Part 58
Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.
HOOFDSTUK IX.
BEVATTENDE WEINIG MEER DAN EENIGE LOSSE OPMERKINGEN.
Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.
Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.
Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.
Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.
De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.
Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.
Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.
Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”
Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.
In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.
Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.
HOOFDSTUK X.
WAARIN DE HEER JONES EN DE HEER DOWLING ZAMEN EENE FLESCH LEDIGEN.
De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”
„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”
Dowling zette hierbij groote oogen.
Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”
„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid, welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”
„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”
„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”
„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”
Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,
„—Van af de kinderjaren, Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”
En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.
„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar, En treurig,—ja, verbazend treurig.”
De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.
Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”
„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:
„Pone me pigris ubi nulla campis Arbor aestiva recreatur aura, Quod latus mundi nebulae, malusque Jupiter urget. Pone sub curru nimium propinqui Solis in terra domibus negata; Dulce ridentem Lalagen amabo, Dulce loquentem.” [13]
Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.
„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”
Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.
HOOFDSTUK XI.
DE ONGELUKKEN WELKE DEN HEER JONES TROFFEN OP ZIJNE REIS NAAR COVENTRY, MET DE OPMERKINGEN VAN PARTRIDGE.
Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.
Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.
Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.
Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.
Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.