Chapter 75 of 84 · 3983 words · ~20 min read

Part 75

„Wel! Zoo als ik zeide, mijnheer, het duurde al heel lang eer hij wist wie ik was;—want ik ben ook werkelijk zeer veranderd sedert wij elkaar zagen. Non sum qualis eram! Ik ben heel ongelukkig geweest, en niets doet den mensch meer veranderen dan het leed;—ik heb wel eens hooren zeggen, dat het eens menschen haar in één nacht kan doen vergrijzen. Hoe dat ook zij, hij herkende me eindelijk, dat is waar; want wij zijn beide van denzelfden leeftijd en zijn zamen op de armen-school geweest. George was wel een groote stommerik, maar dat komt er niet op aan;—niet alle menschen komen in de wereld vooruit naar verhouding tot hunne geleerdheid! Dat durf ik gerust zeggen; daar heb ik mijne redenen voor;—maar over honderd jaren, zal het er niet op aan komen! Nu, mijnheer—wacht eens! Waar was ik?—O ja!—nu—zoodra wij elkaar herkenden, drukten wij elkaar hartelijk de hand en spraken af om naar de kroeg te gaan, en een glas bier zamen te drinken;—en gelukkig, was het, geloof ik wel, het beste bier, dat ik nog geproefd heb, sedert ik te Londen ben.—Nu, mijnheer, nu kom ik tot de zaak; want naauwelijks had ik u genoemd en hem verteld hoe gij en ik zamen naar Londen gekomen en bij elkaar gebleven waren, of hij bestelde eene tweede kan, en zwoer, dat hij op uw welzijn zou drinken;—en dat deed hij, zoo hartelijk, dat het me verheugde te zien dat er nog zoo veel dankbaarheid in de wereld bestond;—en toen het bier op was, zeide ik, dat ik ook eene kan betalen wilde, en die ledigden wij ook op uwe gezondheid, en daarop haastte ik me naar huis te komen om u het nieuws te melden.”

„Welk nieuws?” riep Jones. „Gij hebt me nog geen enkel woord van Sophia gezegd!”

„Heere mijn tijd! dat had ik haast vergeten! En wij praatten toch eene heele boel over jufvrouw Western en George vertelde me alles, en hoe mijnheer Blifil naar Londen komt om haar te trouwen. „Dan moet hij zich haasten,” zeide ik; „of iemand anders zal haar nemen, eer hij daar is, en werkelijk mijnheer Seagrim,” zei ik, „’t zou ook duizendmaal jammer zijn als die iemand anders haar niet kreeg; want hij houdt zeker meer van haar dan van alle andere vrouwen ter wereld! Ik wilde wel dat gij en zij ook begreept, dat het hem niet om haar geld te doen is; want, dat kan ik u verzekeren, wat dat aangaat,—dat er eene andere dame is, iemand die van veel hooger stand is en die veel meer geld heeft dan jufvrouw Sophia, die zoo veel van zeker iemand houdt dat zij hem dag en nacht naloopt.””

Hier viel Jones Partridge driftig in de rede omdat hij hem op die wijze verraden had; maar de arme kerel verzekerde dat hij geene namen genoemd had.

„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „gij kunt er gerust op aan dat George uw vriend is, en hij zeide meer dan eens dat mijnheer Blifil naar den drommel kon loopen,—ja, dat hij alles ter wereld zou willen doen om u te dienen;—en ik ben ook overtuigd dat hij het meende.—Wat! U verraden? Ik twijfel zelfs of gij, na mij, een beteren vriend ter wereld hebt dan George, of iemand, die meer zou willen doen om u te helpen!”

„Nu,” zei Jones, eenigzins verzacht, „gij vertelt me dat deze kerel, die wel geneigd zal zijn mij te dienen, in hetzelfde huis met Sophia woont?”

„In hetzelfde huis?” hernam Partridge. „Wel zeker, mijnheer, hij is daar in dienst, en ik verzeker u dat hij heel goed gekleed is, en zonder dien zwarten baard, niet te herkennen zou zijn.”

„Eéne dienst kan hij mij zeker doen,” zei Jones: „hij kan zeker middelen vinden om een brief van mij aan Sophia over te brengen.”

„Juist, mijnheer! Gij treft den spijker op den kop—ad unguem!” riep Partridge. „’t Is vreemd dat ik daaraan niet dacht! Maar ik ben overtuigd dat hij het op zich zal nemen, zoodra men het hem vraagt.”

„Nu dan,” hernam Jones, „laat me thans alleen, en ik zal een brief opstellen, welken gij hem morgen vroeg moet geven;—want ge zult wel weten waar hem te vinden.”

„O ja, mijnheer,” zei Partridge, „ik zal hem zeker weder vinden;—daar ben ik niet bang voor. Het bier was veel te goed dan dat hij lang weg zou blijven. Ik twijfel niet dat hij er elken dag komen zal zoo lang hij in de stad is.”

„Dus weet gij niet eens den naam van de straat waar Sophia woont?” riep Jones.

„Of ik hem weet!” zei Partridge.

„Nu! Hoe is dan de naam van de straat?” vroeg Jones.

„De naam, mijnheer? Wel! ’t Is hier vlak in de buurt! Eene straat of wat verder. Precies den naam weet ik wel niet: want daar hij er niets van zeide, had het zijne verdenkingen kunnen gaande maken, als ik er naar gevraagd had. Neen, neen, mijnheer! Laat mij maar begaan! Daar ben ik te slim voor, dat beloof ik u!”

„Ge zijt inderdaad wonderbaarlijk slim!” hernam Jones. „Maar ik zal toch mijn brief schrijven, daar ik overtuigd ben dat ge slim genoeg zult wezen om hem morgen in de kroeg te vinden.”

En thans den zeer wijzen Partridge ontslagen hebbende, ging de heer Jones aan het schrijven, en wij verlaten hem voor een oogenblik terwijl hij op die wijze bezig blijft. Hiermede eindigen wij ook het vijftiende boek.

BOEK XVI.

Bevattende den tijd van vijf dagen.

HOOFDSTUK I.

OVER VOORREDENEN.

Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.

Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.

Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.

Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.

Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.

Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.

Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.

Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.

HOOFDSTUK II.

EEN DWAAS AVONTUUR VAN DEN LANDJONKER,—EN DE TREURIGE TOESTAND DER ARME SOPHIA.

Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.

Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.

Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.

Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”

In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.

Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.

Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.

„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”

De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.

„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”

Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:

„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”

„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”

„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”

„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt, mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”

„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”

„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”

„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”

„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”

„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”

„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”

Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.

De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheen onmiddellijk op het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:

„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”

„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”

„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”

„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”

De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:

„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”

Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.

Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.

De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.

Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:

„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”

„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”

„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”

„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”

„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”

„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”

„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”

„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”

Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:

„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen, alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”

Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:

„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”

„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”

„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”