Part 79
Jones echter volhardde met te weigeren om de onderneming te wagen, welke inderdaad ook geheel wanhopig was. Hij begreep best welke beweegredenen mevrouw Fitzpatrick had om zoo vurig daarop aan te dringen. Hij zeide echter, dat hij de teedere en hartstogtelijke liefde, welke hij tot Sophia koesterde, niet loochenen kon; maar dat hij zoo overtuigd was van het groote onderscheid van hunne onderlinge positie, dat hij zich nooit met de hoop zou durven vleijen dat zulk een goddelijk meisje zich verwaardigen zou aan zoo’n onwaardigen man als hij was, te denken;—ja, hij betuigde, dat hij er naauwelijks toe komen kon om zoo iets te wenschen. Hij eindigde met nog veel meer edelmoedige gevoelens te uiten, welke wij geen tijd hebben om hier in te lasschen.
Er zijn sommige schoone vrouwen (want ik durf hier niet al te veel in het algemeen te spreken), bij wie haar eigen ik steeds zoodanig op den voorgrond blijft, dat zij het nooit van eenig onderwerp, van welken aard ook, kunnen afscheiden, en daar de ijdelheid bij haar een heerschende trek is, eigenen zij zich gaarne allen lof toe welken zij aanhooren, en hoewel die anderen toekomt, beschouwen zij hem als uitsluitend voor haar bestemd. In het bijzijn dezer dames is het onmogelijk iets ten gunste van eene andere vrouw te zeggen, dat zij niet op zich zelve toepassen;—ja, zij zijn zelfs dikwerf in staat om den lof welken zij zich toeëigenen te overdrijven, door, bij voorbeeld, tegen zich zelve te zeggen; „als hare schoonheid, haar geest, hare fatsoenlijkheid, hare goedaardigheid, zoo zeer te prijzen zijn, wat verdien ik niet, die in zoo veel hoogere mate deze hoedanigheden bezit?”
Aan dergelijke dames beveelt zich een man dikwerf aan door eene andere vrouw te roemen,—en terwijl hij met geestdrift zijne edelmoedige gevoelens ten opzigte zijner beminde bloot legt, denken zij slechts welk een bekoorlijke minnaar deze man zijn zou voor haar zelve, daar hij reeds zoo opgewonden wordt over verdiensten, welke bij de hare in geen aanmerking komen. Hoe vreemd dit ook schijne, heb ik toch vele voorbeelden hiervan gezien, buiten en behalve juist dat van mevrouw Fitzpatrick, bij wie dit alles werkelijk plaats greep, en die thans zeker iets voor den heer Jones begon te gevoelen, hetwelk zij veel eerder begreep dan de arme Sophia zelve gedaan had.
Om de waarheid te zeggen, is de volmaakte schoonheid bij beide geslachten veel onweerstaanbaarder dan men zich algemeen verbeeldt. Want hoewel sommigen van ons met een bescheidener lot tevreden zijn en (even als de kinderen iets van buiten leeren, dat bij hen geen denkbeeld achterlaat), ook opzeggen, dat wij het uiterlijk verachten en hoogeren prijs stellen op meer degelijke hoedanigheden, heb ik toch steeds opgemerkt, dat als de volmaakte schoonheid nadert, deze meer degelijke hoedanigheden slechts met dezelfde soort van glans schitteren, als de sterren na zonsopgang.
Toen Jones met zijne pathetische uitroepingen gedaan had, van welke vele een Orondates zelven niet misstaan zouden hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een zwaren zucht, en de oogen van Jones afwendende, op wien zij ze een tijdlang gevestigd had, sloeg zij ze neder en riep uit:
„Ik heb wezenlijk medelijden met u, mijnheer Jones! Maar het is een vloek, op zulke liefde, dat zij verspild wordt aan diegenen, die er ongevoelig voor blijven. Ik ken mijne nicht, mijnheer Jones, beter dan gij haar kent, en ik moet zeggen, dat iedere vrouw, die zoo’n man zulk eene liefde niet vergeldt, hem onwaardig is.”
„Wel, mevrouw!” riep Jones, „gij bedoelt zeker toch niet—”
„Wat ik bedoel?” vroeg mevrouw Fitzpatrick, „ik weet niet wat ik juist bedoel. Er is, geloof ik, iets betooverends in de ware liefde;—weinige vrouwen ontmoeten ze bij de mannen, en nog weiniger weten ze te waarderen, als zij ze vinden. Tot nu toe, heb ik nooit zulke edelmoedige gevoelens gehoord,—en hoe het komt, weet ik niet; maar gij dwingt mij om u geloof te schenken. Slechts de verachtelijkste der vrouwen kon voor zulke verdiensten ongevoelig blijven!”
De wijze waarop dit gezegd werd en de blik, die het vergezelde, wekte een vermoeden bij Jones op, dat wij niet noodig achten regtstreeks in woorden aan den lezer mede te deelen. In plaats dus van eenig antwoord te geven, zeide hij slechts:
„Naar ik vrees, mevrouw, heb ik mijn bezoek al te zeer gerekt,”—en hij stond op om afscheid van haar te nemen.
„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam mevrouw Fitzpatrick. „Wezenlijk,—ik heb medelijden met u, mijnheer Jones;—dat is werkelijk het geval;—maar, als gij gaan wilt, denk nog eens aan het plan, dat ik u aan de hand gegeven heb. Ik ben overtuigd, dat gij het eindelijk zult goedkeuren,—en laat mij u zoo spoedig mogelijk weerzien.—Morgen vroeg, als gij wilt,—of in elk geval, morgen in den loop van den dag. Ik zal den geheelen dag te huis zijn.”
Na vele eerbiedige dankbetuigingen, verwijderde zich Jones, en mevrouw Fitzpatrick kon niet nalaten hem tot afscheid een blik te schenken, welken hij, als hij iets van de sprake der oogen verstond, niet nalaten kon te begrijpen. Hij werd er ook wezenlijk door versterkt in zijn voornemen om niet weer bij haar terug te komen; want hoe ligtzinnig hij zich ook tot dusver in deze geschiedenis getoond heeft, waren al zijne gedachten thans zoo zeer met zijne Sophia vervuld, dat ik vast geloof, dat geene vrouw ter wereld hem nu weder tot ontrouw had kunnen verleiden.
Vrouw Fortuna, echter, die hem niet begunstigde, besloot, daar hij haar geene tweede gelegenheid wilde geven, om van deze gebruik te maken, en veroorzaakte dus de tragische gebeurtenis, welke wij thans, tot ons verdriet, te verhalen hebben.
HOOFDSTUK X.
DE GEVOLGEN VAN HET PAS BESCHREVEN BEZOEK.
De heer Fitzpatrick den reeds vroeger vermelden brief ontvangen hebbende van mejufvrouw Western, waaruit hij vernam waarheen zich zijne vrouw begeven had, keerde onmiddellijk naar Bath terug, en vertrok den volgenden dag van dáár, naar Londen.
De lezer heeft reeds vernomen hoe ijverzuchtig van aard deze heer was. Hij zal zich ook wel herinneren welke verdenkingen hij te Upton koesterde omtrent Jones, toen hij hem dáár in de kamer van mevrouw Waters vond, en hoewel er voldoende redenen geweest waren om zijne verdenkingen op te ruimen, toen hij van zijne vrouw zoo veel goeds van Jones hoorde, deed dit hem bedenken, dat zij tegelijk met hem in de herberg was geweest, en dit bragt zulk eene verwarring van denkbeelden voort in een hoofd, dat nooit zeer helder was, dat het „groenoogige monster,” gelijk Shakespeare, in zijn Othello, de ijverzucht noemt, thans ook aan zijn gemoed knaagde.
Terwijl hij dan juist bezig was met op straat naar de woning van zijne vrouw te vragen, en hem de deur aangewezen werd kwam, de heer Jones, ongelukkig, er juist uit te voorschijn.
Fitzpatrick herinnerde zich niet dadelijk het gezigt van Jones; maar een goed gekleed jong mensch ontwarende, die van zijne vrouw kwam, naderde hij hem dadelijk, en vroeg hem „wat hij in dat huis gedaan had? Want,” zeide hij, „ik weet zeker dat gij er in zijt geweest, omdat ik u er uit zag komen.”
Jones antwoordde met de meeste beleefdheid, „dat hij dáár een bezoek bij eene dame afgelegd had.”
Waarop Fitzpatrick vroeg: „Wat hebt gij met die dame noodig?”
Jones, die zich thans de stem, de gelaatstrekken en zelfs de kleeding van den andere best herinnerde, riep:
„Wel, vriend! Geef mij de hand! Ik hoop dat het kleine misverstand, hetwelk een tijdlang geleden plaats gevonden heeft tusschen ons, geen kwaad bloed gezet heeft!”
„Op mijn woord, mijnheer,” zei Fitzpatrick, „ik weet niet eens hoe gij heet,—en uw gezigt herken ik ook niet.”
„Uw naam is mij ook onbekend,” zei Jones; „maar ik herinner me zeer goed u te Upton gezien te hebben, waar er een ongelukkig misverstand plaats greep tusschen ons, en als het nog niet vergeten is, zullen wij het nu in eene flesch wijn begraven.”
„Te Upton!” riep de andere. „Ha! als ik me niet vergis, heet gij Jones?”
„Juist,” hernam de andere.
„O, bij mijne ziel,” riep Fitzpatrick, „gij zijt juist de man, dien ik zocht.—Ik zal straks eene flesch met u drinken; maar eerst zal ik je eens om de ooren slaan! Daar, schelm! Als ge me voor dien slag geene satisfactie geven wilt, dan beloof ik, op mijn woord van eer, u een tweeden te geven!”
Daarop trok hij zijn degen en stelde zich en garde, daar het schermen de eenige wetenschap was, waarvan hij iets begreep.
Jones was een weinig verward geraakt door den slag, die hem zoo onverwacht toegediend werd; maar zich spoedig herstellende, trok hij ook van leêr, en hoewel hij niet veel van het schermen afwist, drong hij zoo stout op Fitzpatrick in, dat hij diens kunst spoedig verijdelde en hem zijn degen door het lijf boorde. De heer Fitzpatrick week dadelijk een stap achteruit, leunde op zijn degen en riep uit:
„Ik ben best voldaan! Want ik ben een lijk!”
„Ik hoop van neen,” riep Jones; „maar wat ook de gevolgen zijn, gij moet wel beseffen, dat gij ze u zelf op den hals gehaald hebt.”
Op dit oogenblik werd Jones aangegrepen en gepakt door eene menigte zeelieden;—maar hij verzekerde hen dat hij geen weerstand zou bieden en smeekte eenige van hen zorg te dragen voor den gewonden heer.
„Ja, ja,” riep een der menschen, „men zal wel zorg genoeg dragen voor den gekwetste;—want ik denk niet dat hij nog vele uren te leven heeft. Wat u betreft, mijnheer, gij hebt nog zeker eene maand den tijd eer alles afgeloopen is!”
„Wel verdraaid, Jaap!” riep een andere; „hij loopt de zeereis mis! Hij is nu naar eene andere haven bestemd.”
Onze arme Jones leverde stof op tot vele andere grappen van dezen aard; want de kerels die nu verschenen waren behoorden tot de zeelieden, gebezigd door Lord Fellamar om Jones te pressen.
Zij hadden hem nagespoord tot in het huis van mevrouw Fitzpatrick en wachtten op hem aan den hoek van de straat toen de ongelukkige ontmoeting met den Ier plaats vond.
De officier, die de bende aanvoerde, begreep nu zeer juist, dat hij zijn gevangene aan de burgerlijke overheden moest overleveren. Hij liet hem dus in eene kroeg brengen, zond om een agent van politie en leverde hem daar aan dien ambtenaar over.
Deze, ziende dat de heer Jones zeer goed gekleed was, terwijl hij vernam dat het ongeluk in een tweegevecht geschied was, behandelde zijn gevangene met de meeste beleefdheid, en zond, op diens verzoek, een bode om naar den gekwetste te vragen, die in eene naburige herberg onder handen van een heelmeester was. Het berigt, dat teruggebragt werd, luidde, dat de wond zeker doodelijk was, en dat er geene hoop bestond om den gekwetste te redden. Hierop zeide de agent, dat hij Jones voor den vrederegter moest brengen. Deze hernam dat „het hem onverschillig was waarheen men hem bragt; dat het hem weinig schelen kon wat hem voortaan overkwam; want dat, hoewel hij overtuigd was, dat hij in het oog der wet geen moord begaan had, het hem ondragelijk was te denken dat hij een medemensch van het leven beroofd had.”
Jones werd thans voor den regter gebragt, voor wien ook de heelmeester verscheen, die den heer Fitzpatrick verbonden had, en die getuigde, dat hij de wond voor doodelijk hield, waarop Jones naar het huis van arrest overgebragt werd.
Het was intusschen al heel laat geworden, zoodat Jones eerst den volgenden morgen Partridge wilde ontbieden, en daar het bijna zeven uur ’s morgens was eer de arme kerel een oog kon toedoen, omdat hij zeer ongerust was over het uitblijven van zijn meester, ontstelde hij geweldig toen hij tegen twaalf uur eene boodschap van Jones ontving, welke hem zelfs in het eerste oogenblik bijna bewusteloos deed nedervallen.
Hij ging daarop met knikkende knieën en een kloppend hart naar het huis van arrest, en zoodra hij bij Jones toegelaten werd, begon hij met vele tranen de ramp te beweenen, die hem overkomen was, terwijl hij echter in den grootsten angst telkens omkeek;—want het berigt was pas ontvangen van het overlijden van den heer Fitzpatrick en de arme jongen verwachtte elk oogenblik zijn geest in de kamer te zien verschijnen.
Eindelijk echter overhandigde hij Jones een brief, welken hij bijna vergeten had, en die van Sophia kwam, en door den Zwarten George gebragt was.
Jones zond dadelijk iedereen uit de kamer, brak het schrijven driftig open en las als volgt:
„Eene gebeurtenis, welke ik gaarne beken, dat mij zeer verraste, dwingt me weder u iets te schrijven. Mijne tante heeft mij juist een brief getoond van u aan Lady Bellaston, waarin gij haar een huwelijksvoorstel doet. Ik ben overtuigd, dat het uw schrift is, en hetgeen mij nog meer verbaast, is, dat die brief geschreven werd op hetzelfde oogenblik, dat gij voorgaaft zoo bekommerd te zijn om mijnentwil.—Ik laat het aan u over om over dit feit na te denken. Al wat ik verder verlang, is dat uw naam nooit weder genoemd moge worden in het bijzijn van
S. W.”
Wij kunnen den lezer geen beter denkbeeld geven van den gemoedstoestand van den heer Jones en van de folteringen, welke hij nu ondervond, dan door te zeggen, dat zijne ellende zoo groot was, dat zelfs Thwackum hem haast beklaagd zou hebben. Maar, hoe rampzalig hij ook zij, zullen wij hem thans verlaten,—even als zijne beschermengel (zoo hij er ooit een heeft gehad), schijnt gedaan te hebben.
En hiermede sluiten wij het zestiende boek van onze geschiedenis.
BOEK XVII.
Bevattende den tijd van drie dagen.
HOOFDSTUK I.
BEVATTENDE IETS TER INLEIDING.
Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.
Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.
Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.
Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.
Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.
Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.
Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.
De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.
HOOFDSTUK II.
HET EDELMOEDIGE EN DANKBARE GEDRAG VAN JUFVROUW MILLER.
De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.
Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:
„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”
„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”
„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”
„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”
De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:
„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer; maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”
„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”
„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”
„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”
„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”
„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”
„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”
„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”
„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”
„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.
„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”
„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”
Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:
„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”
„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heeft hij nu bedreven?”