Part 53
„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel, zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch, mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt. Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg huichelde, ten einde mij te foppen.
„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn verhaal spoedig tot een einde brengen zal! Na vele tooneelen dan, die ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij wat voedsel bragt.
„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had, vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”
„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent, opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.
„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.
„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg, zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat ik uwe vergiffenis inroepen moet.”
Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten? Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”
„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”
„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te wezen?”
„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed gedraagt, heel slecht behandelt.”
HOOFDSTUK VIII.
EEN VERSCHRIKKELIJK RUMOER IN HET LOGEMENT, EN DE ONVERWACHTE AANKOMST VAN EEN VRIEND VAN MEVROUW FITZPATRICK.
Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik het thans niet herhaal.
Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo iemand nooit bestaan had. Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen, omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.
Maar zoo was het toch.
Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met doofheid geslagen tot zijne straf.
Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden? Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer des huizes, de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!) die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had! Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord, deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”
De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.
Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw, ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw, en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik diende!”
Hinc illae lachrymae! Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd, en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon vernederen.
Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga. Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem, hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u uitschold voor ——”
„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat het zoo is!”
„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de knecht ben van eene—”
Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke wij pas gebruikt hebben.
Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen. Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men zich vloeibaar vuur in de keel goot.
Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van dit vloeibare vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden. Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen aan de uitwerking.
Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen, die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben, stierf van zelf uit.
Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel aan de schoonheid van haren man toegebragt door de vleeschhaken van Honour, luide riep om wraak en vergelding.
Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want, Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner beste bekenden.
Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was, haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te maken. Sophia verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen; maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder de getuigen van weerskanten te hooren.
Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan die welke dáár overgebragt werd.
Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om eenigen weerstand te bieden.
Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.
Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden van den edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar ook bijzonder bevriend met haar was.
Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen opgesloten waren.
Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.
Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de moeite waard achtte te noemen.
Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en zich ook niet onthouden van te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.
Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne ontsnapt is.”
Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia zelve.
Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote, er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne vrouw.
„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker gefopt worden!”
Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.
HOOFDSTUK IX.
HET AANBREKEN VAN DEN DAG, BESCHREVEN IN DEN VERHEVENEN TRANT. EEN POSTWAGEN. DE BELEEFDHEID DER MEIDEN. DE HELDHAFTIGE AARD VAN SOPHIA. HARE EDELMOEDIGHEID. HOE DIE VERGOLDEN WORDT. HET VERTREK VAN HET GEZELSCHAP, EN DE AANKOMST TE LONDEN, MET EENIGE OPMERKINGEN TEN BEHOEVE VAN REIZIGERS.
Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne rust te storen.
Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.
En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen; want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden, en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.
Milord had een einde aan de discussie willen maken, door met de meeste beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien werd.
Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi, gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van hare dienaresse geleden had.