Chapter 45 of 84 · 3980 words · ~20 min read

Part 45

„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat om zulke ellendelingen te straffen!”

„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch ik!”

„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld genoeg gekost!”

„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt den koning en dat is hoogverraad!”

„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.

„Ja, dat hebt ge gedaan!” hernam de sergeant; „ge hebt het leger verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt het precies op hetzelfde neder!”

„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik neen. Non sequitur!”

„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren verwenschen!”

„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking een non sequitur was.”

„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de sergeant. „Zelf sequitur! Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig pond!”

Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen, en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar sloeg de weddingschap af, waarop beiden onmiddellijk de rokken uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem genoeg overhield om genade te vragen.

De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in huis.

De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,” voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt. Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”

Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.

De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde, dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien, bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene andere bezeten wordt.

HOOFDSTUK VII.

BEVATTENDE BREEDVOERIGE OPHELDERINGEN OMTRENT MEVROUW WATERS EN DE WIJZE WAAROP ZIJ IN DIEN TREURIGEN TOESTAND GERAAKTE, WAARUIT ZIJ DOOR JONES GERED WERD.

Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.

Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen zal, koesterde om te weten hoe mevrouw Waters in dien vreemden toestand gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de geheele waarheid openbaren moest.

Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek eindigen zullen.

Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch, zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.

Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt. Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te verleenen.

Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde, was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.

Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.

De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om de waarheid te zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste gedeelte der schepping.

Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde; want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor eene regtbank niet vrij te pleiten waren.

Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit punt, begonnen zij zamen onmiddellijk daarover te raadplegen.

Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar te bestelen.

Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.

Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.

Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen minnaar bij te blijven.

Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben, zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.

Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.

Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep, stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt was.

Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden, welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.

En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel, zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.

BOEK X.

Waarin de geschiedenis omtrent twaalf uren vooruit gaat.

HOOFDSTUK I.

BEVATTENDE ZEER NOODZAKELIJKE ONDERRIGTING VOOR DE HEDENDAAGSCHE RECENSENTEN.

Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.

Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en verkeerd voorgesteld hebben.

Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u niet onmiddellijk duidelijk is op welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het slot er van gezien heeft.

Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een slechten recensent.

Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.

Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld, het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf; maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.

Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van Juvenalis te wettigen:

„—Nulla virtute redemptum A vitiis.” [8]

Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.

Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten, quas humana parum cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.

En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw goedvinden, ons verhaal weder opvatten.

HOOFDSTUK II.

DE AANKOMST VAN EEN IERSCHEN HEER, MET DE ZEER VERBAZENDE AVONTUREN IN HET LOGEMENT, DIE DAAROP VOLGDEN.

Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe, wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement, de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.

Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of er eenige dame in huis was?

Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.

„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet om haar te ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van het land maken!”

Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.

Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters te brengen.

Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken. Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou willen laten zien.

Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval, de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.

Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop in de kamer viel.

Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het bed verscheen (met schaamte en leedwezen moeten wij het bekennen)—onze held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.