Part 64
Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.
Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.
De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:
„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”
Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:
„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”
„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”
„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”
„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”
„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”
Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”
„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”
Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”
Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.
„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”
Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.
In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.
Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.
HOOFDSTUK IX.
BEVATTENDE GEHEEL ANDERE ZAKEN DAN WAARVAN SPRAKE IS GEWEEST IN HET VORIGE HOOFDSTUK.
’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.
Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.
Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen, hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.
Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.
Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eene geëvenredigde wijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.
Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag, gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.
Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:
„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”
De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:
„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.
„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”
Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.
Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.
Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.
De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.
HOOFDSTUK X.
EEN HOOFDSTUK DAT, HOE KORT OOK, WELLIGT TRANEN ONTLOKKEN ZAL AAN MENIG OOG.
De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.
Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:
„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”
De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:
„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”
„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”
„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”
„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”
„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”
„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”
„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”
„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”
„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”
Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”