Chapter 61 of 84 · 3997 words · ~20 min read

Part 61

Ook u roep ik aan, u de meer welgedane schoone, die niet gehuld zijt in een luchtig gewaad of een droom der verbeelding, maar die van krachtig ossenvleesch en zware podding houdt, u roep ik aan, die de vette jufvrouw Geld, door een joligen Amsterdammer koopman in een trekschuit op een Hollandsch kanaal bezwangerd, ter wereld bragt! Ja, onder de gelegenheidsdichters van prulverzen hebt gij de eerste gronden uwer geleerdheid opgedaan. Daar hebt gij op lateren leeftijd aan de dichtkunst geleerd niet de verbeelding, maar den hoogmoed van haren beschermer te streelen. Het kluchtspel leert van u den schijn van ernst en deftigheid aan te nemen; terwijl het treurspel woest schreeuwt en de verbaasde zaal met zijne donderende stem verschrikt. Om uwe vermoeide ledematen in rust te sussen, vertelt de slaperige geschiedenis haar vervelend verhaal, en voert de moderne Roman zijne verbazende goochelkunstjes uit. Evenzoo gehoorzaamt uw wel doorvoede uitgever aan uwen invloed. Op uw raad, vliegt de zware, ongelezene, lompe foliant, die lang op de stofferige plank gesluimerd had, in „afleveringen” versnipperd door het heele land. Door u onderwezen, foppen sommige boeken de menschen, door even als kwakzalvers wonderen te beloven, terwijl anderen als fatten te voorschijn komen en zich trachten verdienstelijk te maken alleen door een verguld uiterlijk. Kom, gij welvarende rijke, met uw schitterend gelaat,—houd uwe inspiratie voor u, maar bied mij uwe verleidelijke belooningen aan de blinkende, klinkende goudstapels, de ligt om te zetten banknoot, bezwaard met onzigtbare schatten; de steeds rijzende en dalende effecten; het warme gemakkelijke woon-, huis, en eindelijk, mijn behoorlijk deel aan de weldaden van die milde moeder, wier rijke borsten voedsel genoeg opleveren voor al haar talrijk kroost, als er niet sommigen waren die veel te gulzig zijn en hunne broederen meêdoogenloos van haren schoot verdringen. Kom ook gij, en als ik zelf te weinig geef om uwe kostbare schatten, verkwik mijn hart met de verrukkelijke gedachte van ze aan anderen meê te deelen! Verzeker mij, dat door uwe mildheid, de babbelende kinderen, wier onschuldig spel dikwerf door mijn arbeid gestoord is geworden, ook eenmaal ruimschoots daarvoor beloond zullen worden.

En thans, nu dit ongelijke paar, de magere schaduw en de vette zelfstandigheid, mij bezield hebben om te schrijven, wiens hulp zal ik verder inroepen om mijne pen te besturen?

Ten eerste, die van het Genie, die gave des hemels, zonder wier bijstand wij te vergeefs worstelen tegen den stroom der natuur. Gij, die het edele zaad uitstrooit, hetwelk de kunst aankweekt en volmaakt, neem gij mij vriendelijk bij de hand, en geleid mij langs al de kronkelpaden, de slingerende doolhoven der natuur! Wijd mij in al die geheimen in, welke ongewijde oogen nooit ontdekt hebben. Leer mij—voor u is dit geene moeijelijke taak,—om de menschen beter te kennen dan zij zich zelve kennen. Verwijder dien nevel, die de verstandelijke vermogens der stervelingen verblindt, en hen zekere menschen doet bewonderen om hunne kunst, of hen doet haten wegens hunne sluwheid in het bedriegen van anderen, terwijl zij, werkelijk, alleen bespottelijk zijn omdat zij zich zelve foppen. Ruk den dunnen sluijer der wijsheid van de verwaandheid af,—des overvloeds van de schrielheid,—en des roems van de eerzucht. Kom gij, die uw Aristophanes, uw Lucianus, uw Cervantes, uw Rabelais, uw Molière, uw Shakespeare, uw Swift, uw Marivaux bezield hebt,—vul mijne bladzijden met humor, tot de menschen goedaardig genoeg zijn om alleen te lagchen om de dwaasheden van anderen en nederig genoeg worden, om zich over hunne eigene dwaasheid te bedroeven!

En gij, die bijna altijd de standvastige geleidster van het genie zijt,—gij, o menschlievendheid, beziel mij met al uwe teedere gevoelens! Als gij er reeds over beschikt hebt ten gunste van uw Allen en uw Lyttleton, ontsteel ze hun dan voor een poosje! Want zonder u kan men geen aandoenlijk tooneel schilderen. Aan u alleen heeft men te danken de edele, onbaatzuchtige vriendschap, de teedere liefde, het opwellende gevoel, de vurige dankbaarheid, het zachte medelijden, de opregtheid, en al de krachtige en goede gaven, die de tranen doen opwellen in het vochtige oog, het bloed lokken in de tintelende wang, en het hart doen kloppen met stroomen van weemoed, vreugde en welwillendheid!

En ook, gij, o Geleerdheid,—want zonder uwe hulp kan het genie niets zuivers, niets juists te voorschijn brengen,—bestuur ook gij mijne pen! U heb ik, in uwe geliefkoosde velden, waar de heldere, zacht vloeijende Theems de oevers van Eton bespoelt, in vroegere dagen aangebeden. Aan u, heb ik met Spartaanschen moed mijn bloed geofferd op het altaar, waar de priester de roede zwaaide! Kom dan, en laaf mij uit de rijke, schoone schatten in oude tijden verzameld, met uw overvloed! Open de Maeonische en Mantuasche schatkisten, of waar anders gij uwe wijsgeerige, dichterlijke en geschiedkundige schatten geborgen hebt, hetzij gij de zware kisten met Grieksche, hetzij met Latijnsche letters gemerkt hebt;—leen mij een tijdlang den sleutel tot al uwe schatten,—den sleutel, welken gij aan uwen Warburton hebt toevertrouwd!

Eindelijk, roep ik ook u aan, o Ondervinding! die lang bekend zijt geweest met de wijzen, de goeden, de geleerden, de beschaafden! En ook niet slechts met dezen, maar met iederen slag van menschen, van den minister op de audientie, tot den deurwaarder in het huis van arrest; van de hertogin op het feest, tot de waardin in de gelagkamer. Met uwe hulp alleen kan men de zeden der menschen leeren kennen;—waaraan de afgstrokkene boekworm, hoe knap hij ook anders zij, of hoe groot zijne geleerdheid, steeds vreemd moet blijven.

Komt gij allen, die ik aangeroepen heb, en nog meer er bij, zoo mogelijk; want moeijelijk is de taak welke ik op me genomen heb, en zonder uw bijstand zal ze wel te zwaar voor mij zijn;—maar als gij mij toelacht, hoop ik nog mijn werk tot een gelukkig einde te brengen!

HOOFDSTUK II.

HETGEEN DEN HEER JONES OVERKWAM BIJ ZIJNE AANKOMST TE LONDEN.

De geleerde Dr. Misaubin plagt te zeggen, dat zijn eigenlijk adres luidde: „Aan Dr. Misaubin,—hier op aarde!” daardoor te kennen gevende, dat er slechts zeer weinige menschen waren, die met zijn roem niet bekend waren. En welligt zullen wij, bij nader onderzoek, inzien dat deze omstandigheid geene onaanzienlijke plaats bekleedt onder de zegeningen van een beroemden naam.

Het groote geluk om aan de nakomelingschap bekend te worden, (waarop wij ons in het vorige hoofdstuk verheugden), is een voorregt dat slecht weinigen te beurt valt. Om, zoo als Sydenham het uitdrukt „de verschillende elementen waaruit onze naam bestaat” nog na verloop van eeuwen te doen opsommen, is eene gave welke noch door rang noch door rijkdommen gekocht kan worden, en die naauwelijks te verkrijgen is, tenzij door middel van het zwaard of de pen. Maar het zal toch steeds het schoone doel zijn van diegenen, die wettige aanspraken op eer of vermogen hebben, om de schande te ontgaan van „iemand te zijn die niemand kent,”—ter loops gezegd, eene schande die reeds in de dagen van Homerus bestond. [15]

Uit de rol dan, welke de Iersche Pair, die Sophia naar Londen bragt, reeds in deze geschiedenis gespeeld heeft, zal de lezer, zonder twijfel, begrijpen, dat het gemakkelijk viel om zijn huis in de stad te ontdekken, zonder juist den naam van de straat of het plein te weten, waar hij woonde, daar hij iemand wezen moest, „dien iedereen kende.” En werkelijk zou het iederen winkelier gemakkelijk zijn gevallen, die gewoon is om de groote lui te bedienen, wier deuren gewoonlijk even ligt te vinden zijn als het moeijelijk valt over den drempel te komen.

Maar Jones en Partridge waren beide vreemd in Londen, en daar hij eerst aankwam in een gedeelte van de stad, welks bewoners weinig omgaan met de aristokratische lieden in Hanover- en Grosvenor-Square,—want hij bevond zich in Gray’s-Inn-Lane,—zwierf hij een heelen tijd rond eer hij het geluk had om den weg te ontdekken naar de gelukkige ver van het gemeen verwijderde verblijfplaatsen dier grootmoedige helden, de afstammelingen der oude Britten, Saksers of Denen, wier ouders in gelukkiger dagen geboren, door allerlei verdiensten, aan hun nageslacht rijkdommen en waardigheden hebben nagelaten.

Eindelijk bereikte Jones dezen aardschen hemel, en zou ook nu spoedig de woning van Milord gevonden hebben, als deze niet ongelukkig kort voor zijn vertrek naar Ierland verhuisd ware, en daar hij pas in zijn nieuw hotel gekomen was, had de schitterende glans zijner ekwipaadjes de buurt nog niet genoeg verlicht, zoodat Jones, na vruchteloos gezocht te hebben tot de klok elf uur geslagen had, eindelijk naar den raad van Partridge luisterde en zijn intrek nam in „den Stier” in Holborn, waar hij eerst aangekomen was, en waar hij zich naar bed begaf om zooveel van de rust te smaken als gewoonlijk menschen in zijn toestand te beurt valt.

Den volgenden morgen, heel in de vroegte, ging hij er weer op uit om zijne Sophia te zoeken, en menigen vermoeijenden gang moest hij doen, zonder beter dan den vorigen avond te slagen. Eindelijk, hetzij dat het noodlot vermurwd werd, of dat het buiten staat was om hem verder te leur te stellen, bereikte hij de straat waar Milord woonde, en het huis gevonden hebbende, hief hij den klopper op en gaf één zachten tik op de deur.

De portier, die uit de bescheidenheid, waarmede de klopper gebruikt werd, geen groot denkbeeld koesterde van den bezoeker, veranderde niet van gevoelen toen hij den heer Jones zag, wiens kleeren van grof laken waren, terwijl hij omgord was met den degen, welken hij vroeger van den sergeant gekocht had, en welks gevest (hoewel de kling misschien uit best staal bestond), alleen van koper was, dat niet eens al te helder blonk.

Toen Jones dus naar de jonge dame vroeg, die met Milord naar de stad gekomen was, antwoordde de knecht kortaf „dat er geene dames dáár waren.” Jones verzocht nu om den heer des huizes zelven te mogen spreken; maar vernam dat Milord dien morgen voor niemand te huis was. Zoodra hij er nog meer op aandrong, verklaarde de portier, dat „hem ten stelligste bevolen was dien morgen niemand binnen te laten; maar,” voegde hij er bij, „als gij lust hebt uw naam op te geven, zal ik zorgen dat Milord er van hoort, en als gij weer komt, zult gij vernemen wanneer hij u ontvangen wil.”

Jones verklaarde nu dat hij zeer dringende zaken af te doen had met de jonge dame en dat hij niet weggaan kon zonder haar gesproken te hebben.

Hierop hernam de portier, op geen zeer aangenamen toon en met geen zeer vriendelijken blik, „dat er geene jonge dame in huis was, en dat hij er dus geene spreken kon,” en eindigde met te verklaren: „Gij zijt zeker een heel vreemd soort van mensch; want gij schijnt niet te begrijpen als men u een antwoord geeft!”

Ik heb me dikwerf verbeeld, dat Virgilius met zijne naauwkeurige beschrijving in het 6de Boek der Aeneis, van den Cerberus, als den portier der hel, welligt voornemens was om eene satire te schrijven op de portiers van de groote lui uit zijn tijd;—want de schilderij gelijkt zeer op die van hen, welke de eer hebben om de deuren van onze groote heeren te bewaken. De portier, uit zijn hokje, antwoordt juist zoo als Cerberus uit zijn hol, en moet even als hij door een lokaasje vermurwd worden eer men toegang kan krijgen tot zijn meester. Misschien zag hem Jones in dit licht en herinnerde hij zich die passage waar de Sybille, om Aeneas den toegang te verschaffen, den bewaker van den ingang tot den Tartarus op die wijze een hapje aanbiedt. Hij begon dan ook thans met den menschelijken Cerberus, te willen omkoopen, toen een knecht, die in de nabijheid had staan luisteren, verklaarde, dat als „mijnheer hem de fooi wilde geven, hij hem bij de dame brengen zou.”

Jones beloofde dit en werd dadelijk naar de woning van mevrouw Fitzpatrick gebragt door denzelfden knecht, die den vorigen avond de dames derwaarts vergezeld had.

Niets maakt eene teleurstelling zoo bitter als de zekerheid die men meende te hebben van ze te zullen ontgaan. De speler, die eene partij piquet verliest door het gemis van één punt, klaagt tienmaal meer over zijn ongeluk dan hij die nooit eenig vooruitzigt had om het spel te winnen. Dus ook, in de loterij, zijn de eigenaars van de nommers welke onmiddellijk volgen op het groote lot, geneigd om zich veel ongelukkiger te achten dan de overige deelgenooten in het spel. Met één woord, op een haarbreed na gelukkig te schijnen, heeft iets van eene beleediging van vrouw Fortuna en doet ons denken dat zij met ons speelt en zich wreedaardig ten onzen koste vermaakt.

Jones, die reeds meer dan eens door de grillige luimen der godin geleden had, was nu weder veroordeeld om op dezelfde wijze gekweld te worden; want hij bereikte het huis van mevrouw Fitzpatrick, ongeveer tien minuten na Sophia’s vertrek. Hij wendde zich dus tot de kamenier van mevrouw Fitzpatrick, die hem deze onaangename tijding mededeelde, maar hem niet zeggen kon waarheen Sophia zich begeven had,—en hetzelfde antwoord kreeg hij ook later van mevrouw Fitzpatrick zelve. Want daar die dame zich stellig verbeeldde dat de heer Jones iemand was door haren oom Western afgezonden om Sophia op te sporen, was zij te edelmoedig om haar te willen verraden.

Ofschoon Jones nu nooit mevrouw Fitzpatrick gezien had, had hij wel gehoord dat Sophia eene nicht had, die met iemand van dien naam gehuwd was. In zijn tegenwoordigen ontroerden toestand kwam hem dit volstrekt niet meer voor den geest; maar toen de knecht, die hem van het huis van Milord gebragt had, hem mededeelde hoe gemeenzaam de dames geweest waren, en hoe zij elkaar „nicht” noemden, herinnerde hij zich het verhaal van het huwelijk, dat hij vroeger wel gehoord had, en daar hij zich nu overtuigd hield, dat deze de dame moest zijn van wie toen sprake was geweest, klom zijne verbazing steeds over het antwoord dat hij ontvangen had, en hij verzocht zeer dringend de dame zelve te mogen spreken,—die hem echter die eer weigerde.

Ofschoon Jones nu nooit het hof bezocht had, was hij beter opgevoed dan de meeste menschen die daar leven, en buiten staat om eenige onfatsoenlijkheid of onbeleefdheid tegenover eene dame te begaan. Toen hij dus eene stellige weigering ontving, verwijderde zich voor het oogenblik, terwijl hij tot de kamenier zeide, „dat, als dit een ongeschikt uur was om bij hare meesteresse zijne opwachting te maken, hij, in den loop van den namiddag terug zou komen, en dat hij hoopte dan de eer te hebben van bij haar toegelaten te worden.”

De beleefdheid, waarmede hij deze woorden uitte en zijn gunstig uiterlijk maakten diepen indruk op de kamenier, die hem antwoordde, „dat dat wel eens gebeuren kon,”—terwijl zij later, bij hare meesteresse, alles aanwendde wat zij maar kon om haar over te halen „om dien mooijen jongen,”—want zoo noemde zij hem,—te ontvangen.

Jones was zeer geneigd te denken, dat Sophia zelve nu bij hare nicht was, en hem niet te huis gaf, wat hij toeschreef aan hare verontwaardiging over hetgeen er te Upton gebeurd was. Na Partridge dus uitgezonden te hebben om eene woning voor hem te zoeken, bleef hij den heelen dag op straat, de deur bewakende, waarachter hij zich verbeeldde dat zijn engel verborgen was; maar hij zag er geen mensch uitkomen dan een knecht, en des avonds keerde hij weder naar het huis terug, om zijn bezoek te herhalen bij mevrouw Fitzpatrick, welke lieve dame zich eindelijk verwaardigde om hem te ontvangen.

Er bestaat eene zekere aangeborene fatsoenlijkheid, welke noch door de kleeding gegeven of benomen wordt,—en mijnheer Jones, zoo als wij reeds gezegd hebben, bezat deze in zeer hoogen graad. Hij werd dus door de dame op eene wijze ontvangen, die niet geheel scheen te strooken met zijne kleeding, en nadat hij haar eerbiedig begroet had, verzocht zij hem plaats te nemen.

De lezer zal, denkelijk, niet verlangen alle bijzonderheden van dit gesprek te vernemen, dat zeer weinig bijdroeg om den armen Jones te bevredigen. Want hoewel mevrouw Fitzpatrick spoedig in hem den minnaar ontdekte (alle vrouwen hebben adelaarsblikken in dergelijke zaken), verbeeldde zij zich toch dat hij een minnaar was van die soort, waaraan geene edelmoedige vriendin der dame haar verraden moest. Met één woord, zij vermoedde dat hij juist die mijnheer Blifil was, wien Sophia ontvlugtte, en alle antwoorden welke zij uit Jones lokte aangaande den heer Allworthy en zijn huisgezin bevestigden haar in dit gevoelen. Zij ontkende dus stellig iets te weten omtrent Sophia’s verblijf, en Jones kon niets anders van haar verkrijgen dan de vergunning om den volgenden avond zijn bezoek te herhalen.

Zoodra Jones weg was, deelde de dame aan hare kamenier hare vermoedens omtrent den heer Blifil mede, en kreeg tot antwoord: „Wel, mevrouw, hij is zeker een veel te knappe jongen dan dat eenige vrouw ter wereld,—naar mijn gevoelen,—van hem zou willen wegloopen. Ik geloof eerder dat het mijnheer Jones is.”

„Mijnheer Jones!” riep de dame; „wie is mijnheer Jones?”

Sophia had namelijk in haar verhaal geen wenk gegeven dat zoo iemand bestond; maar jufvrouw Honour was veel mededeelzamer geweest, en had hare zuster-kamenier de geheele geschiedenis van den heer Jones verhaald, welke deze nu aan hare meesteresse oververtelde.

Zoodra mevrouw Fitzpatrick dit gehoord had, werd zij het volmaakt eens met hare kamenier;—en wat zeer onverklaarbaar is,—begon zij bekoorlijkheden te zien in den dapperen, gelukkigen minnaar, die zij in den afgewezen landjonker over het hoofd had gezien.

„Betje,” zeide zij, „gij hebt zeker gelijk! Het is een heel knappe jongen, en het verwondert me niet dat de kamenier van mijne nicht u verteld heeft dat zoo vele vrouwen op hem verzot zijn. Het spijt me nu dat ik hem niet vertelde waar mijne nicht is,—en toch, als hij zulk een verschrikkelijke losbol is als gij zegt, zou het jammer zijn als zij hem ooit weder ontmoette; want het kan niet anders dan tot haar ongeluk strekken als zij, tegen den zin van haar vader, in het huwelijk treedt met een ligtzinnigen bedelaar. Ik geloof wezenlijk, dat als hij zoo slecht is als de meid verklaart, het eene liefdedienst is om haar van hem af te houden; en ik weet zeker, dat het onvergeefelijk zou zijn in mij, die zulke bittere vruchten van een dergelijk huwelijk geplukt heb, om zoo iets aan te moedigen.”

Hier werd zij gestoord door de aankomst van een bezoeker,—niemand anders dan Milord, en daar er bij deze gelegenheid niets nieuws of belangrijks voorviel voor onze geschiedenis, zullen wij hier een einde maken aan dit hoofdstuk.

HOOFDSTUK III.

EEN PLAN VAN MEVROUW FITZPATRICK EN HAAR BEZOEK BIJ LADY BELLASTON.

Zoodra mevrouw Fitzpatrick zich ter rust begaf, waren hare gedachten geheel vervuld met hare nicht en den heer Jones. Zij was inderdaad een weinig boos op de eerste, wegens de onopregtheid welke zij nu ontdekt had. Zij had dus hare verbeelding niet lang hiermede bezig gehouden, toen zij het volgende plan vormde:—als zij namelijk daarin slaagde om Sophia van dezen mensch te redden, en om haar aan haar vader terug te geven, zou zij, naar alle menschelijke berekening, zulk eene gewigtige dienst aan de familie doen, dat zij daardoor haar oom en hare tante Western beide weder voor zich winnen zou.

En terwijl dit onder hare meest geliefkoosde wenschen behoorde, scheen de hoop op welslagen zoo gegrond, dat er niets voor haar overbleef dan om de meest gepaste middelen te beramen om haar doel te bereiken. Daaronder kon men niet tellen het beredeneren van de zaak met Sophia; want daar Betje verzekerd had dat Honour verklaarde dat Sophia eene hevig liefde koesterde voor Jones, begreep zij dat haar een huwelijk met hem afteraden ongeveer op hetzelfde neder komen zou, als zeer ernstig en vurig eene mot te smeeken om niet in de vlam te vliegen.

Indien de lezer de goedheid wil hebben zich te herinneren dat Sophia kennis gemaakt had met Lady Bellaston in het huis van mejufvrouw Western, en wel terzelfder tijd toen mevrouw Fitzpatrick dáár woonde, zal hij begrijpen dat zij ook die dame kende. Beiden behoorden ook eenigzins tot hare familie.

Na rijp overleg dus besloot zij dien morgen reeds in de vroegte bij Lady Bellaston te gaan, te trachten haar te spreken, zonder dat Sophia het bemerkte, en haar met alles bekend te maken. Want zij twijfelde er in het geheel niet aan, dat die wijze dame, die zij dikwerf in gezelschap den spot had hooren drijven met romantische liefde en onvoorzigtige huwelijken, dadelijk het met haar eens zou zijn omtrent deze verbindtenis en haar best zou doen om ze te verijdelen.

Zij bleef dus bij haar besluit en den volgenden morgen, terstond na zonsopgang, wierp zij zich in de kleeren, en op een zeer onfatsoenlijk, ongepast uur voor een bezoek, begaf zij zich bij Lady Bellaston, bij wie zij toegelaten werd, zonder dat Sophia er het minst van wist of vermoedde, daar deze, hoewel niet in slaap, nog te bed lag, met Honour aan hare zijde snorkende.

Mevrouw Fitzpatrick begon met eene menigte verontschuldigingen over zulk een vroegtijdig, onverwacht bezoek, en verzekerde, „dat zij er niet aan gedacht zou hebben om Milady te storen zonder redenen van het hoogste belang.”

Daarop openbaarde zij haar de geheele zaak, vertelde alles wat zij van Betje gehoord had, en vergat ook niet het bezoek dat Jones haar den vorigen avond gebragt had.

Lady Bellaston hernam met een glimlach: „Dus hebt gij, mevrouw, dien verschrikkelijken mensch gezien! Vertel me toch, is het zoo’n mooije man als men zegt? Etoff hield me gisteren avond bijna twee uren aan de praat over hem. Ik geloof haast dat het meisje al op hem verliefd is, alleen wegens zijn naam als losbol.”

Dit zal welligt den lezer verbazen: maar het ware van de zaak is, dat jufvrouw Etoff, die de eer had om Lady Bellaston aan- en uit te kleeden, uitvoerige berigten omtrent den heer Jones ontvangen had van Honour en ze getrouw aan haar dame overgebragt had den vorigen avond (of liever dien zelfden morgen) terwijl zij haar uitkleedde,—waardoor dat werk haar meer dan anderhalf uur tijds gekost had.

En ook de dame, die gewoonlijk op zulke oogenblikken zeer geneigd was om naar de verhalen van jufvrouw Etoff te luisteren, schonk buitengewoon veel aandacht aan hare berigten omtrent Jones; want Honour had hem als een zeer knappen jongen beschreven, en jufvrouw Etoff kleurde de beschrijving van zijne schoonheid zoo sterk, dat Lady Bellaston hem begon te beschouwen als eene soort van menschelijk wonder.

De nieuwsgierigheid, welke hare kamenier haar inboezemde, werd nu zeer vermeerderd door mevrouw Fitzpatrick, die het uiterlijk van Jones evenzeer roemde, als zij eerst zijn karakter, zijne afkomst en zijn gebrek aan vermogen gelaakt had.

Nadat Lady Bellaston dit alles aangehoord had, antwoordde zij zeer ernstig: „Inderdaad, mevrouw, dit is eene zeer gewigtige zaak! Niets zou loffelijker kunnen zijn dan de rol welke gij daarin speelt, en ik zal me zeer verheugen deel er in te hebben, om zulk een verdienstelijk meisje, dat ik zoo lief heb, te redden.”

„Gelooft gij niet, Milady,” vroeg nu driftig mevrouw Fitzpatrick, „dat het ook zaak zou zijn dadelijk aan oom te schrijven en hem te melden waar mijne nicht zich bevindt?”

De dame bedacht zich een oogenblik en hernam daarop: „Wel, mevrouw, dat zou ik niet doen! Mejufvrouw Western, de oude, heeft mij haar broeder als zulk een ruw mensch beschreven, dat ik er niet toe komen kan om een vrouwelijk wezen, dat hem eens ontsnapt is, weder in zijne magt te geven. Ik heb vernomen dat hij zich gedragen heeft als een monster tegenover zijne vrouw; want hij is een van die ellendelingen, die zich verbeelden het regt te hebben om den dwingeland over ons te spelen, en ik zal het steeds als een pligt beschouwen jegens mijn eigen geslacht, om iedere vrouw te redden, die het ongeluk heeft zoo iemand in handen te vallen.—Het best ze al zijn, lieve nicht, om alleen jufvrouw Western te beletten dezen mensch te zien, tot dat het goede gezelschap, dat zij hier in de gelegenheid zal wezen te ontmoeten, eene andere rigting aan hare gedachten heeft gegeven.”