Part 78
Op deze wijze bragt de liefde van Allworthy tot zijn neef hem in verzoeking, om zijn meerder verstand te onderwerpen aan het mindere;—en op deze wijze wordt de wijsheid van het beste hoofd wel eens door de teederheid van het beste hart verijdeld.
Blifil, deze onverhoopte toestemming van zijn oom verkregen hebbende, rustte niet tot hij zijn plan ten uitvoer bragt. En daar er geene dringende zaken waren om den heer Allworthy buiten te houden en mannen slechts weinige toebereidselen tot eene reis noodig hebben, vertrokken zij al den volgenden dag, en kwamen te Londen aan dienzelfden avond, waarop Jones, zooals wij gezien hebben, zich met Partridge in den schouwburg vermaakte.
Den morgen na zijne aankomst, maakte de heer Blifil zijne opwachting bij den heer Western, door wien hij zeer hartelijk en genadig ontvangen werd, en van wien hij dadelijk de verzekering kreeg (hoe onmogelijk die ook te geven was), dat hij spoedig gelukkig gemaakt zou worden door het bezit van Sophia; de landjonker liet ook niet toe dat de jonge heer naar zijn oom terugkeerde, eer hij hem, haast zijns ondanks, medegesleept had bij mejufvrouw Western.
HOOFDSTUK VII.
WAARIN DE HEER WESTERN ZIJNE ZUSTER BEZOEKT IN GEZELSCHAP VAN DEN HEER BLIFIL.
Mejufvrouw Western was bezig met hare nicht eene les te lezen over wereldwijsheid en de diplomatie van het huwelijksleven, toen haar broeder en Blifil, met verzuim van alle plegtigheden, welke bij een bezoek vereischt worden, haar kwamen storen.
Zoodra Sophia Blifil ontwaarde, verbleekte zij en viel haast in zwijm; terwijl hare tante, integendeel, hoog rood werd, en in het geheel niet ontsteld zijnde, dadelijk een aanval op den landjonker deed.
„Broeder!” riep zij; „ik sta verstomd over uw gedrag! Zult gij nooit leeren de welvoegelijkheid in acht te nemen? Zult gij steeds ieders woning als de uwe beschouwen,—of als die van een uwer boeren? Verbeeldt gij u, dat gij het regt hebt om in de vertrekken van dames van aanzien te verschijnen, zonder complimenten, of belet te vragen?”
„Wat drommel! Wat is er nu te doen?” vroeg de landjonker. „Men zou zich kunnen verbeelden, dat gij juist bezig waart met—”
„Wat ik u bidden mag,” viel zij hem in de rede, „spaar ons uwe gemeenheden! Gij hebt mijne arme nicht zoodanig verrast, dat het haar moeite kost zich staande te houden.—Ga heen, kindlief,—ga maar naar uwe eigene kamer en tracht dáár weder tot bedaren te komen;—want ik zie, dat gij daaraan behoefte hebt.”
Op deze woorden verwijderde zich Sophia, die nooit een meer gewenscht bevel ontvangen had, oogenblikkelijk.
„Wel, zuster,” riep de landjonker, „zijt ge mal? Ik heb den heer Blifil hierheen gebragt, bepaaldelijk om haar het hof te maken, en nu jaagt gij haar de kamer uit!”
„En gij, broeder,” hernam zij, „moet zeker al heel mal wezen, om terwijl u de toestand der zaken bekend is,—den heer Blifil te brengen;—ik vraag hem wel excuus;—maar hij weet zelf best aan wien hij zulk eene onaangename ontvangst te danken heeft! Wat mij betreft, ik zal zeker altijd heel blijde wezen mijnheer Blifil te ontvangen; en zijn eigen gezond verstand zou hem hebben doen inzien, dat het ongepast was zoo’n onberedeneerden stap te doen, als dien, waartoe gij hem zeker gedwongen hebt.”
Blifil boog, stamelde en maakte een mal figuur; terwijl Western, zonder hem den tijd te gunnen om eene redevoering te bedenken, antwoordde:
„Nu, ja,—ik heb schuld, als u dat goed dunkt,—dat heb ik altijd, natuurlijk! Maar kom aan! Laat het meisje terug halen, of laat mijnheer Blifil bij haar gaan!—Hij is met dat doel naar Londen gekomen, en er is geen tijd te verliezen.”
„Broeder,” riep mejufvrouw Western, „ik ben overtuigd dat mijnheer Blifil zijne positie te goed kent om er in de verste verte aan te denken, mijne nicht, na hetgeen er gebeurd is, heden morgen weder te zien. De vrouwen hebben een teêr gestel en als wij eens van streek zijn, komen wij niet in één oogenblik weer tot bedaren. Als gij toegelaten hadt dat de heer Blifil heden morgen eene beleefde boodschap aan mijne nicht zond, met verzoek om de eer te mogen hebben in den loop van den namiddag zijne opwachting bij haar te maken, zou het mij waarschijnlijk gelukt zijn om haar over te halen hem te ontvangen;—maar thans zou ik er aan wanhopen zoo iets te kunnen bewerken.”
„Het spijt me zeer, mejufvrouw,” zei Blifil, „dat de buitengewone goedheid van den heer Western, waarvoor ik hem nooit dankbaar genoeg kan zijn,—aanleiding zou gegeven hebben,—”
„Wel, mijnheer!” viel zij hem in de rede; „gij behoeft u werkelijk niet te verontschuldigen;—iedereen kent mijn broeder!”
„’t Kan mij niet schelen of men me kent of niet,” hernam de landjonker. „Zeg maar wanneer hij komen moet om haar te zien? Want bedenk wel, zeg ik je, dat hij en Allworthy alleen daarom de reis gedaan hebben.”
„Broeder,” luidde het antwoord, „elke boodschap die het den heer Blifil behagen moge aan mijne nicht te zenden, zal haar overgebragt worden, en naar ik veronderstel, zal zij geene instructiën noodig hebben om op eene gepaste wijze daarop te antwoorden. Ik ben ook overtuigd, dat zij niet weigeren zal den heer Blifil ter geschikter ure bij zich toe te laten.”
„O zoo! Om de weêrga niet? Neen!” riep de heer Western. „O neen! Ik zeg niets!—Om den drommel niet!—Weten we niet—O neen! Maar sommige menschen verbeelden zich wijzer te zijn dan de geheele wereld;—als ik echter mijn zin had gehad, dan zou zij den eersten keer niet weggeloopen zijn,—en nu wacht ik elk oogenblik te hooren dat zij weder weg is! Want hoe gek ik ook ben,—in de oogen van zekere menschen,—weet ik best, dat zij een haat koestert voor—”
„Genoeg daarvan, broeder!” viel hem jufvrouw Western in de rede. „Ik heb geen lust om mijne nicht te hooren uitschelden. Dat is eene beleediging voor de geheele familie! Zij strekt hare familie echter tot eer,—en ik verzeker u, dat zij steeds onze familie tot eer strekken zal.—Ik sta met mijn eigen goeden naam borg voor haar gedrag!—Het zal me aangenaam wezen, broeder, u heden namiddag bij me te zien; want ik heb u eene gewigtige mededeeling te doen; voor het oogenblik moeten gij, en de heer Blifil, het mij niet ten kwade duiden; maar ik heb haast om mij te gaan kleeden.”
„Nu ja,” zei de landjonker; „bepaal dan maar een uur waarop hij haar zien kan.”
„Wezenlijk,—ik kan zoo iets niet op mij nemen—maar, zooals ik u gezegd heb, zal ik u heden namiddag ontvangen,” zeide zij.
„Wat drommel moet ik doen?” riep de landjonker, zich tot Blifil wendende. „Ik kan haar evenmin bijhouden als een dashond een ouden haas!—Welligt zal zij heden namiddag beter gemutst wezen.”
„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Blifil, „ben ik voor het ongeluk geboren;—maar ik zal u steeds even dankbaar blijven.”
Hierop nam hij plegtstatig afscheid van mejufvrouw Western, die van haar kant, even plegtstatig bleef, en beiden vertrokken, terwijl Western, met een vloek, binnensmonds mompelde, dat Blifil wis en zeker dien namiddag zijne dochter zien zou.
Was de heer Western weinig ingenomen met deze ontmoeting, de heer Blifil was nog minder daarover tevreden. Wat den eersten betrof, deze schreef de houding zijner zuster alleen aan haar luim toe, en aan hare ontevredenheid over het verzuim van alle pligtplegingen bij zijn bezoek; maar Blifil had dieper inzigt in de zaken. Uit enkele woorden, welke de dame zich had laten ontvallen, vermoedde hij iets van veel meer gewigt, en om de waarheid te zeggen, had hij zich niet vergist;—wat blijken zal bij de behandeling der verschillende onderwerpen in het volgende hoofdstuk bevat.
HOOFDSTUK VIII.
DE PLANNEN VAN LADY BELLASTON OM JONES TE GRONDE TE RIGTEN.
De liefde was te vast geworteld in het hart van Lord Fellamar om door de ruwe handen van den heer Western uitgeroeid te worden.
In zijn eerste opwelling van drift had hij inderdaad eene boodschap gezonden door den kapitein Egglane, welke deze zeer overdreven had bij de overbrenging,—en ze zou ook in ’t geheel niet zijn overgebragt als het Milord gelukt ware den kapitein te vinden nadat hij Lady Bellaston gesproken had, den morgen na dien namiddag, waarop hij door den heer Western beleedigd was geworden. Maar de kapitein was zoo ijverig in het vervullen van zijne dienst, dat hij, na de woning van den landjonker eerst ’s avonds laat gevonden te hebben, den heelen nacht in een wijnhuis op bleef zitten, ten einde den heer Western den volgenden morgen niet mis te loopen, en dus het schriftelijke tegenbevel van den Lord, dat deze naar zijne kamers gezonden had, niet ontving.
Milord, gelijk wij gezegd hebben, legde een bezoek af bij Lady Bellaston, die het karakter van den landjonker zoodanig afschilderde, dat Milord duidelijk inzag dat hij zich belagchelijk zou maken door zich beleedigd te toonen door iets, dat Western zeggen kon,—vooral daar Milord zulke eervolle bedoelingen koesterde ten opzigte van de dochter des landjonkers. Hij legde daarop Lady Bellaston uit hoe hevig zijne liefde was, en zij nam volgaarne op zich zijne belangen verder te bevorderen, en moedigde hem aan met het zekere vooruitzigt op de meest gunstige ontvangst bij alle meer bejaarde leden der familie, even als bij den vader zelven, als die eens nuchter was en eindelijk begreep welke eer zijner dochter aangeboden werd. Het eenige gevaar, voegde zij hierbij, was te duchten van den mensch van wien zij hem vroeger gesproken had,—zekeren bedelaar en landlooper, die op de eene of andere wijze, haar onbekend, zich fatsoenlijke kleeren verschaft had en voor fatsoenlijk man speelde.
„Nu,” zeide zij, „om den wille mijner nicht, heb ik me de moeite gegeven om over dezen mensch berigten in te winnen; ik heb ook gelukkig zijne woning ontdekt,”—waarmede zij Milord bekend maakte, „en ik heb wel eens gedacht,” voegde zij er bij, „daar het onmogelijk is voor u, Milord, u met zulk een gemeen schepsel persoonlijk te bemoeijen,—of het niet doenlijk zou zijn voor u om hem voor de zeedienst te laten pressen en dadelijk aan boord van een schip te doen brengen? Noch regt, noch geweten kunnen eenig bezwaar hiertegen opleveren; want hoe mooi gekleed die vriend ook loopt, verzeker ik u dat hij slechts een landlooper is, een best slag van mensch om in de zeedienst geprest te worden. En wat het geweten betreft, is het zeker eene hoogst verdienstelijke daad om eene jonge dame van den ondergang te redden,—en zelfs wat den jongen zelven aangaat, als hij niet slaagt bij mijne nicht,—en dat verhoede de hemel!—zoudt gij hem welligt daardoor van de galg redden en hem in staat stellen om op eene eerlijke wijze fortuin te maken.”
Lord Fellamar bedankte Milady opregt voor hare vriendelijke deelneming in deze zaak, van welker welslagen zijn toekomstig geluk geheel afhankelijk was. Hij zeide, voor het oogenblik geen bezwaar te zien in haar plan, en dat hij overleggen zou hoe het ten uitvoer te brengen. Daarop smeekte hij haar zeer ernstig om hem de eer te bewijzen van zijn aanzoek aan de familie mede te deelen, aan wie hij zich gereed verklaarde carte blanche te geven bij de regeling van alle geldzaken. Na nu zeer opgewonden en met de meeste verrukking over Sophia gesproken te hebben, nam hij afscheid en vertrok, maar niet voordat zij hem nogmaals gewaarschuwd had om op zijne hoede te zijn ten opzigte van Jones, en om geen tijd te verliezen met hem zóó te bezorgen, dat het onmogelijk voor hem zou wezen om verder eenige pogingen te doen om de jonge dame in het ongeluk te slepen.
Zoodra mejufvrouw Western hare kamers betrokken had, zond zij een kaartje met hare groeten bij Lady Bellaston, die het pas ontvangen had, of zij vloog, met al het ongeduld van een minnaar, naar hare nicht, zich verheugende over de schoone gelegenheid, welke zich zoo onverhoopt voordeed;—want het beviel haar veel beter om het aanzoek van Milord te doen bij eene verstandige vrouw, die de wereld kende, dan bij een man, dien zij met de benaming van Hottentot vereerde,—ofschoon zij zelfs van hem geene weigering vreesde te ondervinden.
Zoodra de twee dames elkaar ontmoetten, kwamen zij, na zeer korte pligtplegingen, tot de zaak,—welke ook zonder eenig tijdverlies afgedaan werd. Want zoodra mejufvrouw Western den naam van Lord Fellamar hoorde, tintelden hare wangen van genoegen;—en toen zij vernam hoe hevig zijn hartstogt was, hoe ernstig hij het meende met zijn aanzoek, en hoe mild zijne aanbiedingen waren, gaf zij hare tevredenheid op de meest onbewimpelde wijze te kennen.
In den loop van het gesprek, werd Jones natuurlijk ook genoemd, en beide nichten beklaagden zeer aandoenlijk de ongelukkige liefde, welke Sophia tot dien jongen mensch koesterde;—terwijl mejufvrouw Western ze geheel toeschreef aan het wanbestuur van haren broeder. Zij eindigde echter met zich overtuigd te verklaren van het gezond verstand van hare nicht, die, hoewel zij hare eerste liefde ten gunste van Blifil niet wilde opgeven, zonder twijfel, zeide zij, „zich spoedig zou laten overhalen om hare neiging op te offeren aan het aanzoek van een man naar de wereld, die haar een titel en een groot vermogen aanbieden wilde. Want, werkelijk,” voegde zij er bij; „ik moet Sophia het regt doen te bekennen, dat die Blifil wel een heel naar soort van mensch is,—die niets dan zijn geld heeft om hem aan te bevelen.”
„In dat geval,” hernam Lady Bellaston, „verwondert mij het gedrag van onze nicht niet zoo zeer; want ik verzeker dat deze Jones een zeer aangenaam mensch is,—die ééne deugd bezit, welke, volgens de mannen, tot eene groote aanbeveling strekt bij de vrouwen. Zult gij het willen gelooven, jufvrouw Western?—Het zal u zeker doen lagchen,—en ik kan het zelve niet zonder lagchen vertellen,—zult gij willen gelooven, dat deze jongen de onbeschaamdheid heeft gehad om mij zijn hof te maken? Maar, om u te bewijzen dat ik de waarheid spreek,—hier hebt gij zijn eigen schrift—waaruit alles genoegzaam blijkt.”
Hierop overhandigde zij haren nicht den brief met het huwelijksvoorstel, welken de lezer, als hij er lust toe gevoelt, in het vijftiende boek van deze geschiedenis kan overlezen.
„Ik sta verstomd, op mijn woord!” riep jufvrouw Western. „Dit is inderdaad een meesterstuk van onbeschaamdheid! Met uw verlof, zou ik welligt eenig gebruik van dezen brief kunnen maken.”
„Ik geef u de meest volmaakte vrijheid,” riep Lady Bellaston, „om elk gebruik van het schrijven te maken, dat u goed dunkt. Evenwel, wenschte ik niet, dat iemand anders het te zien kreeg, dan jufvrouw Western,—en zij moet het alleen zien, als het noodig is.”
„Nu, mijne lieve, hoe hebt gij dien jongen behandeld?” vroeg mejufvrouw Western.
„Niet als mijn man,” hernam de dame; „ik ben niet met hem gehuwd, dat verzeker ik u, mijne beste! Gij weet wel, lieve vriendin, dat ik al éénmaal van het huwelijksgeluk geproefd heb,—en, me dunkt, ééns is meer dan genoeg voor een redelijk wezen!”
Lady Bellaston verbeeldde zich dat deze brief voldoende zou wezen om Sophia verder van Jones afkeerig te maken, en zij verstoutte zich het schrijven af te geven, gedeeltelijk in de hoop om hem aldus dadelijk te zien verwijderen en gedeeltelijk om dat zij, na Honour gepolst te hebben, genoegzaam overtuigd was, dat deze gereed zou zijn om al wat Milady van haar vergen mogt, te getuigen.
Maar welligt zal de lezer zich verwonderen, dat Lady Bellaston, die in haar hart Sophia haatte, zoo verlangende was om een huwelijk voor haar tot stand te brengen, dat zoo voordeelig zou zijn voor de jonge dame. Ik moet echter een dergelijken lezer verzoeken om zorgvuldig het boek der menschelijke natuur open te slaan, en wel zoo wat op de laatste bladzijde, en daar zal hij vinden, in bijna onleesbare letters, dat de vrouwen, niettegenstaande het bespottelijke gedrag van moeders, tantes enz. in huwelijkszaken, het wezenlijk voor zulk een groot ongeluk beschouwen om in de liefde gedwarsboomd te worden, dat zij zich verbeelden dat er geene grootere reden tot vijandschap kan bestaan dan deze;—en verder zal men, ongeveer terzelfder plaatse, lezen, dat eene vrouw, die zich eens in het bezit van een man gelukkig heeft gevoeld, meer dan half weg naar de hel zal loopen, om te beletten dat eenige andere vrouw dien zelfden man krijge.
Als de lezer met deze gronden niet voldaan is, beken ik openhartig, dat ik geene andere redenen ken voor het gedrag van Lady Bellaston, tenzij wij gelooven mogen, dat zij door Lord Fellamar omgekocht was,—wat ik, voor mijn part, hoegenaamd geene aanleiding heb te veronderstellen.
Deze zaak,—welke mejufvrouw Western bij Sophia wilde inleiden door eenige voorafgaande opmerkingen over de dwaasheid der liefde en de wijsheid van de wettige prostitutie, om geld,—hield juist de dames bezig, toen zij gestoord werden door het onverwachte binnentreden van den landjonker met Blifil, en van daar de koelheid waarmede deze door jufvrouw Western ontvangen werd, en welke haar broeder, volgens zijne gewoonte, aan eene verkeerde reden toeschreef, terwijl Blifil zelf, die veel slimmer was, een zweem van de waarheid begon te vermoeden.
HOOFDSTUK IX.
WAARIN JONES EEN BEZOEK AFLEGT BIJ MEVROUW FITZPATRICK.
De lezer zal nu welligt de goedheid willen hebben met ons bij den heer Jones terug te keeren, die op het bepaalde uur zijne opwachting maakte bij mevrouw Fitzpatrick;—maar eer wij het gesprek opteekenen, dat daar plaats had, zal het noodig zijn, volgens onze gewoonte, een eindje terug te gaan, om de verandering in het gedrag der dame te verklaren, die, na van woning veranderd te zijn, ten einde den heer Jones te vermijden, thans zelve ijverig naar eene gelegenheid gezocht had om hem te ontmoeten.
Om dit op te helderen, behoeven wij slechts de gebeurtenissen van den vorigen dag te herinneren, toen mevrouw Fitzpatrick van Lady Bellaston vernomen hebbende, dat de heer Western naar Londen gekomen was, hare opwachting bij hem ging maken op zijne kamers in Piccadilly, waar zij met vele gemeene scheldnamen ontvangen werd, die te grof zijn om hier herhaald te worden, en hij zelfs dreigde „haar de deur uit te schoppen.”
Van daar werd zij door eene bejaarde dienstmeid van hare tante Western, die haar zeer goed kende, naar de woning van deze dame geleid, die haar geenszins vriendelijker, maar wel met meer beleefdheid behandelde,—of liever, met eene andere soort van onbeschoftheid. Met één woord, zij keerde van beide terug in de vaste overtuiging, niet slechts dat haar plan tot eene verzoening mislukt was, maar dat zij voortaan alle hoop moest opgeven om, op welke wijze dan ook, daarin te slagen. Van dit oogenblik bleef zij alleen bezield met wraakzucht, en daar zij in deze stemming Jones in den schouwburg ontmoette, bood zich als het ware de gelegenheid aan, om daaraan te voldoen.
De lezer zal zich herinneren, dat mevrouw Fitzpatrick zelve, onder het verhalen van hare eigene lotgevallen, hem bekend had gemaakt met de liefde, welke hare tante te Bath voor den heer Fitzpatrick gekoesterd had, en dat zij zich door haar bedrogen ziende en teleurgesteld in hare neiging, om die reden zoo verbitterd was geworden tegen mevrouw Fitzpatrick. Deze twijfelde dan ook niet dat de goede dame even gemakkelijk ingenomen zou wezen met eene schijnbare verliefdheid van Jones, als vroeger met die van haren man;—want de heer Jones was onbetwistbaar een veel bekoorlijker mensch, en zij besloot (met hoeveel regt zal ik niet beslissen), dat de thans meer gevorderde leeftijd van hare tante, eerder ten gunste dan ten nadeele van haar voornemen pleitte.
Toen Jones dus bij haar verscheen, verklaarde zij hem eerst hoe zeer zij verlangde om hem bij te staan, wat daaraan toe te schrijven was, dat zij zoodoende Sophia grootelijks verpligten zou, en na eenige verontschuldiging voor hare vroegere onverschilligheid, terwijl zij aan Jones ook mededeelde onder wiens hoede Sophia zich thans bevond, wat zij veronderstelde dat hem onbekend was, legde zij hem zeer duidelijk haar plan bloot, en ried hem aan, schijnbaar het hof te maken aan de meer bejaarde dame, ten einde des te gemakkelijker toegang tot de jongere te krijgen, hem terzelfder tijd herinnerende aan het welslagen van den heer Fitzpatrick, dat hij aan eene dergelijke list te danken had gehad.
Mijnheer Jones uitte zijne groote dankbaarheid jegens de dame voor hare vriendelijke bedoelingen ten zijnen opzigte,—welke uit hetgeen zij hem voorstelde, zoo duidelijk bleken; want behalve dat hij een gering vertrouwen had op het welslagen van het plan, daar de dame zijne liefde tot hare nicht kende,—wat niet het geval was geweest met mevrouw Fitzpatrick,—zeide hij bevreesd te zijn dat Sophia er nooit in zou toestemmen eene dergelijke list te gebruiken, daar zij zoo’n bepaalden afkeer had van al wat op onopregtheid geleek, en nooit haren pligt tegenover hare tante zoude verzaken.
Mevrouw Fitzpatrick was hierover eenigzins geraakt, en inderdaad, als wij het er niet voor mogen houden dat Jones zich verpraatte, was het wel eene kleine afwijking van de beleefdheid, waartoe hij zich nooit zou hebben laten verleiden, ware het niet, dat de vreugde, welke het hem veroorzaakte om Sophia te roemen, hem alle voorzigtigheid had doen vergeten; want deze loftuiting van de eene nicht was iets meer dan eene bedekte beschuldiging van de andere.
„Wezenlijk, mijnheer,” hernam dus de dame, met eenige drift, „ik kan me niet verbeelden, dat er iets gemakkelijker kan zijn, dan eene oude vrouw van verliefden aard met eene liefdesverklaring te foppen,—en hoewel zij mijne tante is, moet ik bekennen, dat ik nooit een gevoeliger wezen op dat punt gekend heb. Kunt gij niet voorwenden, dat de wanhoop om hare nicht te krijgen, die aan Blifil beloofd is, u er toe gebragt heeft, uwe gedachten op haar te vestigen? Wat mijne nicht Sophia betreft, ik kan me niet verbeelden, dat zij zoo dwaas zou zijn als gij haar voorstelt, en dat zij eenig bezwaar zou hebben, of er eenig kwaad in zien om eene van die oude heksen te straffen voor al het kwaad dat zij in eene familie doen door hare tragischkomische hartstogten,—waarvan het mij spijt dat ze niet volgens de wet strafbaar zijn. Ik zelve zag geen bezwaar in zoo iets, en toch hoop ik dat nicht Sophia zich niet beleedigd zal achten als ik verklaar dat zij geen grooteren haat kan koesteren voor de onopregtheid dan hare nicht Fitzpatrick. Jegens mijne tante inderdaad, veins ik niet eenige verpligtingen te hebben,—en zij verdient ook niet dat ik haar ontzie. Ik heb u echter mijn raad gegeven, mijnheer, en als gij weigert hem op te volgen,—zal ik maar iets minder gunstig over uw verstand denken,—anders niets!”
Jones zag thans duidelijk zijne dwaling in, en deed zijn uiterste best om ze weder goed te maken; maar hij stamelde en stotterde slechts en verviel tot onzin en tegenspraak. Om de waarheid te zeggen, het is soms veiliger bij de eerste vergissing te blijven, met hare gevolgen, dan te trachten om ze te herstellen; want door dergelijke pogingen, in plaats van ons er uit te redden, werken wij ons gewoonlijk hoe langer hoe meer er in, en slechts weinige menschen bezitten de goedaardigheid van mevrouw Fitzpatrick, die eindelijk met een glimlach zeide:
„Gij behoeft u niet meer te verontschuldigen; want ik weet gemakkelijk een trouwen minnaar alles te vergeven, waartoe de liefde tot zijne schoone hem gebragt heeft.”
Daarop hernieuwde zij haar voorstel, en beval het hem zeer ernstig aan, geene beweegreden vergetende, welke zij bij die gelegenheid bedenken kon; want zij was zoo geweldig boos op hare tante, dat zij zich naauwelijks een grooter genoegen kon voorspiegelen, dan om haar ten toon te stellen, en, als eene echte vrouw, kon zij geene bezwaren zien in de uitvoering van een geliefkoosd plan.