Chapter 24 of 84 · 3984 words · ~20 min read

Part 24

Op deze wijze hield zij een goed kwartier vol, tot zij, eerder haar adem dan hare woede uitgeput hebbende, met de bedreiging eindigde, dat zij alles dadelijk aan haar broeder zou gaan vertellen.

Sophia wierp zich nu aan hare voeten, en hare handen grijpende, smeekte zij haar met tranen datgene geheim te houden, wat zij haar ontlokt had, terwijl zij wees op de heftigheid van haar vader, en betuigde dat niets ter wereld haar overhalen zou iets te doen om hem te grieven.

Mejufvrouw Western bleef haar een oogenblik aanzien en na zich bedacht te hebben, zeide zij, „dat zij slechts onder ééne voorwaarde het geheim voor haar broeder verzwijgen zou, en deze was, dat Sophia beloven zou dienzelfden namiddag den heer Blifil als haar aanstaande te ontvangen, daar hij in elk geval haar echtgenoot zou worden.”

De arme Sophia was te zeer in de magt harer tante, om haar wat ook te kunnen weigeren; zij was dus in de noodzakelijkheid van te beloven dat zij mijnheer Blifil ontvangen en zoo beleefd mogelijk tegen hem zoude zijn; maar zij smeekte hare tante het huwelijk niet dadelijk doorte drijven. Zij voegde er bij, „dat zij volstrekt niet ingenomen was met den heer Blifil, en dat zij hoopte eindelijk haar te kunnen overhalen om haar niet tot de ellendigste vrouw ter wereld te maken.”

Hare tante verzekerde haar, „dat het huwelijk besloten was, en dat er niets was dat het kon of mogt afbreken.”

„Ik moet bekennen,” voegde zij er bij, „dat ik het als eene onverschillige zaak beschouwde;—ja, dat ik welligt vroeger er eenige bezwaren in had,—die ik overwon, omdat ik me verbeeldde dat het zoo zeer naar uw zin was; maar thans beschouw ik het als de meest wenschelijke verbindtenis ter wereld, en, wat mij betreft, zal er geen oogenblik verloren gaan eer het huwelijk gesloten is.”

Sophia hernam; „Ik hoop ten minste, tante, dat gij en mijn vader de goedheid zult hebben, mij eenig uitstel te geven. Ge zult me zeker den tijd laten om den sterken afkeer, welken ik thans voor dien heer gevoel, te overwinnen.”

De tante echter antwoordde, „dat zij de wereld te goed kende om zich te laten foppen; dat daar zij overtuigd was dat een ander man haar hart bezat, zij haren broeder aanraden zou het huwelijk hoe eerder hoe liever te laten doorgaan. Het zou inderdaad,” voegde zij er bij, „eene slechte taktiek zijn om eene belegering te rekken, als een vijandelijk leger in de nabijheid is, gereed om ze te doen opbreken. Neen, neen, Sophia,” zeide zij, „daar ik overtuigd ben van de hevigheid uwer liefde, waaraan ge nooit met eer voldoen kunt, zal ik mijn best doen uwe eer niet langer aan de hoede uwer familie toe te vertrouwen; want als ge eens getrouwd zijt, zullen dergelijke zaken alleen uw man aangaan. Ik hoop, kind, dat ge steeds de wijsheid zult hebben u op eene betamelijke wijze te gedragen; maar, als gij dat niet doet, heeft een huwelijk menige vrouw voor de schande bewaard.”

Sophia begreep zeer goed wat haar tante bedoelde, maar achtte het beter haar geen antwoord te geven. Zij besloot echter den heer Blifil te ontvangen, en zoo beleefd jegens hem te zijn als zij over zich kon verkrijgen; want het was slechts op deze voorwaarde dat hare tante beloven wilde het geheim harer liefde te bewaren, dat het ongeluk, eerder dan eenig bepaald plan van mejufvrouw Western, haar had doen verraden.

HOOFDSTUK VI.

BEVATTENDE EEN GESPREK TUSSCHEN SOPHIA EN JUFVROUW HONOUR, HETWELK MISSCHIEN WAT VAN DIE AANDOENING ZAL VERZACHTEN, WAARMEDE DE GOEDAARDIGE LEZER HET VOORAFGAANDE TOONEEL BIJGEWOOND HEEFT.

Zoodra mejufvrouw Western van hare nicht de voormelde belofte verkregen had, verwijderde zij zich en werd straks vervangen door jufvrouw Honour. Zij was aan het werk geweest in eene belendende kamer en werd tot het sleutelgat gelokt door de luidruchtigheid van het vorige tooneel, waarvan zij dus het grootste gedeelte bijgewoond had. Toen zij in de kamer trad, vond zij Sophia bewegingloos staan, terwijl de tranen langs hare wangen biggelden. Hierop deed zij haar best, om in hare eigene oogen een paar tranen te doen blinken en begon:

„Heere mijn tijd, jufvrouw! wat is er toch te doen?”

„Niets,” hernam Sophia.

„O lieve jufvrouw! Niets?” riep Honour; „dat moet gij niet zeggen als ik u in zulk een toestand vind, en er zulk een hevige twist geweest is tusschen u en mejufvrouw Western!”

„Plaag me niet,” riep Sophia; „ik zeg u, het is niemendal!”

„Nou!” hernam Honour, „dat kunt ge me toch niet wijs maken, jufvrouw, dat gij om niemendal zoo bedroefd zoudt zijn! Maar vergeet niet, jufvrouw, dat ik u altijd trouw gediend heb, en dat ik mijn leven veil zou hebben in uwe dienst!”

„Mijne lieve Honour,” zei Sophia, „ge zijt niet bij magte iets voor mij te doen. Ik ben reddeloos verloren!”

„Dat verhoede de hemel!” hernam de kamenier; „maar, als ik niets voor u doen kan, jufvrouw, zal het toch eenige troost zijn, als ik weet wat er gebeurd is.”

„Mijn vader wil me uithuwelijken, aan iemand dien ik haat en veracht!” riep Sophia.

„O lieve jufvrouw!” hernam de andere, „en wie is die slechte man? Want hij moet zeer slecht zijn, of gij zoudt hem niet kunnen verachten.”

„Zijn naam is mij als vergif in den mond,” antwoordde Sophia; „gij zult hem vroeg genoeg hooren noemen!”

Daar het meisje er echter reeds mede bekend was, toonde zij niet al te veel nieuwsgierigheid op dat punt; maar ging aldus voort: „Ik vermeet me niet aan de jufvrouw raad te willen geven, daar zij zeker den raad van eene dienstbode niet noodig heeft; maar, dat is waar, er is geen vader in geheel Engeland, die mij tegen mijn zin uithuwelijken zou. En, mijnheer is zoo goed, dat als hij wist dat gij zoon’n afkeer hadt van dien heer, hij er niet op staan zou dat gij hem tot man naamt. En als ik verlof kreeg van u, mijnheer dat te zeggen——maar, het zou zeker beter opgenomen worden als het van u kwam;—daar gij u echter niet vernederen wildet dien akeligen vent te noemen,—”

„Ge vergist u zeer, Honour,” hernam Sophia: „mijn vader had al alles besloten eer hij mij er iets van zeide.”

„Dat maakt de zaak slechts des te erger!” riep Honour; „gij zijt het die met hem naar bed moet, en mijnheer niet! En hoewel een man een zeer knap mensch moge zijn, behoeft niet iedere vrouw hem even lief te vinden! Ik ben overtuigd, dat mijnheer nooit zóó uit zich zelven handelen zou! Ik wou maar dat zekere menschen zich met hunne eigene zaken bemoeiden;—als het hun geval was, dan zouden zij niet gaarne hebben, dat zij op deze wijze behandeld werden, en al ben ik slechts eene dienstmeid, ik kan best begrijpen dat niet alle mannen even zeer aan eene vrouw behagen. En wat helpt het ook voor de jufvrouw zoo’n groot vermogen te hebben, als zij zelve den man niet kiezen kan, die haar het best bevalt? Wel! Ik zeg niets; maar ’t is toch jammer dat zeker iemand niet van betere afkomst is;—hoewel, wat dat betreft, het mij niet zou kunnen schelen;—en al heeft hij zoo veel geld niet,—wat doet dat er toe? De jufvrouw heeft wel geld genoeg voor twee,—en aan wien zou zij ook haar geld beter kunnen besteden?—dat is waar! Want iedereen bekent dat hij de schoonste, knapste en liefste jongen is in het heele graafschap!”

„Hoe durft ge mij op zulke gekheden onthalen?” vroeg Sophia, met een zeer ernstig gezigt. „Heb ik u ooit tot zulke vrijheden aangemoedigd?”

„O jufvrouw! Ik vraag wel excuus! Ik bedoelde er niets kwaads mede,” hernam zij: „maar ’t is waar! Ik heb het me niet uit het hoofd kunnen zetten, sedert ik hem heden morgen zag. O, jufvrouw! Als gij hem maar gezien had, zooals ik hem straks zag, dan zoudt ge medelijden met hem hebben! Die arme jongen! Ik hoop maar dat hem geen ongeluk overkomen is; want ik heb hem zien rondloopen met ineen geslagen armen, en den heelen morgen met zulk een bedroefd gezigt, dat ik heilig verklaar, dat ik moeite had om niet te weenen.”

„Hem?” vroeg Sophia. „Wien meent ge?”

„Ach, dien armen mijnheer Jones!” antwoordde Honour.

„Hemel! Waar hebt ge hem gezien?” riep Sophia.

„Bij het kanaal, jufvrouw,” hernam Honour. „Daar heeft hij den heelen morgen op en neêr gewandeld, en eindelijk wierp hij zich op den grond neder;—ik geloof dat hij er nog ligt. En wezenlijk, als mijne bescheidenheid, als dienstbode, het niet belet had, dan zou ik hem opgezocht hebben. O, jufvrouw, toe! laat mij maar eventjes,—voor de aardigheid, gaan kijken of hij er nog ligt?”

„Gekheid!” zei Sophia. „Wel neen!,—neen! Wat zou hij daar nog doen? Ge kunt er op aan, Honour, dat hij al lang weg is. Bovendien,—waarom—waartoe,—waarom zoudt ge er heen gaan?—En—en—ik heb u voor iets anders noodig. Ga nu mijn hoed halen en de handschoenen;—ik zal met tante in het bosch gaan wandelen vóór tafel.”

Honour deed onmiddellijk wat haar bevolen werd, en Sophia zette den hoed op; maar toen zij in den spiegel keek, verbeeldde zij zich dat het lint van haren hoed haar niet goed stond, en zond hare kamenier dadelijk om een anderen te halen, waarop zij jufvrouw Honour herhaaldelijk op het hart drukte om geene reden ter wereld van haar naaiwerk op te staan, dat met den meesten spoed dien dag klaar moest komen, en nog iets mompelende over eene wandeling door het bosch, ging zij uit, juist in de tegenovergestelde rigting daarvan, en wandelde zoo snel als hare bevende ledematen haar dragen wilden, regtstreeks naar het kanaal toe.

Jones was er wel geweest, zoo als Honour verteld had; hij had inderdaad twee uren dáár gesleten dien morgen, in droevig gepeins over zijne Sophia, en was juist door het eene hek uit den tuin gegaan, op het oogenblik dat zij door het andere er in trad, zoodat die ongelukkige minuten, welke besteed waren aan het veranderen van een lint, belet hadden dat het minnend paar nu bijeen kwam;—eene zeer ongelukkige gebeurtenis, waaruit mijne schoone lezeressen niet nalaten zullen de zedeles te halen. En hier verbied ik ten strengste, alle mannelijke recensenten zich met eene omstandigheid te bemoeijen, welke ik alleen om den wille der dames vermeld heb, en waarop zij bij uitsluiting het regt hebben eenige aanmerking te maken.

HOOFDSTUK VII.

HET BEELD EENER DEFTIGE VRIJAADJE IN MINIATUUR, ZOO ALS DAT BEHOORT, EN EEN TOONEEL VAN MEER TEEDEREN AARD LEVENSGROOT GESCHILDERD.

Het is zeer juist door iemand (en welligt door meer menschen) opgemerkt, dat een ongeluk nooit alleen komt. Dit wijs gezegde werd nu in Sophia bewaarheid, daar zij niet alleen teleurgesteld werd door den man dien zij beminde niet te ontmoeten, maar zich ook aan de kwelling moest onderwerpen van zich op te schikken, ten einde het bezoek van iemand te ontvangen, dien zij haatte.

Dien namiddag, voor het eerst, maakte de heer Western zelf zijne dochter met zijn voornemen bekend; terwijl hij haar vertelde dat hij wel wist, dat hare tante haar al daarover gesproken had.

Sophia keek hier zeer ernstig, en kon niet beletten dat een paar tranen in hare oogen opwelden.

„Kom, kom!” zei Western; „laat ons geene meisjeskuren zien! Ik weet alles best! Zuster heeft me alles gezegd, dat verzeker ik je!”

„Is het mogelijk!” vroeg Sophia; „heeft tante me al verraden?”

„Ja, ja,” hernam Western; „ze heeft je verraden! O ja! Maar ge hebt u zelve gisteren aan tafel al verklapt! Ge toondet tamelijk duidelijk, dunkt me, wat ge in ’t hoofd hadt! Maar gij, jonge meisjes, weet eigenlijk nooit wat ge zelve wilt. En nu zit ge te greinen, omdat ik je uithuwen wil aan den man waarop ge verliefd zijt! Ik herinner me best dat uwe moeder juist zoo zanikte en maalde; maar dat was alles voorbij in de eerste vierentwintig uren na ons huwelijk. Mijnheer Blifil is een fiksche jongen en zal gaauw genoeg een einde maken aan al die kuren. Kom, helder maar op! Vlug! Ik wacht hem elk oogenblik hier.”

Sophia begreep nu dat hare tante haar geheim niet verraden had, en zij besloot dien treurigen namiddag met de meest mogelijke standvastigheid door te staan en zonder bij haar vader eenige verdenking optewekken.

Mijnheer Blifil kwam dan ook weldra aan, en de heer Western verwijderde zich spoedig en liet het jonge paar alleen.

Hierop volgde een stilzwijgen, dat bijna een kwartier duurde; want de heer die het gesprek beginnen moest, bezat al die betamelijke zedigheid,—welke men soms bedeesdheid noemt. Hij wilde herhaaldelijk beginnen met te spreken; maar de woorden begaven hem telkens als hij ze uitspreken wilde. Eindelijk braken zij los in een stortvloed van vergezochte en hoogdravende complimenten, die door Sophia beantwoord werden met ter neder geslagene blikken, halve buigingen, en hier en daar een beleefd woordje. Blifil, onervaren in den omgang met vrouwen, en zeer met zich zelven ingenomen, beschouwde dit gedrag als eene toestemming in zijne wenschen en toen Sophia,—met het doel om een tooneel aftebreken, dat haar ondragelijk werd,—opstond en de kamer verliet, schreef hij dit alleen toe aan bedeesdheid van haar kant, en troostte zich met de gedachte dat hij weldra genoeg van haar gezelschap zou genieten.

Hij was inderdaad volmaakt tevreden met de vooruitzigten welke hij meende te hebben; want, wat aangaat het geheele en volstrekte bezit van het hart zijner beminde, dat door meer romantische minnaren geëischt wordt, het kwam niet eens bij hem op naar zoo iets te verlangen.

Haar vermogen en hare persoon waren de eenige voorwerpen zijner wenschen, en hiervan rekende hij vast, spoedig in het onbepaalde bezit te zijn, omdat de heer Western zelf zoo zeer op het huwelijk gesteld was, en hij ook wist hoe gehoorzaam Sophia steeds aan haar vader was, en hoe onbeperkt ook deze laatste wilde gehoorzaamd worden. Aldus ondersteund, dacht hij, en tegelijk geholpen door de bekoorlijkheden welke hij vond in zijn eigen persoon en omgang, moest hij slagen bij eene jonge dame, wier hart, naar hij stellig meende, nog geheel vrij was.

Omtrent Jones koesterde hij zeker hoegenaamd geen ijverzucht, en ik heb dikwerf gedacht, dat dit nog al vreemd was. Misschien verbeeldde hij zich, dat de naam welken Jones had in den omtrek,—met hoeveel rede moge de lezer zelf beslissen,—van een der loszinnigste jongens in geheel Engeland te zijn, hem verachtelijk maken moest bij eene dame, wier zedigheid voorbeeldig was. Misschien werd elk vermoeden bij hem in slaap gewiegd door het gedrag van Sophia en van Jones zelven als zij zamen in gezelschap waren. Eindelijk was hij vooral overtuigd, dat een tweede mensch als hij was, volstrekt niet bestond. Hij verbeeldde zich Jones door en door te kennen, en koesterde veel minachting voor zijn verstand, daar hij zoo weinig voor zijn eigenbelang zorgde. Hij vreesde volstrekt niet dat Jones op Sophia verliefd was, en wat eigenbaat betrof, hij wist dat die zeer weinig woog bij zulk een dwaas mensch als Tom. Blifil dacht ook dat de zaak met Molly Seagrim voortgezet werd, en geloofde vast dat het op een huwelijk uitloopen zou; want Jones had wezenlijk, als kind, veel van hem gehouden en had geene geheimen voor hem, tot zijn gedrag, gedurende de ziekte van mijnheer Allworthy, zijn hart geheel van hem vervreemd had, en het was door den twist, bij deze gelegenheid uitgebroken, en die nog niet bijgelegd was, gekomen, dat de heer Blifil niets vernomen had van de veranderde zienswijze van Jones omtrent Molly.

Om al deze redenen, zag Blifil geene bezwaren in zijne vrijaadje met Sophia. Hij hield het er voor, dat zij zich gedragen had zoo als alle jonge dames bij een eerste bezoek van haren aanstaande, en alles was volmaakt met zijne verwachtingen in overeenstemming geweest.

De heer Western droeg zorg den minnaar zoodra hij de dame verliet, op te vangen. Hij vond hem zoo opgewonden over zijn welslagen, zoo verliefd op zijne dochter, en zoo tevreden over de wijze waarop zij hem ontvangen had, dat de oude man begon te springen, te dansen en door vele andere buitensporigheden zijne vreugde aan den dag te leggen; want het was hem onmogelijk op eenigerlei wijze zijne aandoeningen te beheerschen, en diegene, welke bovendreef, bragt hem steeds tot de dolzinnigste uitersten.

Zoodra Blifil, na vele hartelijke kussen en omhelzingen van Western ontvangen te hebben, vertrokken was, ging de goede landjonker zijn dochter zoeken, die hij met de buitensporigste betuigingen zijner verrukking overlaadde, terwijl hij haar verzocht zooveel zij maar verkoos aan opschik en juweelen te besteden, en verklaarde dat hij geen ander gebruik voor zijn geld wist, dan haar daarmede gelukkig te maken. Daarop omhelsde hij haar weder herhaaldelijk, met de meeste liefde, overlaadde haar met liefkozingen en verzekerde haar dat zij zijne eenige vreugde op deze wereld uitmaakte.

Sophia, die haren vader in deze vlaag van liefderijkheid vond, zonder bepaaldelijk de reden er van te beseffen (want dergelijke aanvallen van teederheid waren niets buitengewoons bij hem), hoewel de vlaag ditmaal iets heviger was dan gewoonlijk, dacht dat zij nooit eene betere gelegenheid zou hebben dan de tegenwoordige om haar hart aan hem bloot te leggen,—ten minste wat den heer Blifil betrof,—vooral daar zij zeer goed inzag, dat het weldra noodzakelijk zou zijn daaromtrent tot eene verklaring te komen. Na haren vader dus bedankt te hebben voor al zijne goedheid, voegde zij er met een onbeschrijfelijk aandoenlijken blik bij:

„En is het mogelijk dat mijn vader alleen bedacht is op het geluk zijner Sophia?” en toen Western dit met een zwaren vloek en een kus bekrachtigd had, greep zij zijne hand en voor hem nederknielende, smeekte zij hem, met vele betuigingen van kinderlijke liefde en pligtbesef, „haar niet tot het ongelukkigste schepsel ter wereld te maken, door haar te dwingen een man, dien zij haatte, te trouwen. Ik smeek u dit, vaderlief;” voegde zij er bij, „zoowel om uwent- als om mijnentwil, daar gij de goedheid hebt mij te verzekeren dat uw geluk van het mijne afhangt.”

„Hoe! Wat!” riep Western, met een verwarden blik.

„O vader,” vervolgde zij, „niet slechts het geluk maar, het leven uwer arme Sophia hangt af van uwe toestemming in dit verzoek. Ik kan met mijnheer Blifil niet leven. Het zou mij dooden, als men mij tot dit huwelijk dwong!”

„Gij kunt met mijnheer Blifil niet leven?” riep Western.

„Neen, vader, nooit!” hernam Sophia.

„Nu sterf dan,—en de drommel zal je halen!” bulderde hij, haar van zich afstootende.

„O vader!” riep Sophia, hem bij de rokpanden grijpende, „heb medelijden met mij:—ik smeek u daarom! Zie niet zoo boos!—spreek zulke wreede woorden niet!—Kunt gij ongevoelig blijven als uwe Sophia zich in zulk een rampzaligen toestand bevindt? Zou mijn beste vader mij het hart willen breken? Zou hij mij tot een langzamen, martelenden dood willen doemen?”

„Kom, kom!” zei de landjonker; „dat zijn niets dan meisjeskuren! Allemaal onzin! Jou dooden? Zal het huwelijk jou dooden?”

„O vader,” hernam Sophia, „zulk een huwelijk is erger dan de dood. Hij is me niet eens onverschillig; ik haat en verfoei hem!”

„Al verfoeit ge hem nog zoo erg,” riep Western, „nemen zult ge hem toch!” Dit bekrachtigde hij met een eed te verschrikkelijk, om hier herhaald te worden, en na vele heftige woorden, eindigde hij met te zeggen; „Ik ben tot dit huwelijk besloten, en als ge er niet in toestemmen wilt, zal ik je geen rooden duit geven,—en al zag ik je van honger sterven op straat, zou ik je geen stukje droog brood geven! Dat is nu mijn bepaald besluit en ik laat je alleen om er over na te denken.” Hij rukte zich daarop met zooveel geweld van haar los, dat zij met het aangezigt op den grond viel, waar zij bleef liggen, terwijl hij uit de kamer stoof.

Toen Western in den gang kwam, vond hij er Jones, die zoodra hij zag hoe woest, bleek en bijna ademloos zijn vriend was, niet nalaten kon te vragen wat hem in dien droevigen toestand gebragt had. Hierop maakte Western hem dadelijk bekend met al wat er gebeurd was, eindigende met vele bittere verwijtingen tegen Sophia gerigt en eenige zeer aandoenlijke klagten over de ellende van alle vaders, die het ongeluk hebben met dochters opgescheept te zijn.

Jones, voor wien al de voornemens ten gunste van Blifil tot dus ver geheim gebleven waren, stond in het begin als versteend bij dit verhaal; maar na zich een oogenblik bedacht te hebben, kwam hij er toe, gelijk hij later vertelde, schier uit wanhoop, om den heer Western een voorstel te doen, dat wat onbeschaamdheid betreft, zijn weerga zeker niet heeft. Hij vroeg namelijk verlof om bij Sophia te gaan, ten einde haar over te halen, zich naar den zin van haar vader te voegen.

Al ware nu de landjonker even scherpzinnig geweest als hij werkelijk stomp was, dan had toch zijne drift hem thans kunnen verblinden. Hij bedankte Jones dus voor zijne bereidwilligheid, en zeide:

„Ja, ja, ga maar bij haar; doe je best, en zie wat ge van haar gedaan kunt krijgen!”—waarop hij weder met vele verfoeijelijke vloeken betuigde, dat als zij niet in het huwelijk toestemde, hij haar de deur uitzetten zoude.

HOOFDSTUK VIII.

DE ONTMOETING TUSSCHEN JONES EN SOPHIA.

Jones haastte zich onmiddellijk om Sophia optezoeken, die hij pas van den grond opgestaan vond, waar haar vader haar verlaten had, met de tranen vloeijende uit hare oogen en het bloed van hare lippen. Hij vloog dadelijk naar haar toe en met eene stem, die van angst en aandoening beefde, riep hij uit: „O mijne Sophia, wat beteekent toch dit akelig gezigt?”

Zij zag hem een oogenblik teeder aan en antwoordde: „Mijnheer Jones! In ’s hemels naam, hoe komt gij hier? Verlaat mij dadelijk;—ik smeek u daarom!”

„Leg me zoo’n wreed bevel niet op,” zeide hij; „mijn hart bloedt sterker nog dan uwe lippen! O Sophia, hoe gaarne zoude ik niet al het bloed in mijne aderen uitstorten om slechts één druppel van het uwe te redden!”

„Ik heb u reeds te vele verpligtingen,” hernam zij; „zeker heb ik u al veel te danken!” Hier keek zij hem een oogenblik heel teeder aan, en dan riep zij snikkende uit: „O, mijnheer Jones, waarom hebt gij mij het leven gered? Het zou voor ons beide gelukkiger geweest zijn als ik gestorven ware!”

„Gelukkiger voor ons beide!” riep hij. „Zouden de wreedste martelingen mij zoo kunnen pijnigen als de dood van Sophia? Ik kan die vreesselijke gedachte niet verdragen.—Hoe zou ik zonder u leven?”

Er lag eene onbeschrijfelijke teederheid in zijne stem en zijne blikken terwijl hij dit zeide, en terzelfder tijd zachtjes hare hand vatte, welke zij niet terugtrok;—want, waarlijk, zij wist haast niet meer wat zij deed of toeliet. Eenige oogenblikken van stilzwijgen volgden nu tusschen de twee minnenden, terwijl hij de oogen op haar gevestigd hield en zij de haren nedersloeg;—eindelijk vermeesterde zij zich genoeg om hem nogmaals te verzoeken haar te verlaten; want dat het hun beider ongeluk zou wezen als men hen zamen vond, en zij voegde er bij: „O, mijnheer Jones, gij weet nog niet wat er heden middag gebeurd is!”

„Ik weet alles, mijne Sophia,” hernam hij. „Uw wreede vader heeft mij alles verteld, en hij zelf heeft mij bij u gezonden.”

„Mijn vader heeft u bij mij gezonden!” riep zij. „gij droomt zeker!”

„Gave de hemel dat het slechts een droom ware!” hernam hij. „O Sophia, uw vader zond mij bij u om te pleiten voor mijn gehaten mededinger; om u voor hem gunstig te stemmen!—Ik was gereed om elk middel te baat te nemen om toegang tot u te krijgen.—O spreek tot mij, mijne Sophia! Giet wat balsem in mijn bloedend hart! Waarlijk, nooit heeft een man bemind, of aangebeden, zoo als ik dat doe! Onttrek me dan niet wreedaardig deze lieve, zachte, dierbare hand! Een oogenblik zal me welligt voor eeuwig van u scheiden. Niets minder dan deze gedachte zou mij, geloof ik, ooit den eerbied en het ontzag hebben doen vergeten, waarmede gij mij bezield hebt!”