam om zes er van over te schrijven in een zijner dramatische werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.
HOOFDSTUK II.
WAARIN (HOEWEL DE LANDJONKER ZIJNE DOCHTER NIET VINDT) IETS GEVONDEN WORDT DAT EEN EINDE MAAKT AAN ZIJNE VERVOLGING.
De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.
De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar inhalen kon.
Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij, na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar Worcester reed.
Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en verwenschingen.
De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.
„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra, door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat gij binnen zeer kort compos voti zult wezen.”
„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige vorst!”
Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren, wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen, terwijl Western uitriep:
„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had, daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil gebed doende, de achterhoede uitmaakte.
Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep, naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed van haar man, om het arme diertje te vervolgen.
Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden was over de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat, hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”
Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen, beide op hem toepassen.
De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift, en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in ’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.
Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen, dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor den volgenden zondag te bedenken.
De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.
Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid te denken; want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over; dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn rang.
Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier, dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de beide landjonkers ook op zijn landjonkers.
Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.
Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de nederlaag hem tot schande strekt.
Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen naar huis terug te keeren.
Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen avond uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.
HOOFDSTUK III.
HET VERTREK VAN JONES UIT UPTON, EN HETGEEN ER TUSSCHEN HEM EN PARTRIDGE ONDERWEG VOORVIEL.
Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten, daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen hebben.
Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.
De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op dat oogenblik te Upton te krijgen waren.
Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge even droefgeestig bij elke schrede.
Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij inslaan moesten.
„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen kondet om mijn raad te volgen!”
„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”
„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „om onmiddellijk regtsomkeert te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag u wel excuus: sed vox ea sola reperta est.”
„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld. De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—
Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees ooit vroeger gedaan had.
Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders getroffen had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.
Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is; want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.
Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde, wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.
Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”
Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken de landjonker gevolgd had, en door louter toeval, bevond hij zich op het pad door Sophia zelve gekozen.
Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand was.
Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten, vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.
Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.
„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt. Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein, dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik droomde van nacht van niets dan vechten, en het kwam me voor dat me het bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer, „infandum, regina, jubes renovare dolorem!”
„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide sneuvelen;—maar, wat dan?”
„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar? Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen, welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja! dan is het uit met den armen Partridge!”
„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen zouden.”
„Dulce et decorum est pro patria mori. Mors et fugacem persequitur virum, Nec parcit imbellis juventae Poplitibus, timidoque tergo.”
„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo opdreunt.”
„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een zeer onhandige dichter.”
„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven! Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven, Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld, Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”
„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker! Mors omnibus communis! Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander; neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd, en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank! dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft, ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”
„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit weer driftig zou maken!”
„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat hij gaarne heelshuids naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus! Ik heb in de grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is! Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat! Daar staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”
HOOFDSTUK IV.
EEN AVONTUUR MET EEN BEDELAAR.
Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide: „dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”
Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand ziet?”
En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar een geldstuk.
„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief is, alleen omdat hij geen geld heeft.”
Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf het Jones in handen.