Part 70
„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”
„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”
„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”
„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”
„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”
„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”
„Gij wilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”
„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”
„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!
„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”
„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”
„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.
„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”
Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.
HOOFDSTUK X.
EEN KORT HOOFDSTUK, TOT BESLUIT VAN DIT BOEK.
De lange afwezigheid van den oom en zijn neef had eenige ongerustheid doen ontstaan bij de achterblijvenden,—te meer, daar in den loop van het hier voorafgegane onderhoud, de oom meer dan eens de stem verheven had, zoodat men hem beneden in huis had kunnen hooren,—wat, ofschoon men niet onderscheiden kon wat hij zeide, bij Nancy en hare moeder, en inderdaad ook bij Jones zelven, eenige kwade vermoedens opgewekt had.
Zoodra dus het gezelschap weder bijeen was, bespeurde men eene zigtbare verandering op aller gelaatstrekken, en de opgeruimdheid, welke te voren op elk gezigt gestraald had, was nu geweken voor eene veel minder aangename uitdrukking. Het bragt inderdaad eene verandering te weeg, welke niets ongewoons heeft in dit klimaat, waar zonneschijn en wolken, Junij en December elkaar telkens afwisselen. Deze verandering werd echter niet bijzonder opgemerkt door iemand der aanwezigen; want daar allen druk bezig waren met hunne eigene gedachten te verbergen en met eene rol te spelen, hadden zij zelve te veel te doen dan dat zij den tijd zouden gehad hebben, om iets van het tooneel waar te nemen. Dus ontdekte noch de oom noch de neef eenig spoor van kwade vermoedens op het gelaat der moeder of dochter, en dezen letten van haar kant niet op de overdrevene beleefdheid van den grijsaard, noch op de geveinsde voldoening waarmede de jonge man hem aangrijnsde.
Het komt mij voor, dat men dikwerf iets dergelijks kan opmerken, als de oplettendheid van twee vrienden geheel geboeid is door de rollen welke beide spelen, ten einde elkaar te foppen, en dus geen van beide ziet, of vermoedt, de list welke tegenover hem gebezigd wordt, en dus beide strijders, om geen ongepast beeld hier te gebruiken, elkaar een steek toebrengen.
Om dezelfde reden, is het niets vreemds, dat beide partijen bij een koop gefopt worden, hoewel de eene steeds meer verliezen moet dan de andere,—zooals hij die een blind paard verkocht en betaald werd met eene valsche banknoot.
Na verloop van ongeveer een half uur, scheidde ons gezelschap, en de oom voerde zijn neef mede, maar niet eer deze fluisterend aan jufvrouw Nancy verzekerd had, dat hij haar den volgenden morgen vroeg bezoeken zoude, om al zijne beloften te vervullen.
Jones, die het minst betrokken was in dit tooneel, begreep er het meeste van. Hij vermoedde inderdaad de geheele waarheid; want behalve dat hij de groote verandering in de houding van den oom, den afstand waarop hij zich hield, en zijne overdrevene beleefdheid jegens jufvrouw Nancy opmerkte, was het medenemen van den bruidegom op dat uur van den avond iets zoo buitengewoons, dat het alleen verklaard kon worden door de vooronderstelling dat de jonge Nightingale de geheele waarheid verteld had,—wat nog waarschijnlijker werd wegens zijne bekende openhartigheid en wegens de opgewondenheid, welke hij aan den wijn te danken had.
Terwijl Jones nog bij zich zelven overlegde of hij deze arme menschen met zijne vermoedens zou bekend maken, kwam hem de meid waarschuwen, dat er eene vrouw was, die verlangde om hem te spreken. Hij verliet de kamer dadelijk, en het licht van de meid nemende, bragt hij zijne bezoekster naar boven,—die niemand anders bleek te zijn dan mejufvrouw Honour, welke hem zulke verschrikkelijke tijdingen mededeelde omtrent zijne Sophia, dat hij onmiddellijk alle andere menschen vergat, en al zijn medelijden noodig had voor zijne eigene rampen en van die zijner ongelukkige beminde.
Wat deze verschrikkelijke zaak was, zal de lezer spoedig vernemen, nadat wij eerst de veelvuldige gebeurtenissen verhaald hebben welke daartoe aanleiding gaven,—en die het onderwerp van het volgende boek zullen uitmaken.
BOEK XV.
Waarin de geschiedenis omtrent twee dagen vooruit gaat.
HOOFDSTUK I.
TE KORT OM EEN INHOUDSOPGAVE TE EISCHEN.
Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.
Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.
Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.
Ik heb nu geen tijd om zulk een ruim veld van bespiegeling als dit te betreden;—mijn eenig voornemen was dan ook om eene leer af te breken, die mij thans hinderlijk is, daar, terwijl de heer Jones de meest deugdzame rol speelde die bedenken kan, en zijne medemenschen trachtte te redden van den ondergang, de duivel, of eenige andere booze geest, welligt een in menschelijke gestalte, zich de meeste moeite gaf om hem geheel ongelukkig te maken door het verderf zijner Sophia.
Dit zou dus eene uitzondering schijnen op bovengenoemden regel;—maar, daar wij in onzen eigen levensloop zoovele uitzonderingen er op gezien hebben, verkiezen wij de leer waarop die regel steunt te betwisten, als onchristelijk, terwijl wij overtuigd zijn dat ze onwaar is, en dat ze inderdaad in strijd is met een der edelste gronden welke de rede oplevert voor het geloof aan de onsterfelijkheid.
Daar echter des lezers nieuwsgierigheid (als hij er eenige bezit), thans geprikkeld en wakker gemaakt zal zijn, zullen wij er dadelijk toe overgaan om daaraan te voldoen.
HOOFDSTUK II.
WAARIN EEN ZEER ZWARTE AANSLAG TEGEN SOPHIA GEOPENBAARD WORDT.
Ik herinner me een wijzen ouden heer, die plagt te zeggen, „als kinderen niets doen, voeren zij kwaad uit.” Ik zal dit wonderlijk gezegde niet algemeen uitstrekken tot de schoonste wezens der geheele schepping; maar men zal mij vergunnen te beweren, dat als de uitwerksels der vrouwelijke ijverzucht zich niet openlijk vertoonen in hare eigene kleuren van drift en woede, wij wel veronderstellen mogen dat die booze hartstogt in stilte werkzaam is, en tracht datgene te ondermijnen wat ze niet openlijk aanvalt.
Dit bleek duidelijk uit het gedrag van Lady Bellaston, die in weerwil van den glimlach op haar gelaat, in haar harte veel wrok koesterde tegen Sophia; en daar zij best zag, dat deze jonge dame tusschen haar en het vervullen harer begeerten stond, besloot zij zich op de eene of andere wijze van haar te bevrijden;—het duurde ook niet lang eer zich eene zeer gewenschte gelegenheid daartoe aan haar aanbood.
De lezer zal zich herinneren, dat, toen Sophia in den schouwburg verschrikt werd door de geestigheid en luimigheid van zekere jonge heeren, die aan de stad den toon wilden geven, zij zich aan de bescherming van een jongen edelman toevertrouwde, die haar veilig naar haren draagstoel bragt.
Deze edelman, die Lady Bellaston dikwerf bezocht, had Sophia herhaaldelijk gezien sedert hare aankomst te Londen, en had al eene groote neiging tot haar opgevat,—welke neiging, daar de schoonheid zich nooit bekoorlijker voordoet dan wanneer zij in nood verkeert, zoo vermeerderd was door den angst, waarin hij Sophia had gezien, dat men zonder veel overdrijving wel zeggen kon, dat hij werkelijk op haar verliefd was geworden.
Men zal ligt begrijpen, dat hij de gunstige gelegenheid, welke zich thans aanbood om het beminde voorwerp nader te leeren kennen, niet liet voorbijgaan,—terwijl zelfs de dagelijksche beleefdheid eischte dat hij haar een bezoek kwam brengen.
Den morgen na de voorstelling in den schouwburg, dus, maakte hij zijne opwachting bij Sophia met de gewone pligtplegingen, en hoopte dat zij geene kwade gevolgen ondervonden had van het avontuur van den vorigen avond.
Daar de liefde, even als het vuur, wanneer het eens brandt, spoedig tot eene vlam aangeblazen wordt, voltooide Sophia ook nu weldra hare verovering. De tijd vloog dus ongemerkt voorbij, en de edele Lord was al twee uren bij de dame geweest, eer het hem inviel dat hij zijn bezoek te lang gerekt had. Ofschoon deze omstandigheid op zich zelve Sophia, die een beter begrip van den tijd had, reeds verontrust zou hebben, vond zij in de blikken van haar minnaar nog duidelijker bewijzen van hetgeen er in zijn hart omging;—ja, hoewel hij zijne liefde niet onbewimpeld verklaarde, waren toch enkele zijner uitdrukkingen veel te vurig en teeder om alleen aan beleefdheid te worden toegeschreven, zelfs in een tijd toen eene beleefdheid in zwang was,—waarvan juist het tegenovergestelde de thans heerschende mode is.
Lady Bellaston had, bij zijne komst, het bezoek van Milord vernomen, en de lengte daarvan overtuigde haar dat de zaken volkomen den loop namen, welken zij wenschte, en welken zij inderdaad verondersteld had reeds den tweeden keer dat zij het jonge paar bij elkaar had gezien. Zij begreep ook,—en me dunkt, met regt,—dat zij de zaak volstrekt niet bevorderen zou door zich aan het gezelschap op te dringen, en beval dus aan hare bedienden, om aan Milord te zeggen, als hij wegging, dat zij verlangde hem te spreken, terwijl zij den tusschentijd besteedde om een plan te beramen, welks uitvoering zij zich overtuigd gevoelde, dat Milord gaarne op zich nemen zoude.
Lord Fellamar (zoo als deze jonge edelman heette) was dus pas bij haar binnengeleid, toen zij hem op de volgende wijze aanviel:
„Wel, Milord! Zijt gij nog hier? Ik dacht dat de knecht zich vergist had, en dat hij u had laten weggaan, zonder dat ik u over eene belangrijke zaak had kunnen spreken.”
„Inderdaad, Lady Bellaston,” zeide hij, „het verwondert me geenzins dat gij verbaasd zijt over den langen duur van mijn bezoek, want ik ben meer dan twee uren hier geweest, en ik dacht niet eens een halfuurtje gebleven te zijn.”
„Wat moet ik hieruit opmaken, Milord?” vroeg zij. „Het moet zeer aangenaam gezelschap zijn, dat den tijd zoo snel doet voorbijgaan.”
„Op mijn woord,” hernam hij, „het aangenaamste gezelschap, dat ik ooit ontmoet heb. Zeg me toch, Lady Bellaston, wie is deze schitterende ster, die gij zoo plotseling onder ons hebt laten opgaan?”
„Welke schitterende ster, Milord?” vroeg zij, met geveinsde verwondering.
„Ik bedoel,” antwoordde hij, „de dame, die ik onlangs hier ontmoette, die ik gisteren avond avond in den schouwburg den arm gaf, en bij wie ik thans dat vreesselijk lange bezoek afgelegd heb.”
„O, mijn nichtje Western!” riep zij. „Wel! die schitterende ster, Milord, is niemand anders dan de dochter van een lompen landjonker, en is nu eerst sedert veertien dagen in de stad.”
„Bij mijne ziel!” riep hij, „men zou zweren dat zij aan het hof groot gebragt was;—ik heb van mijn leven zoo veel fatsoenlijkheid, zoo veel verstand en zoo veel hoffelijkheid niet bij elkaar gezien!”
„O dat is kostelijk!” riep de dame. „Mijne nicht heeft u al ingepakt!”
„Op mijn woord van eer,” hernam hij, „ik wilde maar dat zij mij inpakken wilde; want ik ben tot gek wordens toe op haar verliefd.”
„Nu, Milord,” antwoordde zij, „gij wenscht u zelven werkelijk geen groot kwaad toe; want zij heeft veel vermogen;—zij is een eenig kind, en zij zal zeker van haar vader ruim drie duizend pond ’s jaars erven.”
„Dan verzeker ik u, mevrouw,” hernam de edelman, „dat ik haar houd voor de beste partij in geheel Engeland.”
„Nu, Milord,” zei de dame, „als gij werkelijk zin in haar hebt, wenschte ik van harte dat gij haar tot vrouw hadt.”
„Indien gij zoo gunstig over mij denkt, mevrouw,” hernam Milord, „zult gij mij dan de eer willen doen, als hare aanverwante, om uit mijn naam aanzoek te doen bij haren vader om hare hand?”
„Is het u werkelijk ernst?” riep de dame, met geveinsde deftigheid.
„Ik hoop, mevrouw,” antwoordde hij, „dat gij te goed over mij denkt, dan dat gij u zoudt willen verbeelden, dat ik gekheid maakte bij zulk eene gewigtige zaak?”
„Dan zal ik werkelijk heel gaarne de zaak aan haar vader mededeelen,” zei de dame, „en ik geloof u vooraf te mogen verzekeren, dat hij zich door uw aanzoek, Milord, zeer vereerd zal gevoelen; maar er bestaat toch één bezwaar, dat ik me bijna schaam te vermelden, en toch is het er een, dat gij nooit te boven zult komen! Gij hebt een mededinger, Milord, dien, al moet ik blozen om hem te noemen, noch gij, noch de geheele wereld overwinnen zult.”
„Op mijn woord, Lady Bellaston,” riep hij, „gij brengt me een slag toe, die me vreesselijk treft!”
„Foei, Milord,” hernam zij, „ik wil liever hopen dat ik u met nieuw vuur bezield heb. Een minnaar, die het zoo spoedig opgeeft! Ik verbeeldde me, dat gij me eerder naar den naam van uw mededinger zoudt gevraagd hebben, ten einde dadelijk tegen hem in het strijdperk te treden.”
„Ik verzeker u, mevrouw,” hernam hij, „dat er al heel weinig is, dat ik niet zou willen ondernemen, om den wille uwer bekoorlijke nicht; maar, ik bid u, wie is toch de gelukkige?”
„Wel!” zei de dame, „hij is, zoo als ik me schamen moet te bekennen,—even als de meeste door de vrouwen begunstigde gelukkige mannen, een der gemeenste menschen ter wereld! Hij is een bedelaar, een bastaard, een vondeling,—nog verachtelijker dan een uwer knechts, Milord!”
„En zou het mogelijk zijn,” riep hij, „dat zulk een volmaakt wezen als uwe nicht, zich op zulk eene onwaardige wijze zou wegwerpen?”
„Helaas, Milord,” hernam de dame, „denk aan hare opvoeding ten platten lande! Het platte land is het bederf voor alle jonge meisjes! Zij vatten daar allerlei romantische begrippen van de liefde op, en leeren een boel dwaasheid er bij, welke naauwelijks in den loop van een geheel saizoen hier in de stad uit te roeijen is.”
„Wezenlijk, mevrouw,” hernam de edelman, „uwe nicht is veel te voortreffelijk om op die wijze ongelukkig gemaakt te worden. Zulk een ramp moet voorkomen worden!”
„Helaas!” riep zij; „hoe zou dat mogelijk zijn? De familie heeft al het mogelijke gedaan, Milord: maar het meisje is, geloof ik, behekst, en laat zich niet door de rampen welke haar dreigen, afschrikken. Ja, om u de geheele waarheid te zeggen, ik vrees haast te een of anderen tijd te vernemen, dat zij zich door hem heeft laten schaken.”
„Gij treft me zeer door al wat gij mij mededeelt, mevrouw,” hernam Milord, „en in plaats van mijne liefde voor uwe nicht te verminderen, wekt gij slechts mijn medelijden op. Er moeten werkelijk middelen bedacht worden om zulk een juweel te bewaren! Hebt gij getracht, Milady, om zelve met haar te redeneren?”
Hier veinsde de dame te lagchen, en riep uit: „Mijn waarde vriend, gij moest toch de vrouwen te goed kennen om te praten van redeneren met een meisje over de liefde! Zoo’n juweeltje is op dat punt even doof als de juweelen waarmede zij zich opschikt. De tijd, Milord, de tijd is het eenige geneesmiddel voor hare dwaasheid;—maar ik ben overtuigd dat het een geneesmiddel is, dat zij niet gebruiken zal;—ja, elk uur sidder ik voor haar! Met één woord,—een middel van geweld is het eenige dat hier toegepast kan worden.”
„Wat is dat?” riep Milord. „Wat middel is er op te vinden?—Is er eenig middel ter wereld?—O, Lady Bellaston! Ik zou alles willen ondernemen om zulk een prijs te winnen!”
„—Nu—maar—neen,—ik weet niet,—” hernam de dame, na eene korte stilte,—en daarmede afbrekende, wachtte zij een oogenblik en riep toen uit: „Op mijn woord, dat meisje doet mijn verstand stil staan!—Als zij gered zal worden, moet er dadelijk iets gedaan worden;—en, zoo als ik gezegd heb,—zonder geweld kan men het doel niet bereiken.—Als gij, Milord, werkelijk zoo veel met mijne nicht op hebt, als gij zegt, (en om haar regt te doen,—behalve deze ééne dwaze neiging, welker verkeerdheid zij spoedig inzien zal, is zij in alle opzigten uwe liefde waardig)—nu, dan geloof ik, dat er wel één middel bestaat,—dat inderdaad heel pijnlijk is, en waaraan ik haast niet durf denken;—het zou ook veel moed eischen, dat verzeker ik u!”
„Ik geloof niet dat het me juist daaraan ontbreekt, mevrouw,” zeide hij, „en ik hoop niet dat gij me op dat punt wantrouwt. Het zou inderdaad al een heel groot gebrek aan moed wezen, dat mij bij zulk eene gelegenheid deed terugdeinzen.”
„Wel, Milord,” hernam zij, „ik ben ver van u te wantrouwen;—maar vrees haast dat de moed mij begeven zal;—want ik moet heel veel op het spel zetten! Met één woord, ik moet iets aan uwe eer toevertrouwen, dat eene wijze vrouw, om welke reden ook, haast nooit aan eenig man ter wereld toevertrouwen zal.”
Op dat punt gelukte het aan Milord haar ook gerust te stellen; want zijn naam was heel goed en de openbare meening liet hem slechts regt wedervaren, als ze ook goed van hem sprak.
„Nu dan, Milord,” zeide zij; „maar neen,—ik—ik—kan er toch niet aan denken. Neen! het moet niet gebeuren!—ten minste niet voor dat alle andere middelen beproefd zijn!—Kunt gij u verder vrij houden en heden hier eten? Gij zult dan in de gelegenheid wezen om mejufvrouw Western iets nader te leeren kennen.—Ik verzeker u, dat wij geen tijd verliezen mogen! Er zal niemand anders komen dan Lady Betsy, mejufvrouw Eagle en de kolonel Hamsted met Thomas Edwards. Die gaan allen vroeg weg,—en ik zal voor niemand anders te huis geven. Dan kunt gij, Milord, iets ongedwongener uwe gevoelens uiten. Ja—ik zal ook iets bedenken, waaruit gij u overtuigen kunt van hare gevoelens omtrent dien anderen, van wien ik u gesproken heb.”
Milord nam deze uitnoodiging, na de behoorlijke pligtplegingen aan, en zij scheidden nu om zich te kleeden,—daar het reeds drie uur des voormiddags—of naar de oude wijze van rekenen,—des namiddags was.
HOOFDSTUK III.
EENE NADERE UITLEGGING VAN HET BERAAMDE PLAN.
Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland bloeide.
Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.