Chapter 38 of 84 · 3905 words · ~20 min read

Part 38

Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde, welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens zoon hij hem ook stellig hield.

Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te verwerven;—en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben, of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer Allworthy.

Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden, nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.

Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde, vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de meest gewenschte uitwerking heeft.

HOOFDSTUK X.

WAARIN DE REIZIGERS EEN ZEER WONDERBAARLIJK AVONTUUR BELEVEN.

Juist toen Jones en zijn vriend aan het einde van het gesprek in het vorige hoofdstuk gekomen waren, bereikten zij den voet van een zeer steilen heuvel. Hier bleef Jones staan en de blikken naar boven rigtende, zweeg hij een tijdlang. Eindelijk wendde hij zich tot zijn makker en zeide:

„Partridge, ik wilde wel dat ik boven op dezen heuvel was. Daar heeft men zeker een heerlijk uitzigt; vooral bij deze verlichting; want de plegtige somberheid die de maan over alles verspreidt, is onbeschrijfelijk schoon, vooral voor eene verbeelding, die met droefgeestige gedachten vervuld is.”

„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar als de top van den heuvel zoo geschikt is om sombere gedachten op te wekken, zal denkelijk de voet opgeruimder denkbeelden doen ontstaan, en deze houd ik voor veel verkieselijker. Gij hebt mij het bloed in de aderen doen stollen, alleen door van den top van dien berg te spreken, die mij een der hoogste op aarde toeschijnt. Neen, neen! als wij iets zoeken, laat het dan maar een gat in den grond zijn, om ons te beschermen tegen de vorst.”

„Doe dat maar,” zei Jones; „maar niet verder van hier dan mijne stem u bereiken kan, en ik zal u roepen als ik weerkom.”

„Wel, mijnheer, ge zijt toch niet gek!” riep Partridge.

„Ja, wezenlijk, ik ben gek,” hernam Jones, „als het gek is dezen heuvel te beklimmen:—maar daar gij reeds zoo veel last van de koude hebt, wilde ik maar dat gij beneden bleeft en ik zal zeker binnen het uur terug wezen.”

„Neen, neen, mijnheer,” riep Partridge; „ik heb besloten u overal heen te volgen.”

Inderdaad, hij was nu bang om achter te blijven; want ofschoon hij ook in andere opzigten lafhartig genoeg was, vreesde hij vooral spoken, waarvoor het uur van den nacht en de woestheid van de plek bijzonder geschikt schenen.

Op dit oogenblik ontdekte Partridge een licht, flikkerende door de boomen, die digt in hunne nabijheid schenen, en hij riep dadelijk in verrukking:

„O, mijnheer, de hemel heeft eindelijk mijne gebeden verhoord, en ons tot een huis geleid; misschien is het zelfs eene herberg! Laat me u smeeken, mijnheer, als ge eenig medelijden hebt met u zelven of met mij, om de goedheid der Voorzienigheid niet te minachten, maar regtstreeks op dat licht af te gaan. Herberg of niet, als het door christenmenschen bewoond is, zullen zij eene schuilplaats niet weigeren aan een paar ongelukkigen zoo als wij zijn.”

Jones bezweek nu ten laatste voor het ernstige smeeken van Partridge, en beiden naderden de plek, vanwaar het licht straalde.

Weldra bereikten zij de deur van het huis of het hutje, want beide benamingen waren er even toepasselijk voor. Jones klopte verscheidene keeren aan, zonder antwoord te ontvangen, waarop Partridge, die geheel vervuld was met het denkbeeld van spoken, duivelen, heksen en dergelijke, begon te beven en uitriep: „De hemel zij ons genadig! De menschen moeten zeker hier uitgestorven zijn! Ik zie ook geen licht meer, en toch ben ik overtuigd dat ik een oogenblik geleden eene brandende kaars zag! Nu, ik heb wel meer van dergelijke dingen gehoord!”

„Waarvan hebt ge gehoord?” vroeg Jones. „De menschen zijn òf vast in den slaap, òf waarschijnlijk, daar dit eene eenzame plek is, zijn ze bang om de deur open te doen!” Daarop begon hij tamelijk hard te schreeuwen, en eindelijk deed eene bejaarde vrouw een bovenraam open en vroeg:

„Wie zij waren en wat zij wilden?”

Jones hernam dat zij verdwaalde reizigers waren, en daar zij een licht in huis gezien hadden, waren zij er gekomen in de hoop van zich bij het vuur te mogen warmen.

„Wie ge ook zijt,” riep de vrouw, „ge hebt hier niets te maken en op dit uur van den nacht zal ik voor niemand de deur open doen.”

Partridge, die bij het geluid eener menschelijke stem van zijn schrik hersteld was, begon nu op de aandoenlijkste wijze te smeeken om slechts eenige minuten bij het vuur te mogen doorbrengen, daar hij „bijna bevroren was,” gelijk hij zeide, en inderdaad hij had evenzeer van angst als van koude gerild. Hij verzekerde haar dat de heer die haar aangesproken had, een der grootste heeren van het land was, en gebruikte alle mogelijke argumenten, behalve één, dat Jones later met het beste gevolg toepaste,—namelijk de belofte om haar een daalder te geven.

Die som was te zwaar om niet aangenomen te worden door iemand van dien aard, vooral daar het fatsoenlijke uiterlijk van Jones, dat zij zeer goed in den maneschijn onderscheiden kon, tegelijk met zijne vriendelijkheid, den angst voor dieven, dien zij in het begin koesterde, spoedig deed verdwijnen. Zij stemde dus eindelijk er in toe om hen binnen te laten en Partridge vond, tot zijne groote vreugde, een lekker vuur gereed voor zijne ontvangst.

De arme vent had zich echter pas verwarmd, toen die gedachten, welke altijd in zijn brein bovendreven, hem weer begonnen te verontrusten.

Er was niets waaraan hij vaster geloofde dan aan hekserij en de lezer kan zich geene gestalte voorstellen, die meer geschikt was om dit denkbeeld te versterken, dan die van de oude vrouw, die thans vóór hem stond. Zij beantwoordde volmaakt aan de beschrijving door Otway in zijn stuk, „de Wees” gegeven. En werkelijk, als deze vrouw geleefd had onder de regering van Jakobus I, zou men haar alleen om haar uiterlijk, zonder eenige verdere getuigenis op te sporen, opgehangen hebben.

Er waren ook vele andere omstandigheden, welke bijdroegen om Partridge in zijn gevoelen te bevestigen; b.v. dat zij alléén leefde, zooals hij toen dacht, op zulk een eenzame plek; dat zij een huis bewoonde, welks uiterlijk reeds veel te goed voor haar scheen; terwijl het van binnen op de keurigste en sierlijkste wijze ingerigt was. Om de waarheid te zeggen, Jones zelf stond niet weinig verstomd over hetgeen hij zag; want behalve de buitengewone netheid van het vertrek, was het versierd met eene groote menigte snuisterijen en zeldzaamheden, welke de oplettendheid van een kenner waardig waren.

Terwijl Jones dit een en ander bewonderde en Partridge zat te beven, in het vaste geloof, dat zij bij eene tooverheks te regt gekomen waren, zei de oude vrouw:

„Ik hoop, heeren, dat gij u zooveel mogelijk haasten zult; want ik verwacht mijnheer straks te huis, en ik wilde niet, om tweemaal zoo veel als ik van u gekregen heb, dat hij u hier vond.”

„Dus hebt ge een meester hier?” riep Jones. „Neem het me niet kwalijk; maar ik stond verbaasd over al de fraaije dingen die ik hier zag.”

„Och, mijnheer, als het twintigste gedeelte van al deze dingen mij toebehoorde, zou ik me rijk achten; maar, ik smeek u, mijnheer, blijf niet langer; want ik verwacht mijnheer elk oogenblik.”

„Wel!” zei Jones; „hij zou zeker niet op u knorren, omdat gij ons een weinig gastvrijheid verleent.”

„Helaas, mijnheer,” hernam zij; „’t is een vreemd mensch; die op niemand anders lijkt. Hij gaat met niemand om, en wandelt zelden anders dan des nachts, om niet gezien te worden; en al het landvolk in den omtrek schuwt hem evenzeer; want zijne kleeding alleen is genoeg om die menschen te doen schrikken, die er niet aan gewoon zijn. Zij noemen hem den Man van den Berg,—want dáár wandelt hij ’s nachts rond, en ik geloof dat de boeren niet banger zijn voor den Satan zelven dan voor hem. Hij zou verschrikkelijk kwaad zijn, als hij u hier vond.”

„Kom, mijnheer,” zei Partridge; „laat ons dien heer niet kwaad maken; ik ben klaar om te vertrekken, en heb het van mijn leven nooit warmer gehad.—Kom, mijnheer, laat ons maar opstappen! Daar hangen pistolen boven den schoorsteen; wie weet of ze niet geladen zijn, en wat hij daarmede beginnen zal?”

„Wees niet bang, Partridge,” hernam Jones; „ik zal u beschermen; dat beloof ik u.”

„Ja, wat dat betreft,” viel de vrouw weer in; „kwaad doet hij nooit, maar hij moet wapens in huis hebben, om hier veilig te wezen; want men heeft meer dan eens hier ingebroken, en slechts een paar nachten geleden, dachten wij dieven in de buurt te hooren. Wat mij aangaat, het heeft me dikwerf verwonderd, dat de een of andere schurk hem niet vermoord heeft, op zijne eenzame wandelingen ’s nachts; maar, zooals ik u vertelde, het volk is bang voor hem, en bovendien verbeeld ik me, dat zij denken, dat hij niets bij zich heeft, dat de moeite waard zou zijn te stelen.”

„Ik vermoed,” zei Jones, „te oordeelen naar deze verzameling van zeldzaamheden, dat uw meester veel gereisd heeft?”

„Ja, mijnheer,” hernam zij; „hij heeft ook veel gereisd. Er zijn weinige menschen, die van allerlei dingen meer weten dan hij. Ik verbeeld me dat hij eene ongelukkige liefde heeft gehad, of iets van dien aard; wat, weet ik niet; maar ik heb al een dertigtal jaren bij hem gewoond en in dien tijd heeft hij ter naauwernood met een half dozijn menschen gesproken.”

Hierop smeekte zij hen op nieuw om weg te gaan, en werd ondersteund door Partridge; maar Jones rekte het gesprek voorbedachtelijk; want hij was zeer nieuwsgierig geworden om dezen buitengewonen mensch te zien. Hoewel dus de oude vrouw elk harer antwoorden eindigde met het verzoek dat zij heengaan zouden, en Partridge het zelfs waagde hem bij den mouw te trekken, ging hij voort met nieuwe vragen te bedenken, tot de oude vrouw, met een verschrikt gelaat verklaarde haar meester te hooren;—en op datzelfde oogenblik vernamen zij meer dan één stem buiten de deur, die riep: „Uwe beurs of uw leven, gij oude schelm! Uwe beurs, zeg ik, of ik jaag je een kogel door het hoofd!”

„Goede hemel!” riep de oude vrouw; „mijnheer is zeker door roovers aangevallen! Ach! wat zal ik beginnen! Wat zal ik beginnen?”

„Hoe?” riep Jones. „Zijn die pistolen geladen?”

„Och, mijn goede mijnheer, er is niets in—wezenlijk! O vermoord ons toch niet, mijne heeren!” riep de vrouw; want zij beschouwde de mannen in huis als van denzelfden slag als die daar buiten.

Jones gaf haar geen antwoord; maar een ouden sabel grijpende, die aan den muur hing, snelde hij dadelijk naar buiten, waar hij den ouden heer vond, worstelende tegen twee schelmen, die hij om genade smeekte. Jones vroeg naar niets; maar ging zoo vlug te werk met den sabel, dat de beide kerels dadelijk loslieten en zonder onzen held aan te vallen, het hazenpad kozen en ontsnapten; want hij gaf zich geene moeite om hen te vervolgen,—en inderdaad, hield hij dat ook niet voor noodig, daar hij tevreden was met den ouden heer verlost te hebben, en uit het gesteun van beide schelmen opmaakte, dat de roovers er genoeg van hadden, daar zij onder het wegloopen uitriepen, dat zij hun leven kwijt waren.

Jones haastte zich nu om den ouden heer op te rigten, die, onder het gevecht, op den grond geraakt was, en drukte terzelfder tijd zijne vrees uit, dat de schurken hem ernstig gewond hadden.

De oude man staarde Jones een oogenblik aan en zeide toen:

„Neen, mijnheer, neen! Ik ben slechts een weinig bezeerd! Dank u wel! De Heere zij me genadig!”

„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Jones, „zijt ge niet vrij van angst ten opzigte zelfs van diegenen die u gered hebben;—ik kan ook uwe verdenkingen niet euvel duiden;—hoewel ze wezenlijk overbodig zijn. Gij zijt thans alleen door vrienden omgeven. Daar wij heden nacht verdwaald waren geraakt in de koude, namen wij de vrijheid om ons bij uw vuur te warmen, en waren op het punt van te vertrekken, toen wij u om hulp hoorden roepen,—die de Voorzienigheid, dat moet ik zeggen, u schijnt gezonden te hebben.”

„Ja, waarlijk de Voorzienigheid!” riep de oude heer, „als hetgeen gij mij vertelt waarheid is.”

„Dat is zoo, mijnheer; dat kan ik u verzekeren,” zei Jones. „Hier is uw eigen zwaard, mijnheer. Ik heb het gebruikt om u te verdedigen en geef het nu in uwe eigene handen terug.”

De oude man het zwaard ontvangen hebbende, dat bevlekt was met het bloed zijner aanvallers, keek Jones een oogenblik strak aan en zeide toen, met een zucht:

„Vergeef me, mijnheer: ik was niet altijd achterdochtig van aard, en ik ben ook geen voorstander der ondankbaarheid.”

„Wees dankbaar dan aan die Voorzienigheid, welke u gered heeft,” hernam Jones; „wat mij betreft, ik heb niets gedaan dan mijn pligt als mensch, en wat ik voor iedereen in uw toestand zou gedaan hebben.”

„Laat me u nog één oogenblik aanzien,” riep de oude heer; „ge zijt dus wezenlijk een mensch?—Nu, dat is welligt mogelijk!—Ik bid u, ga weder met mij in mijne nederige woning. Gij zijt inderdaad mijn redder geweest!”

De oude vrouw was half waanzinnig, zoo door den angst, dien zij voor haar meester, als door de vrees, welke zij om zijnentwil koesterde, en Partridge, zoo mogelijk, had het nog benaauwder. Zoodra echter de oude vrouw hoorde dat haar heer Jones vriendelijk aansprak, en begreep wat er gebeurd was, herstelde zij spoedig; maar toen Partridge den ouden heer zag, boezemde hem de vreemdheid van zijne kleeding nog grooteren angst in dan hij gevoeld had bij de vroegere vermelding daarvan en bij al het rumoer dat later voorgevallen was.

En, om de waarheid te zeggen, dat uiterlijk had een kloekeren geest dan dien van den heer Partridge in de war kunnen brengen. De gestalte was buitengewoon lang, met een zwaren baard, zoo wit als sneeuw. Het ligchaam was gehuld in eene ezelshuid, tot eene soort van jas verknipt. Hij droeg hooge laarzen aan de beenen en eene muts op het hoofd, beide uit dierenvellen vervaardigd.

Zoodra de oude heer in huis trad, begon zij hem geluk te wenschen met zijne ontsnapping uit de handen der roovers.

„Ja,” riep hij, „ik ben inderdaad ontsnapt, dank zij mijn redder!”

„De hemel zegene hem!” hernam zij. „Ik sta u er borg voor, dat het een best mensch is. Ik vreesde dat mijnheer knorren zou dat ik hem binnen gelaten had; en zeker, zou ik dat niet gedaan hebben, als ik niet gezien had, dat het een fatsoenlijk man was, die haast van de koude verging. En, waarlijk, een goede engel moet hem hierheen gezonden en mij verleid hebben dat te doen!”

„Naar ik vrees, mijnheer,” zei de oude heer tot Jones, „is er niets in huis, dat gij zoudt kunnen gebruiken, tenzij een slok brandewijn;—die heerlijk is, en die ik zoo wat dertig jaren in den kelder heb.”

Jones bedankte daarvoor op de meest beleefde en passende wijze, waarop de andere hem vroeg, „waarheen hij gaan wilde, toen hij verdwaald geraakt was?”—er bijvoegende: „ik ben toch eenigzins verwonderd dat zoo iemand als gij zijt, op zulk een laat uur van den nacht alleen reist. Ik veronderstel, mijnheer, dat ge hier in de omstreken te huis behoort; want gij ziet er uit als iemand, die niet gewoon is zonder paarden rond te reizen.”

„De schijn bedriegt,” zei Jones. „De menschen zijn niet altijd wat zij schijnen. Ik verzeker u dat ik niet in deze streken te huis behoor, en, werkelijk, ik weet naauwelijks zelf waar ik heen ga.”

„Wie gij ook zijt, en waarheen ge ook gaat,” hernam de oude heer; „gij hebt me groote verpligtingen opgelegd, die ik u nooit vergelden kan.”

„Ik verzeker u nogmaals,” zei Jones, „dat niets van dien aard het geval is; want er is niets verdienstelijks in datgene op het spel te zetten, waarop men zelf geen prijs stelt. En niets ter wereld is mij minder waard dan het leven.”

„Het spijt me zeer, mijnheer,” hernam de vreemde, „dat gij op uw leeftijd reden hebt u zoo ongelukkig te gevoelen.”

„Dat ben ik wel, mijnheer,” antwoordde Jones. „Ik ben de ongelukkigste der stervelingen.”

„Misschien,” zei de andere, „hebt gij een vriend gehad, of eene beminde, die—”

„Ge hebt daar twee woorden genoemd,” riep Jones, „die me tot waanzin konden brengen.”

„Een van beide is al genoeg om een mensch gek te maken,” hernam de oude man. „Ik vraag niets meer mijnheer. Misschien ben ik al te nieuwsgierig geweest.”

„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „het is me onmogelijk eene begeerte af te keuren, die me nu zelf geheel vervult. Houd het me te goed, als ik u verzeker, dat alles wat ik gezien en gehoord heb sedert ik hier een voet in huis zette, de grootste nieuwsgierigheid bij mij heeft doen ontstaan. Iets zeer buitengewoons moet er gebeurd zijn om u tot deze leefwijze te doen besluiten en ik heb reden te veronderstellen, dat uwe eigene geschiedenis niet vrij van rampen is.”

Hier zuchtte de oude heer weder en bewaarde eenigen tijd het stilzwijgen; maar eindelijk, Jones ernstig aanziende, zeide hij:

„Men zegt, dat een gunstig uiterlijk een aanbevelingsbrief is, en als dat waar is, kan niemand sterker aanbevolen zijn dan gij. En als ik ook om geene andere reden neiging tot u gevoelde, zou ik het ondankbaarste monster ter wereld zijn; daarom spijt het me waarlijk, dat ik niet anders heb dan woorden, om u van mijne dankbaarheid te overtuigen.”

Jones, na eenige aarzeling, hernam: „dat juist deze woorden hem de hoogste voldoening zouden verschaffen. Ik heb mijne nieuwsgierigheid bekend, mijnheer,” voegde hij er bij; „behoef ik nu te zeggen, hoezeer ik me verpligt zou rekenen, als gij de goedheid wildet hebben daaraan te voldoen? Zult gij mij dus veroorloven u te vragen,—tenzij gij gewigtige bedenkingen daartegen hebt—, welke beweegredenen u genoopt hebben, u aldus uit de menschelijke zamenleving te verwijderen, en een leven te leiden, waarvoor het duidelijk blijkt, dat gij niet geboren zijt?”

„Na hetgeen er gebeurd is, heb ik naauwelijks het regt u iets te weigeren,” hernam de oude man. „Als ge dus verlangt de geschiedenis van een ongelukkig mensch te vernemen, zal ik ze u vertellen. En werkelijk, gij hebt goed geoordeeld, toen gij tot het besluit kwaamt, dat er iets buitengewoons moet wezen in het lot van diegenen, die de maatschappij ontvlugten; want hoe paradox, of zelfs tegenstrijdig het ook schijne, is het desniettemin zeker, dat het groote menschenliefde is, die ons voornamelijk de menschen doet mijden en verfoeijen; niet zoo zeer om hunne bijzondere en individuële ondeugden, als om die van algemeenen aard, zoo als nijd, boosheid, verraderlijkheid, wreedheid en alle mogelijke soorten van kwaadaardigheid. Deze zijn de ondeugden, welke de ware menschlievendheid verfoeit, en liever dan zich daardoor omgeven te zien en daarmede te moeten omgaan, ontvlugt zij de zamenleving. Maar, zonder vleijerij, gij schijnt me geen mensch te zijn, dien ik vermijden of haten moest;—ja, ik moet zelfs bekennen dat het, uit het weinige wat u reeds ontvallen is, schijnt dat er eenige gelijkheid bestaat in ons lot; ik hoop echter dat het uwe gelukkiger afloopen zal!”

Hier maakten onze held en zijn gastheer elkaar weerkeerig eenige complimenten, en de laatste wilde juist zijn verhaal beginnen, toen Partridge hem stoorde. Deze was nu zoo tamelijk van zijn angst bevrijd, maar bespeurde toch nog eenige uitwerking daarvan, om welke reden hij den ouden heer aan den uitstekenden brandewijn herinnerde, waarvan sprake was geweest. De flesch werd dadelijk gehaald en Partridge ledigde er een groot glas van.

Zonder verdere inleiding begon daarop de oude heer zijn verhaal, zoo als in het volgende hoofdstuk te lezen staat.

HOOFDSTUK XI.

WAARIN DE OUDE MAN VAN DEN BERG ZIJN VERHAAL BEGINT.

„Ik ben geboren in het jaar 1657 in een dorp in Somersetshire, Mark genaamd: mijn vader was hetgeen men een heereboer heet. Hij had een klein landgoed, dat hem ongeveer vijfhonderd pond ’s jaars opbragt, in eigendom, en een tweede, van nagenoeg dezelfde waarde, in huur. Hij was verstandig, vlijtig en had zoo veel overleg, dat hij een zeer gemakkelijk en prettig leven had kunnen leiden, zonder eene erge heks van eene huisvrouw, die hem het huisselijke leven verbitterde. Maar, hoewel deze omstandigheid hem welligt ongelukkig maakte, bragt ze hem niet tot armoede; want hij hield haar bijna altijd te huis opgesloten en wilde liever hare onophoudelijke verwijtingen daar aanhooren, dan zich in zijn vermogen benadeelen, door haar toe te geven in de buitensporigheden, die zij buiten ’s huis wilde begaan.

„Bij deze „Xantippe,”—(„Zoo heette ook de vrouw van Socrates,” viel Partridge in)—„had hij twee zonen, van welke ik de jongste was. Hij wilde ons beiden eene goede opvoeding geven; maar mijn oudste broeder, die, ongelukkig, de lieveling zijner moeder was, verwaarloosde het leeren geheel en al, om welke reden ook mijn vader, nadat hij vijf of zes jaren de school bezocht had, zonder er iets te leeren, toen men van zijn onderwijzer vernam, dat het niets baten zou hem langer daar te laten, eindelijk er in toestemde hem weêr in huis te nemen en hem dus uit de handen van den dwingeland (zoo als mijne moeder den meester noemde), verloste, hoewel deze werkelijk den jongen minder gestraft had, dan hij verdiende, maar toch nog veel meer dan den jongen heer beviel, die aanhoudend bij zijne moeder klaagde over de strenge behandeling, en altijd van haar gelijk kreeg.”

„Ja, ja,” riep Partridge, „ik heb dergelijke moeders gekend; ik zelf ben wel eens door haar uitgescholden,—en zeer onbillijk ook; zulke ouders verdienden straf, evenzeer als hunne kinderen.”