Chapter 37 of 84 · 3918 words · ~20 min read

Part 37

Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen, een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen, was vroeger, zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van alle methodistische begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast moet wezen, die in haar huis ontevreden is.

Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk eene lange wandeling, welkom zijn geweest.

Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent, zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.

Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het gezigt van Jones, dien hij bij den heer Allworthy gezien had,—in wiens keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den keldermeester.

Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen aanspraak kon maken.

Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze, waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap te houden.

Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge kwast was?”

Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”

„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”

„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.

„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals iedereen weet, en vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur uitjoeg.”

„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u vragen, hoe deze lieve jongen heet?”

„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”

„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten heeft?”

„Juist,” zei de andere.

„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”

„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”

De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin schrikte, en een eind aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren dat zij alles geloofde wat hij vertelde.

Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij wel begrijpt dat ik er niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek bekend.”

Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.

Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk man als de heer Jones zelf.”

Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig plaatsen tegelijk te kunnen zijn.

De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken; maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid, welke wij reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat, dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.

Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid, begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die, daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk, hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.

Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd beoordeeld en gelasterd wordt.

Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel op te pakken en zijn vriend te volgen.

HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE VERSCHEIDENE GESPREKKEN TUSSCHEN JONES EN PARTRIDGE OVER DE LIEFDE, DE KOUDE, DEN HONGER EN ANDERE DINGEN, MET DE GELUKKIGE EN WONDERBAARLIJKE REDDING VAN PARTRIDGE, TOEN HIJ OP HET PUNT WAS VAN EENE NOODLOTTIGE ONTDEKKING AAN ZIJN VRIEND TE DOEN.

De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken. Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook den heelen nacht te kunnen opblijven.

Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge niet onmiddellijk op deze vraag antwoordde, ging hij voort met de schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op, die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.

„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke hartstogten te gevoelen.”

„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk, wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum! Ik zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”

„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed! Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”

„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge: „Interdum stultus opportune loquitur.”

„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”

„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”

„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik heb vast besloten om verder te gaan.”

„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil als om den mijne; en daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. I prae, sequar te.”

Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”

„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de drommel de maan halen, met hare horens er bij!”

„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones. „Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw geheugen gewischt?”

„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn als ik nooit de liefde gekend had. Infandum, regina jubes renovare dolorem! Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het bittere van dien hartstogt leeren kennen!”

„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.

„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil, mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”

„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”

„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?” antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe armen zult hebben.”

„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”

„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”

„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar, welken raad wildet gij me geven?”

„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te vinden.”

„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de dienst van Koning en vaderland.”

„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden. En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn. Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde me een dag of wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde, zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”

„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne godsdienst spreekt.”

„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”

„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”

„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft, zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”

„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te worden.”

Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones; want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke dame, door Hudibras vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook. Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde, welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij zich vergiste.

Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.